---
title: "Grondslagwijziging, BTW-ontvangsten · Hof van beroep te Gent, 22 mei 1990"
description: "Grondslagwijziging, BTW-ontvangsten, verbetering van de aangifte. Hof van beroep te Gent (België), 22 mei 1990."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/grondslagwijziging-btw-ontvangsten-verbetering-aangifte-hof-van-beroep-gent-1990-05-22-975c"
lang: "nl"
---

# Grondslagwijziging, BTW-ontvangsten, verbetering van de aangifte · Grondslagwijziging,BTW-ontvangsten

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

22 mei 1990

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

36 paragrafen

### Tekst van de beslissing

**ARREST G 90/1**

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 22.05.1990**

*Grondslagwijziging - BTW-ontvangsten*

Via een bericht van wijziging worden de bedrijfsinkomsten van de appellanten vastgesteld op een hoger dan het aangegeven bedrag op basis van de omzet, berekend door de B.T.W.- diensten. De appellanten gaan niet akkoord met de cijfers van de B.T.W. maar de aanslag wordt toch gevestigd op basis van die omzet. De belastingplichtigen leveren geen bewijs dat de berekening door de B.T.W.-diensten fout zou zijn.

Bovendien is het B.T.W.-dossier afgehandeld zonder wijziging en werden de bedragen ingevorderd en betaald. Voor een volgend aanslagjaar heeft de eerste appellant een akkoord ondertekend om het belastbaar inkomen op een bepaald bedrag vast te stellen, waarop later ook de aanslag wordt gevestigd. De belastingplichtige laat na de rechtsgeldigheid van dit akkoord te betwisten op grond van dwaling of bedrog. Bovendien kunnen geen andere grieven dan die vermeld in het bezwaarschrift worden behandeld door het hof aangezien de appellanten niet binnen de voorziene termijn nieuwe grieven hebben aangebracht. Om al deze redenen verklaart het hof de voorziening ongegrond.

**Tweede kamer**

Voorzitter: *mevrouw Van Isterdael*

Raadsheren: *de heer Gallet*, *de heer Stassijns*

O.M.: *de heer Goeminne*

Advocaten: *mr. Vancaeneghem*

Partijen: C.E., tegen de Belgische Staat

Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig een voorziening hebben ingediend van de beslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent d.d. 6 februari 1985, waarbij het bezwaar tegen de op hun naam gevestigde aanslagen in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor de aanslagjaren 1978 en 1979 (kohierartikels X en Y) werd afgewezen;

Overwegende dat de eisers voor het aanslagjaar 1978 aangifte deden van een belastbaar inkomen van 454.603 F, op basis van een bedrijfsinkomen van 452.431 F, voor de man, die loodgieter was, en van 141.307F voor de vrouw als bediende;

Overwegende dat hen op 9 januari 1980 een bericht van wijziging werd toegestuurd waarbij werd ter kennis gebracht dat de bedrijfsinkomsten van de man zouden worden bepaald op basis van de omzet zoals deze door de B.T.W.-diensten werd vastgesteld, namelijk op 817.569 F en het inkomen van de vrouw op 149.339 F;

Overwegende dat de eisers daarop hebben geantwoord: 'niet akkoord met cijfers van B.T.W. (reeds bezwaar ingediend)';

Overwegende dat de aanslag toch werd gevestigd op dit bedrag;

Overwegende dat voor het aanslagjaar 1979 een aangifte werd ingediend met opgave van een gezamenlijk belastbaar inkomen van 276.073 F, op basis van bedrijfsinkomsten van 168.214 F voor de man en van 107.859 F voor de vrouw, welke vanaf 1 februari 1978 zaakvoerster geworden was;

Overwegende dat de eerste eiser op 9 januari 1980 een akkoord heeft ondertekend om het gezamenlijk belastbaar inkomen vast te stellen op 544.733 F, en dat de aanslag werd gevestigd op dat bedrag;

Overwegende dat in het bezwaar werd aangehaald dat voor het aanslagjaar 1978 nog steeds geen akkoord werd getekend met de B.T.W.; dat verder werd gesteld dat de berekeningen foutief waren, maar dat dit voorlopig nog niet kon bewezen worden; dat de eisers tenslotte beweerden dat de factuurberekeningen juist waren en dat de boekhouding nog steeds kon gecontroleerd worden;

Overwegende dat, tijdens het onderzoek van het bezwaar, aan de eisers werd gevraagd of het akkoord, waarop de aanslag voor het aanslagjaar 1979 berust, was aangetast door een stoffelijke misslag, door dwaling of door bedrog; dat daarop niet werd geantwoord;

Overwegende dat hen eveneens werd gevraagd bewijsstukken voor te leggen inzake het aanslagjaar 1978; dat de eisers blijkbaar een pak ongeordende stukken hebben overgemaakt aan de inspecteur;

Overwegende dat de eiser, uitgenodigd voor bespreking van zijn bezwaar, de stukken terug heeft meegenomen om ze te ordenen en daaruit het bewijs te halen van zijn beweringen;

Overwegende dat, ondanks herinneringen, de eisers geen bewijs hebben voorgebracht;

Overwegende dat uit een schrijven van de B.T.W.-diensten blijkt dat het B.T.W.-dossier is afgehandeld zonder wijziging, dat de bedragen werden ingevorderd en dat ze werden betaald;

Overwegende dat het bezwaar inzake de inkomstenbelasting dan ook werd afgewezen;

Overwegende dat in de voorziening wordt gesteld dat overeenkomstig artikel 279 van het WIB binnen de voorziene termijn een bijkomend geschrift zal worden neergelegd met geformuleerde bezwaren; dat echter voor het hof geen grieven werden aangebracht;

Overwegende dat, nu in de voorziening wordt gevraagd het bezwaarschrift d.d. 2 oktober 1980 ontvankelijk en gegrond te verklaren, moet worden aangenomen dat de grieven van dit bezwaarschrift op deze wijze werden hernomen voor het hof;

Overwegende dat de eerste eiser zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met het belastbaar bedrag waarop de aanslag voor het aanslagjaar 1979 werd gevestigd (st. 41); dat bij gebrek aan betwisting van de rechtsgeldigheid van dit akkoord, de voorziening, wat dit aanslagjaar betreft, niet gegrond is;

Overwegende dat, voor het aanslagjaar 1978, werd gesteund op de omzetbepaling zoals deze werd opgesteld door de B.T.W.-diensten; dat deze omzetbepaling door de belastingplichtige werd aanvaard en definitief is;

Overwegende dat de eiser het tegenbewijs niet levert en geen gegevens verschaft welke van aard zijn de beweringen, geuit in het bezwaarschrift, te staven; dat de voorziening derhalve ook wat dit aanslagjaar betreft, niet gegrond is;

### Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935;

Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer *L. Gallet* , de partijen in hun middelen en conclusies en het overeenkomstig advies van advocaat-generaal Goeminne;

Ontvangt de voorziening doch verklaart ze ongegrond.

Veroordeelt de eiser tot de kosten begroot op 249 F.
