---
title: "Fraude, Domiciliefraude · Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 19 juni 2025"
description: "Fraude, Domiciliefraude, IT-dienst, Intra-communautair, Klantenlisting, Getuigen. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 19 juni 2025."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/fraude-domiciliefraude-it-dienst-intra-rechtbank-gent-2025-06-19-c49d"
lang: "nl"
---

# Fraude, Domiciliefraude, IT-dienst, Intra-communautair, Klantenlisting, Getuigen

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

19 juni 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

128 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 19.06.2025

\[ Gedeeltelijk gunstig vonnis \]

*BTW – Fraude – Domiciliefraude – IT-dienst – Intra-communautair – Klantenlisting - Getuigen*

**Volledige tekst :**

### Tekst van de beslissing

**Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 19.06.2025**

**(22/2610/A)**

In de zaak van:

**X.,** RNN …, wonende te …,

***eisende partij,*** hebbende als raadsman mr. S.S., advocaat met kantoor te …

**TEGEN:**

**De BELGISCHE STAAT,** FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financier, KBO 0308.357.159, op vervolging en benaarstiging van :

\- de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, handelend ten verzoeke van de Adviseur Invordering—Team Bijzondere Invordering Gent, met kantoren te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 107,

\- de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directie Brussel, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33 bus 49, met als correspondentieadres voor briefwisseling: Gaston Crommenlaan 6 bus 806, 9050 Ledeberg,

***verwerende partij,*** voor wie optreedt de heer V.N., adviseur bij een fiscaal bestuur;

beslist de rechtbank als volgt:

## 1. Rechtspleging

Bij vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 30 september 2022 werd de aldaar ingeleide zaak, verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van **15 mei 2025** partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. Vorderingen van de partijen

**2.1.** Eiser vordert in syntheseconclusie het volgende :

De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

En bijgevolg:

 het innings- en invorderingsbericht BTW met artikelnummer 500247630464 te vernietigen en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die ten onrechte uit hoofde van voormeld bericht zouden zijn geïnd of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten;

 de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding *(ad* 14.000,00 €).

**2.2.** Verweerder vordert in syntheseconclusie het volgende :

De vordering van eiser ontvankelijk, doch volledig ongegrond te verklaren;

Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding.

## 3. Relevante feiten en procedurevoorgaanden

**3.1.** In de periode van 1 april 2014 tot en met 31 december 2020 presteerde eiser diensten met betrekking tot 'Information Technology (IT)'. Daaronder diensten met betrekking tot risicomanagement. Deze diensten werden verricht voor voornamelijk ondernemingen gevestigd in België.

Voor deze diensten stelde eiser facturen op naam van R. met adres te Monaco en met vermelding van het (Frans) BTW-nummer …. De facturen werden opgesteld met verlegging van heffing en vermeld werd : 'intra-communautaire' (art. 44 directive 2006/12/CE).

**3.2.** Op 18 december 2020 werd een klacht ingediend (stuk 1 eiser), waarin gemeld wordt dat eiser die gedomicilieerd is in Monaco, in feite in België woont. Het adres in Monaco zou er zijn om fiscale redenen en om gedupeerden of te schrikken. Gesteld wordt dat eiser feitelijk zou wonen bij zijn partner te Averbode. Op dit adres zou ook de firma S. van eiser gevestigd zijn.

Op 16 maart 2021 werd door de administratie (BBI) een proces-verbaal opgesteld na een bezoek en gesprek met de klachtindiener teneinde bijkomende informatie te verkrijgen (stuk 2 eiser). In het betrokken proces-verbaal worden bepalingen m.b.t. het onderzoek inzake inkomstenbelastingen (WIB 92 en KB/WIB 92) aangehaald. Gesteld wordt dat de klacht wordt onderzocht namens eiser.

Op 4 maart 2021 werden in verband met eiser vragen om inlichtingen gericht door verweerder aan C.B. NV, D.B. NV en Buurtwinkels O. NV (stukken 3 eiser). Dit telkens met de vraag om inlichtingen te verschaffen over eiser voor de periode van 1 januari 2018 tot op heden. Uit de antwoorden bleek dat geen van de betrokken winkels eiser kende (stuk 30 eiser).

Uit de stukken van het dossier blijkt verder dat er in 2021, eveneens vooral m.b.t. de inkomstenbelastingen, nog onderzoeken plaatsvonden. Zo werd aan KBC, hoofdkantoor Brussel, op 9 maart 2021 een vraag om inlichtingen overgemaakt over eiser voor de periode van 1 januari 2018 tot op heden (stuk 13 verweerder). Op 29 april 2021 werd een proces-verbaal opgesteld over een verklaring van de BVBA I.L. van 27 april 2021 m.b.t. de aankoopfacturen van de 'vennootschap R.' in de boekhouding van de betrokken BVBA (stuk 11 verweerder). Daarin wordt verklaard dat eiser de partner is van de buurvrouw en dat hij regelmatig verblijft in Averbode.

