Hof van beroep te Antwerpen, 10 april 2000 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 10 april 2000

Zoeken

Hof van beroep te Antwerpen, 10 april 2000Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2000-04-10-2ea3

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
10 april 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

54 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 10.04.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN - VIJFDE BIS KAMER recht doend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

In Zake : 1998/AR/2649

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de hoofdcontroleur van de BTW-controle, Antwerpen, en op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige ambtenaar van het eerste BTW-ontvangkantoor Antwerpen, beiden met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4;

appellant

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout dd. 27.02.1998.

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

NV H. B. EN S., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder nummer …;

geïntimeerde

vertegenwoordigd door Mr. B. C. loco Mr. V. D., advocaat te …, …;

1. De antecedenten en de vorderingen

1.1. NV H. B. en S. heeft op 07.05.1991 een aantal activa overgenomen van BVBA. A. O. V. L. en NV A. S. V. L., die beide in vereffening waren. Deze overdrachten werden gefactureerd en NV H. B. en S. betaalde daarop de BTW.

Naar aanleiding van een controle oordeelde de administratie dat deze overdracht betrekking had op een algemeenheid van goederen en daarom krachtens art. 11 W.BTW vrijgesteld was van BTW. Zij verstuurde een correctie-opgave, waarbij een bedrag van … BEF werd gevorderd wegens ten onrechte uitgeoefende aftrek.

1.2. NV H. B. en S. was het met dit standpunt niet eens en heeft op 20.01.1993 de Belgische Staat gedagvaard teneinde te horen zeggen dat zijn vordering, voor zover deze gesteund was op de correctie-opgave, ongegrond was.

Tijdens het geding heeft de Belgische Staat een dwangbevel betekend. Bij conclusie heeft NV H. B. en S. haar vordering uitgebreid derwijze dat haar eis, die aan de beoordeling van de eerste rechter werd voorgelegd, er in hoofdorde toe strekte het dwangbevel reg. 127/1233, uitgevaardigd op 29.09.1994, van nul en generlei waarde te horen verklaren, te horen zeggen voor recht dat zij de door middel van dat dwangbevel gevorderde bedragen ,niet verschuldigd is ende terugbetaling te bevelen van het onverschuldigd betaalde bedrag van … BEF, vermeerderd met de moratoire interesten vanaf de datum van betaling.

1.3. In het bestreden vonnis dd. 27.02.1998 heeft de eerste rechter geoordeeld dat art. 11 W.BTW niet van toepassing was. Hij oordeelde dat noch de voorraden, noch een aantal leasing contracten, noch het bediendenpersoneel werden overgenomen en besloot daaruit dat de overeenkomst niet sloeg op een algemeenheid van goederen. Op die grond heeft de eerste rechter de vordering van NV H. B. en S. gegrond verklaard.

1.4. De Belgische Staat heeft op 16.09.1998 hoger beroep ingesteld. Hij besluit tot de ongegrondheid van de vordering van NV H. B. S. en roept - ter beantwoording van de redengeving van de eerste rechter - in dat :

• de voorraden wel werden overgedragen, vermits de overeenkomst voorzag dat ze ter beschikking van NV H. B. en S. zouden worden gesteld zodat deze er de beschikking smacht over verwierf;

• wel degelijk alle materiële vaste activa werden overgedragen;

• het cliënteel mee werd overgedragen, vermits een vergoeding voor goodwill werd betaald.

NV H. B. en S. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en argumenteert dat :

• de terbeschikkingstelling van de voorraden niet gelijkstaat met een eigendomsoverdracht, vermits zij deze voorraden slechts met een wel bepaald doel mocht gebruiken;

• de leasingcontracten m.b.t. het bekistingssysteem en een P. snelmontagekraan niet door haarzelf maar door NV V. werden overgenomen;

• de schuldvorderingen niet werden overgedragen;

• de bedienden niet werden overgenomen;

• de vereffenaar de medecontractant bleef ten aanzien van de contracten in uitvoering, wat de overdracht van cliënteel tegenspreekt.

2. Beoordeling

Het doel en de grondslag van de vorderingen werden, zo in feite als in rechte, in de hieraan voorafgaande procedurestukken uiteengezet. Het hof verwijst ernaar.

