Faillissement, Handelsrecht, Gerechtelijk akkoord · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.00.0727.F 1 februari 2002

Zoeken

Faillissement, Handelsrecht, Gerechtelijk akkoord

https://juriel.be/nl/rechtspraak/faillissement-handelsrecht-gerechtelijk-akkoord-cassatie-brussel-2002-02-01-9c6a

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.00.0727.F
Datum
1 februari 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

41 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 01.02.2002 (C.00.0727.F)

Faillissement - Handelsrecht - Gerechtelijk akkoord

Wettelijke bepalingen

Art. 17, Gerechtelijk Wetboek

Artt. 85bis, 88, 89, 2° lid, WBTW

Samenvatting

Het faillissement is geen invorderingsprocedure maar een gemeenschappelijke vereffeningsprocedure die opgezet is ten voordele van de gezamenlijke, door een curator vertegenwoordigde, schuldeisers en die een einde maakt aan de individuele aanspraken van de schuldeisers.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 01.02.2002

(C.00.0727.F)

Y.O. N.V., Mr. P.W., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, Mr. A.D.B., advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. D. R., qq.

I. Bestreden uitspraak.

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 juni 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

II. Geding in cassatie

Raadsheer ... heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal ... heeft geconcludeerd.

III. Cassatiemiddel Eiseres voert één middel aan.

Dit middel is gesteld als volgt :

Geschonden wetsbepalingen De artikelen 17 van het Gerechtelijk Wetboek, 85, inzonderheid §1, 85bis, 88, 89, inzonderheid het tweede lid (zoals het van kracht was voor de wijziging ervan bij artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen), van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, 2, inzonderheid eerste lid, 6 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 59 en 94 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit.

Aangevochten beslissing Het arrest, dat eraan herinnert dat de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering door eiseres werd betwist "in zoverre zij was ingesteld door de gewestelijk directeur van de bijzondere belastinginspectie (B.B.I.) te Brussel, terwijl die volgens (eiseres) hoedanigheid noch belang heeft om in het kader van een vordering tot faillietverklaring op te treden", beslist dat die vordering wel degelijk ontvankelijk is op grond dat "erop moet worden gewezen dat artikel 6 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat faillietverklaring onder meer geschiedt 'op dagvaarding van een of meer schuldeisers' ; (...) in dit geval de schuldeiser de Belgische Staat is in de persoon van de minister van Financiën, houder van de B.T.W.-schuldvordering waarvan sprake op p. 1 van de gedinginleidende dagvaarding ; (...) B.B.I.

en haar ambtenaren, belast met de toepassing van het B.T.W.-wetboek, krachtens artikel 87 van de wet van 8 augustus 1980, de bevoegdheden hebben die door 'de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administraties en aan hun ambtenaren' :

(...) de gewestelijk directeur van de bijzondere belastinginspectie te Brussel dus als vertegenwoordiger van de minister van Financiën, de vereiste hoedanigheid heeft om de dagvaarding tot faillietverklaring in te stellen ; (...) overigens (...) de hoedanigheid - onder meer - van schuldeiser als vereist bij artikel 6 van de wet van 8 augustus 1997 om de dagvaarding tot faillietverklaring te kunnen instellen niet tot gevolg heeft dat die rechtspleging een rechtspleging tot invordering wordt zoals (eiseres) evenwel beweert ; (...) zoals de eerste rechter terecht opmerkte is de dagvaarding tot faillietverklaring immers niets anders dan het instellen van een gezamenlijke procedure die het vrijwaren beoogt van de rechten van alle schuldeisers waartussen aldus samenloop ontstaat ; (...) aangezien de litigieuze procedure noch een uitvoeringsmaatregel noch een maatregel van invordering is, het feit dat de gewestelijk directeur van de bijzondere belastinginspectie te Brussel geen openbare rekenplichtige is, dus geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van de vordering tot faillietverklaring die aan het hof (van beroep) ter beoordeling is voorgelegd", En Het arrest heeft de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaard en beslist vervolgens dat het hoger beroep met het nummer 1999/AR/1203 niet ontvankelijk is en dat het hoger beroep met het nummer 1999/AR/1460 niet gegrond is en wijst eiseres af.

