---
title: "Fiscale geldboete, Evenredigheid · Hof van Cassatie van België, 24 maart 2023, F.21.0056.N"
description: "In België verwerpt het Hof van Cassatie het beroep van de fiscus tegen een rechterlijke vermindering van een sanctie."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10"
lang: "nl"
---

# Fiscale geldboete, Evenredigheid, Genaderecht, fiscale boete

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Zetel**

Brussel

**Rolnummer**

F.21.0056.N

**Datum**

24 maart 2023

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

314 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 24.04.2023 (F.21.0056.N)

WF 710-15-14/010820

\[Ongunstig voor de Belgische staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Fiscale geldboete – Evenredigheid - Genaderecht*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 70,§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en artikel 9 van het Regentbesluit nr.78 van 18 maart 1831

## Samenvatting

## 1. Feiten, eerste aanleg en hoger beroep

De belastingplichtige was caféuitbater en was betrokken bij een fraudesysteem dat de drankenhandel van het café met zijn klanten had opgezet. Na een controle bleek dat verschillende aankopen van dranken niet in de boekhouding werden opgenomen. Die vaststelling werd opgenomen in een proces-verbaal en leidde tot verschuldigde btw en een boete van 200% wegens fraude. Tegen het dwangbevel van 21 november 2013, werd een verzoekschrift neergelegd voor de rechtbank van eerste aanleg Gent. Bij vonnis van 29 december 2015 verklaarde de eerste rechter de vordering van de administratie gegrond. Bij arrest van het hof van beroep te Gent werd de boete achteraf toch verlaagd van 200% naar 50%. De Belgische Staat stelde tegen dit arrest een cassatieberoep in.

## 2. Middel van de Belgische Staat voor het Hof van Cassatie

1° onderdeel: Terwijl er sprake was van belastingfraude en niet blijkt dat de belastingplichtige een verzoek tot kwijtschelding had ingediend op grond van artikel 9 van het Regentbesluit nr.78 van 18 maart 1831, heeft de appelrechter geen rekening gehouden met de gebonden bevoegdheid van de administratie bij het opleggen van de geldboete van 200%, mitsdien niet wettig, zonder schending van voormeld artikel en van het algemeen beginsel inzake de scheiding der machten, het genaderecht van de minister uitgeoefend en niet wettig de boete verminderd tot 50%.

2° onderdeel: Door op grond van een subjectieve beoordeling van de gegevens van de zaak te oordelen dat een geldboete van 200% niet in redelijkheid kan worden opgelegd en niet in overeenstemming is met het beginsel van evenredigheid zodat slechts een administratieve geldboete van 50% kan worden opgelegd, is de beslissing van de appelrechter niet naar recht verantwoord, nu deze beslissing enkel wordt gemotiveerd vanuit de vaststelling dat verweerster slechts beperkte inkomsten haalde uit haar beroepsactiviteit.

## 3. Arrest van het Hof van Cassatie

1.“Het 1° onderdeel berust volledig op de onjuiste veronderstelling dat de uitoefening van dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in artikel 6.1 EVRM, afhankelijk is van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.”

2 “Door, rekening houdend met de weerslag van de sanctie op de vermogenstoestand van de verweerster en met de hoogte van de reeds opgelegde sancties, de boete te verminderen tot 50% toetst de appelrechter, anders dan het onderdeel aanvoert, de boete aan het evenredigheidsbeginsel zonder te vervallen in een louter subjectieve beoordeling of een loutere opportuniteitsbeoordeling en verantwoordt hij zijn beslissing naar recht. Het (2°) onderdeel kan niet worden aangenomen”.

Het Hof verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten.

## Opmerkingen

1\. Nochtans meende de advocaat-generaal in zijn conclusie dat, door de boete te verminderen tot 50%, zonder na te gaan of de wettelijk voorgeschreven geldboete van 200%, objectief gezien, kennelijk onredelijk is in verhouding tot de ernst van de gepleegde inbreuken, zonder na te gaan in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie en zonder na te gaan of er redenen zijn om aan te nemen, dat gelet op de vermogenstoestand van verweerster, de boete een buitensporige last uitmaakt, de appelrechter zijn beslissing niet naar recht verantwoordde. De advocaat -generaal adviseerde tot verbreking van het betwiste arrest van het hof van beroep.

2\. In het recent arrest van de Franstalige kamer van het Hof van Cassatie dd. 02.03.2023 – ([F.21.0172.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboeten-evenredigheid-bevoegdheid-rechter-cassatie-brussel-2023-03-02-bf34)) oordeelde het Hof dat indien de minister van Financiën ingevolge artikel 9 van het Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 oordeelt over de verzoekschriften betreffende de kwijtschelding van geldboeten, anders dan die welke door de rechter zijn uitgesproken, daaruit niet volgt dat de rechter, bij gebreke aan een dergelijk beroep, deze prerogatieven kan uitoefenen door de proportionele geldboete voor belastingontduiking tegen een lager tarief te vast te stellen dan het wettelijke tarief.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van Cassatie van België, Arrest nr.** **F.21.0056.N**

Arrest van 24/04/2023

**BELGISCHE STAAT,** vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het BTW ontvangkantoor Gent 1, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 107,

**eiser**,

vertegenwoordigd door mr. G. d. F. en mr. S. D. V., advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te ..., waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

**L. V. O.,** wonende te ..., ingeschreven bij de KBO onder het nummer 058...95,

**verweerster.**

## I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van hét hof van beroep te Gent van 15 mei 2018.

Advocaat-generaal J. V. d. F. heeft op 17 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer B. W. heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal J. V. d. F. heeft geconcludeerd.

## Il. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

## III. BESLISSING VAN HET HOF

### *Beoordeling*

*Eerste onderdeel*

1\. Het onderdeel voert onder meer schending aan van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831.

Deze bepaling die verband houdt met het genaderecht van de uitvoerende macht, is vreemd aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appelrechter uitspraak heeft gedaan.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van deze bepaling, is het niet ontvankelijk.

2\. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van [artikel 70, § 1, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen.

3\. Het onderdeel berust volledig op de onjuiste veronderstelling dat de uitoefening van dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in artikel 6.1 EVRM, afhankelijk is van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

### *Tweede onderdeel*

4\. De appelrechter stelt vast dat de eiser een administratieve geldboete van 200 pct. heeft opgelegd, zijnde een bedrag van 34.900 euro.

5\. Hij oordeelt dat:

\- de essentie erin bestaat dat het hof van beroep de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen;

\- uit het proces-verbaal van 29 oktober 2013 blijkt dat de verweerster hoe dan ook slechts beperkte inkomsten haalde uit haar beroepsactiviteit, wat haar slechts een beperkte financiële armslag geeft;

\- de verweerster bewijst dat door de eiser op grond van dezelfde feiten voor de

personenbelasting supplementaire aansla.gen werden gevestigd voor de

aanslagjaren 2007 tot 2011 waarvoor telkens een administratieve sanctie in de vorm van een belastingverhoging van 50 pct. werd opgelegd;

\- waar de Belgische wettelijke regels weliswaar inhouden dat de twee sancties naast elkaar mogen bestaan, bij de beoordeling toch rekening moet gehouden worden met het feit dat in wezen tweemaal voor dezelfde feiten een sanctie werd opgelegd.

