Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 27.02.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest gewezen :
In zake : 1997/AR/2542 - 1997/AR/2612
1997/AR/2542
1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Douane en Accijnzen, in de persoon van de Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4, bus 4;
2. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Douane en Accijnzen, in de persoon van de hoofdcontroleur van de BTW te Malle II ,waarvan de burelen gevestigd zijn te 2390 Malle, Lierselei 120;
3. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Douane en Accijnzen, in de persoon van de hoofdcontroleur van de BTW te Wijnegem, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2110 Wijnegem, Turnhoutsebaan 430;
appelIanten,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17 juni 1997;
vertegenwoordigd door Meester J. P. loco Meester M. v. H., advocaat te …, …;
tegen :
1. NV D. S., met zetel te …, …, H.R. te Turnhout nr. …;
2. NV C. F. F., met zetel te …, …, …, H.R. te Antwerpen nr. …;
geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Meester F. S. loco Meester L. G., advocaat te …, …;
en in zake van :
1997/AR/2612
1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Douane en Accijnzen, in de persoon van de gewestelijke Directeur te Antwerpen, met burelen gevestigd te Antwerpen (1° district), Kattendijkdok - Oostkaai 22;
2. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Douane en Accijnzen, in de persoon van de Ontvanger der Douane en Accijnzen, op het douanekantoor Meer Hoogstraten D.E., gevestigd te 2321 Meer, Amsterdamstraat 40/42;
3. de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
appellanten,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17 juni 1997;
vertegenwoordigd door Meester P. v. d. S., advocaat te …, …;
tegen :
1. NV D. S., met zetel te …, …, H.R. te Turnhout nr. …;
2. NV C. F. F., met zetel te …, …, …, H.R. te Antwerpen nr. …;
geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Meester F. S. loco Meester L G., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis dat betekend werd op 17.7.1997 alsmede de verzoekschriften ingediend ter griffie van dit Hof op 5.9.1997 en op 15.9.1997 waarbij hoger beroepen worden ingesteld;
Overwegende dat beide hogere beroepen die eenzelfde vonnis betreffen dienen samengevoegd te worden met het oog op een goede rechtsbedding;
Overwegende dat de eerste rechter de vordering van geïntimeerden ontvankelijk verklaarde en als volgt inwilligde :
- “zegt voor recht dat verweerders ten onrechte een bedrag aan invoerrechten en boeten hebben toegerekend op de door eiseressen betaalde borgsom;
- zegt voor recht dat verweerders ten onrechte menen dat eiseressen nog een bedrag aan BTW moeten betalen;
- veroordeelt verweerders solidair om aan eiseressen te betalen de som van … FRANK (… Belgische frank) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 1991 tot op de dag der volledige betaling;
- veroordeelt verweerders solidair tot de kosten van het geding;
- verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement”;
Overwegende dat de litigieuze borgsom vermeerderd met de intresten na uitspraak en betekening van het vonnis a quo werd terugbetaald aan geïntimeerden:
Overwegende dat de Belgische Staat een terugvordering instelt strekkende tot betaling van de som van … F. en de som van … F. (wettelijke intresten) meer de nalatigheidsintresten en ondergeschikt tot terugbetaling van de door de douane en accijnzen betaalde som van … F.;
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Overwegende dat geïntimeerden voorhouden dat het hoger beroep ingesteld op 15.9.1997 door de Belgische Staat - Ministerie van Financiën - Administratie der Douane en Accijnzen niet ontvankelijk is nu het bestreden vonnis werd aanvaard en vrijwillig uitgevoerd hetgeen een daad van berusting uitmaakt;
Overwegende dat het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad was en de betaling van de in het vonnis gestelde som op 4.11.1997 is geschied hetzij na betekening van het vonnis (17.7.1997) en na het instellen van hoger beroep door appellant;
Dat de door geïntimeerde ingeroepen briefwisseling eveneens dateert van na de betekening van het vonnis en na instellen van het hoger beroep.
