---
title: "Geregistreerd kassasysteem, Verbruiksruimte · Hof van beroep te Antwerpen, 21 juni 2022"
description: "Geregistreerd kassasysteem, Verbruiksruimte, exploitatie. Hof van beroep te Antwerpen (België), 21 juni 2022."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-verbruiksruimte-exploitatie-hof-van-beroep-antwerpen-2022-06-21-8d08"
lang: "nl"
---

# Geregistreerd kassasysteem, Verbruiksruimte, exploitatie

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

21 juni 2022

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

186 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 21.06.2022

WF 707-15-20/024070

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Geregistreerd kassasysteem – Verbruiksruimte*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 21bis van koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.

[Art. 6 van uitvoeringsverordening nr. 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-6)

## Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige baat een frituur uit. Tijdens een eerste plaatsbezoek werd vastgesteld dat de belastingplichtige niet over een geregistreerd kassasysteem beschikte. Hiervoor werd een boete opgelegd. Vier maand later volgde een tweede plaatsbezoek. De administratie stelde vast dat de belastingplichtige nog steeds niet over een geregistreerd kassasysteem beschikte. Er werd zowel een boete opgelegd voor het niet naleven van de verplichting om te beschikken over een geregistreerd kassasysteem alsook voor het niet uitreiken van een kasticket.

In het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen verklaarde de rechter de vordering van tegenpartij tegen deze drie boetes toelaatbaar maar ongegrond. Tegen dit vonnis ging de belastingplichtige in hoger beroep.

2) Het arrest van het hof van beroep

De discussie betreft de verplichting voor de frituur tot het beschikken van een geregistreerd kassasysteem. De belastingplichtige is van mening dat zij geen restaurantdiensten verricht wanneer zij als verkoper van frieten en snacks een binnenruimte aan haar klanten ter beschikking stelt. De administratie is echter van mening dat het hier wel degelijk om een restaurantdienst gaat.

Volgens het hof blijkt uit de processen-verbaal dat het in dit geval gaat om gesloten, speciaal voor het verbruik van maaltijden ingerichte ruimtes. In deze ruimten zijn de nodige voorzieningen aanwezig zoals tafels en banken alsook sanitair. Enkel de klanten van de frituur mogen gebruik maken van deze ruimtes. Tenslotte staat boven deze binnenruimtes ook de naam van de frituur vermeld.

Het hof is dan ook van oordeel dat de omstandigheden aantonen dat het in dit geval om restaurantdiensten gaat, wanneer de klant er voor kiest om gebruik te maken van die dienstverlening voor de onmiddellijke consumptie.

De boetes werden dan ook terecht opgelegd.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken**

Eindarrest fiscaal van 21.06.2022

Rol: 2021/AR/670

**MDO. BV**, ON 084...19, met maatschappelijke zetel te …, Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. …, advocaat te … tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 15 februari 2021, gekend onder rolnummers 20/1815/A en 20/1900/A

**tegen**

**BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de FOD ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN-EXPERTISE 1, met diensten te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2 en de ADVISEUR-ONTVANGER TEAM INVORDERING RECHTSPERSONEN ANTWERPEN 1, met diensten te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 1, Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw X, fiscaal ambtenaar,

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 15 februari 2021, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 14 april 2021, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

***1.1.*** ***Voorwer p van de betwisting.***

De betwisting heeft betrekking op

\- het proces-verbaal opgesteld op 27/11/2019 waarin aan eiseres in hoger beroep een boete werd opgelegd van 5.000 euro, schuldnummer 500220852909, innings- en invorderingsregister BTW opgemaakt op 13/01/2020 en uitvoerbaar verklaard op 16/01/2020 (nummer register 202001NL010),

\- het proces-verbaal opgesteld op 21/01/2020 met betrekking tot schuldnummer 500223039247, waarin een boete werd opgelegd van 4.000 euro, innings-en invorderingsregister opgemaakt op 02/03/2020, uitvoerbaar verklaard op 05/03/2020 (nummer register 202003NL002) en

\- het proces-verbaal opgesteld op 21/01/2020 met betrekking tot schuldnummer 500223014591, waarin een boete werd opgelegd van 5.000 euro, innings- en invorderingsregister opgemaakt op 02/03/2020, uitvoerbaar verklaard op 05/03/2020 (nummer register 202003NL002).

