---
title: "Hof van beroep te Antwerpen, 26 juni 2000"
description: "Hof van beroep te Antwerpen (België), 26 juni 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2000-06-26-a373"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Antwerpen, 26 juni 2000 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

26 juni 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

60 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 26.06.2000

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :**

Zitting van **26 juni 2000**

Inzake : **1997/AR/2787**

**Mr. A. G.**, advocaat te …, … , in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV **I.**, … te …;

**appellant,**

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 6 oktober 1997;

vertegenwoordigd door Mr. **B. C.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, in de persoon van de Ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor Hasselt, wiens kantoren gevestigd zijn te Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;

**geintimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **P. V. D. S.**, advocaat te …, …;

Naar aanleiding van een onderzoek voor de periode van 1 januari 1990 tot 31 december 1992 stelden de ambtenaren van BTW op 8 februari 1995 een PV op en werd op 9 februari 1995 een PV lastens NV **l.** een dwangbevel uitgevaardigd waarin betaling gevorderd werd van … BEF aan BTW, van … BEF + … BEF aan boete, van de intresten en de kosten:

NV **l.** tekende hiertegen verzet aan bij deurwaardersexploot betekend op 20 februari 1995.

De vordering van geïntimeerde steunde op de verwerping van de door **l.** gedane aftrek van BTW wegens gebrek aan de nodige stukken die de gedane aftrek staafden.

Nadien heeft **l.** nog een aantal duplicaten bij gebracht van facturen die door de fiscus als voldoende bewijs voor het recht op aftrek van betaalde BTW werden aanvaard.

Geïntimeerde heeft haar eis dan ook herleid en vorderde nog de betaling van … BEF BTW, een geldboete van … BEF + … BEF en de intresten.

NV **l.** werd failliet verklaard en de curator heeft het geding verder gezet.

In het vonnis van 6 oktober 1997 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt het verzet ongegrond verklaard met dien verstande dat de door **l.** verschuldigde bedragen verminderd werden conform de herleiding door geïntimeerde (waarbij het Hof opmerkt dat in het beschikkend gedeelte geen sprake is van de aparte boete van … BEF, opgelegd wegens het niet overleggen van het factuurboek).

De curator tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 14 oktober 1997.

Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

---

WAT BETREFT DE INGEROEPEN NIETIGHEID VAN HET PV EN DWANGBEVEL

Blijkens de gegevens vervat in het PV hebben zich volgende relevante feiten voorgedaan :

Op 13 juni 1994 voerden de ambtenaren een controle uit bij **l.** met betrekking tot de juiste toepassing van de BTW­wetgeving.

Gevraagd werd de boeken en bescheiden met betrekking tot de onderzochte periode, 1990-1992 voor te brengen waarop gemeld werd dat de facturen van het jaar 1990 vernietigd waren in een brand op 16 april 1992.

Wel werden voorgelegd het bestaande grootboek leveranciers en klanten, aankoop- en verkoopboek, uitgeprint op computerlistings en samengebonden in een map. De controle kon nog niet beëindigd worden.

De ambtenaren boden zich opnieuw aan voor verdere controle op 16 september 1994 en kregen te horen dat de boeken gestolen waren in … en **l.** over geen enkel document meer beschikte noch over enig computerbestand.

Bij een later bezoek op 16 april 1992 werd gemeld dat de "boeken" in de brand gebleven waren.

De fiscus heeft vervolgens op basis van eigen bestanden (listing­leveranciers) en nuttige andere gegevens berekend dat voor een bedrag van … BEF meer aan BTW werd afgetrokken dan volgens de listings mogelijk was.

De fiscus heeft er tevens op gewezen dat krachtens de BTW­reglementering de uitoefening van het recht op aftrek van betaalde BTW het bezit van een factuur vereist in handen van de belastingplichtige, opgemaakt overeenkomstig de reglementaire bepalingen.

Daarbij werd opgemerkt dat ook geen dubbels van facturen werden voor gebracht.

Het is op grond van voorgaande gegevens dat het dwangbevel werd uitgevaardigd.

Appellant betoogt dat het dwangbevel en PV nietig zijn wegens hun arbitrair en willekeurig karakter en onvoldoende of onafdoende motivering.

Het behoort aan de belastingplichtige die aanspraak maakt op aftrek van BTW zijn recht hierop te bewijzen. Appellant gaat er dan ook onterecht van uit dat op geïntimeerde ter zake de bewijslast rust. Van enige willekeurige bewijstechniek aangewend door geïntimeerde is geen sprake : geïntimeerde kan er principieel mee volstaan vast te stellen dat de belastingplichtige het bewijs niet levert gerechtigd te zijn op de gedane aftrek.