Dat anders dan geïntimeerden stellen het bestreden vonnis ook de mogelijkheid tot kantonneren uitsloot;
Overwegende dat stilzwijgende berusting in een uitvoerbare rechterlijke beslissing niet kan afgeleid worden uit de loutere betaling van het verschuldigde tenzij er bijzondere omstandigheden voorhanden zijn die wijzen op een vaststaande en ondubbelzinnige verzaking van het rechtsmiddel;
Dat in casu de in de gekende omstandigheden gedane betaling niet toelaat te stellen dat het recht op hoger beroep werd prijsgegeven noch dat afstand werd gedaan van het reeds ingesteld rechtsmiddel;
Dat er derhalve geen berusting is geweest in het bestreden vonnis en het hoger beroep ontvankelijk is;
Overwegende dat geïntimeerden verder onterecht inroepen dat de betaling van het verschuldigde na uitspraak van het bestreden vonnis in hoofde van de administratie de erkenning inhoudt van de geldigheid der oorsprongcertificaten die aan de basis liggen van het geschil derwijze dat het hogere beroep alleszins ongegrond is;
Overwegende dat net deze betwisting thans in hoger beroep moet onderzocht worden en de gedane betaling enkel dient gesitueerd te worden in het kader van het uitvoerbare vonnis dat betekend werd; Dat aan deze betaling derhalve geen andere draagwijdte moet gegeven worden;
Ten gronde
Overwegende dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ertoe strekte terugbetaling te bekomen van de borgsom van … F die door de douane - expediteur B. (thans geïntimeerde de NV C.) op 9.7.1991 werd betaald in volgende omstandigheden :
- op 2.5.1991 worden door de douane-expediteur B. voor rekening van de NV D. S. 876 colli’s van bestek van roestvrij metaal ten invoer aangegeven met het document lM4 nummer …,.document dat als land van uitvoer Indonesië vermeldt en vergezeld is van een oorsprongcertificaat Formulier A nummer …, invoer die in beginsel zou genieten van een preferentieel tarief;
- onderzoek van het certificaat leert dat als land van bestemming (vak 12) Zwitserland (geen land van de Europese Gemeenschap) wordt vermeld en de administratie verzoekt geïntimeerden bij schrijven d.d. 28.5.1991 een geldig certificaat voor te leggen zo niet zou worden overgegaan tot invordering der verschuldigde invoerrechten;
- bij schrijven d.d. 4.7.1991 vraagt de administratie dat een borg wordt gestort van … F, bedrag van de eventueel verschuldigde rechten, som die zal worden teruggestort zo uit een controle a posteriori van het voor te leggen vervangingscertificaat blijkt dat aan alle regels inzake oorsprong is voldaan; op 9.7.1991 wordt de borgsom betaald;
- op 21.8.1991 wordt een nieuw certificaat voorgelegd dat evenwel aanleiding geeft tot een reeks opmerkingen zodat het aan een controle a posteriori werd onderworpen in het land van afgifte (Indonesië); herhaalde verzoeken aan de Indonesische autoriteiten bleven zonder gevolg.
- op 7 juni 1994 beslist de administratie dat het preferentieel stelsel voor bepaalde uit ontwikkelingslanden ingevoerde producten niet wordt toegestaan en dat de invorderingsprocedure onmiddellijk zal gestart worden;
- op 23 juni 1994 stelt de verificateur een rapport op stellende dat een overtreding op artikel 202 Algemene Wet zal worden vastgesteld ten laste van de invoerder en expediteur wegens voorleggen van een niet geldig certificaat bij invoer;
- op 4 juli 1994 stelt de hoofdcontroleur voor de verschuldigde invoerrechten en BTW na te vorderen en een boete op te leggen van 1/10 van het invoerrecht aangezien de douane-expediteur op de hoogte diende te zijn van de ongeldigheid van het initieel voorgelegde certificaat.
- bij schrijven d.d. 9.9.1994 van de administratie der douanen en accijnzen wordt de expediteur in kennis gesteld van de beslissing van 7 juni 1994 en wordt een detail gegeven van de verschuldigde sommen hetzij :
- invoerrechten : … - … F
- BTW …
- boete douane … F
- boete BTW … F.
