---
title: "Goederenvervoer, Wegvervoer · Hof van Cassatie van België, 30 mei 2002, C.99.0123.N"
description: "Goederenvervoer, Wegvervoer, Internationaal vervoer, Transport, C.M.R.-Verdrag, Verlies van goederen. Hof van Cassatie van België, 30 mei 2002, C.99.0123.N."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/goederenvervoer-wegvervoer-internationaal-vervoer-transport-cassatie-brussel-2002-05-30-4544"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/transport-perte-marchandise-transporteur-indemnite-cassation-bruxelles-2002-05-30-9aa0"
---

# Goederenvervoer, Wegvervoer, Internationaal vervoer, Transport, C.M.R.-Verdrag, Verlies van goederen

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Rolnummer**

C.99.0123.N

**Datum**

30 mei 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

49 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 30.05.2002 (C.99.0123.N)

*Goederenvervoer - Wegvervoer - Internationaal vervoer - Transport - C.M.R.-Verdrag - Verlies van goederen - Vervoerder - Schadevergoeding*

## Wettelijke bepalingen

Artt. 23.1 en 4, C.M.R.-Verdrag

## Samenvatting

Als het verlies van de mogelijkheid tot recuperatie van de B.T.W., die niet onafhankelijk is van de wijze waarop het vervoer wordt uitgevoerd of niet uitgevoerd, door de gebrekkige uitvoering van het vervoer van goederen, een normaal gevolg is van de nalatigheid van de vervoerder, behoort die B.T.W. tot de met betrekking tot dat vervoer gemaakte kosten, die door de vervoerder moeten terugbetaald worden.

De bepaling dat de aansprakelijke vervoerder, bij geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen, benevens tot schadevergoeding, gehouden is tot terugbetaling van de vrachtprijs, de douanerechten en de overige met betrekking tot het vervoer der goederen gemaakte kosten en dat verdere schadevergoeding niet verschuldigd is houdt de beperking in dat gevolgschade veroorzaakt door beschadiging of verlies van vervoerde goederen niet voor vergoeding in aanmerking komt; die beperking houdt evenwel geen begrenzing in van de voormelde regel dat de vervoerder aansprakelijk is voor die kosten, dit zijn de kosten die in noodzakelijk verband staan met het vervoer zoals dit door de vervoerder moest worden uitgevoerd.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 30.05.2002**

**(C.99.0123.N)**

T.V.L., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te ..., ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen nummer ..., eiseres, vertegenwoordigd door mr. P.V.O., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

C.B., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te ..., verweerster, vertegenwoordigd door mr. L.S., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

## I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 oktober 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

## II. Procedure voor het Hof

Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

## III. Feiten

Het arrest stelt het volgende vast :

Verweerster, Comexa Benelux, gaf als expediteur aan eiseres, NV Transport Van Laer, de opdracht voor het vervoer van Antwerpen naar Thouars van 168 televisietoestellen. Na ontvangst van de goederen heeft eiseres een CMR-vrachtbrief uitgegeven. Eiseres werd tevens in het bezit gesteld van het T1 document ter in vrij verkeer brengen van niet-communautaire goederen in de Europese Unie en inklaring in Frankrijk.

De goederen werden op het depot van eiseres te Lint gestolen. Volgens het controlekantoor-BTW kan de BTW niet gerecupereerd worden, om reden "wanneer de BTW wegens de invoer van goederen in België gevorderd wordt lastens de in het buitenland gevestigde leverancier, om reden dat de doorvoerregeling waaronder die goederen werden geplaatst niet werd aangezuiverd en er bovendien geen officieel bewijs kan geleverd worden dat die goederen in het land van bestemming werden ingevoerd, de gevorderde BTW niet voor teruggaaf in de vorm van aftrek in aanmerking komt".

## IV. Middel

Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

*Geschonden wettelijke bepalingen*

\- artikel 23, vierde lid, van het C.M.R.-Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (C.M.R.), opgemaakt te Genève, goedgekeurd bij wet van 4 september 1962.

