---
title: "Fiscale fraude · Hof van beroep te Antwerpen, 30 juni 2020"
description: "Fiscale fraude, Uitbreiding verjaringstermijn -Administratie geldboete, Intresten. Hof van beroep te Antwerpen (België), 30 juni 2020."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-uitbreiding-verjaringstermijn-administratie-hof-van-beroep-antwerpen-2020-06-30-965b"
lang: "nl"
---

# Fiscale fraude, Uitbreiding verjaringstermijn -Administratie geldboete, Intresten

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

30 juni 2020

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

219 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 30.06.2020

WF 711-15-17/032029

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Fiscale fraude – Uitbreiding verjaringstermijn –Administratie geldboete – Intresten*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 81 bis, § 1, lid 2,4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis)

[Art. 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter)

[Art. 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70)

[Art. 91, § 1, 10 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

Belastingplichtige beoefent de activiteit van accountants en belastingconsulenten en is gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.

Belastingplichtige werd door de belastingadministratie onderworpen aan een controle voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015. Deze controle was erop gericht om aanzienlijke afwijkingen na te gaan tussen de omzet, vermeld in de periodieke btw-aangiften en de omzet, vermeld op de opgaven van de afnemers-belastingplichtigen.

De belastingadministratie stelde in dat kader verschillende overtredingen vast die opgenomen werden in een proces-verbaal van 13 december 2016. Op 19 december 2016 werd aan belastingplichtige een dwangbevel aangetekend verstuurd waarbij verschuldigde btw, boetes en intresten worden gevorderd.

Op 21 december 2016 verstuurde de administratie een kennisgeving bij toepassing van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) naar belastingplichtige. Er werd aangekondigd dat de verjaringstermijn van zeven kalenderjaren zou worden toegepast op een aantal overtredingen, vastgesteld in de jaren 2010, 2011 en 2012, met name te kwader trouw op systematische wijze niet aangeven van belastbare handelingen in de daartoe bestemde periodieke btw-aangiften en het niet opnemen ervan in het verkoopdagboek.

Na controle die volgde op de uitbreiding van de verjaringstermijn verstuurde de administratie een correctieopgave naar belastingplichtige waarbij inbreuken werden omschreven m.b.t. de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015, op grond waarvan een bedrag aan btw, wettelijke interesten en een proportionele boete gelijk aan tweemaal de verschuldigde btw.

In een proces-verbaal van 2 mei 2017 werd een overzicht gegeven van een aantal overtredingen die volgens de administratie naar aanleiding van een bijkomende controle begin 2017 werden vastgesteld; met name verduistering van de aan de schatkist toebehorende gelden door een bedrag over te boeken van de rekening-courant btw naar de rekening-courant zaakvoeder; het niet kunnen voorleggen van de uitgereikte facturen voor de periode van 1 oktober 2011 tot 31 december 2011 en van 1 oktober 2015 tot 31 december 2015 en niet opname ervan in het boek voor uitgaande facturen en in de btw-aangiften; verschuldigde btw wegens het niet opnemen van 'te herziene btw' in de balans en in de periodieke btw-aangiften.

Belastingplichtige legde tegen het dwangbevel van 19 december 2016 en het proces-verbaal van 2 mei 2017 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Beide zaken werden samengevoegd door de rechtbank. De eerste rechter wees de vordering van belastingplichtige af als ongegrond.

## 2) Samenvatting van het geschil in hoger beroep

***\**** ***Verjaring; schending van*** [***artikel 81 bis, §1,lid 2,4° WBTW***](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) ***en*** [***artikel 84ter WBTW***](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter)

Volgens eiseres in hoger beroep bevat de voorafgaande kennisgeving geen vermoedens van fraude en is ze onvoldoende nauwkeurig.

Het hof volgt deze stelling niet. Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal van regularisatie van 13 december 2016, dat als afschrift werd gevoegd bij het dwangbevel van 15 december 2016 (bij aangetekende brief van 19 december 2016 toegestuurd naar de vennootschap) duidelijk vermeld werd over welke facturen en welke bedragen het ging. Er kan de administratie derhalve niet worden verweten onvoldoende nauwkeurig te zijn geweest. Het hof oordeelt dat de vaststellingen voor de periode 2013-2015 wel degelijk relevant zijn ter ondersteuning van het vermoeden dat er ook voor de voorgaande jaren sprake is van kwaad opzet.

Het hof oordeelt op basis van de veelvuldig vastgestelde overtredingen voor wat de periode 2013-2015 betreft en gelet op de vaststellingen die reeds voor de voorgaande periode werden verricht dat er voor die voorgaande periode sprake was van vermoedens van belastingontduiking in de zin van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter). Het gaat hierbij niet om een loutere extrapolatie.

Uit het feit dat na controle is gebleken dat de facturen van november 2010 tot en met januari 2013, met uitzondering van deze van september 2011 werden opgenomen in de btw-aangiften doet geen afbreuk aan de vermoedens van belastingontduiking die op basis van het geheel van de voormelde vaststaande gegevens waren gebleken. Het hof oordeelt dat de administratie op basis van de gegevens, vermeld in de kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn aantoonde dat er sprake was van opzet om de belasting te ontduiken, zodat de verjaringstermijn terecht werd uitgebreid. Er is derhalve geen sprake van verjaring.

***\**** ***Naheffing correctieopgave 13 februari 2017.***

Het hof is het niet eens met belastingplichtige die stelt dat de naheffing in de correctieopgave van 13 februari 2017 onoverzichtelijk is waardoor er niet uit kan worden opgemaakt of er terecht btw wordt nagevorderd of niet. Het hof oordeelt dat het bedrag van de btw dat nog verschuldigd is voor de betrokken jaren in de betrokken processen-verbaal op gedetailleerde en accurate wijze werd berekend op basis van stukken (waaronder mails) die door (de raadsman) van de vennootschap aan de administratie ter beschikking werden gesteld. Er wordt niet aangetoond dat er ter zake sprake zou zijn van dubbeltellingen of verkeerde berekeningen. De betrokken btw is dan ook verschuldigd.