***1.2.*** ***Feiten en administratieve fase.***

Eiseres in hoger beroep is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer BE084...19 voor de activiteit van 'eetgelegenheid met beperkte bediening'.

\- Een bevoegde ambtenaar verrichtte op 22/08/2019 vaststellingen ter plaatse in de uitbatingsvestiging van eiseres in hoger beroep. Hij stelde vast dat eiseres in hoger beroep niet over een geregistreerd kassasysteem beschikte.

Op basis van de vaststellingen vermeld in voormeld proces-verbaal werd er op 27/11/2019 een proces-verbaal opgesteld waarin overtredingen werden vastgesteld namelijk het niet naleven van de verplichting om te beschikken over een geregistreerd kassasysteem overeenkomstig de ter zake geldende wettelijke bepalingen en waarin een boete van 5.000 euro werd opgelegd. Deze boete werd ingevorderd onder het RCIV-nummer 500.2208.52909.

Op 13/01/2020 werd deze schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard op 16/01/2020.

\- Een bevoegde ambtenaar verrichtte op 13/01/2020 vaststellingen ter plaatse in de uitbatingsvestiging van eiseres in hoger beroep. Hij stelde vast dat eiseres in hoger beroep niet over een geregistreerd kassasysteem beschikte en geen kastickets of BTW-ontvangstbewijzen werden uitgereikt.

Op basis van de vaststellingen vermeld in voormeld proces-verbaal werden er op 21/01/2020 twee processen-verbaal opgesteld waarin twee overtredingen werden vastgesteld namelijk het niet naleven van de verplichting om te beschikken over een geregistreerd kassasysteem overeenkomstig de ter zake geldende wettelijke bepalingen en waarin een boete van 5.000 euro werd opgelegd. Deze boete werd ingevorderd onder het RCIV-nummer 500.2230.14591.

De tweede inbreuk betrof het niet naleven van de verplichting tot het uitreiken van een kasticket, rekening of ontvangstbewijs. De boete van 4.000 euro werd in toepassing van de geldende wettelijke bepalingen opgelegd en ingevorderd onder RCIV-nummer 500.2230.39247.

Op 02/03/2020 werden deze schulden opgenomen in het innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard op 05/03/2020.

***1.3. Procedure voor de eerste rechter.***

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 21/04/2020 (schuldnummer 500.2208.52909, rolnummer 20/1900/A) en op 15/04/2020 (schuldnummer 500.2230.14591 en schuldnummer 500.2230.39247, rolnummer 20/1815/A) stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.

De vordering van eiseres in hoger beroep strekte er telkens toe:

voor recht te zeggen dat (i) de inbreuken die eiseres in hoger beroep ten laste worden gelegd in de processen-verbaal ongegrond zijn en (ii) zij zodoende de opgelegde boetes niet verschuldigd zijn;

het innings-en invorderingsbericht en het betekend dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de opgelegde geldboetes niet verschuldigd zijn;

de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter voegde de beide zaken samen en verklaarde de rechtsvorderingen ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten, in hoofde van verweerder in hoger beroep niet vereffend bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.

