---
title: "Hof van beroep te Antwerpen, 1 oktober 2001"
description: "Hof van beroep te Antwerpen (België), 1 oktober 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2001-10-01-f70f"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Antwerpen, 1 oktober 2001 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

1 oktober 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

44 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 01.10.2001

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, BURGERLIJKE KAMERS, 1E KAMER**

**1999/AR/15**

**HET HOF,**

Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 29 april 1999 heeft de oorspronkelijke eis van appellant, de veroordeling van geïntimeerde beogend tot de betaling van een som van … F, vermeerderd met de conventionele interesten vanaf 19 november 1996, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten, ongegrond verklaard.

Op tegeneis van geïntimeerde werd appellant veroordeeld tot de betaling aan geïntimeerde van een schadevergoeding van … F, vermeerderd met de gerechtelijke interesten, wegens tergend en roekeloos geding.

Appellant werd verwezen in de gedingkosten.

Appellant stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 31 mei 1999.

De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 4 september 2001.

Overwegende dat het doel en de grondslag van de oorspronkelijke hoofd- en tegeneisen van partijen zowel in feite als in rechte blijken uit de voorgaande akten van de rechtspleging en inzonderheid uit het beroepen vonnis; dat het Hof hiernaar verwijst;

Dat appellant de integrale toewijzing van zijn oorspronkelijke eis vordert; dat hij vraagt de oorspronkelijke tegeneis van geïntimeerde, alsook de in hoger beroep ingediende tegeneis ongegrond te verklaren;

Dat geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het vonnis a quo; dat hij bij tegeneis in hoger beroep nog de bijkomende veroordeling van appellant vordert tot de betaling van een schadevergoeding van … F wegens tergend en roekeloos hoger beroep;

Overwegende dat appellant zijn eis laat steunen op de verkoopovereenkomst van partijen van 2 augustus 1996 waarbij hij aan geïntimeerde een auto BMW 850 CIA, bouwjaar 1991, verkocht tegen een prijs van … F;

dat hij geïntimeerde aanspreekt tot nakoming van zijn verbintenis tot betaling van de voormelde koopsom;

Dat deze koopovereenkomst, die ten grondslag ligt van de eis van appellant, niet is betwist door geïntimeerde;

Dat geïntimeerde evenwel tegenwerpt dat hij reeds bevrijd is van zijn betalingsverbintenis door de betaling aan appellant in contanten van voormelde koopsom, uitgevoerd bij het sluiten van de overeenkomst, gevolgd door de levering van het voertuig;

Dat appellant de beweerde betaling betwist;

Overwegende dat geïntimeerde volgens art. 1315, 2de lid B.W. de bewijslast draagt van zijn beweerde betaling;

Dat geïntimeerde voorhoudt zijn betaling afdoende te bewijzen door de factuur nr. 96/11 die door appellant werd uitgereikt bij het sluiten van de overeenkomst en die door beide partijen werd ondertekend; dat deze ondertekening, volgens geïntimeerde, geldt als kwijting;

Dat de eerste rechter dit verweer heeft aangenomen;

Dat appellant de bewijswaarde van de ondertekende factuur als kwijting betwist;

Overwegende dat beide partijen hun handtekening op de factuur in kwestie hebben erkend;

Dat wordt vastgesteld dat partijen hun handtekening hebben laten voorafgaan door de met de hand geschreven vermelding : Voor akkoord;

Dat het aldus door partijen uitgedrukte akkoord slaat op de vermeldingen die hun handtekeningen voorafgaan, te weten een beschrijving van het verkochte goed en de koopprijs;

Dat de ondertekening in kwestie dan ook het akkoord van partijen bevestigt omtrent de waarachtigheid van de verkoop, van het geleverde goed en van de schuldvordering; dat de ondertekening te dezen geen afdoende bewijs van de beweerde betaling door geïntimeerde en van de kwijting door appellant levert;

Dat dit bewijs van betaling evenmin geleverd wordt door de levering van het verkochte goed;

Dat geïntimeerde geen ander bewijsaanbod heeft gedaan;

Overwegende dat geïntimeerde dan ook niet voldoet aan zijn bewijslast met betrekking tot zijn beweerde betaling;

Dat de eis van appellant gegrond voorkomt, behoudens de gevorderde conventionele interesten; dat appellant in gebreke blijft de desbetreffende overeenkomst van partijen te bewijzen; dat de voormelde factuur hiervan niet doet blijken;

Overwegende dat uit de vaststelling dat de eis van appellant grotendeels gegrond blijkt te zijn meteen volgt dat is aangetoond dat zijn oorspronkelijke eis noch zijn hoger beroep tergend of roekeloos zijn;

dat de tegeneisen van geïntimeerde ongegrond worden verklaard;

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN

**HET HOF,**

Recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep van appellant toelaatbaar en in volgende mate gegrond,

Wijzigt het beroepen vonnis,

Verklaart de oorspronkelijke eis van appellant in volgende mate gegrond,

Veroordeelt geïntimeerde tot de betaling aan appellant van de som van … F, vermeerderd met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 20 januari 1997 tot op de dag van de volledige betaling,

Verklaart de oorspronkelijke tegeneis van geïntimeerde ongegrond,

Verklaart de tegeneis in hoger beroep van geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond,

Verwijst geïntimeerde in de gedingkosten van beide aanleggen