***\**** ***btw-boete***

Het hof is van oordeel dat de administratie terecht van mening was dat de belastingplichtige handelde met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Dit blijkt onder meer uit het feit dat op systematische wijze belastbare handelingen niet werden opgenomen in de btw-aangiften, uit het feit dat een groot aantal uitgaande handelingen niet werden opgenomen in het verkoopdagboek en uit het feit dat een bedrag, vermeld op de rekening-courant btw werd overgeboekt naar de rekening-courant van de zaakvoerder.

Wat de evenredigheid betreft is het hof van oordeel dat in onderhavig geval blijkt dat de hoogte van de opgelegde geldboete niet onevenredig is met de gepleegde inbreuk. Er is derhalve geen reden om tot vermindering of kwijtschelding van de boete over te gaan.

Evenmin is er sprake van een boete met uitstel, daar het hof van oordeel is dat de opgelegde boete wettig werd opgelegd en niet onevenredig was met de gepleegde overtreding. Voorts vormt de oplegging van de boete geen schending van het eigendomsrecht op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. Er dient dan ook geen prejudiciële vraag te worden gesteld. In tegenstelling tot wat belastingplichtige beweert is het hof tenslotte van oordeel dat de boete niet verkeerd werd berekend.

***\**** ***intresten***

De stelling van belastingplichtige dat de opgelegde intrest gelijk aan 9,6% een strafsanctie betreft, die door rechter op grond van het evenredigheidsbeginsel kan worden gereduceerd, wordt niet gevolgd door het hof. Het hof sluit zich aan bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. In haar arrest nr.168/2018 besloot het Grondwettelijk Hof dat de nieuwe maatregel van intrestberekening geen strafrechtelijk karakter had, noch in de zin van het interne recht, noch in de zin van artikel 6, lid 1 EVRM. Hieruit vloeide voort dat de waarborgen waarin die bepaling voorziet in verband met de betwistingen in strafzaken daarop niet van toepassing waren.

Het hof verklaart het hoger beroep van belastingplichtige ongegrond.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken van 30 juni2020**

Rolnummer: 2019/AR/477

**RM.C. BV BVBA** **(thans RM.C. BV),** ON 0876...., met maatschappelijke zetel te ..., Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ... tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 14 februari 2019, gekend onder rolnummers 17/840/A en 17/1370/A

**tegen**

**BELGISCHE STAAT**. ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal­ directeur van het Centrum KMO Hasselt. met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43/106, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 14 februari 2019, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 12 maart 2019, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

***1.1.*** ***Voorwerp van de betwisting.***

De betwisting betreft een navordering inzake BTW ten laste van BV RM.C. voor de jaren 2010 tot en met 2015, inclusief een boete van 200% en interesten.

***1.2.*** ***Aanslag en bezwaar.***

BV RM.C. (hierna RM) is een BTW-belastingplichtige voor de activiteit van accountants en belastingconsulenten, gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.

Begin december 2016 vond een controle plaats, die erop gericht was aanzienlijke afwijkingen na te gaan tussen de omzet, vermeld in de periodieke BTW-aangiften en de omzet, vermeld op de opgaven van de afnemers-belastingplichtigen. De controle betrof de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 en hiervan werd proces-verbaal opgemaakt op 13 december 2016 (stuk 1 Belgische Staat).

De verbalisant stelde diverse overtredingen vast, zoals:

Verkoopfacturen 2013002 tem 2013009 waren opgenomen in het verkoopdagboek, maar niet in de BTW-aangifte voor het derde kwartaal van 2013.

Verkoopfacturen 2013012 en 2014001 tot en met 2014007 werden niet opgenomen in het verkoopdagboek, maar wel onder nog te boeken verkopen 2014 in het divers dagboek op 30 september 2014.

Verkoopfacturen 2014008 en 2014009 werden opgenomen in het verkoopdagboek van het derde kwartaal 2014, maar werden pas aangegeven in de aangifte van het eerste kwartaal 2015.

Verkoopfacturen 2014010 tem 2014012 en 2015001 tem 2015006 werden wel opgenomen in het verkoopdagboek maar werden niet aangegeven in de periodieke BTW-aangiften.

Verkoopfacturen 2015007 tem 2015009 werden niet opgenomen in het verkoopdagboek, maar wel in het divers dagboek op 30 september 2015 als te innen opbrengsten.

Het betrof aldus een omzet van 153.000,00 EUR en een verschuldigde BTW van 32.130,00 EUR.

Anderzijds stelde hij vast dat elf facturen van telkens 9.000,00 EUR noch werden opgenomen in het boek voor uitgaande facturen, noch in de periodieke BTW-aangiften. De verschuldigde BTW betrof hier 20.790,00 EUR.

Aldus was volgens de verbalisant 52.920,00 EUR verschuldigd aan BTW, alsook een bedrag van het dubbele hiervan (105.840,00 EUR) als geldboete, te vermeerderen met de interesten aan 0,8% per maand op 52.920,00 EUR vanaf 21 januari 2016.

Voor wat voormelde BTW-schuld en boete betreft werd op 15 december 2016 een dwangbevel uitgevaardigd, op 16 december 2016 geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk 2 Belgische Staat). Aldus was volgens de administratie verschuldigd:

\- 52.920,00 EUR aan BTW

\- 105.540,00 EUR als proportionele geldboete

\- 4.656,96 EUR als reeds verlopen interesten

\- TOTAAL: 163.416,96 EUR

\- Te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten op de verschuldigde BTW vanaf 21 december 2016 overeenkomstig artikel 91, §1 W.BTW, de moratoire interesten vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel overeenkomstig artikel 91, §4 W.BTW, de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten, verbonden aan hypothecaire inschrijvingen.

Het dwangbevel van 15 december 2016 werd op 19 december 2016 aangetekend verstuurd naar RM (stuk 3 Belgische Staat).

