---
title: "Faillissement, Schuldvordering · Hof van beroep te Gent, 14 januari 2008"
description: "Faillissement, Schuldvordering, Schuldvergelijking, Curator, vereffenaar. Hof van beroep te Gent (België), 14 januari 2008."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/faillissement-schuldvordering-schuldvergelijking-curator-hof-van-beroep-gent-2008-01-14-cb66"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/faillissement-creance-compensation-curateur-faillite-cour-appel-gand-2008-01-14-a183"
---

# Faillissement, Schuldvordering, Schuldvergelijking, Curator, vereffenaar · Faillissement - Schuldvordering - Schuldvergelijking - Curator

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

14 januari 2008

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

52 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

*faillissement*

*schuldvordering*

*schuldvergelijking*

*curator*

## Samenvatting

Sinds 1 januari 2005 kan de ontv. zich op de voorrangsregel van art. 334, 2e lid, Programmawet 27.12.2004 beroepen voor aanwendingen die vanaf 1 januari 2005 gebeuren. De schuldvergelijking kan plaatsvinden op het ogenblik dat de aan te zuiveren schuldvordering en de schuld over en weer eisbaar zijn, in casu op het ogenblik dat het BTW-tegoed vaststaand en opeisbaar was.

De mogelijkheid tot schuldvergelijking ten voordele van de Belgische Staat, ook nà het tussengekomen faillissement, was dus in casu van toepassing vanaf 1 januari 2005. De tegoeden die zijn ontstaan nà deze datum, konden gecompenseerd worden met de bedragen die reeds vóór het faillissement verschuldigd waren ingevolge het niet betalen van directe belastingen door de NV S-C.

De argumentatie van de curatoren en van de NV F.B. faalt, gezien de wetgever een *sui generis* fiscale schuldvergelijking heeft ingevoerd, met zelf een uitdrukkelijke bepaling om af te wijken van het gelijkheidsbeginsel van de schuldeisers in geval van faillissement (vastgelegd in art. 1298, BW en art. 17, 2°, Faill.W).

Alle andere schuldeisers zijn aan deze regel onderworpen. Er wordt geen onderscheid gemaakt volgens de periode waarin de te compenseren schuldvorderingen zijn ontstaan.

Er werd door de wetgever een soort nieuw voorrecht ingevoerd ten voordele van de fiscus. Het is een fiscale schuldvergelijking die sinds 1 januari 2005 zonder formaliteit en zonder rechterlijke machtiging kan worden toegepast.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

1\. …

Bij verzoekschrift, neergelegd op 23 november 2006, hebben appellanten q.q. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 7 november 2006 op tegenspraak gewezen door de 2e kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk (AR. 1859/03). Een exploot van betekening ligt niet voor.

## Feiten en procedure in eerste aanleg

2\. De NV S-C werd bij vonnis van 14 januari 2003 door de rechtbank van koophandel te Kortrijk failliet verklaard, waarbij mrs. H. W., C. M. en K. C. als curatoren werden aangesteld.

Op 5 februari 2003 diende het Ontvangkantoor van de BTW te Zottegem een provisionele aangifte van schuldvordering voor 2,00 EUR in.

N.a.v. de vereffening van het faillissement dienden de curatoren de verzamelaangiftes van BTW in resp. op 27 januari 2005 en op 29 december 2005, waaruit bleek dat ze voor 161.454,53 EUR (periode 14 januari 2003 tot 31 december 2004) en voor 13.090,48 EUR (2005) aan BTW méér hadden betaald dan ontvangen tijdens hun voortzetting van de handelsactiviteiten nà faillissement.

Bij brief van 13 maart 2006 deed de BTW afstand van haar schuldvordering in het faillissement. Ook werd gesteld dat het tegoed aan BTW ten voordele van de curatoren werd aangewend ter gedeeltelijke aanzuivering van de schuld van de gefailleerde aan de Directe Belastingen (498.149,73 EUR) uit de periode van vóór het faillissement.

Door de curatele wordt deze compensatie met klem betwist. De BTW-Ontvanger steunt zich op art. 164 van het KB van 27 augustus 1993 en op art. 334 van de Programmawet van 27 december 2004.

Bij conclusie, neergelegd op 21 maart 2006, vorderden de curatoren bij tegeneis betaling lastens de BTW van 174.545,01 EUR, méér de gerechtelijke rente.