6\. Door rekening houdend met de weerslag van de sanctie op de vermogens­ toestand van de verweerster en met de hoogte van de reeds opgelegde sancties, de boete te verminderen tot 50 pct. of 8.725 euro, toetst de appelrechter, anders dan het onderdeel aanvoert, de boete aan het evenredigheidsbeginsel zonder te vervallen in een louter subjectieve beoordeling of een loutere opportuniteitsbeoordeling en verantwoordt hij zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

### Beschikkend gedeelte

## *Dictum*

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 445,39 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, in openbare rechtszitting van **24 maart 2023**

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Arrest van het hof van Beroep

**Arrest van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer d.d. 05.05.2018**

Arrest van 05/05/2018

Rol: 2016/AR/278

In de zaak van:

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN,**

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door het BTW ontvangkantoor Gent 1, met kantoren te 9050 LEDEBERG, Gasten Crommenlaan 6/107,

**appellant**,

*hebbende als raadsman mr. V. A. E., advocaat te ...*

**tegen**

**V. O. L.****,** caféhoudster,

wonende te ..., ingeschreven met KSO-nummer 058...95,

**geïntimeerde,**

*hebbende als raadsman mr. L. T., advocaat te ...*

wijst het hof het volgend arrest:

### 1. De procedure

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 23 mei 2017 waarin het hof ambtshalve besloot het debat te heropenen.

Er kan in herinnering gebracht worden dat de appellant hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 29 december 2015 werd uitgesproken en dat in het bestreden vonnis als volgt uitspraak werd gedaan:

*Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend. Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond:*

*Verklaart het dwangbevel met RCIV nr. 500...07 van 20 november 2013, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 november 2013, nietig.*

*Beveelt de terugbetaling van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest.*

*Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten van deze aanleg. Naast zijn eigen kosten is dit in hoofde van eiseres een rechtsplegingsvergoeding van 2. 750,00 euro.*

De heropening van het debat in het tussenarrest van 23 mei 2017 gebeurde op basis van de volgende overwegingen:

*Onverminderd de overige betwistingen voert de geïntimeerde aan dat de appellant niet bewijst dat de heer X, toen hij op 21 november 2013 als adviseur* - *e.a. inspecteur het bestreden dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard heeft, door de gewestelijke directeur gemachtigd was om die bevoegdheid uit te oefenen.*

*Terecht voert de geïntimeerde aan dat, nu de heer X geen gewestelijk directeur was en dat de appellant dus het bewijs moet leveren dat hem, uiterlijk op 21 november 2013, een machtiging was verleend om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren (Cass. 3 maart 2011, rolnr.* [*F.08.0082.F*](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bevoegdheid-viseren-uitvoerbaar-verklaren-cassatie-brussel-2011-03-8e80)*, via via www.iuridat.be, met conclusie van adv. gen. A. H. via de Franse versie).*

*De appellant heeft het bewijs van machtiging niet voorgelegd, maar heeft over dit middel van de geïntimeerde geen standpunt ingenomen.*

*De geïntimeerde leidt uit een gebrek aan machtiging de nietigheid van het dwangbevel af. De geïntimeerde vordert (ook) om de appellant te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die krachtens het bestreden dwangbevel door haar werden betaald of te haren nadele werden ingehouden. De rechter kan de terugbetaling van de btw-schuld niet bevelen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd is. De nietigverklaring van het dwangbevel impliceert immers niet dat de belasting onverschuldigd werd betaald. De rechter dient hierbij rekening te houden met de door de partijen aangevoerde gevolgen van de nietigverklaring van het dwangbevel, onder meer op het vlak van de verjaring (vgl.* m. *Cass. 3 maart 2011, rolnr. F.08.0082 F.,·* [*Cass. 22 mei 2014*](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-motivering-openbare-orde-terugbetaling-cassatie-brussel-2014-05-22-2961)*, rolnr. 12.0188.N; Cass. 9 oktober 2014, rolnr.* [*F.11.0124.F*](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-delegatie-visum-bevel-tenuitvoerlegging-cassatie-brussel-2014-10-09-6c17) *en Cass. 23 december 2016, rolnr.* [*F.15.0083.N*](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-onroerende-verhuur-cassatie-brussel-2016-12-23-9c99)*).*

*Het past het debat te heropenen*

• *om het standpunt van de appellant te kennen omtrent het bewijs van de machtiging van de heer X om het bestreden dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren*

*en*

• *om te vernemen of en wanneer er gelden krachtens het bestreden dwangbevel zijn ingehouden en/of betaald, gelden die het voorwerp zouden kunnen uitmaken van de door de geïntimeerde gestelde vordering tot terugbetaling en hoe dat desgevallend op de verschillende onderdelen van de vordering van de appellant werd aangerekend.*

De zaak werd in voortzetting gesteld naar de zitting van 10 april 2018 om 14 uur met bepaling van conclusietermijnen.

De appellant heeft als zijn bijkomend stuk 61 de machtiging voorgelegd die door de gewestelijke directeur aan de heer G. L. werd verleend om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

Met zijn bijkomend stuk 62 heeft de appellant een overzicht gegeven van zijn schuldvordering op de geïntimeerde waaruit blijkt dat zij nog geen betalingen gedaan heeft op grond van het bestreden dwangbevel en dat evenmin gelden zijn ingehouden in dat verband.

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof (nog steeds) om:

*Het hoger beroep van appellant ontvankelijk en ongegrond te verklaren;*

*Dienvolgens het vonnis dd. 29 december 2015 gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer in de zaak gekend onder rolnummer 14/481/A te vernietigen en opnieuw wijzende de vordering van de oorspronkelijke eiser (thans geïntimeerde) ongegrond te verklaren.*

*Geïntimeerde te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van het basisbedrag, m.n. 2.750,00 euro.*

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof (nog steeds) om:

*Het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; Het bestreden vonnis te bevestigen;*

*Bijgevolg het verzet tegen het dwangbevel inzake BTW met nummer 500...07 uitgevaardigd door mevrouw X, Ontvanger van het BTW Ontvangkantoor te Gent Il dd. 20 november 2013, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Heer X, Adviseur-e.a. inspecteur van het BTW controlekantoor Gent dd. 21 november 2013 en het proces-verbaal dd. 29 oktober 2013, betekend op 31 oktober 2013, ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

*De stuiting van de tenuitvoerlegging van hetzelfde dwangbevel nr. 500...07 te horen bevelen overeenkomstig artikel 89, lid. 2 WBTW;*

*Dienvolgens het bestreden dwangbevel met nummer 500...07 uitgevaardigd door de mevrouw X, Ontvanger van het BTW Ontvangkantoor te Gent Il dd. 20 november 2013, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Heer X, Adviseur­ e.a. inspecteur van het BTW controlekantoor Gent dd. 21 november 2013 te vernietigen en concluante te horen ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde belasting over de toegevoegde waarde, interesten, boeten en kosten;*

*Appellante te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel waarvan thans de bevestiging wordt nagestreefd door appellante; Appellante te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding begroot overeenkomstig het basistarief van het KB van 26 oktober 2007 {BS 9 november 2007) begroot op 2. 750,00 EUR per aanleg, onder voorbehoud van indexatie;*

*In ondergeschikte orde en in zoverre Uw Hof het bestreden vonnis teniet doet, voor recht te zeggen dat de in het dwangbevel opgenomen proportionele geldboeten niet verschuldigd zijn wegens een schending van de motiveringsverplichting, dan wel deze opgelegde geldboeten te verminderen in toepassing van artikel 6 EVRM, dan wel een gedeelte kwijt te schelden ingevolge de vastgestelde onmogelijkheid om een uitstel te verlenen, terwijl de voorwaarden daartoe wel vervuld zijn, en bijgevolg iedere partij te veroordelen tot het dragen van de eigen kosten.*

### 2. De feitelijke gegevens

Het hof verwijst wat de uiteenzetting van de feiten betreft kortheidshalve naar zijn tussenarrest van 23 mei 2017.