Inzake inkomstenbelastingen gebeurde er een uitbreiding van de onderzoekstermijn bij aangetekende voorafgaande kennisgeving van 15 juni 2021 (stuk 12 verweerder). In toepassing van artikel 322 § 2 WIB 92 vond er vervolgens een bankonderzoek plaats van de financiële rekeningen van eiser (stuk 4 verweerder).

Verder blijkt uit de stukken, zonder dat evenwel de vragen van verweerder zelf zijn bijgevoegd, dat informatie werd opgevraagd door verweerder bij Brussels Airlines (vraag van 13/04/2021 en antwoord van 23/04/2021 — stuk 9 verweerder). Verder wordt nog verwezen naar stukken van Nexus Consulting Group NV (stukken 5 en 6 verweerder), waarvan evenwel niet duidelijk is op welke wijze deze in het bezit kwamen van verweerder.

**3.3.** Op 26 oktober 2021 werd door verweerder een aangetekend schrijven aan eiser gericht houdende een voorafgaande kennisgeving in toepassing van artikel 84ter BTW-Wb (stuk 2 verweerder). Dit teneinde de verjaringstermijn in toepassing van artikel 81bis § 1, 2de lid, 4° BTW-Wb. te verlengen. Gesteld wordt dat het centrum van de levensbelangen van eiser gevestigd is in België. Verder dat eiser op zeer regelmatige basis fysiek aanwezig was in België voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid.

Gesteld wordt dat de fiscale woonplaats van eiser zich in België bevond in de periode vanaf 01/01/2014 tot en met 31/12/2017. De door eiser gefactureerde diensten worden overeenkomstig artikel 21 § 2 BTW-Wb. gelokaliseerd in België. Met als gevolg dat, aldus nog verweerder, aan de Belgische klanten Belgische BTW aangerekend had moeten worden. Eiser zou overeenkomstig artikel 51 §1, 1° BTW-Wb. de Belgische BTW op deze diensten verschuldigd zijn. Volgens verweerder nam eiser vanaf 2014 een andere fiscale situatie aan om belastingfraude in de personenbelasting en de BTW te bewerkstelligen. Er bestaan voor de periode van 01/01/2014 tot en met 31/12/2017 volgens de administratie ernstige vermoedens van belastingontduiking. Met als gevolg dat de verjaringstermijn in toepassing van artikel 81bis § 1, 2 d' lid, 4' BTW-Wb. pas intreedt na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan. Aldus wordt de termijn inzake BTW uitgebreid tot de kalenderjaren 2014, 2015, 2016 en 2017.

Op 27 oktober 2021 werd met betrekking tot de periode van 01/01/2014 tot en met 31/12/2020 aangetekend een proces-verbaal van taxatie overgemaakt aan eiser (stuk 1 verweerder). In het betrokken proces-verbaal wordt verwezen naar dezelfde gegevens als vermeld in het proces-verbaal tot verlenging van de verjaringstermijn. Gesteld wordt met name dat de fiscale woonplaats van eiser in België gesitueerd is in de periode van 01/01/2014 tot en met 31/12/2020. Overeenkomstig artikel 21 § 2 BTW-Wb. zijn de door eiser gefactureerde diensten volgens verweerder gelokaliseerd in België zodat hij aan zijn Belgische klanten Belgische BTW diende aan te rekenen. Bij toepassing van artikel 51 § 1, 1 0 BTW-Wb. is de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die in België een belastbare dienst verricht. De intellectuele prestaties zijn onderworpen aan het tarief van 21 %.

Eiser wordt verweten niet voldaan te hebben aan zijn verplichtingen inzake BTW in België. Voor de vanaf 2014 verrichte prestaties als zelfstandige had eiser zich in België moeten identificeren als BTW-belastingplichtige en vervolgens BTW-aangiftes en klantenlistings moeten indienen in België. Verder is sprake van niet-aangegeven omzet in België voor de tijdens de periode 01/01/2014 tot en met 31/12/2020 verrichte dienstprestaties.

Op basis van deze tekortkomingen stelt verweerder dat eiser de volgende bedragen verschuldigd is :

 270.199,89 EUR aan BTW;

 540.390,00 EUR proportionele geldboete op basis van artikel 70 § 2 BTW-Wb.;

 90.000,00 EUR niet-proportionele geldboete op basis van artikel 70 § 4 BTW-Wb. (niet-indienen van aangifte aanvang van activiteit, niet-indienen periodieke BTW-aangiftes, niet-indienen van kwartaalaangiftes);

 nalatigheidsinteresten vanaf 01/01/2021.