Op 21 december 2016 verstuurde de administratie een kennisgeving bij toepassing van artikel 84ter W.BTW naar RM (stuk 4 Belgische Staat). Er werd aangekondigd dat de verjaringstermijn van zeven kalenderjaren zou worden toegepast op een aantal overtredingen, vastgesteld in de jaren 2010, 2011 en 2012. Volgens de administratie werden te kwader trouw voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2015 op systematische wijze belastbare handelingen niet aangegeven in de daartoe bestemde periodieke BTW­ aangiften en niet opgenomen in het verkoopdagboek. De rekening 'te innen opbrengsten' werd rechtstreeks afgeboekt tegen de rekening 580001 'Betalingen Verenigde Accountants (transferten)', en dit voor een bedrag van 159.600,00 EUR op 30 september 2015.

De administratie had bovendien vastgesteld dat met betrekking tot de jaren 2010 en 2012 het bedrag van de omzet, vermeld op de klantenlistings aanzienlijk hoger was dan het bedrag van de omzet, vermeld in de periodieke BTW-aangiften.

Derhalve vermoedde de administratie dat de onderneming zich ook vóór 1 januari 2013 had ingelaten met het te kwader trouw niet-opnemen van belastbare handelingen in de daartoe bestemde periodieke BTW-aangiften.

De administratie verstuurde na de controle die volgde op de uitbreiding van de verjaringstermijn een correctieopgave naar RM (stuk 5 Belgische Staat). In die correctieopgave werden inbreuken omschreven met betrekking tot de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015, op grond waarvan een bedrag aan BTW verschuldigd was van 41.429,72 EUR, meer de wettelijke interesten vanaf 21 januari 2016 en meer de proportionele boete, gelijk aan tweemaal de verschuldigde BTW.

In een proces-verbaal van 2 mei 2017 werd een overzicht gegeven van een aantal overtredingen die volgens de administratie naar aanleiding van een bijkomende controle begin 2017 werden vastgesteld (stuk 6 Belgische Staat):

\- Volgens de Belgische Staat ging RM over tot verduistering van aan de Schatkist toebehorende gelden, door op 30 september 2012 een bedrag van 25.667,94 EUR over te boeken van de rekening-courant BTW naar de rekening-courant zaakvoerder.

\- Verder werd vastgesteld dat voor de periode van 1 oktober 2011 tot 31 december

2011 en van 1 oktober 2015 tot 31 december 2015 uit te reiken facturen niet konden worden voorgelegd en niet werden opgenomen in het boek voor uitgaande facturen en in de BTW-aangiften, zodat op basis hiervan een bedrag van 5.040,00 EUR aan BTW verschuldigd bleef.

\- Er bleek een bedrag van in totaal 8.201,78 EUR verschuldigd te zijn als verschuldigde

BTW wegens het niet opnemen van 'te herziene BTW' in de balans en in de periodieke BTW-aangiften.

In totaal betrof het aldus volgens de administratie een bedrag aan verschuldigde BTW van 38.909,72 EUR, te vermeerderen met geldboeten voor een totaal bedrag van 67.345,88 EUR en interesten aan 0,8% per maand over 38.900,00 EUR vanaf 21 januari 2016.

***1.3.*** ***Procedure voor de eerste rechter.***

BV RM.C. legde op 31 maart 2017 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt tegen het dwangbevel van 15 december 2016 en de correctieopgave van 13 februari 2017 waarin een bedrag werd gevorderd van 41.429,72 EUR aan BTW en een boete van 74.770,00 EUR. De vennootschap vorderde om het betrokken dwangbevel en de correctieopgave nietig te verklaren en om de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze aanslag werden geïnd, verhoogd met de wettelijke interesten en de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 16.800,00 EUR.

Deze zaak was gekend onder AR 17/840/A.

BV RM.C. legde op 23 mei 2017 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt tegen het proces-verbaal van regularisatie van 2 mei 2017 waarin een bedrag gevorderd werd van 38.909,72 EUR aan BTW en een boete van 67.345,88 EUR. De vennootschap vorderde om het betrokken proces­ verbaal nietig te verklaren en om de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze aanslag werden geïnd, verhoogd met de wettelijke interesten en de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 16.800,00 EUR.

Deze zaak was gekend onder AR 17/1370/A. De eerste rechter voegde beide zaken samen.

Verder oordeelde de eerste rechter dat de kennisgeving in toepassing van artikel 84ter W.BTW voldeed aan de wettelijke voorwaarden.

Volgens de eerste rechter was er geen sprake van verjaring: de administratie beschikte immers over ernstige vermoedens om te veronderstellen dat er sprake was van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden.

Voor wat de opgelegde boete van 200% betreft oordeelde de eerste rechter dat er geen sprake was van een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM. De eerste rechter bevestigde verder dat een evenredigheidstoetsing van de boete weliswaar is toegestaan, mits voldoende motivering, doch dat de handelswijze van RM als boekhouder geen onachtzaamheid betrof. Zo werd de som van 25.667,94 EUR op frauduleuze wijze overgeboekt van de rekening-courant BTW naar de rekening-courant van de zaakvoerder en werd de BTW op de factuur van klant BVBA Verenigde Accountants in aftrek gebracht, terwijl de verkoopfactuur niet werd ingeschreven in het verkoopdagboek. RM handelde aldus met het oogmerk om de belastingen te ontduiken, de boete werd niet verkeerd berekend en er was geen reden om de boete met uitstel op te leggen.

De vordering van BV RM.C. werd afgewezen als toelaatbaar doch ongegrond en de vennootschap werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot en door de rechtbank vereffend op nul euro rechtsplegingsvergoeding, bij gebrek aan vertegenwoordiging door een advocaat.

