Gerechtelijke procedure, beroep, ontvankelijkheid van het beroep · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Bergen 22 april 2020

Zoeken
Tekst in het Frans

Gerechtelijke procedure, beroep, ontvankelijkheid van het beroep

https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijke-procedure-ontvankelijkheid-tergend-roekeloos-hof-van-beroep-bergen-2020-04-22-c24f

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Bergen
Datum
22 april 2020

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

89 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Luik d.d. 22.04.2020

WF 705-15-09/073638

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Gerechtelijke procedure – beroep – ontvankelijkheid van het beroep – tergend en roekeloos geding

Wettelijke bepalingen

Artikel 780bis, Gerechtelijk Wetboek

Artikel 1057, 7°, Gerechtelijk Wetboek

Samenvatting

1) Ontvankelijkheid van het beroep

De Belgische Staat stelde dat het door appellant ingestelde beroep onontvankelijk was omdat zijn verzoekschrift het voorwerp of een summiere uiteenzetting van zijn middelen niet vermeldde. Bijgevolg is niet voldaan aan de vereisten voorgeschreven door Gerechtelijk Wetboek wegens het ontbreken van een motivering.

Artikel 1057, lid 7, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, de Belgische Staat stelde dat het door rekwirant ingestelde beroep niet-ontvankelijk was omdat zijn verzoekschrift niet het voorwerp of een summiere uiteenzetting van zijn middelen vermeldde en niet voldeed aan de vereisten van het Gerechtelijk Wetboek wegens het ontbreken van een motivering.

Artikel 1057, lid 7, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep bij conclusie wordt ingesteld, bevat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de “uiteenzetting van de grieven”

Voor de nakoming van die verplichting is het noodzakelijk maar voldoende dat appellant zijn bezwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt; die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusie voor te bereiden en om de appelrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan; die verplichting houdt niet in dat ook de middelen tot staving van de grieven moeten worden vermeld (Cass., 7 september 2000, C.99.0171.F, www.juportal.be en de nota).

Het ontbreken van motivering in de akte van hoger beroep belet het goede verloop van de rechtspleging en leidt bijgevolg tot nietigheid van die akte, aangezien de belangen van de gedaagde worden geschaad doordat de oplossing van het geschil aanzienlijk wordt vertraagd (Cass., 14 december 2000, R.G. nr. C990359F, www.juportal.be) .

Sinds de inwerkingtreding van de wet van 19 oktober 2015 zijn de bepalingen van artikel 1057, 7° Ger. W. onderworpen aan de regeling dat het ontbreken of de onregelmatigheid van een van de voorgeschreven vermeldingen enkel leidt tot de nietigheid van de akte van beroep indien zij in limine litis door verweerder wordt ingeroepen (Art. 864, Ger. W.) en zij de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt (artikel 861 Ger. W).

In de onderhavige zaak heeft het hof van beroep vastgesteld dat belastingplichtige in haar motivering van het verzoekschrift tot beroep enkel verwijst naar de onenigheid die bestaat over de door de door de administratie gevorderde bedragen.

De administratie van haar kant is van mening dat de ontoereikendheid betreffende de middelen, d.w.z. de feitelijke elementen waarop het verzoek is gebaseerd, haar toestaat de nietigheid van het verzoek in te roepen. Zij is van mening dat de zeer summiere uiteenzetting van middelen in het inleidende verzoekschrift niet voldoende zijn om met kennis van zaken haar verweer te kunnen voeren.

Het hof van beroep is van oordeel dat de twee brieven die appellante aan het hof heeft gericht geen conclusies zijn, aangezien zij niet voldoen aan de voorwaarden opgelegd door artikel 744 Ger. W.

Bovendien werden deze brieven niet aan de Belgische Staat meegedeeld, wat zou volstaan om ze te weren uit de debatten. Een geschrift van een van de partijen, dat niet tijdens het debat ter terechtzitting aan de rechter is voorgelegd, maar hem bij brief is toegezonden, is geen geschreven conclusie waarop de rechter behoeft te antwoorden (Cass., 29.03.2000, P.99.1857.F, www.juportal.be , Cass., 12.09.2007, P.07.0942.F, www.juportal.be ).