Op 14 december 2021 werd in opvolging van het proces-verbaal van 27 oktober 2021 een innings- en invorderingsbericht aan eiser overgemaakt tot betaling van een bedrag van 922.640,06 EUR (stuk 5 eiser).

3.4. Bij verzoekschrift van 17 januari 2022, neergelegd ter griffie op 18 januari 2022, maakte eiser de vordering aanhangig bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel.

Bij vonnis van 30 september 2022 van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel werd de zaak verwezen naar deze rechtbank.

## 4. Beoordeling

### 4.1. Ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Aangezien de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid vaststelt, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, is de vordering ontvankelijk.

### 4.2. Ten gronde

#### 4.2.1. Onderworpenheid aan de Belgische BTW

De eerste vraag die zich stelt, is of eiser als een BTW-belastingplichtige in België moet worden beschouwd. En of hij aldus een inbreuk heeft begaan door geen aangifte van aanvang van werkzaamheid te doen, door vervolgens geen aangiftes en intracommunautaire listings in België in te dienen en door geen Belgische BTW op zijn facturen aan te rekenen die hij dan vervolgens had moeten afdragen.

##### 4.2.1.1. Standpunt eiser

Eiser stelt dat er van domiciliefraude geen sprake is. De gegevens van de administratie wijzen volgens eiser niet uit dat hij 'duurzaam' in België verblijft. De grootwarenhuizen hebben geantwoord dat zij eiser niet kennen. Verder zou er ook geen sprake zijn van een samenwonen met mevrouw M.. De buurvrouw die daarover ondervraagd werd, zou volgens eiser enkel verklaard hebben eiser of en toe bij mevrouw M. te hebben gezien. En dus niet dat hij er regelmatig zou verblijven zoals opgenomen in het proces-verbaal. Het was volgens eiser mevrouw M. die regelmatig in Monaco verbleef.

Ten onrechte kan het feit dat eiser nog diensten verrichtte voor Belgische klanten die hij reeds voor 2014 had, als een bewijs worden gezien dat hij nog in België woont. Daarbij is het gebruikelijk dat de IT-diensten op afstand worden geleverd. Dit zou volgens eiser ook door de verschillende verklaringen van C.B., mevrouw I.L. en in de overeenkomsten met I. en A. zijn bevestigd.

Eiser verwijst vervolgens naar de elementen waaruit blijkt dat hij wel degelijk in Monaco gevestigd was. Meer bepaald de huur van een appartement, aankoop van meubelen en andere benodigdheden en de inschrijving van een voertuig. Verder de aanwezigheid van een televisie-, Internet- en telefoonabonnement en een elektriciteitsaansluiting. Eiser zou ook aangesloten zijn bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen in Monaco. Hij verkreeg de terugbetaling van dokterskosten en sinds 1 juli 2024 ontvangt hij een pensioen van de Monegaskische overheid. Bij zijn verhuis naar Monaco zou eiser ook een groot bedrag hebben opgenomen om zijn emigratie in orde te brengen waarbij talrijke uitgaven kwamen kijken.

Het verblijf van eiser in Monaco wordt bevestigd door voorgelegde attesten. Meer bepaald van de conciërge van het gebouw waar eiser verblijft in Monaco en door een restauranthouder waar eiser tweemaal per week zou gaan eten.

De twee business flats in België werden aangehouden als investering. Op basis daarvan kan niet besloten worden dat eiser zijn 'zetel van fortuin' in België zou hebben behouden.

Eiser besluit dat op basis van al deze feiten duidelijk blijkt dat eiser geen tijdelijk verblijf in Monaco voor ogen had, maar dat hij zich wel degelijk in Monaco wilde vestigen. Het feit dat eiser nog banden had met België en bij zijn bezoeken in België aankopen deed, laat niet toe de residentie in Monaco in vraag te stellen. Domiciliefraude is dan ook, aldus nog eiser, geenszins bewezen.

4.2.1.2. Standpunt verweerder

Volgens verweerder was eiser wel degelijk in de betrokken periode in België gevestigd. Verweerder heeft dienaangaande onderzoek gedaan en verschillende vragen om inlichtingen gesteld.

Verweerder stelt dat uit de verklaringen van derden, onder meer mevrouw L., blijkt dat eiser de vaste partner was van haar buurvrouw, mevrouw M., en dat eiser regelmatig zou verblijven bij zijn partner te Scherpenheuvel-Zichem. Ook aangetekende zendingen gericht aan het betrokken adres aan eiser, zouden op het betrokken adres in ontvangst zijn genomen.

Eiser zou over een Belgisch gsm-nummer beschikken, hier 2 onroerende goederen hebben en zijn kinderen zouden ook nog in België wonen.