De eerste rechter oordeelde onder meer:

> *“…*
>
> *4.* *De wet bepaalt niet of de klant bediend wordt aan een tafel dan wel of hij bij zelfbediening aan een tafel (desgevallend naar keuze} plaatsneemt.*
>
> *Het volstaat dat de klant een ruimte, met desgevallend zitmogelijkheid, ter beschikking krijgt/heeft.*
>
> *Dit gegeven overspant loutere levering, want beoogt in essentie het feit van consumptie ter plaatse.*
>
> *De inrichting staat ter beschikking van de klant (ongeacht of hij, na aankoop, er effectief gebruik van maakt).*
>
> *De ruimtes aan de linker- en aan de rechterzijde staan, in de processen-verbaal, beschreven als voor uitsluitend consumptie ten plaatse bestemd (met ook foto's).*
>
> *De rechtbank sluit zich daarbij aan, gelet op deze gegevens.*
>
> *5.* *de vaststellingen.*
>
> *Zij worden als wetsovertreding bepaald in* [*art. 21bis KB nr.1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) *inzake BTW.*
>
> *Eiseres stelt niet op zich in twijfel dat het gaat om de zesde overtreding in de loop van vier jaar.*
>
> *KB 44 inzake BTW leidde terecht tot de te dezen correct berekende niet proportionele boetes.*
>
> *6.* *Eiseres draagt de kosten, in toepassing van art. 1017 Gerechtelijk Wetboek.*
>
> *..”*

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 14/04/2021, hoger beroep ingesteld.

***1.4. Procedure voor het hof van beroep.***

Eiseres in hoger beroep vordert:

\- het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- het bestreden vonnis te hervormen;

\- voor recht te zeggen dat de ten laste van eiseres in hoger beroep gelegde inbreuken op de regelgeving inzake het geregistreerde kassasysteem ongegrond zijn en de drie opgelegde geldboeten zodoende niet wettelijk verschuldigd zijn;

\- de innings- en invorderingsregisters opgemaakt op 13/01/2020 en 02/03/2020, evenals het dwangbevel van 17/03/2020, te vernietigen;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg (ad. 1320 euro) als in graad van beroep (ad. 1.430 euro)

Ter zitting van 24/05/2022 vordert eiseres in hoger beroep de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds per aanleg ten laste van de Belgische Staat te leggen.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid maar ongegrondheid van het hoger beroep en vordert het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot alle kosten van het geding.

Ter zitting van 24/05/2022 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 1.540 euro.

## 2. Bespreking

### *2.1* *De BTW-boetes*

Eiseres in hoger beroep betwist de opgelegde boetes. Zij stelt dat er de facto geen sprake is van een restaurantdienst wanneer een verkoper van snacks een binnenruimte aan zijn cliënteel ter beschikking stelt.

De Belgische Staat daarentegen is van mening dat eiseres in hoger beroep wel degelijk restaurantdiensten verricht.

De discussie tussen partijen heeft betrekking op de regelgeving met betrekking tot het geregistreerde kassasysteem in de horecasector.

Artikel 21bis, § 1, eerste lid (versie 16.06.2016) van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt dat de exploitant van een inrichting waar maaltijden worden verbruikt, alsmede de traiteur die cateringdiensten verricht, gehouden zijn aan de belastingplichtige of niet-belastingplichtige klant het kasticket uit te reiken bedoeld in het koninklijk besluit van 30.12.2009, voor alle handelingen die zij in de uitoefening van de economische activiteit verrichten en die verband houden met het verstrekken van maaltijden en dranken, al dan niet verschaft bij de maaltijd, met inbegrip van alle verkopen van spijzen en dranken in voormelde inrichting, wanneer de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, meer bedraagt dan 25.000 euro.

Het koninklijk besluit van 30.12.2009 bepaalt de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.

Het onderscheid tussen een levering van spijzen en/of dranken en het verstrekken ervan als onderdeel van een dienstprestatie om ter plaatse te worden verbruikt is derhalve te dezen van belang om te bepalen of eiseres in hoger beroep een inbreuk heeft gepleegd op de verplichting om een geregistreerd kassasysteem te gebruiken en de verplichting tot het uitreiken van een kasticket, rekening of ontvangstbewijs, waarvoor te dezen de kwestieuze boetes werden opgelegd.