*Aangevochten beslissingen*

Het bestreden arrest bevestigt het vonnis a quo waarbij eiseres als vervoerder op grond van artikel 23, vierde lid, van het C.M.R.-Verdrag veroordeeld werd tot betaling aan verweerder van de door deze laatste op de vervoerde goederen betaalde B.T.W., verschuldigd ingevolge de diefstal van die goederen in België, dit op grond van eigen motieven en motieven van de eerste rechter, welke in essentie hierop neerkomen dat door de gebrekkige uitvoering van het transport door eiseres (de diefstal vond plaats na het ogenblik waarop de goederen aan eiseres werden overgemaakt) die B.T.W. verschuldigd en niet recupereerbaar is en die B.T.W. derhalve een met betrekking tot het vervoer der goederen gemaakte kost is in de zin van vermeld artikel, welke door de vervoerder moet worden terugbetaald.

*Grieven*

Artikel 23, meer in het bijzonder de eerste vier leden van dit artikel, bepaalt de grenzen van de schadevergoeding welke de vervoerder verschuldigd is bij geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen.

Het vierde lid van dit artikel houdt in dat bij geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen de vervoerder, boven de schadevergoeding bepaald overeenkomstig de vorige drie leden, de vrachtprijs, de douanerechten en de "overige met betrekking tot het vervoer der goederen gemaakte kosten" moet terugbetalen en dat verdere schadevergoeding niet verschuldigd is.

De "overige met betrekking tot het vervoer der goederen gemaakte kosten" slaan niet op kosten tengevolge van het verlies van de goederen in het kader van de vervoerovereenkomst.

Kosten ten gevolge van het verlies van de goederen in het kader van de vervoerovereenkomst maken weliswaar een schade uit (een zogenoemde gevolgschade) maar artikel 23 van het C.M.R.- Verdrag heeft precies tot doel de vervoerder niet alle geleden schade te doen vergoeden en hem enkel een schadevergoeding ten laste te leggen waarvan dit artikel de grenzen bepaalt (het vierde lid stelt uitdrukkelijk dat verdere schadevergoeding niet verschuldigd is).

B.T.W., die verschuldigd en niet recupereerbaar is ingevolge het verlies der goederen, is geen kost gemaakt met betrekking tot het vervoer maar een kost ingevolge het verlies der goederen. De omstandigheid dat het verlies der goederen in casu ten laste is van de vervoerder of het gevolg is van fouten of nalatigheden van de vervoerder brengt niet mee dat daarom die B.T.W. als een kost gemaakt met betrekking tot het vervoer in de zin van artikel 23, vierde lid, van het C.M.R.-Verdrag kan worden beschouwd.

## V. Beslissing van het Hof

Overwegende dat artikel 23 van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, hierna te noemen CMR, de regels preciseert voor de berekening van de schadevergoeding verschuldigd door de vervoerder bij geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen;

Overwegende dat, krachtens lid vier van dit artikel, de aansprakelijke vervoerder, benevens tot schadevergoeding, gehouden is tot terugbetaling van de vrachtprijs, de douaneprijs en de overige met betrekking tot het vervoer der goederen gemaakte kosten; dat hetzelfde lid preciseert dat "verdere schadevergoeding niet verschuldigd is";

Dat lid vier de beperking inhoudt dat gevolgschade veroorzaakt door beschadiging of verlies van vervoerde goederen niet voor vergoeding in aanmerking komt; dat die beperking evenwel geen begrenzing inhoudt van de in dat zelfde lid gestelde regel dat de vervoerder aansprakelijk is voor de kosten die met betrekking tot het vervoer gemaakt zijn; dit zijn de kosten die in noodzakelijk verband staan met het vervoer zoals dit door de vervoerder moest worden uitgevoerd;

Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat door de gebrekkige uitvoering van het transport, de BTW-kosten niet recupereerbaar werden en niet onafhankelijk waren van de wijze waarop het transport werd uitgevoerd of niet uitgevoerd en het verlies van de mogelijkheid van recuperatie van de BTW een "normaal gevolg" is van de nalatigheid van de vervoerder;

Dat zij aldus zonder schending van artikel 23, lid 4, CMR oordelen dat de kosten gemaakt werden met betrekking tot het vervoer van de goederen;

Dat het middel niet kan worden aangenomen;

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Verwerpt de voorziening;

Veroordeelt eiseres in de kosten.

De kosten begroot op de som van vijfhonderd negenenvijftig euro vijfenveertig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd vijfenzestig euro zevenenzeventig cent jegens de verwerende partij.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter ...

Ondertekeningen