***1.4.*** ***Procedure voor het hof van beroep.***

BV RM.C., thans eiseres in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus te vernietigen. De vennootschap vordert:

\- Om het dwangbevel, uitgevaardigd op 15 december 2016, waarin een bedrag werd

gevorderd van 52.920,00 EUR aan BTW en een geldboete van 105.840,00 EUR te vernietigen, minstens te ontheffen;

\- Om de correctieopgave, overgemaakt op 13 februari 2017, waarin een bedrag van

41.429,72 EUR aan BTW en een boete van 74.770,00 EUR werd gevorderd, te vernietigen, minstens te ontheffen;

\- Om het proces-verbaal van 2 mei 2017, waarin een bedrag van 38.909,72 EUR als

BTW en een geldboete van 67.345,88 EUR wordt gevorderd te vernietigen, minstens te ontheffen;

\- Om minstens de boete wegens fraude nietig te verklaren;

Om vast te stellen dat er redenen zijn om uitstel van de boete uit te spreken en om de boete te vernietigen wegens strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel;

\- Om minstens de boete kwijt te schelden of ze tot een evenredig bedrag te

verminderen;

\- Om te oordelen dat ten onrechte een interest gevorderd wordt van 9,6% en desgevallend deze te herleiden tot een evenredig bedrag;

\- Om de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van

deze aanslag werden geïnd, verhoogd met de wettelijke interesten;

\- Om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 16.800,00 EUR per aanleg;

\- Om minstens de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

O "Schendt [artikel 70,§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) het gelijkheidsbeginsel en inherent hieraan het evenredigheidsbeginsel en artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM doordat een boete wordt opgelegd van 200% wat ontegensprekelijk meer is dan de btw die men wil recupereren?"

O Schendt [art. 91, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) jo.art.2, § 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat op grond van deze bepaling een interest gevraagd wordt overeenkomstig de regels in burgerlijke zaken, en tussen burgers slechts een interest kan worden gevorderd op grond van art.2, §1 van de wet van 5 mei 1865 die momenteel 2,5% bedraagt?"

Ter zitting van 2 juni 2020 laat RM acteren dat de gevorderde rechtsplegingsvergoeding beperkt wordt tot 8.400,00 EUR per aanleg.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om het bestreden vonnis te bevestigen. De Belgische Staat vordert om derhalve om eiseres in hoger beroep af te wijzen en haar te veroordelen tot de betaling van:

\- De bedragen die door de administratie worden gevorderd in het dwangbevel uitgevaardigd op 15 december 2016 met betrekking tot het proces-verbaal van regularisatie van 13 december 2016;

\- De door de administratie gevorderde bedragen opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 2 mei 2017.

De Belgische Staat verzoekt om te oordelen dat het niet noodzakelijk is om met betrekking tot de boeten en het evenredigheidsbeginsel een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie.

De Belgische Staat verzoekt om te oordelen dat het niet noodzakelijk is om met betrekking tot de interesten een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

De Belgische Staat vordert om BV RM.C. te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van rechtsplegingsvergoedingen, begroot op 8.400,00 EUR.

## 2. Bespreking

***2.1.*** ***Veriarinq; schending van artikel 81bis, §1, lid 2, 4° W.BTW en artikel 84ter W.BTW.***

*2.1.1.* *Argumenten van de belastingplichtige.*

Volgens eiseres in hoger beroep bevat de voorafgaande kennisgeving geen vermoedens van fraude en is ze onvoldoende nauwkeurig. Uit de klantenlistings voor de jaren 2010-2012 valt geen fraude af te leiden. De administratie erkende dit zelf vermits ze de fraude afleidde uit het herkwalificeren van een BTW-schuld in een schuld aan de zaakvoerder voor een bedrag van 25.667,94 EUR, hetgeen men slechts heeft vastgesteld na de bedoelde kennisgeving tot uitbreiding van de verjaringstermijn.

Er kan volgens eiseres in hoger beroep ook geen fraude worden afgeleid uit de vaststellingen voor de periode 2013-2015, vermits er voor die jaren geen sprake is van fraude.

Zelfs al zouden bepaalde inkomsten niet zijn verwerkt in de boekhouding en in de BTW­ aangiften, dan betreft dit volgens RM nog geen nauwkeurige aanwijzing van fraude, doch slechts een nalatigheid, zoals het hof eerder oordeelde.

Zelfs al zouden er aanwijzingen van belastingontduiking zijn, dan werden die volgens RM in elk geval niet nauwkeurig meegedeeld in die zin dat niet wordt verduidelijkt om welke belastbare handelingen in welke periode het gaat. Er wordt ook niet aangegeven waarom de aanwijzingen van belastingontduiking geëxtrapoleerd zouden kunnen worden naar de jaren 2010-2012.

Volgens RM is er geen sprake van fraude in de jaren 2013-2015, zodat de verjaringstermijn ten onrechte werd uitgebreid. Alle facturen, vermeld in het proces-verbaal van 13 december 2015 werden opgenomen in de boekhouding en factuur 2013001 werd niet opgenomen in het betrokken proces-verbaal. Deze factuur werd bovendien wel opgenomen in de BTW­ aangifte.

Voor wat betreft de vordering in de correctieopgave van 13 februari 2017 met betrekking tot de periode 2010-2012, werd het overgrote deel van de omzet wel degelijk opgenomen in de BTW-aangiftes en werden alle facturen opgenomen in het uitgaand verkoopdagboek.

Hetzelfde geldt voor de extra prestaties, opgenomen onder nummer 2.3. van het proces­ verbaal van 2 mei 2017. Ook de BTW werd opgenomen in de boekhouding, eventueel als 'te herziene BTW'. Hoe dan ook wordt volgens de vennootschap niet aangetoond dat er in de periode 2010-2012 handelingen met ontduikingsopzet werden gesteld. RM verzorgde de boekhouding van haar klanten, maar was nalatig met betrekking tot haar eigen boekhouding.

Naar aanleiding van een controle op 18 december 2013 waren er trouwens geen onregelmatigheden of inbreuken vastgesteld. Voor een deel bewijst de administratie volgens eiseres in hoger beroep trouwens niet welke verjaringstermijn van toepassing is, zo bijvoorbeeld voor wat betreft het bedrag van 25.667,94 EUR.

*2.1.2.* *Beoordeling.*

Krachtens artikel 81 W.BTW start de verjaringstermijn voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Artikel 81bis, §1, eerste lid, W.BTW bepaalt dat er verjaring is voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Artikel 51bis, §1, tweede lid, W.BTW bepaalt dat in afwijking van het eerste lid er evenwel verjaring is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer(...):

4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Artikel 84ter W.BTW bepaalt dat de administratie, bevoegd voor de BTW, indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis moet geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

In de kennisgeving van 21 december 2016 tot uitbreiding van de verjaringstermijn werd het volgende uiteengezet:

"(...)

