---
title: "Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa · Rechtbank van eerste aanleg te Namen, 27 april 2021"
description: "Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa, Geen uitreiking van kastickets. Rechtbank van eerste aanleg te Namen (België), 27 april 2021."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-geen-rechtbank-namen-2021-04-27-6642"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Namen

**Datum**

27 april 2021

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

239 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Namen d.d. 27.04.2021

WF 706-15-18/000809

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Geregistreerd kassasysteem – Gebrek aan een kassa – Geen uitreiking van kastickets – Gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel – Last zoals bedoeld in artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek – Geldboeten – Genadeverzoek tot kwijtschelding of vermindering van een geldboete – Delegatiebevoegdheid – Bevoegdheid van de rechter*

## Wettelijke bepalingen

[Artikel 70, § 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70)

[Artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde

Koninklijk besluit nr. 30 van 30 december 2009, tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen

Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012

Artikel 9 van het Besluit van de Regent nr. 78 van 18 maart 1831

Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek

Artikelen 10, 11, 16, 33, 159, 172 en 190 van de Grondwet

## Samenvatting

Op basis van een proces-verbaal van bevindingen en een proces-verbaal inzake btw werd aan eiseres een btw-boete van 1.500 EUR opgelegd na een controle in haar exploitatiezetel. Dit gebeurde nadat een ambtenaar van het NCO te Namen had vastgesteld dat eiseres niet beschikte over een geregistreerd kassasysteem (GKS, noch over een "Black Box” (FDM), noch over een Smartcard (VSC) die in de controlemodule van het FDM moest worden ingebracht.

Hij heeft ook vastgesteld dat eiseres sinds 1 juli 2016 voor een aantal geïdentificeerde maaltijden geen btw-bonnetjes had uitgereikt, hoewel haar omzet uit restaurantdiensten in de bezochte vestigingseenheid meer dan 25 000 EUR bedroeg ([artikel 21bis van koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) van 29 december 1992). Eiseres heeft een verzoek om kwijtschelding of vermindering van de geldboeten ingediend, dat bij administratieve beslissing van 8 februari 2018 is afgewezen.

In twee daaropvolgende processen-verbaal werd eveneens vastgesteld dat de wettelijke uitrusting (GKS+FDM+VSC) ontbrak, zodat bijgevolg nieuwe geldboeten werden opgelegd; deze zijn niet bedoeld in het verzoekschrift van eiseres.

Op 19 juli 2018 heeft eiseres de situatie geregulariseerd door een geregistreerd kassasysteem GKS) in gebruik te nemen, overeenkomstig voormeld koninklijk besluit, en heeft zij bij de rechtbank een verzoekschrift op tegenspraak ingediend.

Eiseres voert verschillende middelen aan:

### a) De nietigheid van de directoriale beslissing

Eiseres voert aan dat de directoriale beslissing van 8 februari 2018 niet is ondertekend, zodat het gerechtvaardigd is om deze nietig te verklaren en a fortiori de daaruit voortvloeiende geldboete. De Belgische Staat antwoordt dat er slechts één origineel van de administratieve beslissing bestaat en dat deze is gericht aan de belastingplichtige, waarvan een ondertekend afschrift in zijn dossier is opgenomen, en dat zijn raadsman per e-mail een niet-ondertekend afschrift ontvangt, waarvan eveneens een afschrift is neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat het in het bezit is van een kopie van het ondertekende afschrift. Eiseres betoogt niet dat het om een vervalsing gaat. Bovendien kan het door eiseres ingediende niet-ondertekende afschrift gewoon het afschrift zijn dat is gehecht aan de e-mail die op 8 februari 2018 door de Belgische Staat aan de raadsman van eiseres is verzonden, hetgeen de dualiteit van de documenten verklaart, het ene als een ondertekend origineel, het andere als een niet-ondertekend afschrift.

Bovendien leidt de nietigverklaring van een directoriale beslissing niet tot de nietigverklaring van de heffing of geldboete in kwestie. Niet de door de directeur der belastingen of de in zijn naam genomen beslissing maar de aanslag zelf kan het voorwerp uitmaken van een geschil voor de rechtbank van eerste aanleg, wanneer die aanslag na die beslissing geheel of gedeeltelijk blijft bestaan (Cass.,31 januari 2014, F.12.0030.F).

In de onderhavige zaak heeft eiseres geen belang bij de nietigverklaring van de directoriale beslissing. De voornaamste grief die eiser heeft geformuleerd, mist derhalve feitelijke grondslag, maar zou hoe dan ook niet-ontvankelijk zijn wegens gebrek aan belang.

b) Schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel die zijn neergelegd in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet door de GKS-regeling

Eiseres voert een verschil in behandeling aan tussen, enerzijds, horecabedrijven met een jaaromzet, exclusief btw, van meer dan 25 000 EUR per jaar met betrekking tot maaltijden die ter plaatse worden genuttigd en, anderzijds, drie andere categorieën van bedrijven die niet aan deze verplichting zijn onderworpen: bedrijven waar het niet mogelijk is om ter plaatse maaltijden te nuttigen (a), bedrijven die niet in de horecasector werkzaam zijn (b) en bedrijven met een jaaromzet, exclusief btw, van minder dan 25 000 EUR met betrekking tot restaurantdiensten (c)

Wat het verschil in behandeling betreft met inrichtingen die geen voedselconsumptie ter plaatse toestaan, blijkt uit een van de arresten van 21 maart 2018, gewezen door de Raad van State, dat deze de klacht betreffende de onnauwkeurigheid van bepaalde termen in het koninklijk besluit van 16.06.2016 gedeeltelijk niet heeft weerhouden.

De Raad van State is van oordeel dat:

\- de onnauwkeurigheid die verzoeker toeschrijft aan bepaalde in het bestreden besluit gebruikte termen niet van dien aard is dat zij de met de toepassing ervan belaste administratie een buitensporige interpretatiebevoegdheid verleent;

\- dat het courante termen betreft waarvan de draagwijdte in de overgrote meerderheid van de gevallen niet ernstig ter discussie staat;

\- dat het in een klein aantal gevallen waarin aarzeling zou kunnen bestaan, aan de bevoegde rechter is om de uitlegging te bepalen:

\- dat in dit onderdeel het middel niet gegrond is (arrest van de Raad van State van 21 maart 2018, nr. 241. 065).

In casu is de rechtbank van oordeel dat de definitie van de belastingcategorie waarvoor de verplichting geldt om een GKS te houden voldoende duidelijk en nauwkeurig is.

Het verschil in behandeling valt samen met twee verschillende categorieën handelingen die onderworpen zijn aan verschillende btw-tarieven, naast een tarief van 21 % voor dranken die worden meegenomen of ter plaatse worden geconsumeerd, namelijk het tarief van 6% voor voedingsmiddelen die worden bereid om te worden meegenomen (levering van goederen), zonder de verplichting een GKS te gebruiken, en het tarief van 12% voor voedingsmiddelen die worden bereid om ter plaatse te worden geconsumeerd (dienstprestatie), met de verplichting een GKS te gebruiken indien de totale omzet van deze categorie meer bedraagt dan meer bedraagt dan 25.000 EUR excl. btw per jaar.

