---
title: "Hof van beroep te Antwerpen, 25 mei 1992"
description: "Hof van beroep te Antwerpen (België), 25 mei 1992."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-1992-05-25-3132"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Antwerpen, 25 mei 1992 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

25 mei 1992

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

130 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 25.05.1992

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, 6****de** **kamer – Openbare terechtzitting van 25 mei 1992**

Nr. der zaak : **F.280/87 en F.98/90**

**A. v. G.**, Voorzitter

**R. T.** en **L. V. h.**, Raadsheren

**A. v. I.**, Advocaat-generaal

**A. v. L.**, Griffier.

INZAKE VAN :

**F. 280/87**

1\. **X. V.**, bestuurder van vennootschappen, en zijn echtgenote,

2\. **H. C.**, zonder beroep, beiden samenwonende te …, ;

**appllanten,**

vertegenwoordigd door Meester **H. V.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën.

Meester **A. v. L. d. J.**, advocaat.

Het Hof, na beraadslaging, zitting houdende In openbare zitting, geeft het volgende arrest :

Gelet op de aanslag in de personenbelasting, Gemeente Herk-de-Stad :

Aanslagjaar 19 83 , inkomsten 1982, artikel …, met datum van toezending aan de belastingschuldige op 20 december 1985, een belasting vorderend van … fr., op grond van een belast inkomen van·… fr.;

Gelet op het bezwaarschrift, toegekomen bij de bevoegde directeur op 13 augustus 1986;

Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummer … door de gedelegeerde ambtenaar van de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Hasselt op 19 november 1987, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor het bezwaarschrift onontvankelijk werd verklaard;

Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 28 december 1987 samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 23 december 1987;

en INZAKE VAN :

**F. 98/90**

1\. **X. V.**,

2\. **H. C.**,

voornoemd en vertegenwoordigd zoals voornoemd;

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, voornoemd en vertegenwoordigd zoals voornoemd;

Gelet op de aanslagen in de personenbelasting, Gemeente Herk-de-Stad :

a) Aanslagjaar 19 81, inkomsten 1980, artikel …, supplement aan artikel …, toegezonden aan de belastingschuldige op 19 december 1983, een belasting vorderend van … fr., op grond van een belast inkomen van … fr.;

b) Aanslagjaar 1981, inkomsten 1980, artikel …, supplement aan artikel …, toegezonden aan de belastingschuldige op 27 december 1983, een belasting vorderend van … fr., op grond van een belast inkomen van … fr.

c) Aanslagjaar 19 82, inkomsten 1981, artikel …, supplement aan artikel …, toegezonden aan de belastingschuldige op 12 maart 1984, een belasting vorderend van … fr., op grond van een belast inkomen van … fr.;

Gelet op de bezwaarschriften, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, respectievelijk op 24 februari 1984 (a en b) en 5 juni 1984 (c);

Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummers … - … door de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Hasselt op 5 april 1990, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor de bezwaarschriften werden afgewezen;

Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 27 april 1990 samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 24 april 1990;

Overwegende dat partijen het erover eens zijn dat de zaken F 280/87 en F. 98/90 dienen gevoegd te worden wegens samenhang; dat het Hof eveneens van mening is dat de voeging wegens samenhang nodig is;

**I.** **F. 280/87**

Overwegende dat de bestreden beslissing het bezwaarschrift onontvankelijk verklaart omdat het na het verstrijken van de in art. 272 WIB bepaalde termijn werd ingediend; dat daarenboven art. 277, § 3 WIB niet kan toegepast worden omdat de termijn van drie jaar, daarin bepaald, ook verstreken was;

Overwegende dat appellanten in hun verzoekschrift tot voorziening opwerpen dat de termijn, bepaald in art. 272 WIB, niet verstreken was, nu de fiscus de datum van de verzending van het aanslagbiljet niet bewijst;

Overwegende dat de stellingen van appellanten in eerste conclusie zijn :

\- het bezwaarschrift is niet laattijdig;

\- de grondslag van de aanslag is niet op geldige vermoedens gebaseerd

(vermeldingen van "zwarte" leveringen aan appellanten door derden);

\- de bewijsmiddelen zijn onwettig verkregen;

(de fiscus laat na het strafdossier over te leggen);

\- nu het dossier van de administratie onvolledig is, loopt de termijn van de artikelen 278, 279 en 282 WIB niet;