Uit het gevoerde bankonderzoek zou blijken dat er regelmatig persoonlijke uitgaven gebeurden in België. Verder dat systematisch grote bedragen van de bankrekening in Monaco werden overgeschreven naar de bankrekening in België. Er werd ook regelmatig getankt in Belgische tankstations. Vergoedingen voor zijn zelfstandige activiteit werden op zijn Belgische bankrekening ontvangen. Volgens verweerder wordt de omzet die toekomt op de Monegaskische bankrekening systematisch (gedeeltelijk) doorgesluisd naar de Belgische bankrekening.

Verder stelt verweerder dat eiser bijna continu fysiek aanwezig was in België voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid. Verwezen wordt naar het feit dat de BV S., waarvan eiser de enige zaakvoerder was, in 2016 samen met haar zaakvoerder een pand aankocht in Evere. Voorheen was het adres van de vennootschap gevestigd te ... De maatschappelijke zetel van S. werd sinds december 2013 verplaatst naar het adres te Scherpenheuvel-Zichem, waar mevrouw M. woonachtig is. Na de vereffening in 2019 worden daar ook de boeken van de vereffende BV bewaard.

Verweerder verwijst naar de dienstprestaties van eiser aan zijn Belgische klanten die, zoals in de periode dat deze nog via S. werden verricht, onafgebroken werden verdergezet. Maar dan onder de commerciële benaming R. met adres in Monaco. Via N.C. Group waarmee raamcontracten werden afgesloten, zou eiser ter beschikking zijn gesteld van Y.B. NV voor de periode van 1 juni 2014 tot 30 maart 2016 met als plaats van tewerkstelling Zaventem. Via C. NV zou eiser verder vanaf 20 februari 2017 werkzaam zijn bij KBC met als standplaats Leuven. Mei- juni 2019 zou eiser daarbij 3 dagen (van 8 uur) per week fysiek aanwezig zijn, van juni 2019 tot 19 maart 2020 zou eiser alle werkdagen fysiek aanwezig zijn geweest te Leuven en vervolgens tot juni 2020 volledig via telewerk waarna vanaf juni 2020 tot oktober 2020 in een beurtrol van aanwezigheid was voorzien. Hieruit kan volgens verweerder niet anders worden afgeleid dan dat de verblijfplaats van eiser in België gevestigd is.

De tegenargumenten van eiser overtuigen volgens verweerder niet. Uit de gegevens van Brussels Airlines zou juist blijken dat eiser vooral in België verbleef. De overtuigingsstukken van eiser zouden verder vooral op 2014 betrekking hebben terwijl de periode van de BTW-vordering betrekking heeft op de periode van 2014 tot 2020. De inrichting in Monaco kan evengoed betrekking hebben op een tweede verblijf of op een vakantieverblijf. De geneeskundige tussenkomst in Monaco beperkt zich tot een consulatie. Verder zijn de verklaringen van de conciërge en restauranthouder, die pas jaren na datum werden opgesteld, niet geloofwaardig.

Verweerder concludeert dat eiser zijn woonplaats steeds in België heeft behouden voor de periode van 23 april 2014 tot en met 31 december 2020. Met als gevolg dat er sprake is van domiciliefraude waardoor inbreuken werden gepleegd op de fiscale wetgeving.

##### 4.2.1.3. Standpunt rechtbank

Vastgesteld moet worden dat partijen zich blijkbaar beperken in hun argumentatie tot een feitelijke beoordeling of eiser zijn (fiscale) woonplaats al dan niet in Monaco heeft gevestigd. Daarbij wordt dan verwezen naar feitelijke elementen die lijken te zijn overgenomen uit de inkomstenbelastingen. De bepalingen zoals deze van toepassing zijn in de inkomstenbelastingen voor het bepalen van de fiscale woonplaats, kunnen evenwel niet zomaar overgeplaatst worden naar de toepassing van de BTW die in casu aan de orde is.

Tussen partijen is er geen discussie over het feit dat de plaats van de gepresteerde diensten (IT-diensten) op basis van artikel 21 § 2 BTW-Wb in België gesitueerd moet worden zodat er in principe Belgische BTW op de dienstprestatie moet worden aangerekend. Vraag is of het vervolgens gaat om een (Belgische) belastingplichtige die in België een belastbare dienst verricht waarbij de (Belgische) dienstverrichter de BTW verschuldigd is (art. 51 § 1, 1° BTW-Wb. - stelling verweerder), dan wel of het gaat om een niet-Belgische belastingplichtige, in welk geval de belasting verschuldigd is door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een belastingplichtige is die niet in België gevestigd is en de dienst krachtens artikel 21 § 2, geacht wordt in België plaats te vinden (art. 51 § 2, 1° BTW-Wb.).