Deze twee categorieën vallen samen met verschillende materiële handelingen, specifieke vakken op de btw-aangifte en verschillende btw-tarieven: er wordt niet ernstig betwist dat deze categorieën worden vastgesteld op basis van objectieve criteria en dat elk van deze categorieën van activiteiten zijn eigen specifieke kenmerken heeft, maar alleen de tweede - meer bepaald de hoofdactiviteit van restaurants - wordt in de doelstelling die wordt nagestreefd met het koninklijk besluit van 16 juni 2016 opgenomen, dat met name is gericht op de bestrijding van belastingfraude.

Elk van de inrichtingen die onder een van de bovengenoemde categorieën vallen, krijgt een identieke behandeling. Deze grief moet derhalve worden afgewezen.

Wat betreft een vermeend verschil in behandeling, in strijd met het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, met andere activiteitensectoren dan de restaurant- en cateringsector, die echter vergelijkbaar zijn omdat zij in wezen bestaan uit het leveren van diensten of goederen aan particulieren zonder dat daarvoor een factuur hoeft te worden opgesteld, is de rechtbank van oordeel dat het gaat om activiteitensectoren die wegens hun eigen specifieke kenmerken niet vergelijkbaar zijn: het Hof onderschrijft de relevante redenen die de Raad van State in zijn inmiddels bekende arresten van 21 maart 2018 heeft uiteengezet :

"Overwegende dat de horecasector zodanige bijzonderheden vertoont dat de tegenpartij het passend achtte te voorzien in een passende belastingregeling voor sommige van zijn activiteiten, hetgeen gepaard gaat met specifieke regelingen voor de inning van de btw en het bewijs dat deze is geïnd; daarbij heeft zij geen kennelijke beoordelingsfout begaan

In dit onderdeel is het middel ongegrond.” (vrije vertaling)

De rechter verwijst ook veelvuldig naar de overwegingen in het verslag aan de Koning betreffende het koninklijk besluit van 16 juni 2016 tot wijziging van koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de uitreiking van een kasticket door middel van een geregistreerd kassasysteem in de horecasector. Dit verslag bevat elementen die het nieuwe drempelcriterium van 25.000 EUR (dat in de plaats komt van het vroegere criterium van 10% van de omzet) rechtvaardigen, waardoor de verschillen in behandeling kunnen worden gerechtvaardigd, zowel ten aanzien van de niet-horecasector als ten aanzien van de inrichtingen die de drempel van 25.000 euro niet overschrijden.

De grief zal niet worden weerhouden.

Wat het vermeende verschil in behandeling betreft van bedrijven met een jaaromzet, exclusief btw, met betrekking tot restaurantdiensten van minder dan 25 000 EUR, is de rechter van oordeel dat de drempel van 25 000 EUR een verschil in behandeling vormt dat wordt gerechtvaardigd door een objectief, redelijk en evenredig criterium gelet op de gebruikte middelen en de nagestreefde doelstellingen (administratieve vereenvoudiging, verlichting van de financiële lasten van kleine ondernemingen en bestrijding van belastingfraude).

In zijn drie arresten van 21 maart 2018 (arresten nrs. 241.063, 241.064 en 241.065 van 21.03.2018) heeft de Raad van State geoordeeld dat het middel van schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in deze bewoordingen ongegrond is:

"Overwegende dat, wat het tweede onderdeel betreft,

\- belastingplichtigen wier omzet in de horecasector niet meer dan 25.000 EUR bedraagt niet zijn vrijgesteld van het uitreiken van een btw-bonnetje, maar geen kassasysteem hoeven te gebruiken voor de uitreiking van dat bonnetje;

\- dat de tegenpartij zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken heeft kunnen oordelen dat de aanschaf van een kassasysteem een buitensporige last vormt, gelet op hun bescheiden omzet;

\- dat het criterium voor het onderscheid tussen beide objectief is, in verhouding tot het doel van de maatregel en evenredig met de lasten die hij meebrengt;

\- dat het middel in dit onderdeel ongegrond is.” (vrije vertaling)

c) Schending van artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM en artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

Eiseres betoogt dat de GKS-regeling een onredelijke last legt op de marktdeelnemers die de regeling moeten installeren, en bijgevolg in strijd is met artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol bij het EVRM, met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

De grief met betrekking tot artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM is door de Raad van State reeds behandeld en gerechtvaardigd afgewezen.

In een arrest van 17 januari 2019 waarbij het beroep tot vernietiging van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 werd verworpen, heeft de Raad van State het middel tot vernietiging op grond van de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens omdat niet wordt aangetoond dat de verplichting om een kasticket uit te reiken een onrechtmatige inbreuk vormt op het eigendomsrecht (R.v.St., 17 januari 2019, nr. 243.414).

De bestreden regeling verplicht de exploitanten om het geregistreerd kassasysteem in gebruik te nemen en toe te passen doch legt hen geen verplichting op om een geregistreerd kassasysteem aan te kopen. Een dergelijk systeem kan eventueel in gebruik worden genomen via huur, leasing of enig andere op de markt beschikbare formule die is aangepast aan zijn noden. De daarmee gepaard gaande kosten kunnen, ongeacht de formule waarvoor is gekozen, worden beschouwd als beroepskosten en zijn bijgevolg fiscaal aftrekbaar. De opgelegde financiële last dient dan ook te worden gerelativeerd en niet als onevenredig zwaar worden aanzien.

De rechter onderschrijft de hierboven uiteengezette redenering van de Raad van State en acht deze gegrond, zodat de grief zal worden afgewezen.

d) Schending van de artikelen 33 en 190 van de Grondwet en onbevoegdheid van de opsteller van het proces-verbaal

Eiseres voert aan dat de bestreden geldboete lijkt te zijn opgelegd door een persoon die niet over de vereiste delegatie beschikt, aangezien deze delegatie niet is bekendgemaakt zoals artikel 190 van de Grondwet voorschrijft, en dat degene die de geldboete heeft opgelegd onbevoegd is.

De Belgische Staat stelt dat, gelet op [artikel 59 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59), geen delegatie nodig is voor het opstellen van een proces-verbaal.

De rechtbank is van oordeel dat de processen-verbaal dd. 14/09/2017 en 01/08/2017 regelmatig zijn opgesteld overeenkomstig [artikel 59 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) dat geen bijzondere delegatie van bevoegdheid vereist, dat zij zijn betekend en dat zij gelden als bewijs tot het tegendeel is bewezen.

e) Schending van artikel 9 van het Besluit van de Regent van 18 maart 1831 door de directoriale beslissing van 08.02.2018

Volgens eiseres was, bij gebreke van delegatie van bevoegdheid, alleen de minister van Financiën bevoegd om te beslissen over het verzoek om kwijtschelding van de geldboete. Bijgevolg was de directoriale beslissing opgesteld door een hiertoe onbevoegde persoon, in een aangelegenheid die de openbare orde raakt, en moet deze bestreden beslissing derhalve nietig worden verklaard.

De Belgische Staat hield impliciet vol dat hij bij delegatie had gehandeld en antwoordde terecht dat, om in aanmerking te komen voor een vermindering van de geldboete op basis van artikel 9 van het Besluit van de Regent van 18 maart 1831, hij aanspraak moest kunnen maken op overmacht of op uitzonderlijke omstandigheden door middel van een met redenen omkleed verzoekschrift.