De inhoud van de genoemde brieven van appellant (die geen conclusies heeft ingediend en ter terechtzitting afwezig was) stelt de rechter hoe dan ook niet in staat om de bezwaren die hij op het bestreden vonnis heeft geuit, voldoende duidelijk en nauwkeurig te begrijpen.

In deze omstandigheden wordt - bij gebrek aan geformuleerde grieven met betrekking tot het aangevochten vonnis, het gebrek aan de mogelijkheid van de fiscale administratie om haar conclusies voor te bereiden en onmogelijkheid van het hof om de draagwijdte ervan te beoordelen, met name kennis te nemen van de kritiek die appellante heeft op het aangevochten vonnis - door de Belgische Staat terecht de nietigheid van de akte van beroep opgeworpen ingevolge het ontbreken van de motivering.

2) Tergend en roekeloos geding

Een geding kan niet alleen tergend zijn wanneer een partij de bedoeling heeft een andere partij schade te berokkenen, maar ook wanneer zij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat (Cass., 31 oktober 2003, C;02.0602.F, www.juportal.be en nota van J.-F. VAN DROOGHENBROECK).

In dit geval besloot de belastingplichtige beroep aan te tekenen door een verzoekschrift tot beroep in te dienen, zonder evenwel enig bezwaar te maken tegen het bestreden vonnis. In beroep heeft hij geen conclusies neergelegd en heeft hij zich tevredengesteld met twee brieven gericht aan het hof waarin hij verklaringen aflegde die, ingevolge hun algemene en onnauwkeurige aard, niet voldoende waren om de draagwijdte ervan te bepalen

Door op deze wijze te handelen heeft appellant duidelijk gebruik gemaakt van zijn recht om in rechte op te treden op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een normaal voorzichtig en zorgvuldig persoon overschrijdt.

Opmerkingen

Het arrest is in kracht van gewijsde getreden.

Tekst van het arrest

Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Cour d'appel Mons, Dix-huitième chambre extraordinaire. Arrêt du 22 avril 2020

Rôle : 2019/RG/154

EN CAUSE DE:

Monsieur D.G., domicilié à ... (FRANCE), partie appelante, à l'audience, ni présente, ni représentée;

CONTRE:

L'ETAT BELGE E, représenté par Monsieur le Ministre des Finances dont le cabinet est situé à 1000 Bruxelles, rue de la Loi n° 12, poursuites et diligences du Conseiller général, Directeur du Centre PME MONS EXPERTISE 2 dont les bureaux sont établis à 7500 TOURNAI, rue du Rempart n° 7-21, partie intimée, comparaissant à l'audience par Monsieur Yves DEBLANDER, attaché d'administration fiscale, son agent;

La Cour, après en avoir délibéré, prononce l'arrêt suivant :

Vu la requête d'appel déposée au greffe de cette cour par Monsieur D.G. le 22 février 2019, notifiée à l'Etat belge par pli judiciaire du même jour;

Vu le jugement dont appel,·produit en copie conforme, rendu contradictoirement par la trente- - sixième chambre du tribunal de première instance du Hainaut, division de Mons, le 13 décembre 2018, sous le numéro de rôle général 05/2426/A, qui aux dires des parties n'a pas été signifié, et la procédure y visée;

Vu l'ordonnance de mise en état rendue le 10 avril 2019 en application de l'article 747, § 2, du Code judiciaire, fixant les délais pour conclure et la cause pour plaidoiries à l'audience de la dix­ huitième chambre de cette cour du 12 février 2020, dont les parties ont été avisées par plis du 11 avril 2019;

Vu le courrier de Monsieur D.G. daté du 30 avril 2019, parvenu au greffe de cette cour le 8 mai 2019;

Vu les conclusions de l'Etat belge déposée au greffe de cette cour le 28 mai 2019; Vu le dossier de l'Etat belge déposé au greffe de cette cour le 3 juin 2019;

Vu le courrier de Monsieur D.G. daté du 16 janvier 2019, parvenu au greffe de cette cour le 17 janvier 2019;

Ouï la partie présente en ses dires et moyens à l'audience du 12 février 2020, à laquelle les débats ont été déclarés clos et la cause prise en délibéré.