Waarvoor de borgstelling van … F, werd aangewend;
Overwegende dat aan de orde is de verschuldigdheid en/of eisbaarheid) van de invoerrechten (douaneschuld) en van de BTW;
Dat gebeurlijk ook dient onderzocht te worden welke weerslag de verjaring van de navordering inzake de invoerrechten heeft op de BTW-rechten;
a) douaneschuld
Overwegende dat geïntimeerden in hoofdorde voorhouden dat de navordering der invoerrechten door verjaring is vervallen en dit op grond van artikel 2 van de destijds van toepassing zijnde EEGverordening nr. … van de Raad van 24 juli 1979;
Dat ondergeschikt geïntimeerden verwijzen naar artikel 5.1 en 5.2 van die zelfde Europese verordening die primeert op de Algemene Wet op de Douane en Accijnzen ( hierna genoemd AWDA);
Dat zij tevens inroepen dat artikel 202 AWDA niet van toepassing is omdat dit slechts speelt in geval de rechten niet werden geïnd wegens een strafrechtelijk vervolgbare handeling hetgeen in casu niet het geval is en dat hoe dan ook de vaststelling van de belastingschuld door de administratie buiten de termijn van drie jaar gesteld in gezegd artikel 202 gebeurde;
Dat appellant daarentegen stelt dat niet artikel 2 der Europese verordening van toepassing is doch wel artikel 3 dat verwijst naar de nationale wet in casu artikel 202 AWDA;
Overwegende dat de verordening nr. … naar luidt van artikel 1 de voorwaarden vaststelt waaronder de bevoegde autoriteiten overgaan tot navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer die om ongeacht welke reden niet van de belastingplichtige zijn opgeëist voor goederen waarvoor een aangifte voor een douaneregel is gedaan waaruit de verplichting tot betaling van die rechten voortvloeit;
Dat artikel 2 van gezegde verordening als volgt luidt :
“1. Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeiende, niet van de belastingplichtige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet geheven rechten;
Deze procedure kan echter niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingplichtige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan.
2. De procedure tot navordering in de zin van lid 1 wordt ingeleid door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer oj bij uitvoer dat hij verschuldigd is.
Dat artikel 3 der verordening zegt :
“Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijke verschuldigde" rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen is de in artikel 2 vastgestelde termijn niet van toepassing.
In dat geval geschiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de op dit gebied in de lid - Staten geldende bepalingen."
Overwegende dat artikel 202 AWDA bepaalt :
“Wanneer, na het afsluiten van het certificaat van verificatie, de ambtenaren binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de dag dat waarop het oorspronkelijk van de belastingplichtige opgeëiste bedrag is geboekt , of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de belastingschuld is ontstaan, vaststellen dat de rechten of accijnzen wettelijk verschuldigd op de aangegeven goederen, niet of niet volledig werden geïnd wegens een strafrechtelijk vervolgbare handeling, moeten de ontdoken rechten of de accijnzen worden betaald ofwel door de belastingplichtige die hetzij primair hetzij subsidiair gehouden is tot betaling van die belastingen ofwel door zijn rechtverkrijgenden”.
Overwegende dat vergelijking van artikel 2 der verordening nr. … en artikel 202 AWDA leert dat in beide gevallen een termijn van drie jaar geldt hetzij voor het inleiden der procedure van navordering (EEG-verordening) hetzij voor het vaststellen van de niet inning der wettelijk verschuldigde rechten (nationale wet).