In casu heeft eiser de facturen die hij richtte onder de benaming R. aan zijn Belgische klanten, opgesteld met vermelding van zijn adres in Monaco en met vermelding van zijn Frans BTW-nummer. De facturen werden opgesteld met toepassing van de verlegging van heffing waartoe de vermelding 'intra-communautaire' (art. 44 directive 2006/12/CE), op de facturen werd opgenomen. De vraag die aldus moet worden beantwoord is of eiser gerechtigd was om de door hem in België verrichte diensten te factureren vanuit Monaco met toepassing van de verlegging van de heffing. Logischerwijze kan dit enkel indien eiser effectief gevestigd was in Monaco en derhalve gerechtigd was zijn adres in Monaco te vermelden op de facturen omdat dit overeenstemt met de werkelijkheid. Indien aangenomen wordt dat eiser effectief gevestigd was in Monaco, dan is het feit dat eiser effectief in België aanwezig was voor het presteren van de diensten als dusdanig van ondergeschikt belang en blijft hij gerechtigd om zijn prestaties te factureren met verlegging van heffing. Tenzij de aanwezigheid in België dermate belangrijk is en in België een infrastructuur aanwezig is met technische middelen en eventueel personeel zodat er sprake is van een vaste inrichting in België door middel waarvan de prestaties geleverd worden. Het al dan niet hebben van privé-onroerende goederen in België is voor de beoordeling van de al dan niet onderworpenheid aan de Belgische BTW in dit verband evenmin relevant.

Uit de stukken die worden voorgelegd, blijkt dat minstens formeel eiser de nodige stappen heeft ondernomen om vanaf midden 2014 zijn adres over te brengen naar Monaco. Dit blijkt uit de uitschrijving uit het bevolkingsregister in België en vervolgens inschrijving in Monaco waar hij een appartement huurt dat bemeubeld werd. Verder beschikt eiser over een BTW-nummer van Frankrijk (Monaco) (RCI nummer …) en beschikt hij blijkbaar over een boekhouder ter plaatse om aan zijn administratieve verplichtingen te voldoen.

Indien eiser vervolgens zijn in België verrichte prestaties factureert vanuit zijn vestiging vanuit Monaco die minstens formeel aanwezig is, dan heeft, voor wat de BTW-reglementering betreft, eiser op een correcte manier gehandeld door op de aldus opgestelde facturen de verlegging van heffing toe te passen met vermelding van het (Franse) BTW-nummer en de verblijfplaats in Monaco.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat waar eiser wellicht formeel in orde is om de facturen aan zijn Belgische klanten te richten met verlegging van heffing, door verweerder wordt aangetoond dat de economische activiteit door eiser in werkelijkheid in en vanuit België wordt verricht en door eiser niet ten genoege het tegendeel wordt aangetoond.

Uit de door verweerder voorgelegde stukken blijkt immers dat eiser in feite zijn activiteiten voornamelijk uitoefent in België waar hij ook het meeste van de tijd fysiek aanwezig is. Zijn nieuwe levenspartner woont in België (Scherpenheuvel-Zichem) terwijl eiser in de periode van 2014 tot 2016 werkzaam was in Zaventem en vanaf 2017 voor KBC te Leuven. In tegenstelling tot wat eiser wil laten voorkomen was hij daarbij wel degelijk overwegend fysiek in België aanwezig. Verder blijkt dat de gelden die door de klanten weliswaar op de rekening van eiser in Monaco werden gestort, systematisch voor het grootste deel terug overgemaakt werden naar de rekening van eiser in België. Daarbij werd ook aangetoond dat regelmatig met de bankkaart van eiser werd getankt in België waarvan het niet aannemelijk of aangetoond is dat het ging om tankkosten van de partner. Dit alles wijst erop dat eiser zijn activiteiten in werkelijkheid wel degelijk in en vanuit België verrichtte.

De door eiser voorgelegde stukken aan de andere kant tonen het tegendeel niet aan. De betrokken stukken hebben voornamelijk betrekking op de beginperiode van 2014 waarin eiser een appartement huurde in Monaco. De stukken van de latere periode, zoals het eenmalig doktersbezoek, de inschrijving van de personenwagen hetgeen ook fiscaal geïnspireerd kan zijn en de formele aansluiting bij het ziekenfonds, zijn zeer beperkt en tonen niet aan dat eiser zijn activiteit werkelijk vanuit Monaco voerde en dat eiser daartoe in Monaco gevestigd was. De attesten van de conciërge en restauranthouder die dateren van 27 november 2024 en derhalve van jaren na de feiten, vormen als dusdanig geen bewijskrachtige gegevens. Evenmin als het feit dat eiser vanaf 2024 recht heeft op een Monegaskisch pensioen ten bedrage van 339,38 EUR per maand.