In het geval van een samengestelde handeling die bestaat uit een reeks nauw met elkaar verbonden elementen en verrichtingen die objectief gezien één enkele, ondeelbare economische handeling vormen, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat er, om uit te maken of deze handeling als levering van goederen dan wel als dienstverrichting moet worden gekwalificeerd, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht om daaruit de kenmerkende aspecten naar voren te halen en de overheersende onderdelen ervan te bepalen (zie in die zin arrest van 10 maart 2011, Bog e.a., [C-497 /09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), [C-499/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), [C-501/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest) en [C-502/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), EU:C:2011:135, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Het Hof van Justie heeft ook verduidelijkt dat het overheersende aspect moet worden bepaald uit het oogpunt van de modale consument en in het kader van een algehele beoordeling, met inaanmerkingneming van het kwalitatieve - en niet enkel het kwantitatieve - belang van het dienstenaspect tegenover het met een levering van goederen verband houdende aspect (zie in die zin arrest van 10 maart 2011, Bog e.a., [C-497/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), [C-499/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), [C-501/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest) en [C-502/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), EU:C:2011:135, punt 62).

[Artikel 6, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-6) bepaalt dat "onder restaurant- en cateringdiensten wordt verstaan het verstrekken van bereide of onbereide spijzen of dranken dan wel beide, voor menselijke consumptie, in combinatie met voldoende bijkomende diensten ten behoeve van de onmiddellijke consumptie van die spijzen of dranken", dat "{h\]et verstrekken van spijzen of dranken dan wel beide{. ..\] niet meer \[is\] dan een onderdeel van het geheel waarin het dienstenaspect de overhand heeft" en dat "\[r\]estaurantdiensten \[...\] dergelijke diensten verstrekt in de ruimten van de dienstverrichter \[zijn\] en cateringdiensten \[. ..\] dergelijke diensten verstrekt elders dan in de ruimten van de dienstverrichter{zijn\]".

Het verstrekken van bereide of onbereide spijzen of dranken dan wel beide, al dan niet inclusief het vervoer ervan, maar zonder andere bijkomende diensten wordt niet aangemerkt als restaurant- en cateringdiensten in de zin van lid 1 (zie [artikel 6, lid 2 uitvoeringsverordening nr. 282/2011](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-6)).

Het hof van Justitie oordeelde dat uit de bewoordingen van artikel 6 van de uitvoeringsverordening volgt dat de Uniewetgever voor de kwalificatie van een belastbare handeling als "restaurant- en cateringdiensten" geen doorslaggevend belang heeft willen toekennen aan de wijze waarop de spijzen worden bereid of geleverd, maar wel aan de bijkomende diensten die met de levering van de bereide spijzen gepaard gaan, aangezien die diensten toereikend moeten zijn om de onmiddellijke consumptie van deze spijzen mogelijk te maken en die diensten de overhand moeten hebben op de geleverde spijzen (zie arrest HvJ 22 april 2021, in zaak [C-703/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-703-19-arrest), https:ljcuria.europa.eu, randnummer 58).

Het gegeven dat het om een 'frituur' gaat, dat de frieten en snacks 'aan de lopende band' bereid worden, is op zich dan ook niet doorslaggevend.

In voormeld arrest oordeelde het Hof van Justitie immers dat de doorslaggevende criteria om te beoordelen of de met de levering van bereide spijzen gepaard gaande diensten kunnen worden beschouwd als "voldoende bijkomende diensten", verband houden met het niveau van de dienstverlening dat de consument wordt aangeboden (zie arrest HvJ 22 april 2021, in zaak [C-703/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-703-19-arrest), https://curia.europa.eu., randnummer 59).

In dit verband houdt het Hof van Justitie met name rekening met aspecten zoals de vraag of er kelners zijn, of er sprake is van bediening- die met name bestaat in het doorgeven van bestellingen aan de keuken, het vervolgens presenteren van de gerechten en het opdienen van deze gerechten aan tafel voor de klant-, of er gesloten en verwarmde, speciaal voor het nuttigen van de spijzen ingerichte ruimten ter beschikking worden gesteld, alsook of er garderobes en toiletten zijn en of er wordt gezorgd voor serviesgoed, meubilair en tafelgerei (zie in die zin arrest van 10 maart 2011, Bog e.a., [C-497/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), [C-499/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), [C-501/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest) en [C-502/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest), EU:C:2011:135, punt 69).