Dat ook het vertrekpunt voor het berekenen van deze termijn in beide gevallen identiek is met name de dag van boeking van het opgeëiste bedrag of de dag waarop de schuld is ontstaan;
Overwegende dat partijen het eens zijn dat in casu het ontstaan der douaneschuld de termijn doet lopen;
Dat de begrippen “rechten bij invoer”, “douaneschuld” en “douaneregeling” gedefinieerd worden in artikel 1 AWDA en dit in overeenstemming met de dwingende Europese verordeningen;
Dat artikel 2 van de AWDA bepaalt dat de regels betreffende het ontstaan van de douaneschuld, de vaststelling van het bedrag ervan en het tenietgaan ervan zijn bepaald in de verordeningen van de Europese Gemeenschappen;
Overwegende dat overeenkomstig deze bepalingen een douaneschuld de op een natuurlijke of rechtspersoon rustende verplichting tot betaling is van de rechten bij invoer;
Dat een douaneschuld onder meer ontstaat wanneer goederen die aan rechten onderworpen zijn in het vrije verkeer worden gebracht;
Dat partijen het eens zijn dat te dezen de schuld is ontstaan op het ogenblik der aangifte ten verbruik namelijk op 3.5.1991;
Dat overeenkomstig artikel 2 van de verordening nr. … de procedure tot navordering wordt ingeleid door kennisgeving van het bedrag der rechten en deze procedure niet meer kan ingesteld worden zo meer dan drie jaar verstreken zijn sedert de dag van ontstaan der douaneschuld;
Dat geïntimeerden de brief van 9.9.1994 als kennisgeving aanzien en in deze hypothese verjaring zou zijn ingetreden rekening houdende met de datum der aangifte;
Overwegende dat appellant beroep doende op artikel 3 der gezegde verordening meent dat de termijn van drie jaar in casu niet van toepassing is omdat de onjuiste aangifte of het voorleggen van onjuiste documenten (vermelding op het oorsprongcertificaat : land van bestemming Zwitserland en niet een EEG-land) een strafbaar feit is en derhalve de bepalingen van de AWDA spelen;
Overwegende dat correcte lezing van artikel 3 van gezegde verordening evenwel aantoont dat niet het bestaan van een strafrechtelijk vervolgbare handeling de termijn opgelegd in artikel 2 buiten toepassing stelt doch wel de gebeurlijke gevolgen van dergelijke handeling;
Dat immers het constateren van de onmogelijkheid het juiste bedrag der verschuldigde rechten vast te stellen ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling de gebeurtenis is die in artikel 3 der verordening wordt geviseerd en er derhalve een causaal verband moet bestaan tussen deze onmogelijkheid en het bestaan van een strafrechtelijke daad;
Dat dergelijk oorzakelijkheidsverband nergens uit blijkt en door appellant zelf niet wordt ingeroepen;
Overwegende dat verder een “onjuiste” aangifte of een verkeerd oorsprongcertificaat niet noodzakelijkerwijze een strafrechtelijk vervolgbare handeling uitmaakt en appellant te dezen onterecht stelt dat het aanbrengen van de vermelding Zwitserland als land van bestemming gebeurde met de bedoeling de rechten te ontduiken;
Dat niet wordt ingezien welke rechten konden ontdoken worden door deze vermelding die bezwaarlijk kwade trouw kan inhouden wanneer de goederen ten gebruik aangegeven worden in België temeer daar niet wordt betwist dat voor Zwitserland dat lid is van de Europese Vrijhandelsassociatie dezelfde oorsprongregels gelden als voor de landen der Europese Unie:
Overwegende dat derhalve artikel 2 en niet artikel 3 van de verordening nr. … van toepassing is.
Dat vervolgens dient onderzocht te worden of de procedure tot navordering tijdig werd ingeleid in acht genomen het feit dat overeenkomstig artikel 2.2 van gezegde verordening de kennisgeving van het bedrag der rechten aan de betrokkene als inleiding geldt;
Overwegende dat anders dan appellant stelt de brief van 4 juli 1991 waarbij de administratie der douanen en accijnzen geïntimeerde, NV D. S., verzoekt een borg te storten van … F. niet geldt als kennisgeving van het bedrag der rechten;
Dat immers het bedrag van de verschuldigde rechten in deze brief niet werd opgegeven en de precisering dat de borgsom van … F het bedrag van de eventueel verschuldigde rechten is geen kennisgeving van het verschuldigd bedrag der rechten uitmaakt;
Dat appellant verwijst naar de kennis die geïntimeerden hebben van de geplogenheden van de douane en de werkwijze tussen expediteurs en douanediensten doch te dezen niet bepaalde geplogenheden tellen doch wel de dwingende bepalingen van de verordeningen;
Dat het afgerond bedrag van … F. de borgsom vertegenwoordigt en niet het bedrag van de verschuldigde rechten;