Overwegende dat geïntimeerde in zijn tweede conclusie d.d. 8 september 1989, na toestemming van de Procureur-generaal, antwoordt op de conclusie van appellanten en het strafdossier overlegt;

Overwegende dat in derde conclusie, de Belgische Staat zegt dat de stukken (strafdossier) geldig mochten worden neergelegd daar het niet om nieuwe stukken gaat; dat de toestemming van de Procureur-generaal in het raam van art. 211, § 1 Wb. taksen werd gegeven maar dat de administratie van de inkomstenbelastingen daar evenzeer gebruik van mag maken;

dat het overleggen van het strafdossier geen beroepsgeheim schendt en dat de bewijsvorming die tot de aanslag leidde, regelmatig is;

A – ontvankelijkheid van het bezwaarschrift

Overwegende dat, wanneer de administratie het verstrijken van de bezwaartermijn inroept, zij de aanvangsdatum ervan moet bewijzen en behoort het eveneens aan haar om te bewijzen dat de verzending op een regelmatige wijze heeft plaatsgevonden;

Overwegende dat bij gewone verzending van het aanslagbiljet en in geval van betwisting door de belastingplichtige, het aan de administratie behoort om het bewijs van de toezending te leveren;

Overwegende dat dit bewijs door alle middelen van recht (o.m. vermoedens)mag geleverd worden; dat de datum van verzending, vermeld op het aanslagbiljet evenwel in dergelijk geval op zichzelf niet volstaat, daar het een eenzijdige vermelding is (en uit haar aard voorafgaand aan de overhandiging van het aanslagbiljet aan de post);

Overwegende dat geïntimeerde zich niet kan vergenoegen, voor te houden dat het aanslagbiljet niet werd teruggestuurd, daar dit geen vermoeden uitmaakt dat als bewijs dienstig is;

Overwegende dat bij gebrek aan bewijs van het regelmatig verzenden van het aanslagbiljet, de bezwaartermijn pas begint te lopen vanaf het ogenblik waarop het vaststaat dat de belastingplichtige kennis heeft gekregen van het bestaan van de belastingschuld;

Overwegende dat, afgezien van het feit of de aanmaning (d.d. 24/2/1986) en/of een laatste waarschuwing (d.d. 11/7/1986) (cfr. st. 138) aan dergelijke omschrijving van "kennisgeving" zou voldoen (cfr. o.m. J. Van Besien : Indiening van een bezwaarschrift inzake inkomstenbelastingen, Fisc le Praktijkstudies 8, nr. 99), in casu mag gesteld worden dat, vermits het bewijs van verzending van het aanslagbiljet ontbreekt (evenals van voormelde aanmaning en laatste waarschuwing, waarop eventueel wel tijdig met een bezwaarschrift binnen de termijn van 6 maanden werd gereageerd), bij ontstentenis daarvan de bezwaartermijn niet is beginnen lopen, zodat het bezwaar toch nog tijdig werd ingediend;

B - Ten gronde

Overwegende dat de vordering van de fiscus lastens appellanten (op basis van art. 246 WIB) is gesteund op een gerechtelijk onderzoek lastens de NV **H.** waaruit zou blijken dat op naam van appellanten in 1982 (en ook voordien in 1980 en 1981 : cfr. relatie F. 98/90) goederen zouden zijn afgenomen zonder factuur, waardoor deze aan het officiële goederencircuit werden onttrokken;

Overwegende dat naar aanleiding van de door appellanten in hun (eerste) conclusie, op blz. 7-9 gedane opwerping m.b.t. de stukken van het strafrechtelijk onderzoek lastens de NV **H.**, door geïntimeerde op 8/9/1989 nog stukken ter griffie van het Hof werden neergelegd (st. 146 - 158);

Overwegende dat met betrekking tot haar vordering de administratie de bewijslast draagt en dient aan te tonen dat zij steunt op werkelijk bestaande en juiste feiten;

Overwegende dat ten einde het recht van verdediging te waarborgen de administratie de gegevens waarop zij steunt dient voor te leggen;

Overwegende dat het beroepsgeheim de administratie niet ontslaat van haar plicht, haar aantijdingen te bewijzen;

Overwegende dat het recht van de verdediging van de belastingplichtige in het gedrang komt wanneer tegen hem stukken worden gebruik die hij niet kent en waartegen hij zich dus niet kan verdedigen;