De rechter stelt vast dat eiseres geen gemotiveerd verzoekschrift heeft gericht aan de minister van Financiën. Hij tekent wel administratief beroep per aangetekende brief aan bij de Directie van het KMO-centrum Namen, waarbij hij de twee betwiste processen-verbaal en de daaropvolgende geldboete van 1 500 EUR betwist en verzoekt om kwijtschelding, vermindering of vernietiging van de geldboete. Deze formulering impliceert dat het beroep een tweeledig doel had, namelijk kwijtschelding ex gratia van de geldboete op basis van het besluit van de Regent en/of vermindering/vernietiging van de geldboete in het kader van het facultatief administratief beroep.

In de eerste plaats heeft eiseres ten onrechte de onbevoegdheid van de ambtenaar tot wie hij zijn verzoekschrift tot kwijtschelding van de geldboete - in plaats van tot de minister van Financiën - aangenomen: de bevoegdheid om in deze materie een genademaatregel toe te passen is door de minister op 30 juni 1999 immers gedelegeerd aan de gewestelijke directies van zijn administratie.

Wat de grond van de zaak betreft, beroept eiseres zich niet op een geval van overmacht, noch op enige uitzonderlijke of bijzondere omstandigheid in haar voordeel, maar betwist zij daarentegen de wettigheid van de geldboete.

De rechtspraak van het Hof van Cassatie bevestigt evenwel dat indien, luidens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, de minister van Financiën over de bevoegdheid beschikt te beslissen over de verzoeken van kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter, dat daaruit niet volgt dat de rechter, bij ontstentenis van een dergelijk beroep, dergelijke bevoegdheden mag uitoefenen door de proportionele geldboete wegens belastingfraude op een bedrag onder het wettelijk tarief vast te stellen.

Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter verleent de rechter die bevoegdheid niet (Cass. 17 januari 2019 [F.16.0130.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-evenredigheidsbeginsel-cassatie-brussel-2019-01-17-80d4).).

Rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en de wettigheid van de opgelegde geldboete, kan de rechtbank enkel vaststellen dat zij onbevoegd is om de geldboete gracieus te verminderen.

## Opmerkingen

Tegenpartij heeft beroep aangetekend.

De grieven over de wettigheid en de grondwettigheid van het geregistreerd kassasysteem in de horecasector zijn steeds en herhaaldelijk verworpen, zowel door de bodemrechters als door de Raad van State. Ter zake wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van State, nr. 241.063 en nr. 241.064, nr. 241.065 van 21 maart 2018, nr. 243.414, nr. 243.415 en nr. 243.416 van 17 januari 2019.

Het vonnis verduidelijkt ook de beginselen inzake ondertekening en delegatie.

**Tekst van het vonnis**

***Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

**Tribunal de première instance de Namur, division NAMUR Jugement, llème chambre C affaires civiles (fiscales)**

Rôle : 18/1264/A

La onzième chambre civile C du tribunal de première instance de Namur - division NAMUR a prononcé, en langue française, le jugement suivant :

EN CAUSE DE:

**B.Q. SA** , BCE: 0564....96, ayant son siège social à ..., Partie demanderesse représentée par Me ... dont le cabinet est établi à ....

**CONTRE:**

**L'ETAT BELGE**, représenté par Monsieur le Ministre des Finances - SPF FINANCES, Administration Générale de la Fiscalité, poursuites et diligences de Monsieur le Conseiller général, Directeur du Centre PME NAMUR, dont les bureaux sont établis à 5000 NAMUR, rue des Bourgeois, 7 Bloc C, 7ème étage Partie défenderesse Représenté par Madame X, Attachée

JUGEMENT

le dossier de la procédure, laquelle est régulière contient notamment:

\- la décision directoriale du 08.02.2018,

\- la requête contradictoire en matière fiscale déposée au greffe le 26.07.2018,

\- l'ordonnance rendue, le 20.09.2018, sur la base de l'article 747, §2, du Code judiciaire, fixant des délais pour conclure et une date d'audience pour les plaidoiries au 04.03.2021 devant la chambre 11B ;

\- les conclusions de synthèse de la demanderesse reçues le 09.10.2020,

\- les conclusions de synthèse du défendeur reçues le 24.12.2020,

\- l'ordonnance présidentielle du 01.03.2021 reportant la cause au 30.03.2021 et la distribuant à la chambre 11C,

\- les dossiers de pièces des parties.

Les parties, comparaissant comme dit ci-dessus, ont été entendues à l'audience du 30 mars 2021.

**I.** **RAPPEL DES FAITS ET RETROACTES.**

Les faits et rétroactes pertinents se résument comme suit:

Il ressort du procès-verbal de constat du 01.08.2017 et du procès-verbal de taxation du 14.09.2017, qu'une amende TVA de 1.500 € a été infligée à la demanderesse et enrôlée sous le numéro d'article CTRI 500....85, parce qu'à l'occasion d'un contrôle intervenu le 1er août 2017 à son siège d'exploitation, un fonctionnaire du centre national de recherches de Namur a constaté que la demanderesse ne disposait pas de caisse enregistreuse (SCE), ni de« boîte noire» (FDM), ni d'une Smartcard (VSC) à insérer dans le module de contrôle FDM

Il a également constaté que la demanderesse n'avait pas délivré de ticket de caisse TVA depuis le 1er juillet 2016 pour un certain nombre de repas identifiés alors que lorsque le chiffre d'affaires des services de restauration d'un contribuable s'élève à plus de 25.000 € dans l'unité d'établissement visitée, il doit délivrer un ticket-SCE ([article 21bis de l'arrêté royal n°1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) du 29 décembre 1992.).

Le 14.12.2017, le demandeur a introduit une réclamation administrative facultative qualifiée de « requête en remise au en réduction des amendes ».

Par décision administrative du 08.02.2018, l'Etat belge a rejeté le recours.

Deux procès-verbaux ultérieurs de constatation ont été dressés respectivement le 23.02.2018, puis le 11.07.2018 par des agents de celui-ci: ils ont pareillement constaté l’absence de l'appareillage légal (SCE+FDM+VSC), en sorte que de nouvelles amendes ont été infligées; elles ne sont pas visées par le recours du demandeur.

En date du 19.07.2018, celui-ci a régularisé la situation en activant une caisse enregistreuse SCE conforme à l'arrêté royal précité.

Le 26.07.2018, le demandeur a déposé une requête contradictoire en matière fiscale à l'encontre de l'amende TVA litigieuse.

