Gemene bepaling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 21 december 2004

Zoeken

Gemene bepalingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/gemene-bepaling-hof-van-beroep-antwerpen-2004-12-21-8d33

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
21 december 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

46 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 21.12.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 5de bis KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

Zitting van 21/12/2004

Eindarrest - BTW)

(dwangbevel en heffing)

Inzake : 2000/AR/2534

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Federale Overheidsdienst Financiën, met kantoor te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23;

appellant,

- tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de dato 26 juli 2000;

- vertegenwoordigd door Mr. P. S. loco Mr. L. C., advocaat te …, …;

tegen :

BVBA s 'H. V. D., met vennootschapszetel gevestigd te …, …, HR Mechelen …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. E. D. B. loco Mr. Fr. V., advocaat te …, …;

Gelet op de tussenarresten van 24 december 2002 en 4 november 2003.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de 6bis kamer van dit Hof.

Wat de voorafgaande feiten en procedure betreft, verwijst het Hof naar de tussenarresten van 24 december 2002 en 4 november 2003.

Bij tussenvonnis van 2 december 1999 heeft de eerste rechter op grond van artikel 93quaterdecies, § 3 W.BTW geoordeeld dat een ambtenaar van een fiscaal bestuur elke inlichting die hij heeft ingewonnen tijdens de uitoefening van zijn functie kan inroepen voor het opsporen van om het even welke belastingschuld.

Artikel 93quaterdecies, § 3 W.BTW voornoemd bepaalt : "Elke ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijke of een rechtspersoon (...) van rechtswege gemachtigd is alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze personen verschuldigde andere belastingen kunnen verzekeren."

De eerste rechter heeft geoordeeld dat een ambtenaar van de administratie der douane en accijnzen, regelmatig belast met een onderzoek inzake douane en accijnzen, derhalve gemachtigd is om inlichtingen in te zamelen inzake BTW en heeft aldus de doel gebonden bevoegdheid van de fiscale administraties onderschreven.

Tezelfdertijd heeft de eerste rechter vastgesteld dat aan de hand van de stukken uit het dossier niet kon worden opgemaakt of de inlichtingen die de administratie der douane en accijnzen had ingewonnen inzake BTW kaderden binnen een regelmatig onderzoek inzake douane en accijnzen en heeft hij, alvorens recht te doen, ambtshalve de heropening der debatten bevolen teneinde appellant toe te laten het vereiste bewijs te leveren.

Bij eindvonnis stelt de eerste rechter dat appellant niet heeft aangetoond dat de administratie der douane en accijnzen doel gebonden is opgetreden en vernietigt derhalve het dwangbevel.

Bij verzoekschrift van 26 oktober 2000 heeft appellant hoger beroep ingesteld, doch enkel tegen het eindvonnis van 26 juli 2000.

Het verzoekschrift vermeldt als de bestreden beslissing uitdrukkelijk het vonnis van 26 juli 2000 en maakt geen melding van het tussenvonnis van 2 december 1999.

Appellant heeft dan ook geen hoger beroep aangetekend tegen voornoemd tussenvonnis van 2 december 1999. Het feit dat in conclusies in graad van hoger beroep grieven worden opgeworpen tegen dit tussenvonnis, heeft niet tot gevolg dat ook hoger beroep werd ingesteld tegen het tussenvonnis. In toepassing van artikel 1055 Gerechtelijk Wetboek kon tegen het tussenvonnis trouwens slechts hoger beroep worden aangetekend uiterlijk tegelijkertijd als tegen het eindvonnis.

De termijnen om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 2 december 1999 zijn verstreken, zodat dit vonnis overeenkomstig artikel 28 Gerechtelijk Wetboek in kracht van gewijsde is getreden.

Het Hof heeft derhalve geen rechtsmacht meer om te oordelen over de omvang van de bevoegdheid van de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen. Anders oordelen zou een schending inhouden van het gezag van gewijsde van het vonnis van 2 december 1999 waarin werd besloten tot de doel gebonden bevoegdheid van elke fiscale administratie.

Het Hof dient verder met de eerste rechter vast te stellen dat appellant niet aan de hand van stukken bewijst dat de ambtenaren der douane en accijnzen te dezen doel gebonden zijn opgetreden en dat appellant zijn beweringen ter zake niet bewijst.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de heffing van de BTW zoals geponeerd in het proces-verbaal en in het dwangbevel niet bewezen is en dat de heffing gedeeltelijk gesteund is op vaststellingen bekomen in strijd met de doel gebonden bevoegdheden van de fiscale administraties.

De eerste rechter heeft dan ook terecht het dwangbevel nietig verklaard.

Het hoger beroep is derhalve ongegrond en appellant dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de 6bis kamer.

De tussenarresten van 24 december 2002 en 4 november 2003 verder uitwerkend.

Verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de koster van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op 436,29 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 21 december 2004.

waar aanwezig waren :

D. W., alleenzetelend Raadsheer

C. V., Griffier

C. V. D. W.