---
title: "Hof van beroep te Antwerpen, 30 november 1998"
description: "Hof van beroep te Antwerpen (België), 30 november 1998."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-1998-11-30-208b"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Antwerpen, 30 november 1998 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

30 november 1998

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

120 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 30.11.1998

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, vierde ter Kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, spreekt het volgende arrest uit :**

Terechtzitting van **30.11.1998**

In zake : **1992/AR/3762**

**C. C.**, wonende te …, …;

**appellante** tegen het vonnis uitgesproken op 19 oktober 1992 door de 5 de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt;

vertegenwoordigd door mr. **J. B.** loco mr. **H. V.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen te·3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door mr. **P. B.** loco mr. **P. V. d. S.**, advocaat te …, …,

Appellante tekende verzet aan tegen twee dwangbevelen, daterend van 17 februari 1988 en 2 maart 1989, waarin BTW, boeten, interesten en kosten van haar werden gevorderd voor de jaren 1984 en 1985.

Het bestreden vonnis van 19 oktober 1992 van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt heeft de beide verzetten gevoegd en ongegrond verklaard.

Appellante tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6 november 1992. Zij handhaaft haar verzet tegen beide aanslagen.

Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

---

Overwegende dat doel en grondslag van de vordering, zowel in feite als in rechte, blijken uit het bestreden vonnis; dat het Hof hiernaar verwijst;

Overwegende dat appellante een café-dancing uitbaat; dat geïntimeerde de boekhouding van appellante als niet bewijskrachtig heeft verworpen en de omzet voor de jaren 1984 en 19B5 heeft herberekend op basis van een aantal vermoedens;

Overwegende dat het arrest van 16 januari 1995 van de Zesde Kamer van dit Hof geen gezag van gewijsde heeft met betrekking tot huidig geschil; dat dit arrest een geschil inzake de directe belastingen betrof en derhalve een ander voorwerp had; dat daarenboven uit de motieven van dit arrest weliswaar blijkt dat het (deels) betrekking heeft op dezelfde jaren als te dezen maar dat de fiscus slechts ten dele dezelfde bewijsmiddelen heeft aangewend; dat in tegenstelling tot hetgeen uit het arrest van 16 januari 1995 kan worden afgeleid, in huidig geschil geïntimeerde zich voornamelijk steunt op de gegevens die blijken uit de PV's die door haar bevoegde ambtenaren werden opgesteld naar aanleiding van twee BTW-controles; dat voor zover kan worden nagegaan aan de hand van de motieven van voormeld arrest, deze gegevens niet ter beoordeling van het Hof werden voorgelegd in het geschil met betrekking tot de directe belastingen;

Overwegende dat geïntimeerde in beroepsconclusies een aantal feitelijke gegevens heeft verwerkt welke geput werden uit het PV opgesteld door adjunct-verificateur **G. B.** van 10 december 1988 (voor het jaar 1984) en het PV opgesteld door verificateur **M. V.** van 12 februari 1988 (voor het jaar 1985);

Overwegende dat uit de vergelijking van de aangekochte vaten bier met de teruggegeven (lege) vaten blijkt dat vanaf maart 1984 tot einde 1985 de café­dancing zou zijn uitgebaat met een negatieve stock aan vaten bier; dat m.a.w. constant meer lege vaten werden terugbezorgd aan de brouwer dan volle vaten aangekocht;

Overwegende dat deze feitelijke vaststelling niet afdoende door appellante verklaard wordt; dat immers ook de gegevens opgenomen zijn sinds de opening van de zaak van appellante (augustus 1983) waaruit blijkt dat er geen stock werd opgebouwd die nadien werd afgebouwd; dat appellante haar bewering dat zij haar etablissement regelmatig ter beschikking stelde aan derden voor de organisatie van privé-feesten niet bewijst en dit de voormelde wanverhouding niet verklaart; dat zij niet in staat blijkt de vastgestelde wanverhouding te verklaren;

Overwegende dat geïntimeerde aan de hand van de facturen de bewegingen van de koolzuurflessen kan reconstrueren vermits de facturen en de terugname­documenten de nummers van de bewuste flessen vermelden;