A l'audience du 12 février 2020, Monsieur D.G. a fait défaut, invoquant dans son courrier daté du 16 janvier 2020 « une absence inopinée » sans autre précision.

A cette audience, l'Etat belge a demandé que l'affaire soit retenue et plaidée et a requis un arrêt contradictoire.

Conformément à l'article 747, § 2, alinéa 61 du Code judiciaire, il doit être fait droit à cette demande.

Sur la recevabilité de l'appel

Dans-ses conclusions, l'Etat belge soutient que l'appel formé par Monsieur D.G. est irrecevable au motif que sa requête ne précise ni l'objet ni l'exposé sommaire de ses moyens et ne répond pas au prescrit du Code judiciaire en raison de son défaut de motivation.

L'article 1057, 7°, du Code judiciaire dispose que, hormis le cas où il est formé par conclusions, l'acte d'appel contient, à peine de nullité, « l'énonciation des griefs».

Pour respecter cette obligation, il faut, mais il suffit, que l'appelant énonce les reproches qu'il adresse à la décision attaquée de manière suffisamment claire et précise pour permettre à l'intimé de préparer ses conclusions et au juge d'appel d'en percevoir la portée; cette obligation n'implique pas que soient exposés les moyens qui fondent les griefs (Cass., 7 septembre 2000, Bull., n° 450, et la note).

Le défaut de motivation de l'acte d'appel fait obstacle au bon déroulement de la procédure et entraîne la nullité de celui-ci, dès lors qu'il nuit aux intérêts de la partie intimée en ce qu'il retarde sensiblement la solution du litige (Cass., 14 décembre 2000, R.G. n° C990359F, Pas., 2000, 1, p. 692),

Depuis la loi du 19 octobre 2015, les dispositions de l'article 1057, 7°, du Code judiciaire sont soumises au régime selon lequel l'omission ou l'irrégularité affectant l'une des mentions prescrites n'entraîne la nullité de l'acte d'appel que si elle est invoquée in limine litis par l'intimé (article 864 du Code judiciaire) et si elle lui cause un grief (article 861 du Code judiciaire).

En l'espèce, Monsieur D.G. a motivé sa requête d'appel comme suit:

« MOTIFS DE L'APPEL

Je ne suis pas d'accord sur les sommes réclamées par Je service des Finances de Tournai. Je ne dois rien ».

DEMANDE

l'annulation pure et simple des sommes indument réclamées».

En ses premières et dernières conclusions, l'Etat belge a soulevé la nullité de l'acte d'appel déposé par Monsieur D.G. pour les motifs suivants:

« (...) En l'occurrence, l'insuffisance relative aux moyens, c'est-à-dire aux éléments de fait qui servent de fondement à la demande, autorise le concluant à invoquer la nullité de la requête.

Aucune précision ne figure sur l'opposition qui aurait permis au concluant de déterminer la cause de la demande, à savoir les raisons pour lesquelles s'oppose le demandeur. Le concluant est dans l'impossibilité de déterminer les causes de la demande.

En l'espèce, le caractère très sommaire de l'exposé des moyens qui figure dans la requête introductive d'instance, ne permet pas au concluant de présenter en toute connaissance de cause sa défense. (...) ».

Il convient de relever que Monsieur D.G. n'a pas déposé de conclusions devant la cour et a fait défaut lors de l'audience fixée pour les plaidoiries.

Les deux courriers de Monsieur D.G., adressés à la cour les 30 avril 2019 et 16 janvier 2020, ne constituent pas des conclusions dès lors qu'ils ne répondent pas aux conditions fixées par l'article 744 du Code judiciaire et n'ont pas été communiquées à l'Etat belge, ce qui justifierait par ailleurs leur écartement des débats.