Bij het vonnis *a quo* van 7 november 2006 werden hoofd- en tegenvordering als ontvankelijk, doch ongegrond afgewezen.

## Procedure in hoger beroep

3\. Het hoger beroep werd aangetekend door de curatoren. Appellanten q.q. verzetten zich tegen de compensatie van de wederzijdse vorderingen omdat niet beide zijn ontstaan vóór de samenloop.

Geïntimeerde vraagt bevestiging van het vonnis *a quo*, waarbij de toegelaten fiscale schuldvergelijking volgens art. 334, Programmawet als rechtsgrond wordt verdedigd.

Bij verzoekschrift, neergelegd op 15 *december 2006,* kwam de NV F.B. vrijwillig tussen in het geding. Zij treedt de curatoren bij in hun oorspronkelijke tegeneis, zich beroepende op het fixatiebeginsel: bij faillissement wordt het vermogen van de debiteur gekristalliseerd en afgescheiden, exclusief bestemd voor de vereffening.

## Beoordeling

4\. Overeenkomstig art. 812, 2°, Ger.W mag een partij in burgerlijke zaken voor de eerste maal in hoger beroep tussenkomen als zij zich slechts aansluit bij de stelling van een andere partij en haar tussenkomst niet strekt tot het verkrijgen van een veroordeling (Cass., 29 oktober 2004, *R.W.,* 2004-2005, 1618).

Ten onrechte stelt geïntimeerde dat het verzoek tot vrijwillige tussenkomst vanwege de NV F.B. ontoelaatbaar zou zijn als agressieve tussenkomst, die voor het eerst in hoger beroep gebeurt. De NV F.B. vraagt géén veroordeling ten eigen behoeve, maar sluit zich enkel volledig aan bij het standpunt van de curatele.

Al evenmin is dit verzoekschrift nietig, vermits het (weliswaar beperkt) gemotiveerd werd overeenkomstig art. 813, al. 1, Ger.W. De NV F.B. heeft het nodige belang en de vereiste hoedanigheid om tussen te komen als pandhoudende schuldeiser van de gefailleerde. Het betreft derhalve een toelaatbare bewarende tussenkomst, waarvan de kosten lastens de vrijwillig tussenkomende partij blijven.

5\. De curatoren hebben ingevolge voortgezette handelsactiviteiten nà het faillissement een bedrag aan BTW tegoed (tegoed *van* de boedel). Anderzijds heeft de Belgische Staat uit hoofde van directe belastingen een tegoed op de gefailleerde voor handelstransacties van vóór het faillissement (schuldvordering *in* de massa). Mag er compensatie worden toegepast over de boedels heen?

Art. 334 van de Programmawet van 27 december 2004 (BS 31 december 2004) bepaalt:

*"Elke som die aan een belastingsplichtige moet worden teruggegeven* *of* *betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde* *of* *krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale* *of* *administratieve geldboeten, intresten en kosten, wanneer deze* *laatste niet* of *niet meer worden betwist.* *Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop* *of* *een insolvabiliteitsprocedure**".* (onderlijning door het Hof)

Art. 334 (in fine), Programmawet stelt derhalve glashelder dat deze mogelijkheid tot compensatie van toepassing blijft in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure o.a. in geval van faillissement.

Dit artikel is in werking getreden op 1 januari 2005 (art. 338, Programmawet). Sindsdien kan geïntimeerde zich op deze voorrangsregel beroepen voor aanwendingen die vanaf 1 januari 2005 gebeuren. De schuldvergelijking kan plaatsvinden op het ogenblik dat de aan te zuiveren schuldvordering en de schuld over en weer eisbaar zijn, in casu op het ogenblik dat het BTW-tegoed vaststaand en opeisbaar was.

Deze wet dient het algemeen belang, o.a. de fiscale achterstand wegwerken en de invorderingsprocedure doeltreffender maken (Parl. St. Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/001, DOC 51-1438/001, p. 212). Fiscale inkomsten worden aangewend voor overheidsuitgaven die gericht zijn op het algemeen belang.