Eiser oefende zijn economische activiteit uit als natuurlijk persoon waarbij het niet mogelijk is dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de formele vestiging die mogelijk in Monaco is, en de werkelijke vestiging waarvan de rechtbank aanneemt dat deze zich, op basis van de voorgelegde stukken en het door verweerder gevoerde onderzoek, in België bevond. Daarbij overweegt, voor de toepassing van de regels inzake BTW, de werkelijke vestiging van eiser. Het feit dat de rechtbank derhalve van oordeel is dat eiser wel degelijk in België gevestigd was, heeft tot gevolg dat eiser aan zijn klanten facturen had moeten richten met toepassing van de Belgische BTW en verder dat eiser de verplichtingen dienaangaande had moeten naleven.

#### 4.2.2. Toepassing van de verlengde verjaringstermijn

Op basis van artikel 81bis, 2 tle lid, 4° BTW-Wb. werd de verjaringstermijn verlengd teneinde de BTW na te vorderen voor de periode van 2014 tot en met 2017. Verweerder richtte daartoe op 26 oktober 2021 een aangetekend schrijven aan eiser houdende een voorafgaande kennisgeving in toepassing van artikel 84ter BTW-Wb (stuk 2 verweerder).

##### 4.2.2.1. Standpunt eiser

Eiser is van oordeel dat er in casu geen sprake is van domiciliefraude. De vraag naar de fiscale woonplaats is een feitelijke beoordeling waarbij de belastingplichtige er een andere mening op kan nahouden dan de taxatiediensten, zonder dat hem een ontduikingsinzicht kan worden verweten. Eiser verwijst dienaangaande naar rechtspraak en het feit dat eiser voor het naleven van zijn fiscale verplichtingen een beroep deed op een boekhouder. Daaruit zou de intentie blijken dat eiser zijn wettelijke verplichtingen correct wenste na te leven. Er zou aldus geen sprake zijn van een frauduleus opzet.

Verder stelt eiser dat zelfs indien eiser zijn fiscale woonplaats in België zou hebben behouden, niet kan worden gesteld dat er dan sprake is van BTW-fraude. Voor de inning van de BTW is volgens eiser de vraag of eiser zijn fiscale woonplaats al dan niet in België heeft, verwaarloosbaar. Aangezien enkel 'B2B-diensten' worden verstrekt, heeft de vraag waar deze diensten worden verstrekt, aldus nog eiser, geen enkele impact op de BTW-schuld. De plaats waar de diensten belastbaar zijn wordt immers bepaald door de zetel van de economische activiteit van de afnemer. Derhalve is volgens eiser niet bewezen dat de Belgische Staat benadeeld is doordat eiser zijn diensten met verlegging van heffing factureert. Het recht op aftrek of de vraag om teruggave staat los van de BTW-behandeling van de ICT-dienst die eiser verstrekt. Daarbij is ook niet aangetoond, aldus nog eiser, dat de BTW sneller geïnd zou zijn indien eiser zijn handelingen met Belgische BTW zou hebben gefactureerd in plaats van de verlegging van de heffing.

Eiser stelt dat er voor de toepassing van artikel 81bis, 2de lid, 4° BTW-Wb., een verband moet zijn tussen het materieel element en het moreel element. Het louter feit dat een wetsovertreding werd begaan, volstaat niet. De betrokken wetsovertreding moet met frauduleus opzet zijn begaan. Indien aangetoond, mogen dan enkel, aldus nog eiser, de frauduleus onttrokken inkomsten worden belast.

Eiser is van oordeel dat geen overtuigend bewijs werd geleverd dat de BTW-wetgeving met kwaad opzet werd overtreden. Eiser mocht ervan uitgaan dat zijn medecontractanten de verstrekte diensten correct in hun aangifte zouden opnemen. In hoofde van eiser werd er door de emigratie naar Monaco geen enkel voordeel genoten, noch een nadeel beoogd. Met als gevolg dat volgens eiser niet kan worden voorgehouden dat eiser frauduleus zou hebben gehandeld. Daarbij heeft eiser ook niets verborgen aangezien de verstrekte inlichtingen zouden zijn opgenomen op de intracommunautaire listings.

##### 4.2.2.2. Standpunt verweerder

Verweerder is van oordeel dat de verjaringstermijn rechtsgeldig werd uitgebreid. Verweerder erkent daarbij dat voor de verlenging van de termijn er naast het materieel element, ook een moreel element aanwezig moet zijn, meer bepaald het bedrieglijk opzet of oogmerk om to schaden.

Verweerder stelt dat het bedrieglijk opzet wel degelijk aangetoond is. Doordat prestaties als zelfstandige in België werden verricht, had eiser zich voor BTW-doeleinden moeten identificeren en vervolgens BTW-aangiften en klantenlistings in België moeten indienen. Eiser heeft evenwel nagelaten de wettelijk door hem verschuldigde belasting of te dragen. Bovendien verloor de Belgische Staat daardoor het voordeel van de voorfinanciering. Doordat de klanten een voorfinancieringsvoordeel hebben, verkrijgt eiser een concurrentieel voordeel door het ontwijken van het statuut van BTW-schuldenaar.