### 3. De betwistingen tussen de partijen

3.1. Over de vraag tot wering uit het debat van het bijkomend stuk 63 van de appellant.

Met zijn stuk 63 legt de appellant een soort nota voor die hij omschrijft als *toelichting m. b.t. de 13 gevonden papieren leveringsbonnen en bijhorende elektronische bonnen (teruggevonden tijdens de huiszoeking op 1 juni 2010 bij C. D.).*

Aangezien het in wezen om een pleitnota gaat, zijnde niets meer dan een weergave van wat door de partijen kan gepleit worden, maar waarop het hof niet moet antwoorden, en geen bijkomende bewijsstuk, is er geen reden om het stuk uit het debat te weren.

3.2. Het bewijs van de deelname door de geïntimeerde aan het fraudesysteem bi j C. D.

3.1.1. Het is in eerste orde gepast om te verduidelijken dat het vaststaat dat C. D. met en voor haar klanten een fraudesysteem heeft opgezet en te verduidelijken hoe dat werd vastgesteld.

Zoals blijkt uit de stukken 7 tot 9 van de appellant (weliswaar volledig geanonimiseerd ten aanzien van de betrokken klant) werd bij een klant van C. D. een AOIF-controle uitgevoerd op 8 juli 2008 die aan het licht bracht dat het totaal van de geleverde dranken opgenomen op de leveringsbons groter was dan het totaal van de gefactureerde dranken. Die vaststelling werd opgenomen in een proces-verbaal van 14 juli 2008 (stuk 7 app.). Nadat zij de aanwezige voorraad dranken hadden opgenomen verzochten de opsporingsagenten om de voorlegging van de laatste factuur voor de levering van dranken. De belastingplichtige heeft toen documenten genomen die zich bevonden op een glazen rek achter de bar en heeft, na ze te hebben bekeken, twee van deze documenten aan de controlerende ambtenaren ter inzage overhandigd. Een derde document werd door de belastingplichtige niet overhandigd. Op uitdrukkelijk verzoek van de ambtenaren werd ook het derde document nadien ter inzage voorgelegd. De eerste twee documenten, kennelijk met een gele kleur, betroffen een factuur van 2 juli 2008 (stuk 8 app.), uitgereikt door C. D., waarop de leveringen van dranken op donderdag 3 juli 2008 vermeld staan.

Het derde document, kennelijk met een witte kleur, betrof het tweede blad met een overdracht van een leveringsbon, ook van C. D. (stuk 9 app.), dit met betrekking tot de levering van dranken op diezelfde dag, 3 juli 2008.

De betrokken belastingplichtige verklaarde het eerste blad van die leveringsbon bij de levering van de dranken te hebben terugbezorgd aan de chauffeur van C. D.. De belastingplichtige verklaarde ook dat het eerste gedeelte steeds werd terugbezorgd aan de chauffeur en dat het tweede gedeelte bij hem bleef omdat dit blad het detail van diverse prijsverrekeningen, zoals o.a. de waarde van het geleverd en teruggenomen leeggoed, met de totale prijs vermeldt.

De hierboven vernoemde leveringsbon vermeldt in het bijzonder de volgende verrekeningen van het leeggoed (geleverd en teruggenomen) met het totaal bedrag van de geleverde goederen en de BTW.

| GOEDEREN | EUR 1.8 61,7 8 |
| --- | --- |
| BTW BEDRAG | EUR 288 ,67 |
| SUBTOTAAL | EUR 2.150,45 |
| LEEGGOED GELEVERD | EUR 899,50 |
| SUBTOTAAL | EUR 3. 049,95 |
| LEEGGOED TERUG | EUR 7 17,20 |
| ALGEMEEN TOTAAL | EUR 2. 332,75 |

Uit de vergelijking van de factuur met de gedeeltelijke leveringsbon en de handgeschreven vermeldingen en verrekeningen op de leveringsbon blijkt dat:

• het aantal dranken op de leveringsbon niet steeds overeenstemt met de leveringen op de factuur, maar hoger is:

| Goederen |  | Aantal op factuur Aantal op leveringsbon |  |  |  |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| lce tea 25 cl |  | 8 | 10 |  |  |
| Oasis tropical 1/5 |  | 1 | 1 |  |  |
| Perrier 28 x 1/5 |  | 2 | 3 |  |  |
| Schweppes tonic 1/5 |  | 1 | 3 |  |  |
| Spa Top 12 x 1 L |  | 2 | 2 |  |  |
| Sprite 1/5 |  | 1 | 1 |  |  |
| Thermale Top 1 L |  | 2 | 2 |  |  |
| Tonisst Fit Citr 20 x ¼ |  | 1 | 3 |  |  |
| Tonisst Fit Or 20 x ¼ |  | 2 | 2 |  |  |
| Vruchtenkorf 20 x ¼ |  | 1 | 2 |  |  |
| Choix de rimay rood Languedoc | 18 |  |  | 36 |  |
| Choix de rimay rose Languedoc | 18 |  |  | 18 |  |
| Choix de rimay wit languedoc | 36 |  |  | 60 |  |

• rechtsboven op de gedeeltelijke leveringsbon de vermelding *101 bakken* voorkomt. Deze vermelding duidt op het aantal werkelijk geleverde bakken; het totaal van de geleverde bakken op de factuur bedraagt 72 bakken;

• op de leveringsbon een handgeschreven detail van het teruggenomen leeggoed vermeld staat van 717 ,20 euro en een afgedrukt bedrag aan *leeggoed geleverd* vermeld staat van 899, 50 euro; de factuur vermeldt O J OO euro voor het inkomend leeggoed en niets in de overige voorgedrukte vakken voor het leeggoed.

• het netto te betalen bedrag van de factuur 1.715,47 euro bedraagt, daar waar het netto te betalen bedrag van de leveringsbon, rekening houdend met de handgeschreven verrekening van het leeggoed hoger is, nl. 2. 332,75 euro;

• de belastingplichtige aan de controle agenten verklaarde dat het verschil tussen beide voornoemde bedragen (617 ,28 euro), contant werd betaald aan de chauffeur die de goederen afleverde.

Kennelijk nadat nog enkele dergelijke vaststellingen waren gedaan werd een gerechtelijk onderzoek naar de praktijken bij C. D. ingesteld.

Tijdens dat onderzoek werden op de zetel van C. D. blijkbaar papieren leveringsbonnen aangetroffen van de laatste weken. Voor het overige was de boekhouding door C. D. elektronisch bijgehouden.