Overwegende dat ook deze feiten als vaststaand moeten worden aangezien en gebaseerd zijn op de vaststellingen gedaan door genoemde bevoegde BTW-ambtenaren verwerkt in genoemde PV's;

Overwegende dat deze feitelijke gegevens leiden tot de vaststelling dat in de onderzochte periode er van de 28 op naam van appellante geleverde flessen er slechts 6 door haar werden teruggegeven of nog, dat van de 21 teruggegeven flessen er volgens de facturatie slechts 6 aan haar werden geleverd;

Overwegende dat voormelde feitelijke gegevens ertoe nopen te besluiten dat appellante heel wat meer vaten bier heeft getapt dan uit haar boekhouding blijkt;

Overwegende dat geïntimeerde dan ook bewezen heeft aan de hand van feitelijke vermoedens dat de gerealiseerde omzet hoger was dan aangegeven;

Overwegende dat geïntimeerde de werkelijke omzet berekend heeft op basis van de stukken in verband met de aan het adres van appellante door de brouwer (BVBA **St.-J.**) gedane leveringen;

Overwegende dat met betrekking tot de leveringen gedaan in 1984 vaststellingen gedaan werden in het PV van 10 december 1988; dat gebleken is dat de heer **W. A.**, vroegere mede-uitbater, in het bezit was van een reeks facturen uitgaande van BVBA **St.-J.** en uitgeschreven op naam van "*klanten allerlei*" alsmede de betrokken leveringsbons eveneens op naam van allerlei of op naam van "**B.**" (handelsnaam van de café-dancing); dat het leveringsadres wel degelijk dit van de handelszaak van appellante (en van de heer **A.**) was; dat daarenboven zowel de nummers van de leveringsbons als van de facturen van deze "klanten allerlei" aansloten op deze opgenomen in de boekhouding van appellante; dat volgens de verklaring van de zaakvoerder van BVBA **St.-J.**, de heer **C.**, afgelegd ten overstaan van controleur **C.** en mede opgenomen in het PV van 12 februari 1988, de plaats van de levering waarvoor factuur werd opgesteld op *"klanten allerlei"* te achterhalen was door deze te vergelijken met de daarop volgende facturen; dat immers op vraag van de klant de leveringen werden opgesplitst in een "*officiële*" en een "*officieuze*" factuur welke tegelijk geboekt werden;

Overwegende dat deze feitelijke gegevens de gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens uitmaken dat de bewuste leveringen wel degelijk aan appellante gebeurden;

Overwegende dat blijkens de gedane vaststellingen opgenomen in het PV d.d. 12 februari 1988 bij controle van BVBA **St.-J.** leveringsbons voor het jaar 1985 werden aangetroffen op het adres van appellante terwijl de hierop betrekking hebbende facturen werd opgemaakt op *"klanten allerlei"*; dat ook desbetreffend werd vastgesteld dat de nummers· van de facturen (de "*officiële*" en de "*officieuze*" elkaar opvolgden;

Overwegende dat om zelfde redenen als hiervoor vermeld deze gegevens de gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens uitmaken die bewijzen wat de werkelijke omzet is geweest;

Overwegende dat herhaald wordt dat appellante niet afdoende bewijst dat de leveringen op haar adres welke niet door een factuur op haar naam vergezeld zijn niet haar eigen omzet ten goede te zijn gekomen;

Overwegende dat bewezen is dat appellante een omzet in 1984 en 1985 heeft gerealiseerd zoals die berekend werd door de genoemde ambtenaren; dat het verzet tegen de hierop gebaseerde BTW, boeten, interesten én kosten dan ook terecht ongegrond werd verklaard;

### Beschikkend gedeelte

## OM DIE REDENEN

**HET HOF**,

Rechtdoende op **tegenspraak**;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt appellante tot de kosten van hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde volgens opgave in conclusie begroot op … fr. rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde ter kamer** van het Hof van beroep te Antwerpen op **DERTIG NOVEMBER NEGEN HONDERD ACHTENNEGENTIG**.