Het is de nationale rechter die op basis van de genoemde criteria moet bepalen of de betrokken verkoopmethoden wel of niet kwalificeren als restaurant- of cateringdiensten (zie HvJ 22 april 2021, in zaak [C-703/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-703-19-arrest), https://curia.europa.eu., randnr. 63).

Gelet op voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie dient het hof in onderhavige zaak aan de hand van de hoger toegelichte criteria te bepalen of de door de belastingplichtige opgezette verkoopmethode al dan niet valt onder het begrip restaurantdiensten.

Voormelde aangehaalde criteria dienen geenszins cumulatief vervuld te zijn.

In de mate partijen andere criteria aanhalen zijn deze dan ook niet doorslaggevend.

Op basis van de voorgelegde foto's en de vaststellingen zoals opgenomen in de processen­ verbaal d.d. 14/10/2019 en d.d. 21/01/2020, de toelichting geven ter zitting, gaat het hier om gesloten, speciaal voor het nuttigen van de spijzen van 'Frituur nr. 1' (uitgebaat door eiseres in hoger beroep), ingerichte ruimten, ter beschikking gesteld aan de klanten. In deze ruimten zijn de nodige voorzieningen daarvoor aanwezig zoals tafels en banken, alsook sanitair. Te dezen verbruikt de klant, die ter plaatse zijn frietjes wil opeten, de spijzen en/of dranken in een ruimte binnen en zijn er toiletten voorzien. Enkel klanten van eiseres in hoger beroep mogen hier hun maaltijd aangekocht bij eiseres in hoger beroep nuttigen. Boven de binnenruimtes is de vermelding 'frituur n 1' aangebracht.

Aangezien de plaatsgesteldheid en uitbatingsomstandigheden voor het hof duidelijk zijn, wordt er door het hof niet ingegaan op het door eiseres in hoger beroep voorgestelde plaatsbezoek.

Het hof is van oordeel dat voormelde concrete omstandigheden aantonen dat het te dezen om restaurantdiensten gaat, wanneer de klant er voor kiest om gebruik te maken van die dienstverlening voor de onmiddellijke consumptie.

Verder merkt het hof op dat te dezen niet betwist wordt dat de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, meer bedraagt dan 25.000 euro.

Gelet op voorgaande staan de inbreuken zoals weerhouden in de processen-verbaal dan ook vast in hoofde van eiseres in hoger beroep.

De opgelegde boetes werden terecht opgelegd conform de ter zake toepasselijke wettelijke bepalingen.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde boetes wettelijk zijn, afdoende gemotiveerd zijn en evenredig zijn met de aard en de ernst van de overtredingen.

De overige aanvoeringen van eiseres in hoger beroep zijn niet van aard afbreuk te doen aan voorgaande.

### 2.2 De rechtspleqinqsverqoedinq

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S .31.05.2007).

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep.

De rechtsplegingsvergoeding wordt in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffend op O euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, bij gebrek aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Gelet op al het voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten van het geding in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst het anders en/of meergevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 21 juni 2022 door …

Ondertekeningen

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4

Vonnis van 15 februari 2021

Inzake: 20/1815/A

**MDO. BVBA** met zetel te …, KBO: 084...19, eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. …, advocaat kantoorhoudende te …,

**TEGEN:**

**BELGISCHE STAAT** in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Antwerpen Expertise 1, met kantoor te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2, en de Adviseur-lnvordering Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Antwerpen 1, met kantoor te 200 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 1, KBO 0308.357.159, verwerende partij - vertegenwoordigd door de heer Y en mevrouw X, hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,

en inzake:20/1900/A

**MDO. BVBA** met zetel te …, KBO: 084...19, eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. …, advocaat·kantoorhoudende te …,

