---
title: "22 september 2009 · Geding, rechten en voorrechten schatkist · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Geding, rechten en voorrechten schatkist, vervolging. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 22 september 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/geding-rechten-voorrechten-schatkist-vervolging-rechtbank-gent-2009-09-22-fe58"
lang: "nl"
---

# Geding, rechten en voorrechten schatkist, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

22 september 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

83 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 22.09.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 SEPTEMBER 2009

**AR nr. 06/3237/A**

In de zaak van :

**BVBA D.**, met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

**eisers,**

hebbende als raad Mter **W. V. d. G.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur BTW-directie Gent, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 601

**verweerder,**

hebbende als raad Mter **E. V. A.**, advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato 28 september 2006.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 23 juni 2009 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad genomen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor het vervaardigen van metalen constructiewerken. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ten uitvoering ervan genomen besluiten. Zij is onderworpen aan de normale BTW-regeling en gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.

Door de e.a. inspecteur van het BTW-controle kantoor te Oudenaarde 1 werd lastens eiseres een bijzondere rekening opgesteld in toepassing van [artikel 8, § 1 van het KB nr.24](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-december-betrekking-voldoening-belasting-toegevoegde-9d45#ar24-art8) van 29 december 1992 voor de periode van 30 april 2005 tot 31 juli 2005 wegens niet-betaling.

Bij brief d.d. 22 november 2005 verzoekt eiseres om nog een weinig geduld uit te oefenen daar haar raadsman bezig is met de uitvoering van een vonnis lastens de NV **V. S. E.** het precies deze onderliggende schuldvordering is die de oorzaak is van de achterstallige BTW.

Op 24 november 2005 werd door **M. M.**, e.a. inspecteur- ontvanger van het BTW-kantoor te Zottegem een dwangbevel uitgevaardigd dat op 28 november 2005 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **R. ’t K.**, waarnemend e.a. inspecteur te Oudenaarde II, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Gent.

Op 2 december 2005 werd dit dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan eiseres met bevel tot betaling.

Op 21 december 2005 verzoekt eiseres opnieuw om nog een weinig geduld uit te oefenen.

Op 4 januari 2006 liet verweerder weten dat de totale schuld van eiseres het bedrag van 7.586,63 EUR beliep en de bijkomende intrest verschuldigd op de rechten gelijk is aan 8 % vanaf 21 januari 2006.

Eiseres betaalde op 5 januari 2006 een som van 7.290,92 EUR en op 14 maart 2006 een bedrag van 295,71 EUR, zodat de vordering volledig is afbetaald.

De betalingen gedaan door eiseres werden als volgt toegerekend :

\- BTW : 6.468,60 EUR

\- Boete : 640,00 EUR

\- Intresten : 337,36 EUR

\- Kosten : 140,63 EUR

7.586,63 EUR

Bij verzoekschrift de dato 24 januari 2006 verzoekt eiseres om vrijstelling of vermindering van de intresten en boetes.

Bij directoriale beslissing de dato 4 juli 2006, werd het verzoekschrift afgewezen als ongegrond.

Op 28 september 2006 legt eiseres een fiscaal verzoekschrift neer.

**2.2.** Eiseres vraagt dat : het verzoek ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en de bestreden beslissing nietig wordt verklaard, dat dienvolgens gezegd wordt voor recht dat aan eiseres kwijtschelding wordt verleend van nalatigheidsintresten en dat de administratieve geldboete wordt kwijtgescholden, minstens verder verminderd en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

**2.3.** Verweerder vraagt dat : de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### 3.2.1. nopens de nalatigheidsintresten

**a.** Eiseres vraagt vrijstelling van nalatigheidsintresten om reden dat de facturen waarop de kwestieuze BTW sloeg door de betreffende schuldenaar (NV **V. S. E.**) niet waren voldaan en gedwongen dienden te worden ingevorderd via de Rechtbank van Koophandel en gedwongen tenuitvoerlegging middels gerechtsdeurwaarder.

Zij stelt dat de motivering waarbij de bestreden beslissing haar verzoek afwijst niet kan volstaan en niet dragend is.

**b.** Welk is de omvang van de rechtsmacht van de fiscale rechter ? Heeft hij volheid van bevoegdheid wanneer een geschil over het al dan niet verlenen van een vrijstelling van nalatigheidsintresten bij hem aanhangig wordt gemaakt of zijn er perken aan zijn rechtsmacht ?