Aanwezig :

**E. H.**, Raadsheer

**A. W.**, Raadsheer

**S. B.**, Raadsheer

**L. P.**, Griffier.

**L. P.** **S. B.** **A. W.** **E. H.**

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de band zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.

Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan gerechtsdeurwaarder **J. R.**, in opdracht van meester **P. V. D. S.**, advocaat die optreedt voor geïntimeerde.

Antwerpen, de tweede maart 1999

De Griffier-Hoofd van dienst,

**A. V. C.**

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**IN ZAKE AR NR. 88.B.526**

**C. C.**, herbergierster, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren onder nummer …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **V.** loco Mr. **V.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens burelen gevestigd zijn Koning Boudewijnlaan, 4, 3500 Hasselt,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. M.**, advocaat te …, …,

**EN INZAKE AR NR. 89.B.754**

**C. C.**, herbergierster, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren onder nr. …, wonende te …, …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door mr. **V.**, loco Mr. **V.**, voornoemd;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan, 4,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. M.**, voornoemd;

**19.10.1992 INZAKE AR NR. 88.B.526 + 89.B.754**

**VOLGT HET VONNIS**

Gelet op :

\- de geregistreerde exploten van gerechtsdeurwaarder **L. R.** te … d.d. 11.3.1988 en 17.3.1989 waarbij eiseres verzet aantekende tegen de uitvoering van dwangbevelen dewelke haar respectievelijk werden betekend op 17.2.1988 en 9.3.1989;

\- de neergelegde besluiten en stukken;

\- het verzoek om samenvoeging der beide zaken waarop kan worden ingegaan.

Eiseres stelt dat het door de gegevens vervat in de opgestelde processen-verbaal niet naar voldoening van recht bewezen is dat de bij deze door verweerder weerhouden facturen, dewelke niet werden opgenomen in haar boekhouding, betrekking hebben op aan haar gedane leveringen en door haar verkocht werden in haar handelszaak.

Daartegen verwijst verweerder naar de opgemaakte processen-verbaal en stelt dat de gedane vaststellingen afdoende bewijzen dat de facturatie op naam van "klanten-allerlei" … leveringen betreft aan eiseres en dat deze door haar verkocht werden in haar handelszaak.

## Beoordeling

1\. De gegevens waarop verweerder zich steunde om voornoemde dwangbevelen uit te vaardigen zijn opgenomen in voornoemde processen-verbaal.

Voor wat betreft de omzet '984 zijn dit :

1° de gegevens geput uit een gerechtsdossier tussen een zekere **V. A.** en huidige eiseres;

2° inlichtingen bekomen vanwege de leverancier van eiseres wat betreft de aankoop van flessen koolzuur en de terugname van de verbruikte flessen;

3° gegevens volgend uit de facturen voorgelegd door eiseres.

Voor wat betreft de omzet 1985 zijn dit :

1° bij nazicht bij de leverancier van eiseres werden er facturen aangetroffen op naam van "klanten-allerlei” doch de desbetreffende leveringsbons melden het klantennummer van “**B.**" of "**C. C.**" als leveringsadres;

**19.10.1992 – INZAKE AR NR. 88.B.526 + 89.B.754**

2° een proces-verbaal van 12.2.1988 opgemaakt bij nazicht bij genoemde leverancier inhoudende de aldaar gedane vaststellingen en verklaring van de zaakvoerder.

2\. De door verweerder weerhouden omzet 1984.

Voornoemde vaststellingen zijn bewijskrachtig tot het tegenbewijs wordt geleverd door eiseres.

Voor wat betreft de gegevens geput uit voornoemd gerechtsdossier beschikte verweerder over de vereiste toelating van de heer Procureur-Generaal van het Hof van Beroep te Antwerpen. Deze wordt neergelegd.

De handelszaak van eiseres werd over een bepaalde periode gedreven door een feitelijke vereniging dewelke gevormd werd door eiseres en genoemde **V. A.**.