En outre, le juge n'est pas tenu de répondre à un écrit émanant d'une partie, qui ne lui a pas été soumis au cours de débats à l'audience, mais qui lui a été envoyé par courrier postal (voyez à cet égard: Cass., 29 mars 2000, Bull., n° 211; Cass., 12 septembre 2007, R.G. n° P. 07.0942.F. Larcier Cass., 2008, n° 212).

En tout état de cause, le contenu desdits courriers ne permet pas à la cour de comprendre les reproches que Monsieur D.G. adresse à la décision attaquée de manière suffisamment claire et précise.

Dans ces conditions, à défaut pour Monsieur D.G. d'énoncer les griefs formulés à l'égard du jugement entrepris et de permettre à l’administration fiscale de préparer ses conclusions et à la cour d'en percevoir la portée, à savoir de connaître les reproches qu'il adresse à la décision attaquée, c'est à bon droit que l'Etat belge soulève la nullité de l'acte d'appel, l'absence de motivation lui causant grief.

L'acte d'appel étant frappé de nullité, l'appel doit être déclaré irrecevable.

Sur la demande de l'Etat belge tendant au paiement de dommages et intérêts pour procédure téméraire et vexatoire

La demande de l'Etat belge tend à la condamnation de Monsieur D.G. au paiement d'une somme de 4.800 euros à titre de dommages et intérêts pour procédure téméraire et vexatoire.

Cette demande, régulière en la forme, est recevable.

Il convient tout d'abord de rappeler que le droit d'accès à la justice doit être le plus large possible pour autant que ce droit ne soit pas exercé de manière abusive.

Une procédure peut revêtir un caractère vexatoire non seulement lorsqu'une partie est animée d'une intention de nuire à une autre mais aussi lorsqu'elle exerce son droit d'agir en justice d'une manière qui excède manifestement les limites de l'exercice normal de ce droit par une personne prudente et diligente (Cass., 31 octobre 2003, J, T., 2004, p. 135, et la note de J.-F. VAN DROOGHENBROECK).

En l'espèce, il convient de relever que le premier juge a considéré que Monsieur D.G. ne rencontrait pas de manière précise les griefs de l'administration.

Monsieur D.G. a décidé d'interjeter appel en déposant une requête d'appel sans toutefois exposer aucun grief à l'égard du jugement entrepris.

En degré d'appel, Monsieur D.G. n'a pas déposé de conclusions, se contentant par deux courriers adressés à la cour de formuler des affirmations qui, en raison de leur caractère général et imprécis, ne permettait pas d'en percevoir la portée.

En se comportant comme il l'a fait, Monsieur D.G. a manifestement usé de son droit d'agir en justice d'une manière qui excède les limites de l'exercice normal de ce droit par une personne normalement prudente et diligente.

Cette attitude légère et fautive porte préjudice aux services de l'Etat et il s'impose dès lors de faire partiellement droit à sa demande.

Le dommage de l'Etat belge, évalués ex aequo et bono, peut être fixé à la somme de 500 euros.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS;

La Cour, Statuant contradictoirement;

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire dont il a été fait application, spécialement des articles 1, 4, 24, 30, 34, 37 et 41 ;

Donnant acte aux parties présentes de leurs dires, dénégations et réserves, rejetant toutes les conclusions plus amples ou contraires;

Dit l'appel de Monsieur D.G. irrecevable;

Dit la demande nouvelle de l'Etat belge tendant au paiement de dommages et intérêts pour procédure téméraire et vexatoire recevable et partiellement fondée;

En conséquence, condamne Monsieur D.G. à payer à l'Etat belge une somme de 500 euros à titre de dommages et intérêts pour procédure téméraire et vexatoire;

Condamne Monsieur D.G. aux frais et dépens de l'instance d'appel non liquidés par l'Etat belge, s'il en est, et lui délaisse ses propres frais et dépens.

Ainsi jugé et prononcé en audience publique, par la Dix-huitième Chambre extraordinaire de la Cour d'appel de Mons, le vingt-deux avril deux mille vingt, où siégeaient:

Monsieur Bernard BOUTEILLER, Conseiller Madame Véronique HAGHEDOOREN, Greffier

Signatures