Overwegende dat wanneer aldus de fiscus inlichtingen uit een strafdossier inroept die hij meent niet aan de belastingplichtige ter kennis te mogen brengen wegens het geheim van het onderzoek, deze handelwijze strijdig is met het meest elementair rechtsgevoel en niet aanvaardbaar;

Overwegende dat wanneer de administratie van bepaalde stukken uit een strafdossier gebruik maakt, ze behoren tot het fiscale dossier en moet de belastingplichtige er te gelegener tijd kennis van krijgen;

Overwegende dat, waar appellanten in hun tweede conclusie op blz. 2 opwerpen dat de hoger vermelde stukken niet bijgebracht werden gedurende de termijn van art. 283 WIB en dus niet ontvankelijk zijn, is het Hof van oordeel dat - onder meer gelet op het voormelde - de voorgebrachte stukken geen nieuwe stukken zijn waarvan de inhoud onderscheiden is van deze die reeds bij de bundel horen; dat deze stukken alleen dienen tot verduidelijking van vroeger neergelegde geschriften of slechts een aanvulling zijn van stukken die reeds in het administratief dossier aanwezig zijn;

Overwegende dat de beweerde schending van het beroepsgeheim niet relevant is, vermits deze gegevens worden voorgebracht nadat het gerechtelijk onderzoek volledig werd voltooid, en appellanten geen belang hebben om een beweerde schending van het beroepsgeheim in hoofde van derden in te roepen;

Overwegende dat op 18 oktober 1982 (stuk 146) de Procureur-generaal bij het Hof van beroep alhier aan de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie toelating verleende tot het nemen van inzage en afschrift van het strafdossier inzake NV **H.**, meer bepaald voor die stukken die voor de zetting en/of de invordering van de belastingen van belang zijn;

Overwegende dat de inzage en kopiename van strafdossiers door de fiscus wordt geregeld door artikel 235, § 1, al. 1 en 2 WIB en het gelijkluidende artikel 211, al. 1 en 3 W. Taksen, dat geldt voor alle (andere) fiscale wetboeken;

Overwegende dat appellanten opwerpen dat de gegevens (strafdossier) waarop geïntimeerde zich steunt, onwettig verkregen zijn omdat de toelating tot inzage en gebruik verleend werd op grond van art. 211 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, en niet met toepassing van artikel 235 WIB, en dat deze toelating enkel mocht kaderen in een fiscaal onderzoek lastens de NV **H.**, doch niet lastens derden, waaronder appellanten;

Overwegende dat zowel artikel 235 WIB als artikel 211 voormeld hun oorsprong vinden in de wet van 28 juli 1938 (art. 1), zoals gewijzigd door artikel 34 van de wet van 20 augustus 1947;

Overwegende dat elk ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijk of een rechtspersoon, van rechtswege gemachtigd is alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen die de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren (art. 34, § 3 van W. 20/8/1947);

Overwegende dat eenmaal een ambtenaar aldus tijdens een controle over een bepaalde belasting vaststelt dat de belastingplichtige in kwestie een overtreding heeft begaan op een andere belastingwetgeving, hij dan van rechtswege gemachtigd is om alle informatie op te zoeken die de juiste heffing van deze andere belasting kan verzekeren;

Overwegende dat men uit de tekst van de toelating van de Procureur-generaal (stuk 146) niet kan afleiden dat deze machtiging beperkt zou zijn tot de inzage en het afschrift van het dossier met het oog op de zetting en/ of invordering van de indirecte belastingen;

Overwegende dat men de verwijzing naar artikel 211 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen enkel terug vindt in de referte, bovenaan links van de brief;

Overwegende dat uit deze als referte aangebrachte vermelding niet ten genoege van recht kan worden afgeleid dat de gevraagde toelating beperkend zou zijn verleend krachtens voormeld artikel 211 en met uitsluiting van artikel 235 WIB;

Overwegende dat overeenkomstig artikel 87 van de Wet van 8 augustus 1980, de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (aan wier directeur-generaal de toelating werd gericht) en de ambtenaren ervan, de bevoegdheden hebben die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administratie en aan de ambtenaren ervan;

Overwegende dat het onderzoeksrecht van de betrokken ambtenaren zich dan ook uitstrekt over het gehele domein van de fiscaliteit en dus niet beperkt is tot het domein van de administratie waarvan zij afkomstig is;