**Il.** **LES PRETENTIONS DES PARTIES.**

Par ses conclusions de synthèse du 09/10/20, la SA B.Q. demande au tribunal de :

A TITRE PRINCIPAL

Déclarer la demande recevable, fondée et :

\- Prononcer l'écartement sur base de l'article 159 de la Constitution des actes réglementaires et individuels, dérivés et/ou d'exécution, sur lesquels sont fondés les actes litigieux, et plus particulièrement :

• l'Arrêté royal du 16 juin 2016 « modifiant /'Arrêté royal n° 1, du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne la délivrance d'un ticket de caisse au moyen d'un SCE dans le secteur horeca »;

• I'Arrêté royal n° 44 du 9 juillet 2012 (section 2, rubrique Il, A) « fixant le montant des amendes fiscales non proportionnel/es en matière de taxe sur la valeur ajoutée »;

• I'Arrêté royal du 30 décembre 2009 « fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur horeca »;

\- Dire pour droit que la concluante n'est pas redevable de l'amende fiscale de 1.500,00€ enrôlée sous l'article de rôle n°500....85;

\- Prononcer l'annulation :

• La décision administrative de Monsieur Y, Conseiller auprès de l'Administration générale de la fiscalité - Centre PME Namur, datée du 8 février 2018, rejetant la requête motivée formulée par la requérante à l'encontre de l'amende fiscale enrôlée sous l'article de rôle n°500....85.

• Le procès-verbal reprenant le montant de l'amende fiscale due, notifié le 14 septembre 2017, ainsi que le procès-verbal de constatations du 14 septembre 2017.

• L'amende subséquente de 1.500,00€ enrôlée sous l'article de rôle n°500....85.

\- Ordonner la restitution de toutes sommes payées par ma cliente de ce chef, majorées des intérêts moratoires calculés au taux légal depuis la date de chaque paiement.

\- Le cas échéant, après avoir interrogé à titre préjudiciel la Cour constitutionnelle comme il suit:

> *« Interprété comme habilitant le Roi à instaurer, pour assurer l'exacte perception de la taxe sur la valeur ajoutée et pour éviter la fraude, un système de caisse dans le seul secteur socio-économique de l'Horeca, le Code de la TVA et singulièrement son article 53 octies, §1er, alinéa 6, viole-t-il les articles 10., 11, 16, 170§1er et 172 de la*
>
> *Constitution, Jus en combinaison avec ses articles 33, 35, 36., 37, 105, 108, avec l'article 14 de la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales, avec l'article 1er du 1er Protocole additionnel à la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales, avec les articles 17.1, 20 et 21 de la Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne, lus en combinaison avec l'article 6.1 du Traité sur l'Union européenne, et avec la Directive 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006 relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée en traitant de manière différente,*
>
> *•* *primo, les assujettis du secteur de l'Horeca et les autres assujettis commerçants;*
>
> *•* *secundo, les assujettis du secteur de l'Horeca dans les établissements desquels sont consommés des repas, suivant que leur chiffre d'affaires annuel "nourriture" soit supérieur ou inférieur à 25.000€ HTVA;*
>
> *•* *tertio, les assujettis du secteur de l'Horeca dans les établissements desquels sont consommés des repas, et ceux dans les établissements desquels ne sont pas consommés de repas;*
>
> *•* *quarto, les assujettis du secteur de l'Horeca ayant un chiffre d'affaires annuel "nourriture" supérieur à 25.000€ HTVA, et les assujettis autres commerçants?»*

L'Etat belge quant à lui demande que la requête soit déclarée recevable, mais non fondée et que le demandeur soit condamné aux entiers frais et dépens de l'instance.

**Ill.** **LA RECEVABILITE.**

La requête contradictoire a été déposée dans les formes et délais légaux après exercice d'un recours administratif préalable.

L'ETAT BELGE ne soulève aucune cause d'irrecevabilité de l'action et le Tribunal n'en aperçoit aucune qu'il lui incomberait de soulever d'office.

L'action est recevable.

**IV.** **LE FONDEMENT DES GRIEFS.**

***1.*** ***Préalables : les règles légales applicables.***

L'[article 21bis, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n°1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée dispose :

> *« L'exploitant d'un établissement où sont consommés des repas ainsi que le traiteur qui effectue des prestations de restauration sont tenus de délivrer au client, assujetti ou non­ assujetti, Je ticket de caisse prévu à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca, pour toutes les opérations qu'ils effectuent dans l'exercice de l'activité économique et qui ont un rapport avec la fourniture de repas et de boissons, que les boissons soient fournies ou non au cours du repas, en ce compris toutes les ventes de nourriture et de boissons dans cet établissement, lorsque le chiffre d'affaires annuel, hors taxe sur la valeur ajoutée, relatif aux prestations de services de restaurant et de restauration à l'exclusion des services qui consistent en la fourniture de boissons, excède 25.000 euros. ».*

Selon le paragraphe 2 de la même disposition,

> *« Pour les assujettis qui, à la date du 1er juillet 2016, exercent une activité de restaurant ou de restauration, la période de référence pour le calcul du montant du chiffre d'affaires visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, correspond à l'année calendrier 2015. ».*

Enfin, en vertu du paragraphe 3,

> *« Lorsque, après Je 1er juillet 2016, l'assujetti constate lors du dépôt de la déclaration périodique à la T.V.A. que le chiffre d'affaires visé au paragraphe 1er, alinéa 1e réalisé pendant l'année civile en cours dépasse 25.000 euros, il est tenu de se faire enregistrer auprès du service précité au plus tard à l'expiration du deuxième mois qui suit la période de déclaration à la T.V.A. concernée.*
>
> *L'assujetti visé à l'alinéa 1er est tenu de délivrer le ticket de caisse prévu au paragraphe 1er, alinéa 1er, au plus tard à la fin du mois qui suit la période au cours de laquelle il est tenu de se faire enregistrer. ».*

Ces dispositions sont entrées en vigueur le 1er juillet 2016 (arrêté royal du 16 juin 2016, M.B. 24 juin 2016).

Sur base de l'[article 70, § 4, alinéa 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), toutes les infractions autres que celles qui sont visées aux§§ 1er, 2 et 3 de cet article, sont réprimées par une amende fiscale non proportionnelle de 50 euros à 5.000 euros par infraction. le montant de cette amende est fixé d'après la nature et la gravité de l'infraction selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi.

L'arrêté royal n°44 du 9 juillet 2012 fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles dispose en son article 1er : *« Les montants des amendes fiscales non proportionnelles en cas d'infractions visées à l'*[*article 70, § 4, alinéa 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70)*, sont fixés dans l'annexe du présent arrêté.* ».

Conformément à l'annexe à l'arrêté royal n°44 du 9 juillet 2012 section 2, rubrique Il, A, fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée, ces amendes sont fixées comme suit dans l'hypothèse de « l'utilisation d'un système de caisse qui ne satisfait pas à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca:

\- 1ère infraction : 1.500 EUR

\- 2ème infraction : 3.000 EUR

\- Infractions suivantes : 5.000 EUR ».

Sur la base de l'[article 3, de l'arrêté royal n°44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-44-juli-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-1d5d#ar44-art3), pour la détermination du montant de l'amende à appliquer, les mêmes infractions sont prises en considération pendant une période de quatre années précédant le moment où l'infraction a été commise. Les infractions sont considérées comme des premières infractions lorsque des mêmes infractions n'ont pas été réprimées préalablement à la date où elles ont été commises.

En l'espèce, il n'est pas contesté que le chiffre d'affaires réalisé au taux tva de 12% par le demandeur durant l'année 2016 s'élève à 549.943 €, en sorte que le seuil précité de 25.000 € est atteint.