De administratie is voornemens de in [artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), bedoelde verjaringstermijn van zeven kalenderjaren toe te passen op de hierna omschreven overtredingen begaan in de jaren 2010, 2011 en 2012.

Te kwader trouw werden voor de periode van 01.01.2013 tot 31.12.2015 {36 maanden) de belastbare handelingen van 31 maanden niet aangegeven in de daartoe bestemde periodieke btw-aangiften. Het niet-aangeven vond aldus op systematische wijze plaats.

Bovendien werden van de genoemde belastbare handelingen van 31 maanden te kwader trouw de belastbare handelingen van minstens 11 maanden niet opgenomen in het verkoopdagboek.

Het feit dat de genoemde verkoopfacturen nooit het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving in het verkoopdagboek houdt in dat de btw, vermeld op de facturen nooit als verschuldigde btw werd opgenomen in de boekhouding.

De rekening 404000 Te innen opbrengsten werd rechtstreeks afgeboekt tegen de rekening 580001 Betalingen Verenigde Accountants (transferten). In het divers dagboek werd onder nummer 1 dd. 30.09.2015 de volgende journaalpost aangetroffen.

580001 Betalingen Verenigde Accountants 159.600,00

40400 Te innen opbrengsten 159.600,00

De boekhouding geeft derhalve geen getrouw beeld van de werkelijkheid.

De heer R.M. was vanaf de oprichting op 20 oktober 2005 en bijgevolg ook tijdens de voorgaande jaren zaakvoerder van uw onderneming.

Voor de jaren 2013, 2014 en 2015 werd vastgesteld dat het bedrag van de omzet, vermeld op de opgave van de afnemers-belastingplichtigen ('listing klanten') aanzienlijk hoger was dan het bedrag van de omzet, vermeld in de periodieke btw-aangiften. Evenzo kon met betrekking tot de jaren 2010 en 2012 worden vastgesteld dat het bedrag van de omzet, vermeld op de opgave van de afnemers-belastingplichtigen ('listing klanten') aanzienlijk hoger is dan het bedrag van de omzet, vermeld in de periodieke btw-aangiften.

Derhalve vermoedt de administratie dat ook vóór 1 januari 2013 uw onderneming zich ingelaten heeft met het te kwader trouw niet-opnemen van belastbare handelingen in de daartoe bestemde periodieke btw-aangiften.

(...)"

Het feit dat er reeds een eerdere controle is geweest, die aanleiding heeft gegeven tot een correctieopgave van 24 januari 2014 is niet in tegenstrijd met de vaststelling dat er met betrekking tot de jaren 2010 en 2012 een hoger bedrag aan omzet werd vermeld op de opgave van de afnemers-belastingplichtigen ('listing klanten') dan het bedrag van de omzet, vermeld in de periodieke btw-aangiften. Ten eerste had de correctieopgave van begin 2014 enkel betrekking op de periode van 1 januari 2010 tot 31 december 2010 en ten tweede betrof het slechts een punctuele controle, zonder de kennis van de overtredingen in de latere jaren. De belastingplichtige kon uit deze correctieopgave dan ook geen verworven rechten putten.

Dat er in de periode 2010-2012 overtredingen werden begaan bleek uit de controle die blijkens de correctieopgave, stuk 5 Belgische Staat werd aangevangen op 21 december 2016. De inbreuken werden in deze correctieopgave opgesomd, met vermelding van de nummer van het stuk, de datum, de naam van de klant, de aard van de dienst en de bedragen van de betrokken facturen en met vermelding van de balansdatum en de boekingen die werden verricht. Er kan de administratie derhalve niet verweten worden onnauwkeurig, willekeurig of onzorgvuldig tewerk te zijn gegaan. De controle gebeurde bovendien aan de hand van de door de belastingplichtige voorgelegde boeken, stukken en bescheiden.

Verder stelt de belastingplichtige ten onrechte dat de fraude enkel vermoed werd op grond van het feit dat een schuld ten aanzien van de BTW van 25.667,94 EUR werd afgeboekt op de rekening-courant van de zaakvoerder.

In de kennisgeving van 21 december 2016 werden immers nog andere aanwijzingen van fraude opgesomd, zoals:

Het feit dat de belastbare handelingen in de periode 2013-2015 gedurende 31 maanden systematisch niet werden vermeld in de BTW-aangiften; het ging aldus niet om het louter niet aangeven van bepaalde handelingen maar om het systematisch en veelvuldig niet vermelden van de belastbare handelingen in de BTW-aangiften, hetgeen onmogelijk het gevolg kan geweest zijn van vergetelheid, een sporadische nalatigheid of een materiële vergissing; de administratie kon uit de handelswijze van de vennootschap, zelf een boekhoudkantoor, rechtsgeldig afleiden dat er sprake was van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Het feit dat in de rechtspraak in andere dossiers, met andere feiten anders werd geoordeeld doet aan het voorgaande geen afbreuk;

\- Het feit dat van de handelingen hierboven vermeld, er bovendien gedurende 11 maanden geen werden opgenomen in het verkoopdagboek. Ook hier is weer sprake van een systematische manier van handelen en niet van een vergetelheid of vergissing. Dat bedragen hiervan werden opgenomen als 'te boeken verkopen' belet de frauduleuze intentie niet. Integendeel, hieruit blijkt dat de belastingplichtige wist of moest weten dat deze omzet diende te worden geboekt, hetgeen vervolgens niet gebeurde;

\- Het feit dat de verschuldigde BTW op deze handelingen niet werden opgenomen in

de boekhouding. Dat deze BTW zou zijn vermeld als 'te herziene BTW' volstaat daartoe niet, vermits deze BTW vervolgens niet werd herzien en dit een gegeven was waarvan de belastingplichtige (zelf een accountantskantoor) niet onwetend kon geweest zijn.

\- Het feit dat de rekening 404000 Te innen opbrengsten voor een bedrag van

159.600,00 EUR op 30 september 2015 rechtstreeks werd afgeboekt naar de rekening 580001 Betalingen Verenigde Accountants (transferten).