Overwegende dat, nu de toelating van de Procureur-generaal geen verwijzing inhoudt naar een specifieke wettekst enerzijds, en gelet op de algemene bevoegdheden van de administratie van de BBI anderzijds, men ervan dient uit te gaan dat de algemene wet (van 28/7/1938, zoals gewijzigd door de wet van 20/8/1947) van toepassing is;

Overwegende dat, nu deze wet, meer bepaald artikel 34 van de wet van 20/8/1947, gemeen is aan alle belastingen, alle gegevens - op regelmatige wijze verworven - kunnen aangewend worden voor de andere belastingen, zodat de gegevens op grond waarvan de betwiste sommen worden gevorderd, op een wettelijke wijze verkregen zijn;

Overwegende dat de in de verschillende belastingwetten met betrekking tot de toelating van de Procureur-generaal opgesomde artikelen slechts een toepassing zijn van artikel 125 van het Tarief in Strafzaken;

Overwegende dat dergelijke bepalingen geenszins de bevoegdheid van de Procureur-generaal (die de toelating bepaald door art. 125 Tarief in Strafzaken mag geven aan wie hij het gepast oordeelt) hebben willen beperken, doch enkel de tussenkomst van deze magistraat hebben willen inschakelen bij inzage door fiscale administraties van gerechtelijke dossiers;

Overwegende dat de geldigheid van de door de Procureur-generaal gegeven toelating (die terzake soeverein beslist), dus niet kan betwist worden;

Overwegende dat, gelet op de hierboven vermelde elementen, de administratie van de BBI op regelmatige en wettelijke wijze inzage heeft verkregen van het gerechtelijk dossier van de NV **H.** (bij het parket van de Procureur des Konings te Turnhout);

Overwegende dat het recht van de Procureur-generaal om toelating te verlenen, het recht impliceert om deze te weigeren en/of ze te beperken tot een bepaald gebruik, bijvoorbeeld tegen één of meer welbepaalde belastingplichtigen;

Overwegende dat de in casu vermelde machtiging geen dergelijke weigering en/of beperking, inhoudt in verband met de aard der belastingen, noch in verband met de belastingplichtige(n);

Overwegende dat bovendien het voor de hand ligt dat in een onderzoek betreffende mogelijke belastingontduiking deze ontduiking zowel in hoofde van de leverancier als in hoofde van diegene aan wie geleverd wordt speelt;

Overwegende dat men dus niet kan voorhouden dat de Procureur-generaal bij het geven van de toelating niet zou geweten hebben dat de stukken van het dossier ook zouden kunnen aangewend worden tegen deze kopers;

Overwegende dat wanneer de administratie aldus toelating vraagt om gebruik te maken van gegevens met het oog op een fiscaal onderzoek, diegenen aan wie geleverd werd niet zijn uitgesloten, zelfs als het strafonderzoek geopend werd ingevolge vermoedens van ontduiking lastens een leverancier;

Overwegende dat de stukken of inlichtingen die een ambtenaar van de fiscus bekomt in het raam van zijn normale ambtsuitoefening, zoals in casu, tegenover derden kunnen gebruikt worden (art. 34, § 2 van de Wet van 20/8/1947);

Overwegende dat de aldus ingewonnen inlichtingen behoren tot het gemeenschappelijk patrimonium van de fiscale administraties (cfr. E. en A. Genin : Commentaar op het Wetboek der Registratie-Hypotheek- en griffierechten, Brussel 1951, d1.II, nr. 1831 : L. Vanden Berghe : Wettelijke en onwettelijke uitwisseling van inlichtingen tussen fiscale administraties, A.F.T. 1987, blz. 117, laatste alinea);

Overwegende dat volgens artikel 243 WIB de fiscale staatsbesturen mogen beschikken over alle inlichtingen van algemene of individuele aard die nuttig zijn voor het vestigen van de belastingen in het algemeen, en mogen zij daartoe alle inlichtingen uitwisselen;

Overwegende dat zelfs indien de machtiging de Procureur-generaal limitatief zou dienen te worden geïnterpreteerd, uit de samenlezing van artikel 211, § 1 en 3 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen (cfr. de argumenten ontwikkeld in de derde besluiten van geïntimeerde, op blz. 2) blijkt dat ook inzake directe belastingen op rechtsgeldige wijze kennis gekregen werd van gegevens die een onderzoek naar de fiscale toestand van de NV **H.** rechtvaardigen;