2.1. Uit de ter discussie staande overeenkomst dd. 07.05.1991, die aanleiding gaf tot het uitschrijven van de twee facturen waarop de BTW (volgens de Belgische Staat ten onrechte) werd aangerekend, blijkt dat :

• NV H. B. en S. het in bijlage 1 van de overeenkomst omschreven personeel van BVBA A. O. V. L. en NV A. S. V. L. «integraal» had overgenomen en dat NV H. B. en S. met dit doel was opgericht;

• de terreinen en gebouwen, inclusief inrichting en inboedel en alle goederen onroerend door incorporatie en/of bestemming door de (oude) aandeelhouders van NV H. B. en S. in deze vennootschap werden ingebracht;

• NV H. B. en S. «al» de materiële vaste activa vermeld in bijlage 3 van de overeenkomst verwierf, de goodwill, de commerciële en technische knowhow, de handelsbenaming «enz ..».

Daarentegen behielden de in vereffening gestelde vennootschappen de lopende contracten die zij zelf verderzetten, door met NV H. B. en S. onder aannemingsovereenkomsten aan te gaan volgens de formule «cost plus fee», waarbij de fee op 10 % was bepaald. Tevens behielden de overdragende vennootschappen de voorraden die zij evenwel aan NV H. B. en S. ter beschikking stelden.

2.2. Het is niet gebleken dat de bepaling in de overeenkomst, volgens dewelke de lopende contracten niet aan NV H. B. en S. werden overgedragen maar door haar in opdracht van de overdragende vennootschappen in onder aanneming zouden worden uitgevoerd en dat zij hiervoor de aanwezige voorraden kon benutten - zonder dat deze voor haar een aanrekenbare kost zouden zijn - niet overeenstemde met de werkelijke bedoeling van de partijen of niet in werkelijkheid werd omgezet.

Na het faillissement sloten verschillende opdrachtgevers van de overdragende vennootschappen nieuwe overeenkomsten af met NV V., wat aantoont dat deze overeenkomsten zich niet in de portefeuille van NV H. B. en S. bevonden. NV H. B. en S. legt tevens creditnota's voor, waaruit blijkt dat de door haar verwerkte materialen niet aan de overdragende vennootschappen werden aangerekend, wat eveneens wijst op een nakoming van de overeenkomst. Dat op het ogenblik van het faillissement, drie maanden later, geen voorraden meer aanwezig waren, sluit niet uit dat er op datum van de overeenkomst wél voorraden waren die door de overdragende vennootschappen ter beschikking waren gesteld van NV H. B. en S. en door deze laatste inmiddels verwerkt ter uitvoering van de onder aannemingsovereenkomsten.

Het aangaan van onder aannemingscontracten met het oog op de verdere uitvoering van de opdrachten die de overdragende vennootschappen in portefeuille hadden staat niet gelijk aan een overdracht van de orders, evenmin als het ter beschikking stellen van aanwezige voorraden met het oog op de verwerking ter uitvoering van deze onder aannemingsovereenkomsten gelijkstaat met de eigendomsoverdracht ervan.

Met NV H. B. en S. stelt het hof vast dat de lijst van overgedragen personeelsleden geen bediende bevat. Haar bewering dat de bediende die instond voor de aankoop en de calculatie In dienst bleef tot het faillissement wordt niet tegengesproken.

Nu aldus noch de schuldvorderingen, noch de lopende contracten, noch de voorraden werden overgedragen terwijl, bovendien, de vereffenaar van de overdragende vennootschappen bij toepassing van art. 182 Venn. W. het bedrijf verderzette en hiertoe de belangrijkste bediende in dienst hield, vormt de voorliggende overeenkomst geen overdracht van een algemeenheid van goederen in de zin van art. 11 W.BTW.

Het hoger beroep is ongegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Recht doend op tegenspraak;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Verwijst de Belgische Staat in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van NV H. B. en S. op … BEF (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van tien april tweeduizend

waar aanwezig waren :

de heren

J. E., Alleenzetelend Raadsheer

L. P., Griffier

L. P. J. E.