Deze overtredingen staan vast, gelet op de vaststellingen in de desbetreffende processen­ verbaal. Uit het feit dat de overtredingen werden vastgesteld op basis van door de belastingplichtige vastgestelde boeken, stukken en bescheiden kan niet worden afgeleid dat alle facturen in de boekhouding waren opgenomen.

Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal van regularisatie van 13 december 2016, dat als afschrift werd gevoegd bij het dwangbevel van 15 december 2016 (bij aangetekende brief van 19 december 2016 toegestuurd naar de vennootschap) duidelijk vermeld werd over welke facturen en welke bedragen het ging. Er kan de administratie derhalve niet worden verweten onvoldoende nauwkeurig te zijn geweest. Het hof oordeelt dat de vaststellingen voor de periode 2013-2015 wel degelijk relevant zijn ter ondersteuning van het vermoeden dat er ook voor de voorgaande jaren sprake is van kwaad opzet.

Het hof oordeelt op basis van de veelvuldig vastgestelde overtredingen voor wat de periode 2013-2015 betreft en gelet op de vaststelllngen die reeds voor de voorgaande periode werden verricht dat er voor die voorgaande periode sprake was van vermoedens van belastingontduiking in de zin van artikel 84ter W.BTW. Het gaat hierbij niet om een loutere extrapolatie.

Uit het feit dat na controle is gebleken dat de facturen van november 2010 tot en met januari 2013, met uitzondering van deze van september 2011 werden opgenomen in de BTW-aangiften doet geen afbreuk aan de vermoedens van belastingontduiking die op basis van het geheel van de voormelde vaststaande gegevens waren gebleken.

Het hof oordeelt dat de administratie op basis van de gegevens, vermeld in de kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn aantoonde dat er sprake was van opzet om de belasting te ontduiken, zodat de verjaringstermijn terecht werd uitgebreid. Er is derhalve geen sprake van verjaring.

Het frauduleus opzet werd later nog bevestigd door het feit dat een bedrag van 25.667,94 EUR zonder meer werd overgeboekt van de rekening-courant BTW naar de rekening-courant van de zaakvoerder. Dat de administratie niet precies aantoont over welke BTW het in deze rekening-courant ging is daarbij irrelevant, vermits het volgens de vennootschap zelf ging om verschuldigde BTW.

***2.2.*** ***Naheffing correctieopgave 13 februari 2017.***

Volgens RM is de naheffing in de correctieopgave van 13 februari 2017 onoverzichtelijk en kan er niet uit worden opgemaakt of er terecht BTW wordt nagevorderd of niet. De mogelijkheid bestaat volgens de belastingplichtige dat dit bedrag een dubbel gebruik uitmaakt met andere onderdelen van de naheffingen.

Het hof stelt vast dat de administratie in de betrokken processen-verbaal een duidelijk en gedetailleerd overzicht heeft gegeven van de overtredingen. Dat daarbij sprake zou zijn van dubbeltellingen blijkt uit geen enkel gegeven.

Zo staat onder meer vast dat een bedrag van 25.667,94 EUR werd overgeboekt van de rekening-courant BTW naar de rekening-courant van de zaakvoerder. Vermits het de vennootschap zelf is die deze BTW als verschuldigd had geboekt, is het aan haar om aan te tonen dat dit berustte op een vergissing. Het hof oordeelt dat dit bewijs niet wordt geleverd. Nu het blijkens de betrokken rekening-courant ging om verschuldigde BTW, is het feit dat de administratie niet aantoont over welke BTW het ging in deze irrelevant.

De bewering dat in dit bedrag 10.500,00 EUR aan BTW zou zitten die uiteindelijk niet verschuldigd was omdat werd afgezien van een facturatie van dienstenprestaties van RM aan BVBA Verenigde Accountants en dat de overdracht van het bedrag van 50.000,00 EUR uiteindelijk werd gerealiseerd via een dividenduitkering in plaats van via factuur wordt niet hard gemaakt aan de hand van de stukken. Bovendien blijft er zelfs in voorkomend geval nog steeds het gegeven dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde BTW werd overgemaakt naar de rekening-courant van de zaakvoerder. Aldus heeft de zaakvoerder zich BTW die aan de staat toekwam toegeëigend, hetgeen terecht als louter frauduleus werd bestempeld.

Het hof oordeelt dat het bedrag van de BTW die nog verschuldigd is voor de betrokken jaren in de betrokken processen-verbaal op gedetailleerde en accurate wijze werd berekend op basis van stukken (waaronder mails) die door (de raadsman) van de vennootschap aan de administratie ter beschikking werden gesteld. Er wordt niet aangetoond dat er terzake sprake zou zijn van dubbeltellingen of verkeerde berekeningen. De betrokken BTW is dan ook verschuldigd.

***2.3.*** ***BTW-boete.***

*2.3.1.* *Fraude ?*

Het gaat volgens eiseres in hoger beroep niet om fraude maar om onachtzaamheid, zodat geen boete van 200% kon worden opgelegd.

Krachtens artikel 70, §1, eerste lid W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84, derde lid W.BTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele geldboete bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens [artikel 1, laatste lid KB nr.41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Hierboven werd geoordeeld dat de administratie terecht van mening was dat de belastingplichtige handelde met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Dit blijkt onder meer uit het feit dat op systematische wijze belastbare handelingen niet werden opgenomen in de BTW-aangiften, uit het feit dat een groot aantal uitgaande handelingen niet werden opgenomen in het verkoopdagboek en uit het feit dat een bedrag, vermeld op de rekening-courant BTW werd overgeboekt naar de rekening-courant van de zaakvoerder. Er kan ook verwezen worden naar het feit dat de vennootschap de rekening 40400 Te innen opbrengsten rechtstreeks afboekte tegen de rekening 580001 Betalingen Verenigde Accountants (transferten), zodat duidelijk werd dat de belastingplichtige de BTW op deze opbrengsten nooit zou afdragen. De vennootschap, zelf accountant wist of moest geweten hebben dat hij aldus inbreuk pleegde op de fiscale wetgeving en de betrokken handelingen kunnen niet anders verklaard worden dan zijnde gepleegd met het opzet de belasting te ontduiken. Van onachtzaamheid of materiële vergissingen is in deze geenszins sprake.