In het kader van dat gerechtelijk onderzoek kreeg de cvba 1-Force op 4 mei 2010 o.a. de opdracht om bijstand te verlenen aan de Federale politie Gent bij het uitvoeren van een bevel tot huiszoeking. 1-Force werd dus als gerechtsdeskundige aangesteld.

1-Force kopieerde en analyseerde de boekhoudkundige en andere elektronische gegevens die werden aangetroffen op de computers en laptops bij C. D. .

De data-acquisitie vond plaats op 1 juni 2010, van 7 uur tot 19 uur, op de uitbatingszetel van de C. D., in aanwezigheid van de rechercheurs van de Federale politie en de fiscale ambtenaren gedetacheerd bij het Parket te Gent.

Op 30 juni 2010 bezorgden de fiscale ambtenaren gedetacheerd bij het parket de klantenlistings voor de jaren 2002 tot en met 2009 onder de vorm van Excel-bestanden aan de auditdeskundigen. Die klantenlisting is gehaald uit het facturatiesysteem van C. D. en geeft een weergave van alle facturaties naar haar btw-belastingplichtige klanten. De auditdeskundigen hebben per klant de omzetcijfers uit deze btw-klantenlistings vergeleken met de omzetcijfers zoals die blijken uit de geanalyseerde leveringsbons.

Deze vergelijking toonde aan dat het totaal van de geleverde dranken opgenomen op de leveringsbons groter is dan de gefactureerde dranken opgenomen in de door C. D. individuele ingediende klantenlistings. 1-Force heeft de bekomen informatie geanalyseerd en zo een vergelijking gemaakt tussen enerzijds de waarde en de aantallen van de geleverde dranken en anderzijds de waarde en de aantallen van de gefactureerde dranken.

Kennelijk heeft de BBI op basis van die gegevens en na inzage van het strafdossier lastens C. D. een fiscale controle gehouden bij die vennootschap, waarbij de verantwoordelijken de fraude zouden hebben toegegeven en bereid waren een akkoord te sluiten.

3 .2.2. Anders dan waar de geïntimeerde van uitgaat, blijkt dat de vaststellingen van de digitale gegevens die bij C. D. werden aangetroffen (op haar computers) zonder meer betrouwbaar zijn. Dat blijkt uit het onderzoek en de analyse door 1-Force. De geïntimeerde gaat er aan voorbij dat 1-Force een onafhankelijke deskundige is, aangesteld door de onderzoeksrechter in het gerechtelijk onderzoek. Het hof verwijst daartoe naar de uiteenzetting in de laatste conclusie van de appellant in de randnummers 14 tot 17 op de pagina's 8/53 tot 10/53. Het hof stelt vast dat alle daar vermelde feiten geobjectiveerd worden door betrouwbare stukken in het dossier en dat de appellant daaruit terecht het volgende besluit trekt, dat het hof tot het zijne maakt:

*Besluit: ondanks het feit dat de originele leverdata niet konden achterhaald worden, dient besloten te worden dat de integriteit van de cijfers en van de jaren van levering wel degelijk gewaarborgd is.*

*Aangaande het relateren van de leveringsbons aan de ermee verband houdende aankoopfacturen; verwijst appellant ineens naar randnummer 22 e.v. infra waar dit uiteengezet is met betrekking tot de stukken van eiseres.*

Wat de laatst geciteerde paragraaf van dat besluit betreft, verwijst de appellant met reden naar het feit dat bij, de huiszoeking op het bedrijf van C. D. concreet voor de geïntimeerde de bevestiging werd aangetroffen dat de digitaal bijgehouden leveringsbonnen daadwerkelijk telkens en identiek overeenstemden met papieren leveringsbonnen. Hoewel de geïntimeerde geen leveringsbonnen bijhield, werden er wel papieren leveringsbonnen teruggevonden bij C. D. . Het bedrijf had deze immers voor de laatste weken voorafgaand aan de huiszoeking immers nog niet vernietigd. Onder de aangetroffen papieren documenten, waren er dertien papieren leveringsbonnen op naam, adres en btw­ nummer van de geïntimeerde. De appellant legt met zijn stukken 14 tot 26 die leveringsbonnen voor telkens samen met de factuur en de digitale leveringsbon (periode van 6 april 2010 tot 11 mei 2010). Daaruit blijkt zonder meer dat de digitale leveringsbonnen steeds overeenstemmen met de op de papieren versies vermeldingen (combinatie van geprint en handgeschreven toevoegingen) . De digitale leveringsbonnen werden blijkbaar gemaakt of minstens afgewerkt aan de hand van de met de hand aangevulde papieren leveringsbonnen. Daaruit blijkt dus de bevestiging dat er per levering twee leveringsbonnen waren waarvan slechts 1 omgezet werd in een factuur, terwijl een andere leveringsbon op naam van de geïntimeerde en van dezelfde datum, vergelijkbare dranken weergeeft waarvoor geen factuur werd opgemaakt.

Dat de digitaal aangemaakte leveringsbonnen op naam van de geïntimeerde, ook deze waarvoor geen factuur bestaat, overeenstemmen met papieren versies, werd bevestigd door het feit dat de 13 papieren leveringsbonnen op naam van geïntimeerde die tijdens de huiszoeking bij C. D. werden aangetroffen, identiek zijn met deze in digitale versie ( behoudens de datumaanduiding, waarvan hierna zal verduidelijkt worden dat voldoende blijkt hoe dit te verklaren is en waarom dit de waarachtigheid van de digitale weergave niet in twijfel doet trekken).

Zoals de appellant laat gelden kan bezwaarlijk worden aangenomen dat een grote drankenhandel waarvan gebleken is dat ze gebruik maakte van een fraudesysteem door onderfacturatie, ook nog energie zou steken in het opmaken van documenten die deels op een andere naam zijn dan de werkelijke bestemmeling van de niet-gefactureerde dranken. Dat zou een onmogelijke kluwen zijn om bi j te houd en. Bovendien valt in die hypothese niet te verklaren dat C. D. de gegevens vermeld op de papieren leveringsbonnen systematisch en integraal elektronisch verwerkte en bijhield, uitsluitend op de naam van de geïntimeerde en dit in digitale documenten die verborgen werden gehouden. In die omstandigheid en kan redelijkerwijze slechts verwacht worden dat C. D. in de verborgen bestanden niets anders dan de werkelijke toestand bijhield; de werkelijke toestand was dus dat alle dranken op de papieren leveringsbonnen aan de geïntimeerde werden geleverd en dat de digitale leveringsbonnen dezelfde leveringen weergeven, dus deze die werkelijk aan de geïntimeerde werden gedaan.