Volgens verweerder verengt eiser het vereiste opzet ten onrechte tot een bijzonder BTW-opzet. Het opzet is aldus verweerder niet beperkt tot het zuiver fiscaal opzet, dat uitsluitend gericht is op het ontduiken van de verschuldigde belastingen. Het oogmerk om te schaden is de wil om anderen nadeel te berokkenen. Dat er geen sprake zou zijn van belastingontduiking omdat de BTW zou kunnen voldaan worden door de Belgische afnemers, is geen reden om een bijzonder opzet in de zin van artikel 81bis § 1, 4°BTW-Wb. uit te sluiten.

Het is volgens verweerder niet correct te stellen dat de Belgische Staat geen inkomsten zou hebben verloren. De Belgische Staat verliest het voordeel van de voorfinanciering. In een correcte situatie had eiser het volledige bedrag van de BTW al afgedragen of voorgefinancierd aan de Belgische Staat. Op het verschil tussen wat eiser moest afdragen en datgene dat de eiser onmiddellijk kon aftrekken, genoot de Belgische Staat aldus verweerder het voordeel van de voorfinanciering. Door de verlegging is dit niet gebeurd. Door de verlegging werden alle voordelen van de wettelijk voorziene voorfinanciering ontnomen. Er ontstaat zo zelfs een recht op teruggave in hoofde van de afnemers dat niet aan een termijn gebonden is.

Eiser kan volgens verweerder geen gewag maken van een schending van het neutraliteitsbeginsel waarover hij zelf verantwoordelijk is. Eiser is volgens verweerder niet te goeder trouw en heeft zijn prestaties ten onrechte met vrijstelling van BTW gefactureerd in een poging zijn statuut van schuldenaar van BTW te omzeilen.

##### 4.2.2.3. Standpunt rechtbank

Artikel 81bis § 1, 4° BTW-Wb. zoals van toepassing voor de betrokken jaren, bepaalt dat er verjaring is van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het zevende jaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 en 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Artikel 84ter BTW-Wb bepaalt dat indien de administratie voornemens is de betrokken verjaringstermijn toe te passen, zij op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk kennis moet geven van de vermoedens van fraude die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Verweerder vervulde de voorwaarde voorgeschreven in artikel 84ter BTW-Wb. door de brief van 26 oktober 2021 (stuk 2 verweerder), hetgeen door eiser niet wordt betwist. Opdat evenwel de verjaringstermijn effectief kan worden verlengd op basis van artikel 81bis § 1, *4°* BTW-Wb. is vereist dat er overtredingen werden begaan bedoeld in de artikelen 70 en 71 BTW Wb., met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, hetgeen door verweerder moet worden aangetoond. In casu moet derhalve door verweerder worden bewezen dat eiser de intentie had om door middel van zijn handelen met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, overtredingen bedoeld in de artikelen 70 en 71 BTW-Wb., zijnde overtredingen van de bepalingen van het BTW-Wb., te begaan.

Concreet zou eiser met bedrieglijk opzet en het oogmerk om te schaden hebben gehandeld door voor te houden dat hij zijn economische activiteit vanuit Monaco voerde, terwijl dit in werkelijkheid gebeurde vanuit België. Met als gevolg dat de bepalingen van het BTW-Wb. werden overtreden, bestaande in de verplichting de belasting te voldoen. Volgens verweerder zou deze handelswijze schade hebben toegebracht aan de Belgische Staat doordat deze niet meer kon genieten van het financieringsvoordeel.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aantoont dat eiser gehandeld heeft met bedrieglijk oogmerk of met het opzet om te schaden. Indien al kan aangenomen worden dat de Belgische Staat mogelijk schade heeft geleden door de handelswijze van eiser, onder de vorm van een verlies van het financieringsvoordeel, dan houdt dit niet in dat daarvoor de bijzondere intentie in hoofde van eiser is aangetoond. De intentie bestaande uit het bedrieglijk opzet en het oogmerk om te schaden moet concreet worden aangetoond, zodat het niet volstaat te vermoeden dat deze intentie aanwezig was. Ook al werd hiervoor besloten dat aangenomen wordt dat eiser zijn economische activiteit in werkelijkheid vanuit België uitoefende, bij gebrek aan (tegen)bewijs dat dit effectief vanuit Monaco gebeurde, dan houdt dit niet automatisch in dat de intentie bestaande in een bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden aanwezig zou zijn.