Il n'est pas non plus contesté que l'amende litigieuse de 1.500 € a été appliquée dans le respect des dispositions légales et règlementaires applicables, la demanderesse ne disposant pas, lors du contrôle, d'un système de caisse enregistreuse SCE.

***2.*** ***Premier moyen : « procès-verbal » non signé.***

Sous un libellé « procès-verbal non signé » (sic), le demandeur fait grief à la décision directoriale du 8 février 2018 de n'être pas signée en sorte qu'il « se justifie de prononcer la nullité de la décision du 8 février 2018 et a fortiori de l'amende en découlant ».

L'Etat belge réplique qu'il n'y a qu'un seul original de la décision administrative et qu'il est adressé à l'assujetti, dont une copie signée est déposée à son dossier de pièces, et que par ailleurs son conseil en reçoit une copie non signée par courriel, dont un exemplaire est également déposé•

Le tribunal constate tout d'abord que les procès-verbaux des 14/09/17 et 01/08/17 comportent bien une signature de leur auteur; le tribunal constate ensuite être en possession d'une copie de l'exemplaire signé par Monsieur Y, conseillé habilité par le Conseiller général auprès de l'administration générale de la fiscalité du SPF Finances, Centre PME de Namur: le demandeur ne soutient pas qu'il s'agirait d'un faux en écritures.

Par ailleurs, la copie non signée déposée par le demandeur peut tout simplement être l'exemplaire joint au courriel adressé le 8 février 2018 par l'Etat belge au conseil du demandeur, ce qui explique la dualité des documents, l'un en original signé, l'autre en copie non signée.

En outre, l'annulation d'une décision directoriale n'entraîne pas celle de la cotisation ou de l'amende querellée, ce qui est tout différent sur un plan procédural; il est de doctrine et de jurisprudence constantes, notamment de la Cour de cassation qu'il se déduit des articles 569, alinéa 1er, 32°, et 13B5undecies du Code judiciaire, 366 et 375, § 1er, alinéa 2, du CIR92 que ce n'est pas la décision directoriale qui est susceptible de faire l'objet d'une contestation devant le tribunal de première instance, mais l'imposition elle-même, si celle-ci subsiste en tout ou en partie après cette décision (Cass., 31 janvier 2014, F.12.0030.F, www.juridat.be).

Plus récemment, la Cour de cassation a affirmé qu'il suit des termes de l'article 356 du CIR92 que cette disposition s'applique dans tous les cas où le juge est, en matière d'impôt sur les revenus, saisi d'une contestation sur la base de l'article 569, alinéa 1er, 32°, du Code judiciaire après qu'a été rendue une décision statuant sur le recours administratif visé aux articles 1385decies et 1385undecies de ce code. La circonstance que, statuant sur cette contestation, le juge annule la décision administrative est sans effet sur l'application de l'article 356, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992 (Cass., 28 février 2019, F.17.0057, www.juridat.be).

En l'espèce, les demandeurs n'ont aucun intérêt à l'annulation de la décision directoriale ; conformément à l'article 17 du Code judiciaire, l'action ne peut être admise si le demandeur n'a pas intérêt pour la former. L'intérêt consiste en tout avantage matériel ou moral - effectif et non théorique - qu'il peut retirer de la demande au moment où il la forme. Le litige doit présenter une effectivité suffisante pour le plaideur, un intérêt purement théorique ne suffisant donc pas à rendre une action recevable (Bruxelles, 6 février 1997, Pas., 1996, Il, p. 18; C. DE BOE, « Le défaut d'intérêt né et actuel », A.D.L., 2006/1-2, p. 97).

Le grief principal formulé par le demandeur manque donc en fait, mais serait de toutes façons irrecevable, faute d'intérêt.

Le tribunal examinera donc les 4 moyens invoqués à titre subsidiaire par le demandeur.

***3.*** ***Deuxième moyen : la règlementation SCE instaure des différences de traitement contraires aux principes d'égalité et de non-discrimination consacrés par les articles 10, 11 et 172 de la Constitution.***

Le demandeur soutient trois branches distinctes à 11appui de son moyen d'inconstitutionnalité basé sur une violation des principes d'égalité et de non-discrimination, à savoir une différence de traitement entre

• d'une part, les établissements Horeca ayant un chiffre d'affaires annuel, relatif à la nourriture des repas consommés sur place, dépassant 25.000 € HTVA par an, visés par l'article 1er de l'A.R. du 16 juin 2016 et soumis à l'obligation de détenir une SCE,

• et d'autre part, trois autres catégories d'établissements, non soumis à cette obligation:

\- ceux ne permettant pas la consommation de nourriture sur place (a),

\- ceux opérant en dehors du secteur Horeca (b),

\- ceux ayant un chiffre d'affaires annuel HTVA relatif aux prestations de restauration inférieur à 25.000 € (c).

Le tribunal distinguera les trois types d'établissement sous l'angle de la différence de traitement reprochée.

Sur les principes, le tribunal rappellera préalablement que :

\- La règle de l'égalité des Belges devant la loi contenue dans l'article 10 de la Constitution, celle de la non-discrimination dans la jouissance des droits et libertés reconnus aux Belges inscrite dans l'article 11 de la Constitution ainsi que celle de l'égalité devant l'impôt exprimée par l'article 172 de la Constitution impliquent que tous ceux qui se trouvent dans la même situation soient traités de la même manière mais n'excluent pas qu'une distinction soit faite entre différentes catégories de personnes pour autant que le critère de distinction soit susceptible de justification objective et raisonnable.

\- L'existence d'une telle justification doit s'apprécier par rapport au but et aux effets de la mesure prise ou de l'impôt instauré, le principe d'égalité étant également violé lorsqu'il est établi qu'il n'existe pas de rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but visé (cf. notamment Cass., 29 janvier 2015, F.14.0081.F).

\- Il appartient au législateur d'établir la base de l'impôt. il dispose en la matière d'une large marge d'appréciation. En effet, les mesures fiscales constituent un élément essentiel de la politique socioéconomique. Elles assurent non seulement une part substantielle des recettes qui doivent permettre la réalisation de cette politique, mais elles permettent également au législateur d'orienter certains comportements et d'adopter des mesures correctrices afin de donner corps à la politique sociale et économique.

\- Les choix sociaux qui doivent être réalisés lors de la collecte et de l'affectation des ressources relèvent par conséquent du pouvoir d'appréciation du législateur. La Cour ne peut sanctionner un tel choix politique et les motifs qui le fondent que s'ils reposent sur une erreur manifeste ou s'ils sont clairement déraisonnables (Cour const., 23 février 2017, n°30/2017).

\- Une discrimination n'existe que si le règlement fiscal traite de manière différente les catégories de contribuables qui se trouvent dans des situations comparables (R.. ANDERSEN et E. WILLEMART, « Les taxes communales et le principe constitutionnel d'égalité. Jurisprudence 2000-2005 », Rev. Dr. Commun., 2006/1-2, p. 21). Le contrôle d'égalité commence par un test de comparabilité (Civ. Bruxelles (fr.), 25 février 2016, R.F.R.L., 2016/3, p. 278-283).