Overwegende dat artikel 211, § 2 van voormeld Wetboek bovendien bepaalt dat elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte door een ambtenaar van een fiscaal bestuur ontdekt of bekomen bij het uitoefenen van zijn functies, door de Staat mag worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som (cfr. eveneens L. Vanheeswijck : De onderzoeksbevoegdheden van de fiscus en de wet van 28 juli 1938, T.F.R. 83 (jan.-feb. 1989), blz. 13-14);

Overwegende dat de belastbare inkomsten werden bepaald door te steunen op het bewijsmiddel van artikel 246 WIB (feitelijke vermoedens);

Overwegende dat aldus, vertrekkend van bekende feiten, door een normale en logische redenering, een onbekend gegeven mag vastgesteld worden;

Overwegende dat in casu de administratie steunt op gegevens uitgaande van derden;

Overwegende dat vaststellingen in de (frauduleuze) boekhouding van andere belastingplichtigen op zichzelf niet voldoende zijn om iemand te belasten; dat deze elementen op hun juistheid moeten worden gecontroleerd;

Overwegende dat in huidige betwisting vaststaat dat door de NV **H.** een systeem werd opgezet om een deel van haar verkopen niet te factureren;

Overwegende dat hierbij gebruik werd gemaakt van een dubbel circuit aan vervoerdocumenten (cfr. o.m. st. 154, blz. 4 e.v., ·en st. 155, blz 2 en 3) en van een zwarte boekhouding (st. 158);

Overwegende dat het in het gerechtelijk onderzoek in beslag genomen zwarte kasboek heel gedetailleerd een opgave bevatte van alle zwarte verkopen aan klanten, waaronder appellanten;

Overwegende dat voormeld kasboek en de bijhorende stukken samen een zo gedetailleerde en sluitende opgave van alle zwarte aankopen vormen, dat aan de juistheid ervan niet meer kan getwijfeld worden;

Overwegende dat de door de NV **H.** gevoerde alternatieve boekhouding tot doel had, voor eigen gebruik, een juist overzicht te hebben van de gang van zaken (die in de officiële boekhouding niet kon worden teruggevonden) en het normaal en logisch is dat de door haar gevolgde frauduleuze handelwijze nauwgezet diende gevolgd om fouten te vermijden bij de officiële facturatie en bij de opstelling van het officieel vervoerdocument;

Overwegende dat.in casu er geen gegronde aanwijzingen of indicaties zijn dat er met fictieve namen werd gewerkt of dat ten onrechte van de naam van appellanten gebruik werd gemaakt;

Overwegende dat de stukken van het strafdossier waarop geïntimeerde zich steunt, wel degelijk toelaten de juistheid van de erin voorkomende gegevens te controleren en ze dergelijke aanwijzingen van veelvuldige en herhaalde handelsverrichtingen verschaffen dat er geen reden meer bestaat om aan de ernst en de juistheid ervan te twijfelen;

Overwegende dat uitgaande van deze vaststaande en bewijskrachtige gegevens, de administratie op een normale en logische wijze tot de kwestieuze meerwinst ken besluiten, door de uit de boekhouding van appellanten gebleken winstpercentages toe te passen op het bedrag van de "zwarte" aankopen;

**II.** **F. 98/90**

Overwegende dat in deze zaak, de tijdigheid van de bezwaarschriften niet betwist wordt;

Overwegende dat wat de grond betreft, de betwistingen en de opgeworpen middelen en of argumenten, dezelfde zijn als in de zaak F. 280/87;

Overwegende dat het Hof dan ook dezelfde redengeving herneemt die het in de zaak F. 280/87 heeft uiteengezet;

### Beschikkend gedeelte

**0M DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Recht doende op **tegenspraak**;

Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935;

Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van Voorzitter **A. v. G.** en de adviezen van het Openbaar Ministerie, gegeven door Advocaat-generaal **A. v. I.**;

Voegt de zaken F. 280/87 en F. 98/90 wegens samenhang;

**I.** **F. 280/87**

Verklaart de voorziening toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond;

Zege rechtens dat het bezwaarschrift tijdig en toelaatbaar was;

Bevestigt de bestreden beslissing voor het overige;

Verwijst appellanten in de kosten, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

**II.** **F. 98/90**

Verklaart de voorziening toelaatbaar doch ongegrond;

Bevestigt de bestreden beslissing;

Verwijst appellanten in de kosten, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

(Goedgekeurd de doorhaling van 1 regel en 2 woorden).

**A. V. L.** **L. V. H.** **R. T.** **A. V. G.**