**TEGEN:**

**BELGISCHE STAAT** in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Antwerpen · Expertise 1, met kantoor te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2, en de Adviseur-lnvorderine Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Antwerpen 1, met kantoor te 200• Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 1, KBO 0308.357.159, verwerende partij - vertegenwoordigd door de heer Y en mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gelet op de stukken in het dossier van de rechtspleging waaronder:

\* inzake AR 20/1815/A:

\- Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 april 2020;

\- de synthesebesluiten namens eisende partij, neergelegd op 15 oktober 2020;

\- de synthesebesluiten namens verwerende partij, neergelegd op 10 december 2020;

\- de stukken van partijen;

\* inzake AR 20/1900/A:

\- Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 21 april 2020;

\- de synthesebesluiten namens eisende partij, neergelegd op 15 oktober 2020;

\- de synthesebesluiten namens verwerende partij, neergelegd op 11 december 2020;

\- de stukken van partijen;

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten, ontwikkeld in de Nederlandse t terechtzitting van 18 januari 2021.

**A.R.20/1815/A**

PV van 15 Januari 2020.

Een bevoegd ambtenaar verrichtte 13 januari 2020 vaststellingen ter plaatse in de uitbatingsvestiging van eiseres, bestelde een consumptie met daarbij melding dat het was om ter plaatse verbruiken.

Hij betaalde in baar geld, ontving evenwel noch kasticket noch BTW-ontvangstbewijs.

Hij nam toen plaats in een verbruiksruimte ernaast bij welke ook·een sanitaire ruimte ter beschikking bleek voor de klanten (rechterzijde).

Hij stelde vast dat tijdens zijn verblijf (13.12 tot 13.29 uur) er, in de beide verbruiksruimtes, meerdere klanten maaltijden aan het nuttigen waren, waarover detail in proces-verbaal van 27 januari 2020.

Hij acteerde ook dat de instelvoorwaarden voor een geregistreerd kassasysteem voldaan waren.

Hij acteerde erin ook dat in de aangiften onder rooster 02 (over BTW-tarief 12%) voor het jaar 2015 49.920,01 EUR was aangegeven, voor 2016 53.334,16 EUR, voor 2017 55.334,16 EUR, voor 2018 dan 48.787,42 EUR en tenslotte voor de eerste drie kwartalen 2019 36.693,78 EUR.

Hij stelde vast dat eiseres niet geregistreerd stond als gebruiker van een geregistreerd kassasysteem, ook dat zij geen geldig BTW-kasticket door een geregistreerd kassasysteem had aangemaakt.

**A.R.20/1900/A**

PV van 28 augustus 2019.

Gelijksoortige vaststellingen als hogerop staan opgetekend in proces-verbaal van 27 november 2019.

Onder de belde rolnummers liggen innings- en invorderingsberichten voor.

Een raadsman legde 15 april 2020 respectievelijk 21 april 2020 verzoekschriften op tegenspraak neer ter griffie, ter betwisting der fiscale vordering.

Het past vooreerst de zaken samen te voegen voor een goede rechtsbedeling. Ontvankelijkheid der rechtsvorderingen staat niet in betwisting.

### Ten gronde

1\. Eiseres streeft onwettig verklaring der invorderingsberichten na, met in voorkomend geval teruggave van het erop betaalde plus intrest.

Verweerder streeft ongegrond verklaring der rechtsvordering na.

2\. Eiseres betwist niet de materialiteit van de vaststeltingen.

Zij stelt evenwel een frituur uit te baten, maar geen restaurant.

Zij specificeert dat er de facto sprake is van een 'restaurantdienst' wanneer een verkoper van snacks een binnenruimte aan zijn cliënteel ter beschikking stelt.

Zij stelt voorts dat een restaurantdienst een samengestelde handeling vormt, zijnde een geheel van samenhangende handelingen waarvan levering van voedsel slechts een onderdeel is.