De elementen die door verweerder ter zake worden aangehaald bestaande uit het verlies van het financieringsvoordeel en het verstoren van de concurrentie, overtuigen niet. Het gaat ter zake slechts om algemene opmerkingen zonder dat op enige wijze is aangetoond dat deze schade aanwezig was en meer nog dat er in hoofde van eiser de intentie bestond om deze schade toe te brengen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verlengde verjaringstermijn van artikel 81bis § 1, 4' BTW-Wb. niet van toepassing is, met als gevolg dat lastens eiser geen navorderingen kunnen plaatsvinden voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017.

De vordering van verweerder zoals opgenomen in het innings- en invorderingsartikel 500247630464 en zoals gesteund op het P.V. van 27 oktober 2021, is dan ook nietig. Gelet op het feit dat in casu de betrokken administratieve akte niet noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, zal de rechtbank zelf in feite en in rechte beslissen over het bestaan van de belastingschuld.

Gelet op het voorgaande (zie 4.2.1.3) is de rechtbank van oordeel dat de vordering van verweerder voor de jaren 2018, 2019 en 2020 voor een bedrag van 105.440,79 EUR aan BTW gerechtvaardigd is.

#### 4.2.3. De proportionele geldboete van 200 % en de niet-proportionele boetes

Een proportionele geldboete van 200 % of 540.390,00 EUR wordt opgelegd in toepassing van artikel 70 § 2 BTW-Wb., zijnde een bedrag gelijk aan het dubbel van de op handelingen verschuldigde belasting. Verder worden niet-proportionele geldboeten opgelegd van in totaal 90.000,00 EUR in toepassing van 70 § 4 BTW-Wb. en het K.B. nr. 44.

Hiervoor besliste de rechtbank reeds dat de vordering van verweerder zoals opgenomen in het innings- en invorderingsartikel 500247630464 en zoals gesteund op het P.V. van 27 oktober 2021, nietig is. Dit geldt derhalve eveneens voor de opgelegde proportionele geldboete en de niet-proportionele geldboeten. In dit verband oordeelde de rechtbank ten andere dat er geen bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden door verweerder wordt aangetoond, hetgeen geldt voor alle betrokken jaren. Bijgevolg kunnen de door verweerder opgelegde boetes gelijk aan het dubbele van de rechten of boeten, sowieso niet behouden blijven en zijn deze nietig.

Krachtens artikel 70 BTW-Wb. wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een administratieve geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting. De administratieve beslissing waarmee de administratieve geldboete wordt opgelegd, is noodzakelijk voor de totstandkoming van zulke boete. Bijgevolg kan de rechter niet zelf oordelen over het verschuldigd zijn van de administratieve geldboete (zie in deze zin ook Cass. 29 januari 2021, [F.18.0169.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-motivering-dwangbevel-nietigheid-openbare-cassatie-brussel-2021-01-29-081b), *www.juportal.be).*

## 5. Gerechtskosten

Verweerder wordt voor het grootste gedeelte in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten dragen.

Verweerder moet conform artikel 1022 juncto 1018, 6° en 8° van het Gerechtelijk Wetboek, naast zijn eigen kosten, de rechtsplegingvergoeding en de bijdrage voor het begrotingsfonds tweedelijnsbijstand t.b.v. 22,00 EUR dragen van eiser die vertegenwoordigd wordt door een advocaat.

Indien geen procedureakkoord tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, noch een aanvaardbare grond of verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dan moet de rechter het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepalen (Cass. 16 januari 2023, C.21.0193.F; Cass. 13 januari 2023, C.22.0158.N; Cass. 3 maart 2023, C.22.0258.N).

De vordering opzichtens eiser is in geld waardeerbaar en heeft betrekking op een bedrag van 900.589,86 EUR zodat het geïndexeerd basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt vastgesteld op 15.697,67 EUR (schaal van 500.000,01 tot 1.000.000,00 EUR).

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**BESLIST DE RECHTBANK,** recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

 verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

 verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond;

 vernietigt het innings- en invorderingsbericht BTW met artikelnummer 500247630464 zoals gesteund op het P.V. van 27 oktober 2021;

 opnieuw rechtdoende, zegt voor recht dat eiser verschuldigd is :

105.440,79 EUR voor wat de BTW betreft;

•nalatigheidsinteresten op basis van artikel 91 § 1 BTW-Wb. vanaf 01/01/2021.

 beveelt de terugbetaling van de aldus ten onrechte betaalde of geïnde bedragen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 § 4 BTW-Wb.;

 veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 15.697,67 en de bijdrage voor het begrotingsfonds tweedelijnsbijstand t.b.v. 22,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde burgerlijke kamer** van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag **19 juni 2025,** waar aanwezig waren :

 P.L., rechter, voorzitter van deze kamer,

 T.D., griffier.

## Aangehaalde teksten

1

richtlijn 2006/12 art. 44 2 voorkomens