*2.3.2.* *Evenredigheid ?*

Recent werd nogmaals door het Hof van Cassatie bevestigd (Cass., 18 januari 2018, F.16.0160.N; zie ook Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N, www.cass.be; Cass., 8 april 2001, [F.10.0033.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-controle-rechter-volle-cassatie-brussel-2011-04-08-949f), www.cass.be) dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie moet onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

In onderhavig geval werd hierboven geoordeeld dat de belastingplichtigen in de betrokken periode op systematische wijze en gedurende vele jaren inbreuken pleegde op de fiscale wetgeving en hierbij grote bedragen aan BTW met bedrieglijk opzet niet afdroeg aan de Belgische Staat. Er is aldus in elk geval een overtreding van de wet.

Bovendien stelt het hof vast dat deze overtreding overeenkomstig artikel 70, §1 W.BTW in principe bestraft wordt met een administratieve geldboete, gelijk aan het dubbel van de niet tijdig betaalde belasting. De boete werd aldus opgelegd overeenkomstig de wet.

Verder stelt het hof vast dat de belastingplichtige geen gegronde reden aanvoert voor de gepleegde inbreuken. Dat de vennootschap druk doende was met de dossiers van haar klanten kan uiteraard niet ingeroepen worden als excuus om de eigen boekhoudkundige en fiscale verplichtingen niet na te leven.

Het hof oordeelt dan ook dat in onderhavig geval blijkt dat de hoogte van de opgelegde geldboete niet onevenredig is met de gepleegde inbreuk. Er is derhalve geen reden om tot vermindering of kwijtschelding van de boete over te gaan.

*2.3.3.* *Uitstel ?*

De belastingplichtige verzoekt om de geldboete in elk geval gepaard te laten gaan met een uitstel.

In zijn arrest van 21 februari 2013 {arrest nr.13/2013) heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 70, §2, eerste lid W.BTW niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan overtreders van het W.BTW" Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft volgens het Hof echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (overwegingen B.4.2 en B.4.3 van voormeld arrest).

Reeds in een eerder arrest van 6 november 2008 (arrest nr.157/2008) had het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat [artikel 70, §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM schond, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakte de in die bepaling voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met een uitstel.

Het uitstel van de tenuitvoerlegging van straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van straffen te beperken en de re-integratie van de overtreder niet in het gedrang te brengen.

In onderhavig geval werd hierboven reeds geoordeeld dat de opgelegde boete wettig werd opgelegd en niet onevenredig was met de gepleegde overtreding. Uit het dossier blijken geen redenen om uitstel te verlenen, zelfs niet indien de wet in die maatregel had voorzien. Gelet op het voorgaande kan de betrokken boete zonder uitstel behouden blijven.

*2.3.4.* *Schending van het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM?*

Gelet op het opzet de belasting te ontduiken en het evenredig karakter van de opgelegde geldboete met inachtneming van de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken kan ook niet zonder meer worden voorgehouden dat de bijzondere aanslag op onverantwoorde wijze afbreuk zou doen aan het eigendomsrecht (artikel 1, eerste lid Eerste Protocol EVRM ). Ingevolge het tweede lid van artikel 1 Eerste Protocol EVRM doet het eigendomsrecht overigens geen afbreuk aan het recht van een staat om de betaling van belastingen en boeten te verzekeren.

Er dient dan ook geen prejudiciële vraag te worden gesteld.

*2.3.5.* *Verkeerde berekening?*

Het is ten onrechte dat de belastingplichtige voorhoudt dat de BTW-boete in verband met de facturen uit te reiken voor de periode van 1 oktober 2011 tot 31 december 2011 en van 1 oktober 2015 tot 31 december 2015 foutief werd berekend. Er dient in dit verband rekening gehouden te worden met het feit dat de verschuldigde boete in het proces-verbaal van 2 mei 2017 in punt 2.2 correct werd berekend, rekening houdend met het correcte bedrag aan BTW van 5.040,00 EUR. Het is het hof niet duidelijk waaruit zou moeten blijken dat de boete berekend zou zijn op een bedrag van 8.329,94 EUR

***2.4.*** ***Interest.***

*2.4.1.* *Schending gelijkheidsbeginsel ?*

Eiseres in hoger beroep stelt dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel in zoverre de intresten, verschuldigd in toepassing van artikel 91, §1, 1° W.B.T.W., worden berekend aan een rentevoet van 9,6% op jaarbasis, daar waar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken veel lager ligt.

De in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte regels met betrekking tot de gelijkheid van de Belgen schrijven voor dat ieder die zich in eenzelfde toestand bevinden op dezelfde wijze moeten worden behandeld en dat zij die zich in een verschillende toestand bevinden, op verschillende wijze moeten worden behandeld, behoudens redelijke verantwoording.

Fiscale zaken (zoals BTW) enerzijds en burgerlijke zaken anderzijds viseren verschillende toestanden.

Het Grondwettelijk Hof heeft zich in een arrest nr. 168/2018 van 29 november 2018 uitgesproken over de vraag of er sprake is van een schending, door artikel 77, 2° van de wet van 25 december 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de berekening van de nalatigheidsinteresten aan de hand van het gemiddelde van de referte-indexen J met betrekking tot de lineaire obligaties op tien jaar van de maanden juli, augustus en september van het laatste jaar dat het jaar waarin de rentevoet van toepassing is, voorafgaat, zonder dat deze minder dan vier procent of meer dan tien procent mag bedragen, doordat de nalatigheidsinteresten aldus in sommige gevallen hoger zijn dan de nalatigheidsinteresten in het gemeen recht, die worden bepaald aan de hand van de wettelijke interest.

Het hof oordeelde toen (punt B.4) dat het verschil in behandeling op een objectief criterium steunt, namelijk de hoedanigheid van de schuldeiser, die in het ene geval de Staat is, die het algemeen belang behartigt, en die in het andere geval een particulier kan zijn, die zich door een persoonlijk belang mag laten leiden. Het verschil in behandeling is volgens het Hof niet zonder redelijke verantwoording. Bij de aanpassing van de interestvoeten in voormelde wet heeft de wetgever ter vrijwaring van de belangen van de Schatkist en met het oog op een efficiënte belastinginning kunnen oordelen dat het nodig was de belastingplichtigen inzake inkomstenbelastingen te onderwerpen aan nalatigheidsinteresten met een minimumrentevoet van vier procent. In die optiek kan volgens het Hof in redelijkheid niet staande worden gehouden dat het onverantwoord is een belastingplichtige die 10 belastingschulden niet tijdig heeft vereffend, te onderwerpen aan nalatigheidsinteresten die afwijken van de gemeenrechtelijke regeling.