De code die werd teruggevonden in de digitale fiche op handelsnaam, btw­registratienummer, en adres van de geïntimeerde is evenzeer een bevestiging. Die code, namelijk *F z fg \*afh:zf,* kan volgens het hof immers - zeker gelet op het bij C. D. vastgestelde, bewezen fraudesysteem - niet anders begrepen worden als 'Factuur zonder enige vermelding van leeggoed' en wat als 'afhaling' wordt aangeduid, wordt 'zonder factuur' geleverd. Ook hier moet men zich de bedenking maken dat het onwaarschijnlijk is dat een groot bedrijf zoals C. D. een 'klantenfiche' zou maken voor bepaalde klanten waarop een code staat waarvan bepaalde delen ervan, geen betrekking zouden hebben op die klant. Verder blijkt dat op de digitaal bijgehouden leveringsbonnen waarvoor geen factuur werd opgemaakt, telkens naar die code wordt verwezen, namelijk met de vermeldingen *A FH* of *AFHALING.*

Een andere bevestiging van het feit dat die code wel degelijk werd toegepast op de geïntimeerde, is het feit dat de facturen die de geïntimeerde van C. D. ontving, nooit gegevens met betrekking tot het leeggoed bevatten. De geïntimeerde benadrukt weliswaar dat leeggoed voor de btw geen relevant gegeven is omdat het geen deel uitmaakt van de maatstaf van heffing, maar dat betekent niet dat leeggoed geen belangrijk gegeven zou zijn voor de contractpartijen. leeggoed vertegenwoordigt immers een belangrijke waarde. Geen enkele drankenhandel zal het leeggoed als onbelangrijk behandelen; voor hen is dat een kapitaal. Het leeggoed vertegenwoordigt per levering ongeveer een derde van de waarde van de geleverde dranken. De stelling van de geïntimeerde d at er geen leeggoedverrekening zou nodig geweest zijn omdat er telkens evenveel leeggoed door haar werd meegegeven als er op hetzelfde moment werd afgeleverd, is totaal onwaarschijnlijk. Zoals de appellant stelt, is d at in de praktijk niet haalbaar omdat er altijd wel perioden in het jaar zijn waarin de verkoop i ets hoger en/of i ets lager is dan gemiddeld.

De appellant geeft trouwens een overtuigend bewijs van het feit dat het leeggoed op de leveringsbonnen waarvoor geen factuur werd opgemaakt, aan de geïntimeerde moeten gekoppeld moet worden. Op pagina 15/5 3 van zijn syntheseconclusie geeft de geïntimeerde immers een overzicht van de verrekeningen van al het leeggoed voor de jaren 2006 tot 2010 op basis van alle leveringsbonnen die in het digitaal systeem werden aangetroffen op naam van de geïntimeerde. Daaruit blijkt dat het leeggoed dat inherent is aan de leveringen opgenomen in de facturen telkens veel lager ligt dat wat volgens de bijgehouden verrekeningen van het leeggoed op naam van de geïntimeerde door haar werd teruggegeven. De geïntimeerde gaf dus volgens die gegevens veel meer leeggoed terug dan wat zij aan leeggoed ontving volgens de goederen die aan haar werden gefactureerd. Op basis van die gegevens moeten er dus bijkomende leveringen geweest zijn waar het door de geïntimeerde ingeleverde leeggoed vandaan kon komen. Dat is wel is waar minimaal wat de biervaten betreft, maar uitgesproken het geval voor wat de 'bakken' betreft. Het aantal bakken dat volgens die digitaal bijgehouden gegevens werd teruggegeven dat niet gedekt is door het aantal gefactureerde bakken, is zelfs meer dan het aantal gefactureerde bakken.

De geïntimeerde laat met reden gel den dat dit bewijs vol ledig gebaseerd is op de digitale gegevens, zijnde gegevens die ten aanzien van haar uitgaan van een derde, maar vooreerst kan men niet voorbijgaan aan het feit dat voor de laatste weken voorafgaand aan de huiszoeking bij C. D. papieren leveringsbonnen op naam-van de geïntimeerde zijn teruggevonden den die exact overeenkom en met de digitaal bijgehouden gegevens. Verder geldt ook weer dat niet valt in te zien dat een grote drankenhandel zoal s C. D. tijd en energie zou hebben gespendeerd aan het bijhouden van gegevens op naam van een bepaalde klant die op iets anders gebaseerd is dan op de werkelijkheid. Zoals hoger al vermeld, betrof het gegevens die doelbewust niet op de factuur kwamen en dus slechts digitaal werden bijgehouden om verborgen te kunnen blijven. Er valt niet in te zien waarom C. D. al die tijd en energie zou hebben opgebracht om onjuiste informatie op te slaan én te verbergen. De geïntimeerde brengt geen enkele plausibele denkpiste naar voor die een verklaring zou kunnen geven voor het feit dat C. D. gegevens op naam van de geïntimeerde zou hebben genoteerd, terwijl ze geen betrekking zouden hebben gehad op de geïntimeerde. Tegen de achtergrond waarbij de digitaal bijgehouden gegevens een sluitend geheel blijken te vormen ( waarbij ze alleen logisch zijn wanneer alle leveringsbonnen die op naam van de geïntimeerde zijn teruggevonden aan de geïntimeerde worden verbonden), kan de enkele ontkenning door de geïntimeerde de bewijswaarde van de digitale gegevens niet ontkrachten.

De extrapolatie die de appellant gedaan heeft van wat blijkt uit de korte periode waarvoor papieren leveringsbonnen werden aangetroffen, naar de vorige maanden van 2010 en de vier, volledige, vorige jaren, is wel degelijk terecht. Niet alleen is er het onomstootbaar bewijs van het veralgemeende fraudesysteem bij C. D., de betrouwbaarheid van de digitaal bijgehouden gegevens bij C. D., maar ook de volledige overeenstemming tussen de dertien papieren l everingsbonnen die werden teruggevonden en de digital e

gegevens voor diezelfde leveringen.

Het mag dan ook niet verwonderen dat op de leveringsbonnen die op papier werden teruggevonden waarvoor een factuur werd opgemaakt aan de geïntimeerde met de hand een verrekening van inkomend en uitgaand leeggoed genoteerd werd én dat dit in het digitaal systeem op identieke wijze werd opgenomen.

De geïntimeerde stelt zich vragen bij de datum die op de leveringsbons voorkomt.

Op de elektronische versie van leveringsbons wordt inderdaad niet de leveringsdatum van de goederen vermeld, maar wel de datum waarop de gegevens van de leveringsbons afgedrukt werden naar een bestand in het kader van het onderzoek. Het jaar van levering van de goederen wordt wel bovenaan links op de leveringsbon vermeld naast *C. D..* Uit het onderzoek is verder gebleken dat C. D. in het begin van elk jaar de facturen m et betrekking tot de huren en dergelijke opstelt. Voor die facturen bestaat geen leveringsbon, wat verklaart dat het factuurnummer in het begin van het jaar hoger kan zijn dan het nummer van de leveringsbon.

In het eindverslag van 1-FORCE wordt het volgende vermeld (stuk 60 app):

*Deskundigen stellen vast dat vermelde datum in de datumvelden steeds dezelfde is. Volgens de heer X is, gelet op het gebruikte pakket, het niet mogelijk de originele datums te achterhalen.*

*Deze bewering wordt bevestigd door het feit dat tijdens de huiszoeking werd vastgesteld dat de systeemdatum van de computers waarop de leverbonnen worden opgemaakt 1 dag worden verzet om zo de systeemdatum als leverdatum te verkrijgen.* (pag. 3 0).