3\. Verweerder verwijst naar het BTW-stelsel, meer bepaald de uitwerking in de Uitvoeringsverordening 282/2011 van 15 maart 2011 (art.6.1) op Richtlijn 2006/112/EG inzake BTW:

> " Onder restaurant- en cateringdiensten wordt verstaan het verstrekken van bereide of onbereide spijzen of dranken dan wel beide, voor menselijke consumptie, in combinatie me1 voldoende bijkomende diensten ten behoeve van de onmiddellijke consumptie van die spijzen en dranken. Beiden is niet meer dan een onderdeel van het geheel waarin het dienstenaspect de overhand heeft. Restaurantdiensten zijn dergelijke diensten verstrekt in de ruimten van de dienstverrichter en cateringdiensten zijn dergelijke diensten verstrekt elders dan in de ruimten van de dienstverrichter ".

4\. De wet bepaalt niet of de klant bediend wordt aan een tafel dan wel of hij bij zelfbediening aan een tafel (desgevallend naar keuze) plaatsneemt.

Het volstaat dat de klant een ruimte, met desgevallend zit mogelijkheld, ter beschikking krijgt/heeft.

Dit gegeven overspant loutere levering, want beoogt in essentie het feit van consumptie ter plaatse.

De inrichting staat ter beschikking van de klant (ongeacht of hij, na aankoop, er effectief gebruik van maakt).

De ruimtes aan de linker- en aan de rechterzijde staan, in de processen-verbaal, beschreven als voor uitsluitend consumptie ter plaatse bestemd {met ook foto's).

De rechtbank sluit zich daarbij aan, gelet op deze gegevens.

5\. De, hogerop vermelde, verplichtingen (geregistreerde kassa, ticketverplichtingen) zijn geënt op de vaststellingen.

Zij worden als wetsovertreding bepaald in art.[21bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) KB nr.1 inzake BTW.

Eiseres stelt niet op zich in twijfel dat het gaat om de zesde overtreding in de loop van vier jaar.

KB 44 inzake BTW leidde terecht tot de te dezen correct berekende niet proportionele boetes.

6\. Eiseres draagt de kosten, in toepassing van art.1017 Gerechtelijk Wetboek.

### OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Voegt de zaken onder A.R.20/1815/A en A.R.20/1900/A samen en beoordeelt ze in een en het zelfde vonnis,

Verklaart de rechtsvorderingen ontvankelijk maar ongegrond, Veroordeelt eiseres tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.

Dit vonnis werd uitgesproken op vijftien februari tweeduizend eenentwintig in openbare zitting van de Kamer AF14, die samengesteld was uit: …

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 1 art. 21bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) 4 voorkomens

[uitvoeringsverordening 282/2011 art. 6](https://juriel.be/nl/unierecht/uitvoeringsverordening-282-2011/artikel-6) 4 voorkomens

[C-497/09 e.a., arrest van 10 maart 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-497-09-arrest) 3 voorkomens

[C-703/19, arrest van 22 april 2021](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-703-19-arrest) 3 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Tarieven, Verschaffen van spijzen en dranken, Restaurantactiviteiten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarieven-verschaffen-spijzen-dranken-restaurantactiviteiten-rechtbank-brussel-2022-01-19-6ccb) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Niet-proportionele fiscale geldboeten, Bakkerij met verbruikersruimte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-proportionele-fiscale-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-91a6) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-namen-2020-12-10-0baa) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Ontbreken van een GKS](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-ontbreken-gks-rechtbank-2023-05-30-187c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Geregistreerd kassasysteem (GKS), Horecasector](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-gks-horecasector-verplichting-rechtbank-brussel-2021-12-23-2313) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan kassa, Niet-proportionele fiscale geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-2021-03-29-34a4) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Geregistreerd kassasysteem, Ontbreken van een GKS](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-ontbreken-gks-uitreiken-hof-van-beroep-luik-2023-03-20-5d9d) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-geen-rechtbank-namen-2021-04-27-6642) 1 gemeenschappelijke bepalingen