Vrij recent sprak het Hof van Beroep te Gent zich uit over deze kwestie van de nalatigheidsintresten (*Gent 12 september 2006. T.F.R. nr. 315, 106 met noot J. Speecke*). Het Hof statueerde dat er geen subjectief recht om vrijstelling van nalatigheidsintresten te bekomen bestaat, maar dat de mogelijkheid om kwijtschelding van nalatigheidsintresten te bekomen integendeel een gunstmaatregel is die enkel door de gewestelijke directeur kan worden verleend. De bevoegdheid van de fiscale rechter, nog steeds aldus het Hof, omvat enkel een wettigheidstoezicht in die zin dat de fiscale rechter moet nagaan of de motiveringsplicht werd nageleefd door de gewestelijke directeur, maar laat geenszins toe dat het Hof of de Rechtbank zich in de plaats van de directeur zou stellen.

De Rechtbank kan zich aansluiten bij deze visie.

In de aangevochten beslissing de dato 4 juli 2006 werd expliciet gesteld dat :

\- er vastgesteld werd dat in het verleden om identieke redenen (niet-tijdige betaling) reeds twee bijzondere rekeningen dienden te worden opgesteld;

\- er vastgesteld werd door het gros van de kwestieuze vorderingen na het uitvaardigen van een dwangbevel, werd betaald op 5 januari 2006;

\- de in het verzoekschrift, van 24 januari 2006 door huidige eiseres aangehaalde argumenten met betrekking tot uitstaande klantentegoeden, gelet op het mechanisme van de BTW en gelet op de vigerende en toepasselijke BTW-wetgeving en reglementering, niet kunnen aanvaard worden als gegronde reden om niet tijdig te voldoen aan de opgelegde fiscale verplichtingen;

\- de op grond van artikel 91, § 1 W.BTW aangerekende nalatigheidsintresten van rechtswege verschuldigd zijn en geen sanctie inhouden, doch enkel een financiële vergoeding wegens het niet of laattijdig betalen van de verschuldigde BTW;

\- na onderzoek van het dossier van huidige eiseres blijkt dat haar situatie niet kadert in de bijzondere gevallen zoals beoogd in artikel 84bis W.BTW.

In casu stelt de Rechtbank aldus vast dat de beslissing van de directeur expliciet vermeld heeft waarom eiseres, met inachtneming van de termen van het verzoek en van de aan hem bekende gegevens, zich niet in het bijzonder geval bevindt bedoeld in artikel 84bis W.BTW.

De kwestieuze beslissing laat door haar inhoud geen twijfel omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die eraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan eiseres kenbaar worden gemaakt teneinde de grondslag ervan te onderzoeken.

In casu blijkt eveneens dat de gewestelijke directeur op afdoende wijze heeft weerlegd dat de situatie van eiseres zou kaderen in de bijzondere gevallen zoals beoogd in artikel 84bis W.BTW.

De stelling van eiseres, dat de gewestelijke directeur ten onrechte zou hebben laten uitschijnen dat de "bijzondere gevallen" bedoeld in artikel 84bis W.BTW zich zouden beperken tot de gevallen van onvermogen of oninvorderbaarheid, kan niet gevolgd worden. Lezing der beslissing toont aan dat de bijzondere gevallen vermeld tussen haakjes enkel ten titel van inlichting werden meegedeeld, waarbij gesteld werd dat deze bijzondere gevallen in casu niet van toepassing waren.

De door de gewestelijke directeur genomen beslissing de dato 4 juli 2006 berust op exacte, pertinente en in rechte toelaatbare motieven die niet manifest onredelijk zijn.

Het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van nalatigheidsintresten is niet gegrond.

#### 3.2.2. nopens de boete

**a.** Eiseres stelt dat het opleggen van een administratieve geldboete - zelfs gereduceerd overeenkomstig het KB nr. 41 - niet te rechtvaardigen is en niet evenredig tot de begane overtreding.

**b.** Een boete van 640,00 EUR opgelegd wegens niet betaling van de BTW heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte of in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (*Grondwettelijk Hof, 24 februari 7999, rolnr. 7279, arrest nr. 22/99*).

Dit kan alleen in die zin begrepen worden dat de Rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft.

Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Concreet is de rechtbank van oordeel dat er geen reden voorhanden is om een administratieve boete op te leggen.

Uit de feitelijke gegevens van het dossier blijkt dat de laattijdige betaling te wijten was aan niet-betaling van facturen door de schuldenaar, hetgeen een gedwongen incasso noodzaakte. In hoofde van eiseres is geen kwade trouw aanwezig. De laattijdigheid was in casu beperkt tot de tijd nodig voor de incasso.

Er is geen grond om een boete op te leggen.

### 3.3. nopens de kosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de volgende mate;

Zegt voor recht dat de door verweerder opgelegde boete van 640,00 EUR ongegrond is.

Wijst voor het overige de vordering af als ongegrond.

Verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten in welk geval het overbodig is die kosten vast te stellen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **dinsdag tweeëntwintig september tweeduizend en negen**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. H.**, alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. H.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 24 art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-december-betrekking-voldoening-belasting-toegevoegde-9d45) 1 voorkomen