*Deskundigen stellen vast dat de systeemdatum 1 dag vooruitloopt op de werkelijke datum. Dit werd eveneens vastgesteld op de computer in het bureel van het magazijn. Dit komt doordat op de leverdatum de datum van de computer wordt overgenomen. Omdat de Jeverbonnen steeds de dag voor de levering worden afgedrukt heeft men de systeemklok 1 dag verschoven.* (pag. 13)

*De heer C. heeft ons op de volgende dagen de gevraagde informatie aangeleverd : Bestand 2010 met de Jeverbonnen van het jaar 2010 (tot op ...) op 10 juni 2010; Bestanden 2009 en 2008 met de leverbonnen van de jaren 2008 en 2009 op 18 juni 2010;* (pag. 15)

Dat verklaart waarom op de leveringsbons van 2009 en 2008 als leverdatum de datum van het binnenhalen door de deskundigen van de informatie opgenomen is, zijnde 18 juni 2010, terwijl als datum waarop de leveringsbon is opgemaakt, de dag daarvoor vermeld staat, zijnde 17 juni 201 0.

*Op 12 oktober 2010 heeft de heer P. V. H. bijstand verleend aan de huiszoeking bij de firma C. D. NV.*

*Ter plaatse werd, in samenwerking met de heer G. C. een export gemaakt van de facturatiegegevens 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 (op basis van de verkoopfacturen) en de Jeverbonnen voor de jaren 2006 en 2007.* (pag. 21)

Op de leveringsbons van 2006 en 2007 is als datum waarop de leveringsbon is opgemaakt, de datum van deze 'export' opgenomen, zijnde 12 oktober 2010. Als leverdatum is een dag later opgenomen, zijnde 13 oktober 2010.

Het is dan ook duidelijk dat de afwijking van de datums niets afdoet van het bewijs dat de appellant levert.

De grieven zijn gegrond. Het bestreden dwangbevel is terecht gegrond uitgevaardigd zodat de vordering van de geïntimeerde wat dat betreft ongegrond is.

#### 3.3. Over de boete van 200%

De appellant heeft een administratieve boete van 200% opgelegd, zijnde voor een bedrag van 3 4. 900, 00 euro.

De opgelegde boete is een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM.

De rechter aan wie gevraagd wordt een dergelijke sanctie te toetsen, mag de wettelijkheid ervan onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag daarbij meer bepaald acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds oplegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate de administratie zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt nochtans niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De gebondenheid van het bestuur aan de sanctie belet nochtans niet dat het bestuur afwijkt van de door of krachtens vastgelegde boetetarieven; de rechter moet precies nagaan of er gronden waren om van die boetetarieven af te wijken en moet die gronden vermelden (vgl. [Cass. 16 februari 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak/volle-rechtsmacht-cassatie-brussel-2007-02-16-777a), arr.nr. RC072G5\_1, *www.cass.be)* *.*

De essentie is dat het hof de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.

Uit het proces-verbaal van 29 oktober 2013 blijkt hoe dan ook dat de geïntimeerde slechts beperkte inkomsten haalde uit haar beroepsactiviteit, wat haar slechts een beperkte financiële armslag geeft.

Daarenboven bewijst de geïntimeerde dat door de appellant op grond van dezelfde feiten voor de personenbelasting supplementaire aanslagen werden gevestigd voor de aanslagjaren 2007 tot 2011 waarvoor telkens een administratieve sanctie in de vorm van een belastingverhoging van 5 0% werd opgelegd.

Waar de Belgische wettelijke regels weliswaar inhouden dat de twee sancties naast elkaar mogelijk zijn, moet er bij de beoordeling toch mee rekening gehouden worden met het feit dat tweemaal een sanctie voor in wezen dezelfde feiten wordt opgelegd.

Gelet op het geheel van concrete omstandigheden vermindert het hof de boete tot **50% of** **8.725,00 euro****.**

Het doel van de boete is om zowel (mede maatschappelijk) te vergoeden, het laakbare gedrag te bestraffen, als voldoende af te schrikken zodat herhaling in de toekomst vermeden wordt. Gelet op de verhouding en het nominaal bedrag is het opleggen van een boete van 5 0% van de verschuldigde btw een gepaste manier om met de vermelde omstandigheden rekening te hou den.

Dit middel is gedeeltelijk gegrond.

### 5. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten van de beide instanties dragen. In dat geval is het overbodig om die kosten vast te stellen.

OP DIE GRONDEN, HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,

vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart;

doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de geïntimeerde gedeeltelijk gegrond;

zegt voor recht dat het dwangbevel dat op 21 november 2014 tegen de geïntimeerde werd uitgevaardigd onder RCIV-nummer 500...07, ongegrond is en geen enkele uitwerking mag hebben voor wat het gedeelte van de boete en de daarop verschuldigde wettelijke interest betreft dat 50% zijnde **8.725,00 euro** overtreft;

beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

zegt voor recht dat elke partij haar eigen gerechtskosten van de beide instanties moet dragen, in welk geval het hof die kosten niet moet vaststellen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent,

**VIJFDE KAMER,** zitting houdende in fiscale zaken, van **15 mei 2018.**

## Vonnis van de rechtbank van eerst aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, fiscaal, zesde burgerlijke kamer

Vonnis van 29/12/2015

Rol: 14/481/A

***In de zaak van:***

**V. O. L.****,** ondernemingsnummer 058...95, wonende te ...,

**EISERES,** vertegenwoordigd door mr. T. L.**,** advocaat te X;

**Tegen:**

**De BELGISCHE STAAT****,** FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, in persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Gent Il, met kantoren te 9050 Gent, Gasten Crommenlaan 6/107,

**VERWEERDER****,** voor wie optreedt de heer M. C., adviseur -

e.a. inspecteur van het Controlecentrum Gent 1, Gasten Crommenlaan 6/702, 9050 Gent.

Beslist de rechtbank als volgt:

## I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 10 november 2015 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

## II. RELEVANTE FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiseres is sinds 1 september 1999 als BTW-plichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE586...95 voor de activiteit van het uitbaten van een café, genaamd 'B.' te L.. Eiseres heeft daarbij geopteerd voor de gewone forfaitaire regeling inzake BTW voor caféhouders. Eiseres was klant bij N. C. D. in de betrokken periode.

Op 9 januari 2013 verzond het Controlecentrum Gent Il in toepassing van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) een kennisgeving naar eiseres van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestonden in de periode 2006 tot en met 2009, waarin werd gemeld dat de administratie voornemens was om de zevenjarige verjaringstermijn, zoals vermeld in [artikel 81bis §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), toe te passen. De administratie lichtte toe dat de BBI Brugge op 1 september 2010 toelating kreeg tot inzage en kopiename van een strafdossier ten laste van N. C. D. e.a. (notitienummers GE.279...10 en GE.789...09). Uit dit strafdossier zou volgens de administratie blijken dat het bedrag van de leveringsbonnen in hoofde van eiseres hoger is dan het bedrag vermeld op de BTW-klantenlisting voor de periode 2006 tot en met 2009. Op basis hiervan vermoedt de administratie dat eiseres zwarte aankopen heeft gedaan en, op basis van [artikel 64, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64), zwarte verkopen heeft gerealiseerd.