\- Ensuite, dans le cas d'espèce, en ce qui concerne les deux dernières catégories (b et c), l'Etat belge fait observer avec pertinence que le grief a été rejeté précédemment par le Conseil d'Etat: c'est notamment dans un arrêt du 17 janvier 2019 rejetant le recours en annulation de l'arrêté royal du 16 juin 2016 que celui-ci écarte le moyen pris, notamment, de la violation du principe d'égalité et de non-discrimination, en ce que la mesure frappe le secteur Horeca et pas d'autres (b), et en ce qu'elle frappe les établissements Horeca qui réalisent un chiffre d'affaires annuel de plus de 25.000 € et pas les autres (c).

a. Différence de traitement avec les établissements ne permettant pas la consommation de nourriture sur place :

Le demandeur soutient qu'il existe une différence de traitement non justifiée par rapport à une catégorie selon lui manifestement comparable regroupant les établissements ne permettant pas la consommation de nourriture sur place et ne réalisant pas de prestations de service de restauration, par exemple les traiteurs, les friteries, les food-trucks et les sandwicheries : il estime en outre que la différence entre les deux catégories ne renferme aucune pertinence, en plus d'être parfois infime. Il invoque à titre d'exemple, la [circulaire 2017/C/70](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2017-c-70-geregistreerde-kassasysteem-obligation-declaration-systeme-0bc9) qui indique que la mise à disposition d'un revêtement de sol requalifie une livraison de bien (nourriture) en prestation de service (restauration).

Dans l'un de ses arrêts du 21 mars 2018, le Conseil d'Etat n'a pas retenu le grief portant partiellement sur l'imprécision de certains termes figurant dans l'arrêté royal du 16/06/2016, considérant\_« que rimprécision que la requérante prête à certains termes utilisés dans l'arrêté attaqué - «repas»-«consommation sur place» - n'est pas telle qu'elle laisserait à radministration chargée de son application un pouvoir d'interprétation excessif; qu'il s'agit de termes courants dont la portée n'est, dans la très grande majorité des cas, pas sérieusement sujette à discussion; que dans les hypothèses marginales où il pourrait y avoir matière à hésitation, il appartiendra aux juridictions compétentes d'enfixer l'interprétation : qu'en cette branche, le moyen n'est pas fondé. »

Par ailleurs, le présent contentieux porte sur une amende qui revêt la nature d'une sanction administrative à caractère pénal au sens de l'article 6 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, de sorte que le contribuable peut soumettre la légalité de cette sanction au juge judiciaire, exerçant un pouvoir de pleine juridiction ; dans cette mesure, il est opportun de rappeler que le principe de légalité en matière pénale procède de l'idée que la loi pénale doit être formulée en des termes qui permettent à chacun de savoir, au moment où il adopte un comportement, si celui-ci est ou non punissable. Il exige que le législateur indique, en des termes suffisamment précis, clairs et offrant la sécurité juridique, quels faits sont sanctionnés, afin, d'une part, que celui qui adopte un comportement puisse évaluer préalablement, de manière satisfaisante, quelle sera la conséquence pénale de ce comportement et afin, d'autre part, que ne soit pas laissé au juge un trop grand pouvoir d'appréciation. Toutefois, le principe de légalité en matière pénale n'empêche pas que la loi attribue un pouvoir d'appréciation au juge. Il faut en effet tenir compte du caractère de généralité des lois, de la diversité des situations auxquelles elles s'appliquent et de l'évolution des comportements qu'elles répriment. La condition qu'une infraction doit être clairement définie par la loi se trouve remplie lorsque le justiciable peut savoir, à partir du libellé de la disposition pertinente et, au besoin, à l'aide de son interprétation par les juridictions, quels actes et omissions engagent sa responsabilité pénale (Cour const., 28 janvier 2015, n°9/2015, www.const-court.be).

En l'espèce, le tribunal estime que la définition de la catégorie fiscale soumise à l'obligation de détenir une SCE est suffisamment claire et précise.

Quant à la différence de traitement opérée, elle coïncide avec deux catégories d'opérations bien distinctes et soumises à des taux différents de TVA, outre un taux de 21 % pour les boissons emportées ou consommées sur place :

\- Taux de 6 % pour la nourriture préparée à emporter (livraison de biens) : sans obligation d'utiliser une SCE.

\- Taux de 12 % pour la nourriture préparée à consommer sur place (prestation de services): avec obligation d1utiliser une SCE si le chiffre d'affaire total de cette catégorie dépasse 25.000 € HTVA par an.

Ces deux catégories coïncident avec des opérations matérielles différentes, à des cases spécifiques sur la déclaration TVA et à des taux de TVA différents: il n'est pas sérieusement contestable qu'il s'agit de catégories déterminées sur base de critères objectifs et que chacune de ces catégories d'activité répond à des spécificités propres, mais dont seule la seconde - visant plus spécialement l'activité principale des restaurants - est reprise dans l'objectif visé par l'arrêté royal du 16 juin 2016 visant notamment la lutte contre la fraude fiscale.

Chacun des établissements se trouvant dans l'une des catégories précitées reçoit un traitement identique.

Le grief sera donc rejeté.

b. Différence de traitement avec les établissements opérant en dehors du secteur Horeca:

Le demandeur soutient qu'il existe une différence de traitement, contraire au principe d'égalité et de non-discrimination, avec des secteurs d'activité étrangers à la restauration, mais comparables, tels les salons de coiffure ou d'esthétique qui seraient « absolument similaires en ce qu'ils consistent essentiellement en la fourniture de services ou de biens à des particuliers ne requérant l'établissement d'aucune facture»;

Le tribunal considère qu'ils s'agit de secteurs d'activité non comparables en raison de leurs spécificités propres: il fait siens les motifs pertinents exposés par le Conseil d'Etat dans ses arrêts désormais bien connus du 21 mars 2018 :

> « *Considérant qu'il en ressort que le secteur Horeca présente des particularités telles que la partie adverse a estimé opportun de prévoir un régime fiscal approprié pour certaines des activités qu'il implique, qui va de pair avec des modalités spécifiques de perception de la TVA et de preuve de cette perception; qu'elle n'a ce faisant commis aucune erreur manifeste d'appréciation; qu'en cette branche, le moyen n'est pasfondé*.»