Dat niet “een" bedrag aan rechten dient ter kennis gebracht te worden doch het bedrag van de verschuldigde rechten;
Dat anders dan appellant stelt het storten van de borgsom niet kan gelijk gesteld worden met een betaling van de kwestieuze rechten en deze borgstelling evenmin wijst op een instemming deze som te laten aanwenden tot voldoening van het voorstel tot minnelijke schikking (brief d.d. 9.9.1994):
Overwegende dat geïntimeerden slechts bij schrijven d.d. 9.9.1994 in kennis werden gesteld van het bedrag der verschuldigde rechten hetzij buiten de termijn van drie jaar te rekenen vanaf het ontstaan der douaneschuld;
Dat de procedure tot navordering derhalve laattijdig werd ingeleid en de douaneschuld door verjaring is vervallen;
Dat het hoger beroep van de Belgische Staat met betrekking tot de rechten bij invoer dan ook ongegrond is;
b) BTW-vordering
Overwegende dat de Belgische Staat stelt dat nu de invoerrechten in de maatstaf van heffing van de BTW moeten worden opgenomen (artikel 34 oud BTW-wetboek) door het loutere feit dat die rechten bij invoer in België verschuldigd zijn en dus ongeacht of zij daadwerkelijk werden betaald, de verjaring der douaneschuld geenszins afbreuk doet aan het objectieve feit dat de invoerrechten verschuldigd zijn ingevolge de invoer in België en in de maatstaf van heffing van de BTW moeten worden opgenomen;
Dat geïntimeerden daarentegen stellen dat een schuldvordering die door verjaring is “uitgedoofd" niet meer in aanmerking kan genomen worden als basis voor de berekening van BTW-rechten;
Overwegende dat het verval der navordering inzake invoerrechten zoals hierboven gesteld geen uitspraak behelst over het verschuldigd karakter van de litigieuze invoerrechten;
Dat het vaststellen van het verval van deze vordering derhalve impliceert dat geen BTW-rechten meer verschuldigd zijn;
Overwegende dat niet wordt betwist dat in beginsel de wegens invoer verschuldigde invoerrechten in de maatstaf van heffing der BTW moeten opgenomen worden;
Dat zo deze invoerrechten niet verschuldigd waren er geen BTW-rechten kunnen verschuldigd zijn nu deze niet in de maatstaf van heffing kunnen opgenomen worden;
Overwegende dat de Belgische Staat (administratie van de BTW) voorhoudt dat nu bij verificatie door de administratie der Douane en Accijnzen werd vastgesteld dat invoerrechten dienden geheven te worden op deze goederen en deze niet in de maatstaf van heffing inzake BTW werden opgenomen een som van … F. aan BTW te weinig werd aangerekend doch hiermede niet is aangetoond dat invoerrechten in casu verschuldigd waren;
Dat eenvoudigweg wordt verwezen naar de conclusies genomen met betrekking tot de douaneschuld om het verschuldigd karakter van invoerrechten aan te tonen;
Dat de stelling van de administratie der Douane en Accijnzen inhoudt dat nu het oorsprongcertificaat ongeldig was (vermelding Zwitserland) het preferentieel tarief niet kon toegepast worden derwijze dat de douaneschuld ontstond;
Overwegende dat geïntimeerden inroepen dat ten aanzien van de grond der zaak met name het verschuldigd zijn van invoerrechten de vermelding van Zwitserland als land van bestemming zonder belang is nu dit land lid is van de Europese Vrijhandelsassociatie voor wie dezelfde oorsprongregels gelden als voor de landen der Europese Unie met als gevolg dat hetzelfde preferentieel tarief (in casu was dit 0 %) van toepassing was;
Dat appellant zulks niet betwist en niet aantoont welke invoerrechten wel verschuldigd waren;
Dat het hoger beroep dan ook niet gegrond is;
Dat het bestreden vonnis dient bevestigd te worden;
Beschikkend gedeelte
0M DEZE REDENEN,
HET HOF,
Gekt op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
uitspraak doende op tegenspraak;
Voegt de zaken 1997/AR/2542 en 1997/AR/2612 samen;
Verklaart de hogere beroepen en de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond;
Bevestigt het bestreden vonnis;
Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep begroot aan de zijde van geïntimeerden op :
- verschijning in hoger beroep : … frank;
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … frank.
volgens opgave in conclusie;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZEVENENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZENDENEEN,
waar aanwezig waren :
R. T., Voorzitter;
A. W. en
D. W., Raadsheren;
A.v. L., Griffier.
A.v. L. D. W. A. W. R. T.
Voorzitter:
Raadsheren: Griffier.
A.V. L. D. W. A. W. R. T.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.