Door het Controlecentrum Gent Il werden er op 16 april 2013 en 17 juli 2013 vooraf aangekondigde plaatsbezoeken uitgevoerd bij eiseres om de naleving van de BTW-wetgeving te controleren voor de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2011. Op 17 juli 2013 werd een proces-verbaal van vaststellingen opgesteld:

> *"(.. .) Uit de hiervoor bedoelde boeken, stukken en bescheiden welke* mij ter inzage werden voorgelegd alsmede op grond van de mij gedane verklaringen, zoals hierna opgegeven, heb ik volgende gegevens geput alsmede volgende vaststellingen gedaan:
>
> \- *In de boekhouding werd nergens melding gemaakt van het leeggoed dat werd geleverd en afgehaald;*
>
> \- *De kortingen die door de leverancier C. D. werden toegestaan, werden niet in de boekhouding opgenomen;*
>
> *V*olgens belastingplichtige worden er geen dranken afgehaald.
>
> \- *Alle betalingen van dranken C. gebeuren contant.*
>
> \- *De afgetapte leveringsbons werden op het scherm van de laptop getoond aan betrokkene.*
>
> \- *De café draagt het uithangbord "B."."*

*Op 29 oktober 2013 werd een proces-verbaal opgesteld met betrekking tot de* vastgestelde overtredingen. Volgens de administratie bleek uit de gegevens van het strafdossier en de gegevens geput uit de boekhouding van eiseres dat er verschillende aankopen van dranken, verricht bij N. C. D., door eiseres niet in haar boekhouding waren opgenomen. De omzet die ze met betrekking tot die dranken had gerealiseerd, werd volgens de administratie niet aangegeven. Dit resulteerde volgens de administratie in volgende BTW­ schuld voor de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2011:

*-* *BTW: 17.486,32 euro*

*-* *boete: 34.972,64 euro*

*-* *interest: vanaf 21 januari 2012 berekend op 17.480, 00 euro*

*Op 20 november 2013 werd het bestreden dwangbevel Nr. 500...07 uitgevaardigd, dat op 21 november 2013 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.*

*Middels verzoekschrift neergelegd op 10 februari 2014 heeft eiseres de zaak bij deze rechtbank aanhangig gemaakt.*

## III. DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN

*De vordering van eiseres, zoals geformuleerd in haar laatst neergelegde synthesebesluiten, strekt ertoe het verzet tegen het dwangbevel inzake BTW met nummer 500...07 uitgevaardigd op 20 november 2013, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 november 2013 en het proces-verbaal van 29 oktober 2013, betekend op 31 oktober 2013, ontvankelijk en gegrond te verklaren, de stuiting van de tenuitvoerlegging van hetzelfde dwangbevel nr. 500...07 te horen bevelen overeenkomstig* [*artikel 89, lid 2 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-89)*, dienvolgens dit dwangbevel te vernietigen en eiseres te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde BTW, interesten, boeten en kosten. Verder vordert eiseres te zeggen voor recht dat de in het dwangbevel opgenomen proportionele geldboeten niet verschuldigd zijn wegens een schending van de motiveringsverplichting, dan wel deze opgelegde geldboeten te verminderen in toepassing van artikel 6 EVRM, dan wel een gedeelte van de opgelegde geldboeten met uitstel. op te leggen. Eiseres vordert tevens verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel waarvan de vernietiging wordt gevorderd, met veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding, zoals begroot.*

*De vordering van verweerder, zoals geformuleerd in zijn laatst neergelegde syntheseconclusie, strekt ertoe het verzet van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiseres in al haar eisen af te wijzen, met veroordeling van eiseres tot alle kosten van het geding.*

## IV. BESPREKING

1\. *Aangaande de door de administratie toegepaste bewijsmiddelen.*

*1.1*

[*Artikel 59, §1, eerste lid WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) *schrijft voor dat overtredingen van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën die, overeenkomstig het tweede lid van §1, bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.*

*Overeenkomstig artikel 1349 BW zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid. Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit kunnen volgen (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, www.cass.be).*

*Voor de vermoedens als bewijstechniek is het essentieel dat het bekende feit of de bekende feiten waaruit de redenering vertrekt, bekend zijn, dat wil zeggen, dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of nopens de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (zie ook Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 22 mei 2014, F.13.0086. N, www.cass.be).*

*Krachtens* [*artikel 64, §1 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) *wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.*

1.2

Wanneer de administratie zich beroept op gegevens en/of verklaringen van derden, zijnde de zwarte boekhouding van de N. C. D. en bestelbonnen en een klantenlijst bij deze laatste aangetroffen, dient deze informatie met de nodige omzichtigheid te worden behandeld. Een feitelijk vermoeden, in deze de toepassing van artikel 64, §1 W BTW, moet immers gebaseerd zijn op als zeker en vaststaand geachte feiten.

Het is niet betwist dat de N. C. D. een BTW-fraudesysteem heeft opgezet ten voordele (van een deel) van haar klanten. In 2011 werd door de gedelegeerde bestuurder van N. C. D. desbetreffend een akkoord gesloten met de fiscus om de strafvervolging te laten vallen.

Het door de N. C. D. opgezette fraudesysteem houdt op zich nog geen bewijs in dat ook eiseres behoorde tot deze klanten aan wie dergelijke leveringen werden verstrekt. Het komt aan verweerder toe om ten aanzien van eiseres in het bijzonder aan te tonen dat zij in de bedoelde belastbare periode welbepaalde hoeveelheden drank in het zwart heeft afgenomen.

Eiseres heeft steeds ontkend drank in het zwart bij N. C. D. te hebben afgenomen en betwist dit thans ook nog steeds.

Bij eiseres zijn enkel facturen aangetroffen, geen bestelbonnen. De administratie heeft een vergelijking gemaakt van (elektronische) bestelbonnen en facturen die bij een derde, N. C. D., werden aangetroffen. De bij N. C. D. aantroffen bestelbonnen werden niet ondertekend door eiseres. Eiseres betwist dat de bestelbonnen betreffende haar café die bij de N. C. D. werden gevonden, met de werkelijkheid overeenstemmen. Er wordt door de administratie niet aangevoerd dat de bevindingen van de Belgische Staat terzake bevestigd zijn in de verklaringen van de zaakvoerder van de N. C. D..

De bijzondere wettelijke bewijswaarde van een proces-verbaal ([artikel 59 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59)) geldt voor wat betreft de persoonlijke materiële vaststellingen door de ambtenaar en niet voor wat betreft de deducties of de in het proces-verbaal gemaakte veronderstellingen of juridische redeneringen en juridische conclusies. Aan de materiële vaststellingen die door een collega van de betrokken ambtenaar werden gedaan, ook al citeert hij diens weergave van die vaststellingen, kleeft niet de bijzondere wettelijke bewijswaarde zoals bepaald in [artikel 59 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59). De in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen (zie stuk 5 bundel verweerder) waaraan de bijzondere wettelijke bewijswaarde zoals bepaald in [artikel 59, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) kleeft, dienen aldus te worden beperkt tot die vaststellingen die de ambtenaar persoonlijk heeft kunnen doen.

1.3

De rechtbank is van oordeel dat om verscheidene redenen aan de juistheid/materiële werkelijkheid van de bestelbonnen op naam van eiseres voor wat betreft de jaren 2006 tot en met 2010 kan worden getwijfeld. De twijfel dient in het voordeel van de belastingplichtige uitgelegd te worden.