De manière surabondante, il est utile également d'épingler les considérations figurant dans le rapport au Roi relatif à l'arrêté royal du 16 juin 2016 et modifiant l'arrêté royal n°1 du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne la délivrance d'un ticket de caisse au moyen d'un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca ; ce rapport contient en effet des éléments justifiant le nouveau critère-seuil de 25.000 € remplaçant l'ancien critère de 10%, permettant de justifier les différences de traitement adoptées, tant vis-à-vis du secteur non-Horeca que vis-à-vis des établissements ne dépassant pas ce seuil de 25.000 €, en ces termes :

> « *Ce nouveau critère, basé sur un seuil de 25.000 € respecte les principes d'égalité et de proportionnalité.*
>
> *•* *En ce qui concerne le principe d'égalité :*
>
> *Deux assujettis exploitants d'un établissement où sont consommés des repas, ou traiteurs qui effectuent des prestations de restauration, ayant un même chiffre d'affaires afférent aux services de restaurant ou de restauration, seront toujours traités de manière identique quant à l'obligation d'utiliser, ou pas, un système de caisse enregistreuse pour l'émission d'un ticket de caisse;*
>
> *Deux assujettis exploitants d'un établissement où sont consommés des repas, ou traiteurs qui effectuent des prestations de restauration, ayant un chiffre d'affaires afférent aux services de restaurant ou de restauration qui est inférieur ou supérieur au seuil de 25.000 € seront également traités de manière identique aux fins de la TVA.*
>
> *•* *En ce qui concerne le principe de proportionnalité :*
>
> *Le traitement différencié pour les assujettis exploitants d'un établissement où sont consommés des repas, ou traiteurs qui effectuent des prestations de restauration, avec un chiffre d'affaires afférent aux services de restaurant ou de restauration qui n'excède pas 25.000 € se justifie par le fait qu'ils sont à considérer comme étant des exploitants Horeca de très petite taille auxquels il n'est pas opportun d'imposer la charge administrative et financière liée à la mise en œuvre d'un système de caisse enregistreuse;*
>
> *Le seuil de 25.000 € est d'ailleurs établi en référence à la même limitation appliquée dans le régime de la franchise pour les petites entreprises. En effet, if n'est pas opportun d'imposer des obligations considérables qui sont difficiles à remplir pour certaines petites entreprises. Le même raisonnement est d'application ici.*»

Pour ces raisons, le grief ne sera pas retenu.

c. Différence de traitement avec les établissements ayant un chiffre d'affaires annuel HTVA relatif aux prestations de restauration inférieur à 25.000 €:

Le demandeur soutient que *« le seuil de 25.000 € apparait fixé de manière totalement abstraite et arbitraire et qu'il est erroné d'affirmer qu'au-delà du seuil de 25.000 € un établissement ne serait plus de petite taille et pourrait supporter la charge administrative et financière liée à la mise en œuvre d'un système de caisse enregistreuse.* >>

Ce grief a été soulevé à de nombreuses reprises dans différents recours et a toujours été rejeté tant par les juges du fond que par le Conseil d'Etat ; le demandeur n'apporte aucun argument nouveau qui permettrait d'opérer un revirement ou de poser une question préjudicielle à la Cour constitutionnelle.

Le tribunal considère que le seuil de 25.000 € constitue une différence de traitement qui est justifiée par un critère objectif, raisonnable et proportionné eu égard aux moyens utilisés et aux objectifs poursuivis (simplification administrative, allègement de la pression financière à charge des entreprises de petite taille et lutte contre la fraude fiscale) :

\- Comme exposé ci-dessus, le rapport au Roi préalable à l'arrêté royal du 16 juin 2016 expose que le régime assoupli applicable aux exploitants dont le chiffre d'affaire annuel est inférieur au seuil de 25.000 € HTVA ne vise que « les exploitants Horeca de très petite taille », ce qui justifie la différence de traitement alléguée.

\- Ce seuil de 25.000 € en matière de SCE a été aligné sur le seuil applicable en matière de franchise de TVA : ce dernier seuil a été considéré comme un critère objectif par la Cour constitutionnelle, à l'époque du passage du seuil de 5.850 € à 15.000 €, la Cour ajoutant que « le critère de distinction est pertinent pour atteindre le but poursuivi. Du fait qu1elles sont exemptées de la TVA, les petites entreprises ne doivent plus accomplir un certain nombre de formalités (...), ce qui implique une simplification administrative... "· L'augmentation du seuil à 25.000 € n'enlève rien au caractère objectif de la différence de traitement par rapport à une catégorie déterminée de contribuable ou à la pertinence et à la proportionnalité par rapport au but poursuivi.

\- A l'examen du projet d'arrêté royal du 16 juin 2016, la section législation du Conseil d'Etat a pareillement estimé que ce seuil constituait une différence de traitement admissible.

\- Enfin, dans ses trois arrêts du 21/03/2018, le Conseil d'Etat a dit le moyen tiré de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution non fondé en ces termes :

> « *considérant, sur la seconde branche, que les assujettis dont le chiffre d'affaires réalisé dans le secteur Horeca n'atteint pas 25.000 € ne sont pas dispensés de fournir un ticket TVA, mais ne sont pas tenus d'utiliser un système de caisse enregistreuse pour délivrer ce ticket; que la partie adverse a pu, sans commettre d'erreur manifeste d'appréciation, estimer que l'acquisition d'un système de caisse enregistreuse représentait une charge excessive eu égard à la modestie de leur chiffre d'affaires; que le critère de distinction est objectif, en relation avec l'objectif de la mesure et proportionné aux charges qu'elle implique; qu'en cette branche, le moyen n'est pas fondé*.»

4\. Troisième moyen: violation de l'article 16 de la Constitution. de l'article 1er du premier protocole additionnel à la CEDH et de l'article 544 du Code civil.

Le demandeur soutient que la règlementation SCE fait peser une charge déraisonnable sur les exploitants tenus de l'installer, et viole l'article 1er du premier protocole additionnel à la CEDH, l'article 16 de la Constitution et l'article 544 du Code civil.

Le grief visant l'article 1er du premier protocole additionnel à la CEDH a déjà été rencontré et rejeté de manière tout à fait justifiée par le Conseil d'Etat.

Dans un arrêt du 17 janvier 2019 rejetant le recours en annulation de l'arrêté royal du 16 juin 2016, le Conseil d'Etat rejette le moyen d'annulation pris de la violation de l'article 1er du Premier protocole additionnel à la Convention européenne des droits de l'homme en ce que l'obligation de délivrer un ticket de caisse émis par un système de caisse enregistreuse porterait atteinte à leur droit au respect des biens. les requérants soutenaient notamment que l'atteinte serait disproportionnée. Or, le Conseil d'Etat considère, au contraire, qu'il n'est pas déraisonnable qu'un acteur économique soit contraint de procéder à des investissements afin de satisfaire aux obligations fiscales et administratives qui pèsent sur son exploitation. le système mis en place n'oblige pas les exploitants à acheter un système de caisse enregistreuse et leur permet d'en utiliser un qu'ils prendraient en location, leasing ou autre formule. les frais y afférents sont considérés comme des frais professionnels et peuvent donc être déduits fiscalement. la charge fiscale imposée doit donc être relativisée.

Partant, et par identité de motifs, la référence aux articles 16 de la Constitution et 544 du Code civil est pareillement irrelevante.

Le requérant n'invoquant aucun argument nouveau, le tribunal fait sienne la motivation précitée du Conseil d'Etat et la considère parfaitement fondée, en sorte que le grief sera rejeté.

5\. Quatrième moyen : violation des articles 33 et 190 de la Constitution et l'incompétence de l'auteur de l'acte.

Le demandeur soutient que l'amende querellée paraît prima facie infligée par une personne qui ne bénéficie pas de la délégation requise à défaut pour cette délégation d'avoir fait l'objet de la publication que requiert l'article 190 de la Constitution. : il soutient que l'auteur de l'infliction de l'amende est incompétent et que celle-ci viole les articles 33 et 190 de la Constitution ; il ne développe cependant pas davantage le grief.