Niet alleen rust op de belastingplichtige de bewijslast van het recht op aftrek maar tevens is reglementair bepaald op welke wijze het bewijs door de belastingplichtige dient geleverd : door de overlegging van facturen die beantwoorden aan de reglementaire voorschriften.

Te dezen volgt uit de feitelijke vaststellingen van de controlerende ambtenaren dat het vereiste bewijs niet werd bijgebracht. Zulks is noch arbitrair noch ongemotiveerd.

Indien in beginsel kan aangenomen worden dat de administratie arbitrair handelt indien deze op onredelijke manier vasthoudt aan de formalistische regeling en besluit tot een manifest onverschuldigde heffing, te dezen niet is aangetoond dat de administratie onredelijk heeft gehandeld. Geconfronteerd met de bewering dat de facturen van 1990 niet meer voor handen waren ingevolge een brand, heeft de administratie met de beschikbare informatie, waaronder de wel nog aanwezige boekhouding van NV **l.**, getracht de aanspraken van de belastingplichtige te onderzoeken en heeft een groot aantal aftrekken aanvaard hoewel geen facturen waren voorgebracht. Wanneer nadien ook nog de boekhouding van NV **l.** (volgens bewering) gestolen werd en ook geen computerbestanden meer voor handen zouden geweest zijn, heeft de administratie noodgedwongen op basis van de wel gekende gegevens berekend welke aftrek aanvaard kon worden en welke geweigerd werd.

Deze werkwijze. toegepast onder dwang van de omstandigheden, is niet willekeurig of arbitrair. Door tevens aan de belastingplichtige in het vooruitzicht te stellen dat bijkomende aftrekken aanvaard zouden worden in de mate waarin duplicaten van de ontbrekende facturen bijgebracht werden heeft de administratie volstrekt redelijk gehandeld. NV **l.** kan aan de fiscus niet verwijten dat hij overhaast heeft gehandeld. De rechten van de belastingplichtige werden door de gevolgde werkwijze afdoende gerespecteerd. Uit de bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen volgt immers dat het risico bij verlies van de geëigende bewijsmiddelen rust op de belastingplichtige.

Niet is aangetoond dat dit geleid heeft tot een onredelijk resultaat. Bij het afsluiten van het PV en het opstellen van het dwangbevel beantwoordde de weigering van aftrek aan de concrete situatie en maakte slechts de toepassing uit van de wettelijke reglementering ter zake, ongeacht de gevolgen voor de belastingplichtige. Onterecht werpt appellant dan ook op dat het dwangbevel manifest onjuist was. Dat de fiscus zijn eis later heeft herleid in functie van de bijgebrachte gegevens doet hieraan geen afbreuk.

Uit dezelfde motieven vloeit voort dat het PV en het dwangbevel dat ernaar verwijst voldoende gemotiveerd werden. De belastingplichtige werd door deze documenten volledig ingelicht over de feitelijke en juridische gronden waarop de fiscus steunde om de aftrek van BTW te weigeren.

De door appellant ingeroepen gronden van nietigheid zijn dan ook ongegrond.

Appellant bewijst op geen enkele wijze gerechtigd te zijn op de thans nog in betwisting zijnde BTW-bedragen zodat niet verder moet worden ingegaan op de discussie met betrekking tot de wijze waarop dit bewijs mag worden geleverd. De aangevoerde vermoedens vormen niet de bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens die dienen als bewijs en dit voor zover zulk bewijs al zou worden toegelaten.

Terecht werpt appellant op dat de geldboete krachtens KB nr. 41 d.d. 30 januari 1987 te dezen maximaal 10 % kan bedragen. De boete wordt dan ook tot dit percentage herleid zodat het verzet in die mate gegrond is.

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep slechts ten dele gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis behoudens in zover het verzet van appellant met betrekking tot de boete ongegrond werd verklaard;

Zegt rechtens dat de boete herleid wordt tot 10 % of … BEF; Verklaart het verzet van appellant in die mate gegrond;

Doet het dwangbevel teniet enkel wat betreft het bedrag van de geldboete dat het bedrag van … BEF overstijgt, en veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van hetgeen desgevallend reeds teveel ontvangen werd op grond van dit deels vernietigde dwangbevel;

Compenseert de kosten van het hoger beroep.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van **zesentwintig juni tweeduizend**.

waar aanwezig waren :

de heren **E. H.**, Raadsheer, wnd. Voorzitter

**J. E.**, Raadsheer

**P. B.**, Raadsheer

Mevrouw **G. V.**, Griffier.

**G. V.** **P. B.** **J. E.** **E. H.**