\- Verweerder beroept zich op een klantenfiche die bij N. C. D. zou teruggevonden zijn waarop staat vermeld "F z lg \*afh:zf"'". Volgens de administratie dient uit de vergelijking met gelijkaardige vermeldingen voor andere klanten geconcludeerd te worden dat de bovenstaande vermelding betekent dat de facturen zonder leeggoed worden opgesteld en dat de afhalingen zonder facturen gebeuren. De interpretatie van deze vermelding maakt evenwel geen deel uit van de feiten die met het proces-verbaal bewezen worden tot het bewijs van het tegendeel, aangezien deze interpretatie afkomstig is van een collega van de betrokken ambtenaar die het proces-verbaal opstelde en zelfs geen materiële vaststelling is van die collega. De rechtbank kan deze interpretatie van de administratie niet verifiëren, bij gebrek aan enige stukken hieromtrent. Zelfs de bewuste klantenfiche is niet terug te vinden in het dossier noch enig element dat de interpretatie door de fiscale administratie aanneembaar zou maken.

Bij eiseres werd geen enkele zwarte geldstroom vastgesteld, niettegenstaande eiseres aan een op zichzelf staande controle werd onderworpen. De boekhouding van eiseres werd niet als onregelmatig beschouwd.

Eiseres stelt dat het leeggoed op de facturen niet werd verrekend aangezien normaliter hetzelfde aantal bakken werd teruggenomen en het verschil aldus nagenoeg nihil was. De rechtbank stelt echter vast dat de stukken aangewend door verweerder om haar stelling te onderbouwen allen dateren van 2010, daar waar de betrokken periode die van 2006 tot en met midden 2010 betreft. De extrapolatie van verweerder naar de andere jaren toe wordt op geen enkele wijze onderbouwd, behalve door verwijzing naar de uitdraaien die door een derde werden opgemaakt op basis van elektronische gegevens gevonden in de computers van N. C. D., waarvan de rechtbank de waarachtigheid en de correctheid niet kan verifiëren bij gebrek aan enige stukken hieromtrent.

Bovendien baseert verweerder zich voor zijn argumentatie omtrent het leeggoed op de bestelbonnen zelf, waarvan de bewijswaarde door eiseres wordt betwist.

Het bestaan van een fraudesysteem bij een of meerdere andere klanten van N. C. D. bewijst niet het bestaan van ditzelfde fraudesysteem bij eiseres. De bekentenis van de gedelegeerd bestuurder van N. C. D. bevindt zich niet in het dossier. De rechtbank kan de inhoud van deze verklaringen dan ook niet verifiëren.

\- Wat de facturen na 1 juni 2010 betreft, stelt de rechtbank vast dat er zich ten hoogste één factuur van na 1 juni 2010 in het dossier bevindt. Dit ene stuk laat niet toe om te besluiten dat de aangekochte hoeveelheid na de huiszoeking substantieel hoger was dan ervoor. Bovendien, de eerste factuur na huiszoeking bevatte tot vijf keer meer aangekochte dranken van voordien, wat althans wordt beweerd door verweerder. De vermeende zwarte aankopen door eiseres bedragen geenszins vijf keer meer dan de gefactureerde dranken. Dit doet vermoeden dat er een andere reden was voor de hoeveelheid aangekochte dranken op de eerste factuur na 1 juni 2010.

Uit het niet bijhouden van leveringsbons, in weerwil van [artikel 60 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60), kan niet het bestaan van een fraudesysteem worden afgeleid.

Uit het feit dat het leeggoed op de facturen na 1 juni 2010 werd verrekend kan niet worden afgeleid dat de niet-verrekening van leeggoed op de facturen vóór 1 juni 2010 een bewijs is van zwarte aankopen bij eiseres.

Op basis van bovenstaande overwegingen, kunnen de bestelbonnen op naam van eiseres aangetroffen bij N. C. D. dan ook niet als een vaststaand feit worden beschouwd. Aangezien de betwiste aankopen niet vaststaand zijn, kan geen toepassing worden gemaakt van het vermoeden vervat in [artikel 64, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64).

De rechtbank besluit dan ook dat verweerder faalt in het bewijs van het bestaan van de vermeende BTW-schuld in hoofde van eiseres, zoals uiteengezet in het dwangbevel dat uitvoerbaar is verklaard op 21 november 2013. Aangezien de overige grieven niet tot een ruimer voordeel voor eiseres kunnen leiden, behoeven deze niet nader te worden onderzocht.

2\. *De gerechtskosten.*

*Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen de partijen, die het eventueel bekrachtigt (artikel 1017, lid 1 Ger. W.).*

*De kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6**°* *juncto artikel 1022 Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (artikel 1022, lid 1 Ger. W.).*

*Verweerder dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen.*

*De waarde van het geschil over de fiscale aanslag wordt bepaald door het bedrag van de aanslag. De rechtbank bepaalt de rechtsplegingsvergoeding op het geïndexeerd basisbedrag van 2.750,00 euro.*

### BESLISSING VAN DEZE RECHTBANK:

**OM DEZE REDENEN.**

**RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK.**

*Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het* taalgebruik in gerechtszaken.

*Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake* dienend.

*Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate* gegrond:

*Verklaart het dwangbevel met RCIV nr.* 500...07 *van 20 november* 2013, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 november 2013, nietig.

Beveelt de terugbetaling van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten van deze aanleg. Naast zijn eigen kosten is dit in hoofde van eiseres een rechtsplegingsvergoeding van 2.750,00 euro.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde burgerlijke kamer** van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag **negentwintig december tweeduizend vijftien,**

## Aangehaalde teksten

7

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 4 voorkomens

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 3 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[WBTW art. 60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) 1 voorkomen

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 1 voorkomen

[WBTW art. 89](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-89) 1 voorkomen

## Rechtspraak

39

### België

39

Hof van Cassatie F.21.0172.F 02.03.2023

#### [Proportionele geldboeten, Evenredigheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboeten-evenredigheid-bevoegdheid-rechter-cassatie-brussel-2023-03-02-bf34)

Hof van beroep te Antwerpen 2025/CO/886 31.08.2026

#### [Art 4bis VtSv, Margeregeling, Bedrieglijk opzet, Vertrouwensbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/art-4bis-vtsv-margeregeling-bedrieglijk-hof-van-beroep-antwerpen-2026-08-31-7168)

Hof van beroep te Brussel 2012/AR/1611 24.03.2026

#### [Douane-expediteur, Invoer/Overbrenging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-invoer-overbrenging-btw-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-5aee)

## Administratieve doctrine

1

[Fiches van de administratieve commentaar 1](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10/documenten?type=commentaar)

[Bekijk de 40 documenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10/documenten)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Onderzoekstermijnen, Bewijs, Opeenvolging van vermoedens, Wedersamenstelling van de omzet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/onderzoekstermijnen-bewijs-opeenvolging-vermoedens-wedersamenstelling-rechtbank-2022-04-25-f84a) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Vermoeden van fraude, Zwijgrecht, Valse facturen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vermoeden-fraude-zwijgrecht-valse-facturen-hof-van-beroep-brussel-2023-06-28-77bf) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Diensten als advocaat, Navordering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/diensten-advocaat-navordering-rechtbank-brussel-2025-06-23-8781) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskracht proces-verbaal, Verjaring, Rechten van de verdediging, Redelijke termijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskracht-proces-verbaal-verjaring-rechten-hof-van-beroep-gent-2014-01-21-2c28) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlenging van de verjaringstermijn, Kennisgeving van vermoedens van belastingontduiking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlenging-verjaringstermijn-kennisgeving-vermoedens-hof-van-beroep-luik-2020-01-20-7d01) 5 gemeenschappelijke bepalingen