Gelet op het voorgaande kan besloten worden dat het in deze gerechtvaardigd is dat deze verschillende toestanden verschillend worden behandeld en dat er in deze kennelijk geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, zodat geen prejudiciële vraag ter zake dient te worden gesteld.

*2.4.2.* *Interesten: strafsanctie ?*

Volgens RM betreft de interest aan 9,6% per jaar een strafsanctie die door de rechter gereduceerd moet worden, gelet op het evenredigheidsbeginsel.

Het hof kan het standpunt van de belastingplichtige niet onderschrijven.

Het Grondwettelijk Hof ging in voormeld arrest nr.168/2018 ook na of de fiscale interest als een strafsanctie kan worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM. De vraag stelde zich of de berekeningswijze van de nalatigheidsinteresten op basis van artikel 77, en in het bijzonder de verhoging van de interesten naar vier procent wanneer de berekening op basis van de referte-indexen J een resultaat oplevert dat lager is dan vier procent, ertoe kon leiden dat die nalatigheidsinteresten niet langer enkel de schade ten gevolge van de laattijdige betaling van de belastingschulden vergoeden, maar een strafsanctie uitmaken in de zin van artikel 6 van het EVRM, zonder dat de toegang tot een rechter met volle rechtsmacht is verzekerd. Er werd in dat verband verwezen naar de rechtspraak van het EHRM inzake A&B t/ Noorwegen (EHRM, grote kamer, 15 november 2016,§§ 105-107), Zolutoukhine t/Rusland (grote kamer, 10 februari 2009,§ 53; grote kamer, 23 november 2006) en Jussila t. Finland,§§ 30-31.

Het Grondwettelijk Hof stelde vast dat de inning van nalatigheidsinteresten in geval van de laattijdige betaling van belastingen door billijkheidsredenen werd verantwoord in die zin dat het billijk is een civielrechtelijke schadevergoeding te eisen in de vorm van de recuperatie van een baat die de belastingplichtige behaalt uit de inhouding van fondsen die in rechte aan de Staat toekomen. (Pari. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, pp. 9 en 10). De nieuwe regeling inzake de interesten had eveneens tot doel de rentevoet van de nalatigheidsinteresten beter te laten aansluiten bij de economische realiteit en de belastingplichtigen aan te zetten hun schulden tijdig te betalen. Die bijkomende doelstellingen hebben volgens het Hof echter niet tot gevolg dat de nalatigheidsinteresten kunnen worden beschouwd als een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Een beperkte verhoging van de rentevoet van de nalatigheidsinteresten ten opzichte van een berekeningswijze gebaseerd op het gemiddelde van de referte-indexen J met betrekking tot de lineaire obligaties op tien jaar van de maanden juli, augustus en september van het laatste jaar dat het jaar waarin de rentevoet van toepassing is, voorafgaat, en die bovendien gepaard gaat met een beperking van de nalatigheidsinteresten tot tien procent wanneer diezelfde berekeningswijze leidt tot een rentevoet die hoger ligt dan tien procent, is niet van die aard dat zij de nalatigheidsinteresten een bestraffend karakter geeft. Tot slot oordeelde het Hof dat die verhoging geen onevenredige gevolgen had voor de belastingplichtigen.

Het Grondwettelijk Hof besloot dan ook dat de nieuwe maatregel geen strafrechtelijk karakter had, noch in de zin van het interne recht, noch in de zin van artikel 6, lid 1 EVRM. Hieruit vloeide voort dat de waarborgen waarin die bepaling voorziet in verband met de betwistingen in strafzaken daarop niet van toepassing waren.

Onderhavig hof sluit zich aan bij deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof

***2.5.*** ***Rechtspleginqsvergoedinq.***

De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat RM tot de kosten van het geding moet worden veroordeeld. De Belgische Staat liet zich in eerste aanleg niet bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, zodat ze voor die aanleg geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding.

Partijen zijn het erover eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering {Cfr. [Cass., 12 maart 2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-verminderd-tarief-nieuwe-gebouwen-cassatie-brussel-2010-03-12-1ec2), F.J.F., nr.2010/183, p.720).

Gelet op het bedrag van de betwiste aanslagen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 8.400,00 EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken.

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van BV RM.C. toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst BV RM.C. in de gedingkosten in hoger beroep, begroot en vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 8.400,00 EUR.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 30 juni 2020 door

M. GHYSELEN Raadsheer, dd. Voorzitter

C. PRINCEN Raadsheer

E. DE BRAUWER Raadsheer

E. CLEYMANS Griffier

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 5 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 4 voorkomens

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 4 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 3 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, fictieve facturen, strafzaak, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-fictieve-facturen-strafzaak-verjaring-hof-van-beroep-antwerpen-2022-02-15-634c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Kennisgeving van aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kennisgeving-aanwijzingen-fraude-in-boekhouding-rechtbank-namen-2020-04-02-bf01) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Frauduleuze intentie, Aanwijzingen van belastingontduiking, Bepaling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/frauduleuze-intentie-aanwijzingen-belastingontduiking-bepaling-rechtbank-bergen-2023-12-05-2220) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Doelgebondenheid, Plaats van vestiging, Neutraliteitsbeginsel, plaats van de dienst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/doelgebondenheid-plaats-vestiging-neutraliteitsbeginsel-hof-van-beroep-brussel-2026-05-13-36ee) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Neutraliteitsbeginsel, proportionele geldboete, interesten, voorafgaande kennisgeving, fraudetermijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/neutraliteitsbeginsel-proportionele-geldboete-interesten-rechtbank-hasselt-2024-01-18-62ca) 4 gemeenschappelijke bepalingen