L'Etat belge soutient qu'aucune délégation n'est nécessaire pour qu'un procès-verbal soit dressé, dès lors que l'article 59,§ler du Code de la TVA prévoit une autorisation générale en faveur de l'administration en ces termes:

> *« l'administration est autorisée à prouver selon les règles et par tous les moyens de droit commun, témoins et présomptions compris, à l'exception du serment, et en outre, par les procès-verbaux des agents du SPF Finances, toute infraction ou toute pratique abusive aux dispositions du présent code ou prises pour son exécution, de même que tout fait quelconque qui établit ou qui concourt à établir l'exigibilité de la taxe ou d'une amende*. »

Les dispositions visées de la Constitution prévoient quant à elle :

*Art.39 : La loi attribue aux organes régionaux qu1elle crée et qui sont composés de mandataires élus, la compétence de régler les matières qu'elle détermine, à l'exception de celles visées aux articles 30 et 127 à 129, dans le ressort et selon le mode qu'elle établit. Cette loi doit être adoptée à la majorité prévue à l'article 4, dernier alinéa.*

*Art.190 : Aucune loi, aucun arrêté ou règlement d'administration générale, provinciale ou communale, n'est obligatoire qu'après avoir été publié dans la forme déterminée par la loi.*

Le tribunal considère que les procès-verbaux des 14/09/2017 et 01/08/2017 ont été régulièrement établis sur base de l'[article 59 §1er du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) qui ne nécessite aucune délégation particulière de pouvoir, qu'ils ont été notifiés et font par ailleurs foi jusqu'à preuve contraire.

Le grief est donc rejeté.

6\. Cinquième moyen : violation de l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831.

Le demandeur soutient que la décision directoriale du 08/02/2018 a violé l'article 9 de l'arrêté du Régent n°78 du 18 mars 1831 qui prévoit que : « *Le Ministre des finances statue sur les réclamations ayant pour objet la remise d'amendes et d'augmentations de droits à titre d'amendes, autres que celles prononcées par le juge, et arrête les transactions entre l'administration et les contribuables, dans les cas où elles sont autorisées par les lois*.»

Selon le demandeur, à défaut d'une délégation de pouvoir, seul le Ministre des finances était compétent pour prendre une décision sur la demande de remise d'amende introduite, en conséquence de quoi la décision directoriale «émanait d'un auteur incompétent, matière touchant à l'ordre public, de sorte que l'acte attaqué doit être annulé.»

L'Etat belge soutient implicitement avoir agi par délégation et réplique à juste titre quant au fond que pour pouvoir bénéficier d'une réduction d'amende sur base de l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831, il faut faire valoir un cas de force majeure ou invoquer des circonstances exceptionnelles par le biais d'une requête motivée.

Le tribunal relève surtout que le demandeur n'a pas choisi d'adresser une requête motivée au Ministre des finances, mais au contraire un recours administratif par courrier recommandé le 14 décembre 2017 à destination de la« Direction Centre PME Namur, C.A.E. Bloc C 318, rue des Bourgeois, 7 à 5000 NAMUR : il mentionne qu'il conteste les deux procès-verbaux litigieux et l'amende subséquente de 1.500 € et qu'il« en sollicite la remise, dégrèvement/annulation » (sic) : cette formulation implique que le recours avait un double objet, à destination de la même autorité, à savoir la remise gracieuse de l'amende sur base de l'arrêté du Régent et/ou le dégrèvement/annulation au titre du recours administratif facultatif.

C'est tout d'abord à tort que le demandeur reproche le défaut de compétence du fonctionnaire à qui il a pourtant lui-même décidé d'adresser sa demande de remise d'amende en lieu et place du Ministre des Finances: le pouvoir gracieux en la matière a en effet été délégué par le Ministre aux Directions régionales de son administration en date du 30 juin 1999.

Quant au fond, le demandeur n'invoque aucun cas de force majeure, ni aucune circonstance exceptionnelle ou particulière en sa faveur, mais conteste au contraire la légalité de l'amende.

Or la jurisprudence de la Cour de cassation confirme que : « *si, aux termes de l'art. 9 de l'arrêté du Régent n ° 78, Je ministre des Finances statue sur les réclamations ayant pour objet la remise d'amendes et d'augmentations de droits à titre d'amendes, autres que celles prononcées par le juge, il ne s'ensuit pas qu'à défaut d'un tel recours, le juge puisse exercer de telles prérogatives en fixant J'amende proportionnelle pour fraude fiscale en deçà du tarif légal. Le droit d'accès à un juge garanti par l'art. 6.1 C.E.D.H. n'a pas pour effet de conférer ce pouvoir au juge*. » (Cass. 17 janvier 2019 [F.16.0130.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-evenredigheidsbeginsel-cassatie-brussel-2019-01-17-80d4)., J.L.M.B. p. 1217 avec obs. Ph. Moineau, J. T. p.812 avec obs. F. Koning.)

Compte tenu des circonstances de la cause et de la légalité de l'amende appliquée, le tribunal ne peut que constater être sans pouvoir pour la réduire gracieusement.

**V.** **LES DEPENS.**

La SA B.Q. n'obtient pas gain de cause. Elle sera dès lors condamnée aux dépens.

L'Etat belge n'étant pas représenté par un avocat, les dépens seront liquidés à zéro euro, en application de l'article 1022 du code judiciaire et de l'arrêté royal d'exécution du 26 octobre 2007.

### Beschikkend gedeelte

**PAR CES MOTIFS,**

Vu la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire;

LE TRIBUNAL,

Statuant contradictoirement et en premier ressort,

Dit la demande de la SA B.Q. recevable mais non fondée ; L'en déboute

Condamne la SA B.Q. aux dépens de l'instance, liquidés à 0,00 EUR. Lui délaisse ses propres dépens.

Ainsi jugé et prononcé en langue française, à l'audience publique de la ONZIEME CHAMBRE FISCALE C du Tribunal de première instance de Namur- division NAMUR, tenue le

VINGT-SEPT AVRIL DEUX MIL VINGT-ET-UN,

où étaient présents

Monsieur ..., juge siégeant en qualité de juge unique, Madame ... greffier.

Signatures

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 1 art. 21bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-21bis-9b0c) 5 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 4 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 3 voorkomens

[KB nr. 44 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-44-juli-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-1d5d) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### België

1

Hof van beroep te Luik 20.03.2023

#### [Geregistreerd kassasysteem, Ontbreken van een GKS](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-ontbreken-gks-uitreiken-hof-van-beroep-luik-2023-03-20-5d9d)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-namen-2020-12-10-0baa) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa, Niet-proportionele geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-2021-03-29-a73f) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Niet-proportionele fiscale geldboeten, Bakkerij met verbruikersruimte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-proportionele-fiscale-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-91a6) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Geregistreerd kassasysteem, Fiscale geldboete, Horecasector, fiscale boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-fiscale-geldboete-horecasector-rechtbank-bergen-2019-04-09-981b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Forfait caféhouders, Motivering van bestuurshandelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-forfait-cafehouders-motivering-hof-van-beroep-luik-2021-10-08-0aae) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Ontbreken van een GKS](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-ontbreken-gks-rechtbank-2023-05-30-187c) 2 gemeenschappelijke bepalingen