In de gegeven omstandigheden kon laatstgenoemde op een regelmatige wijze in het bezit zijn van dokumenten betreffende deze uitbating zoals fakturen, bestel- en leveringsbons zodat het verweerder toegelaten is zich te beroepen op gegevens voortsprui­ tende uit de aldus bekomen stukken.

Elementen dewelke door verweerder bij een derde worden bekomen zijn controleerbare gegevens. De vaststellingen gedaan in verband met de levering en terugname van flessen koolzuur worden niet weerlegd door eiseres. Dezen alsook deze gedaan in verband met de stock tonen aan dat er bij eiseres een vermenging was tussen de goederen geleverd op haar naam en deze geleverd op naam van "klanten-allerlei". De bewering van eiseres dat het terzake om loutere vergissingen zou gaan, dient te worden verworpen.

3\. De door verweerder weerhouden omzet 1985.

Eiseres betwist niet dat zij van haar leverancier bepaalde goederen ontving voor rekening van derden-klanten dewelke in haar handelszaak een privaat feest gaven. Zij stelt dat dit een gratis dienstverlening betrof en derhalve onbelastbaar in haren hoofde. Zij betwist evenwel dat al de door verweerder weerhouden facturen "klanten-allerlei" betrekking zouden hebben op dergelijke feesten.

Het zal door niemand betwist worden dat onderhavig systeem door vele café-uitbaters wordt aangewend om hun omzet te verminderen.

**19.10.1992 INZAKE AR NR.88.B.526 + 89.B.754**

Het is ten deze merkwaardig dat de facturen niet werden opgemaakt op naam van de inrichters van het privaat feest en dat eiseres stelt dat zij niet meer kan meedelen welke verenigingen of particulieren bij haar een feest organiseerden. Dit is onbegrijpelijk. In gelijkaardige betwistingen geeft de belastingplichtige steeds een lijst op van degenen dewelke dergelijk feest hebben ingericht. Eiseres stelt ten deze: "Moest zij deze namen meedelen dan werd zij toch niet geloofd door verweerder".

Dit is mogelijk doch dan was verweerder wel in de mogelijkheid om desbetreffende bij de opgegeven inrichters een onderzoek te doen.

In de gegeven omstandigheden moet aangenomen worden dat de door eiseres voorgehouden private feesten, dewelke zij gratis liet doorgaan, niet plaatsvonden.

De zaakvoerder van de brouwerij erkende voornoemd systeem en dat het mogelijk was de leveringsadres te achterhalen uit de vergelijking van de opeenvolgende facturen, waarvan één officiële op naam van de klant en één op klanten-allerlei.

Uit de door verweerder voorgelegde stukken blijkt voornoemde opeenvolging terzake.

4\. Al deze vaststellingen werden niet naar voldoening van recht weerlegd door verweerder.

De rechtbank, alle tegenstrijdige beweringen en theoretische overwegingen van eiseres verwerpende, is van mening dat verweerder gezien de gedane vaststellingen terecht besloot dat de facturen 1984-1985 opgemaakt op "klanten-allerlei" in werkelijkheid leveringen betrof gedaan aan- en voor rekening van eiseres zodat de daarop verschuldigde BTW door haar verschuldigd is.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

## OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak, gehoord de heer **J. D.**, Eerste Substituut-Procureur des Konings in zijn advies gegeven ter zitting van 21.9.1992,

Voegt voornoemde zaken samen.

Verklaart de verzetten ontvankelijk doch ongegrond.

**19.10.1992 – INZAKE AR NR. 88.B.526 + 89.B.754**

Verwijst eiseres tot de kosten van het geding, deze in haren hoofde begroot op de som van … fr (… fr dagvaardingskosten, … fr dagvaardingskosten, … fr rechtsplegingsvergoeding) en begroot in hoofde van verweerder op de som van … fr rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vijfde kamer**, op het gerechtshof te Hasselt, op **19 OKTOBER 1992**, alwaar zetelden de Heren :

**R. S.**, Ondervoorzitter,

**J. D.**, Eerste Substituut-Procureur des Konings en

**R. D.**, Griffier.

**R, D.** **J. D.** **R. S.**