Art. 334, Programmawet schendt de art. 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof, nr. 54/2006, 19 april 2006, *J.T.,* 2006, 701). De wettekst van het artikel is duidelijk en grondwetconform (Antwerpen, 19 juni 2007, 2006/AR/2590, inzake mr. K. P. *q.q.* tg de Belgische Staat FOD Financiën, *onuitgegeven* - stuk 7 geïntimeerde).

6\. De mogelijkheid tot schuldvergelijking ten voordele van de Belgische Staat, ook nà het tussengekomen faillissement, was dus *in casu* van toepassing vanaf 1 januari 2005. De tegoeden die zijn ontstaan nà deze datum, konden gecompenseerd worden met de bedragen die reeds vóór het faillissement verschuldigd waren ingevolge het niet betalen van directe belastingen door de NV S-C.

Bij brief van 28 februari 2006 liet het Ontvangkantoor Kortrijk 3 weten dat er voor dezelfde gefailleerde onbetaalde aanslagen bij haar gekend waren voor een bedrag dat de BTW-tegoeden overtrof (stuk 1 geïntimeerde), zodat deze tegoeden terecht conform art 334, Programmawet werden overgemaakt aan het Ontvangkantoor Kortrijk 3. Bij brief van 13 maart 2006 werden de curatoren ingelicht omtrent deze handelswijze (stuk 3 appellanten q.q.).

De argumentatie van de curatoren en van de NV F.B. faalt, gezien de wetgever een *sui generis* fiscale schuldvergelijking heeft ingevoerd, met zelfs een uitdrukkelijke bepaling om af te wijken van het gelijkheidsbeginsel van de schuldeisers in geval van faillissement (vastgelegd in art. 1298, BW en art. 17, 2°, Faill.W).

Alle andere schuldeisers zijn aan deze regel onderworpen. Er wordt geen onderscheid gemaakt volgens de periode waarin de te compenseren schuldvorderingen zijn ontstaan. Er is voldaan aan de voorwaarde van wederkerigheid gelet op [art. 2, 2°, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), zodat er geen aanleiding is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

De theorie inzake de schuldvergelijking volgens het gemeenrecht - zoals uiteengezet in de door appellanten q.q. aangehaalde beschikking van 13 mei 2005 van de beslagrechter te Brussel - is in casu niet van toepassing gelet op art. 334, Programmawet, welk primeert op de algemene bepalingen inzake de samenloop.

Er werd door de wetgever een soort nieuw voorrecht ingevoerd ten voordele van de fiscus. Het is een fiscale schuldvergelijking die sinds 1 januari 2005 zonder formaliteit en zonder rechterlijke machtiging kan worden toegepast. De eerste rechter heeft bijgevolg een terecht oordeel geveld, zodat het vonnis *a quo* moet worden bevestigd.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN

### H E T HOF:

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verleent akte aan de NV F.B. van haar vrijwillige tussenkomst;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond;

**Bevestigt het bestreden vonnis;**

Wijst het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof af als ongegrond;

Veroordeelt appellanten q.q. tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, vereffend in hoofde van geïntimeerde op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. (basisbedrag volgens het KB van 26 oktober 2007);

Verwijst de vrijwillig tussenkomende partij in haar eigen gedingkosten;

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Regularisatieopgave, Handtekening voor akkoord -Vertegenwoordigingsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-handtekening-akkoord-hof-van-beroep-brussel-2021-01-21-0c02) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Voorwaarden van de vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-voorwaarden-vrijstelling-bewijs-hof-van-beroep-luik-2021-05-18-17f6) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Anticiperen op de facturering van vergoedingen en de datum van de verrichte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/anticiperen-facturering-vergoedingen-datum-verrichte-rechtbank-luik-2022-03-31-4a58) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Verwerping van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verwerping-rechtstreekse-onmiddellijk-rechtbank-brussel-2020-06-10-4cfb) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Intracommunautaire handeling, Intracommunautaire levering van vervoermiddelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-handeling-vervoermiddelen-bewijs-rechtbank-luik-2022-04-25-6c7e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de belasting, Verlegging van de btw-heffing -Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-belasting-verlegging-btw-heffing-rechtbank-brussel-2019-12-05-6dc1) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Uitoefening van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/uitoefening-recht-aftrek-facturen-aankoop-hof-van-beroep-brussel-2019-10-17-7b1b) 1 gemeenschappelijke bepalingen