Grieven De vordering in rechte vereist belang en hoedanigheid (artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek). Aangezien het rechtspersonen, onder meer de Belgische Staat, betreft wordt de handelingsbekwaamheid beoordeelt zowel ten aanzien van het hoofd van het orgaan waardoor de rechtspersoon optreedt als ten aanzien van die rechtspersoon zelf, aangezien het vervullen van de eigenlijke proceshandelingen ingevolge de wet of een bijzondere volmacht aan een derde persoon kan worden toevertrouwd waarvan de "verzoeken" het geding zullen leiden. Inzake belasting over de toegevoegde waarde is de Belgische Staat houder van de belastingvordering en is het dus hij die een belang heeft om in rechte op te treden, wat hij doet door zijn bevoegd orgaan, de minister van Financiën, met dien verstande dat de gerechtelijke procedure zal worden gevoerd "ten verzoeke van" de ambtenaar die naargelang het voorwerp van de vordering in rechte door de wet wordt aangewezen.

Aangezien het gaat over de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde is die ambtenaar "de ambtenaar die belast is met de invordering" dat wil zeggen de B.T.W.-ontvanger die de wet aanwijst om de dwangbevelen uit te vaardigen (artikelen 85, §1, van het B.T.W.-Wetboek en 94 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit), uitvoerend beslag onder derden te leggen (artikel 85bis van het B.T.W.-Wetboek) een hypotheek te nemen (artikel 88 van het B.T.W.-Wetboek) en die in rechte moet worden gedagvaard wanneer de belastingschuldige zich tegen de uitvoering van het dwangbevel wil verzetten (artikel 89 van het B.T.W.-Wetboek). Alleen de B.T.W.-ontvanger , als reken-plichtige van de Schatkist, is bevoegd om de belasting over de toegevoegde waarde voor rekening van de Staat in te vorderen (artikel 59 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit), zodat geen enkele andere ambtenaar bevoegd is om inzake invordering van de belasting over de toegevoegde waarde in rechte op te treden.

De koopman die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet geschokt is, bevindt zich in staat van faillissement (artikel 2 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997). De faillietverklaring geschiedt bij vonnis van de rechtbank van koophandel waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, hetzij op aangifte van de koopman, hetzij op dagvaarding van een of meer schuldeisers, van het openbaar ministerie, van de voorlopige bewindvoerder als bedoeld in artikel 8 of van de curator van de hoofdprocedure in het geval bedoeld in artikel 3, §2 (artikel 6 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997). Het faillissement is een procedure van gezamenlijke tenuitvoerlegging die bestaat uit een geheel van regels om, op voet van gelijkheid, alle niet-bevoorrechte schuldeisers van de gefailleerde op de dag van zijn faillissement schadeloos te stellen en, in zoverre de faillissementsdagvaarding de collectieve uitoefening van de rechten van de schuldeisers op de goederen van de schuldenaar wil voorbereiden en realiseren, een procedure van inning. Zodat het arrest dat, om te besluiten dat de dagvaarding tot faillissement die is ingediend door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, in de persoon van de gewestelijke directeur van de bijzondere belastingsinspectie, ontvankelijk is, beslist dat, aangezien de litigieuze procedure geen uitvoeringsmaatregel noch een inningsmaatregel is, het feit dat de gewestelijke directeur van de bijzondere belastingsinspectie te Brussel geen openbare rekenplichtige is, de ontvankelijkheid van de vordering tot faillietverklaring, die ter beoordeling aan het hof van beroep is voorgelegd, niet raakt, de artikelen 2 en 6 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt, aangezien de dagvaarding tot faillissement wel degelijk een invorderingsmaatregel is, in tegenstelling tot hetgeen het arrest beslist, en ook dus de artikelen 17 van het Gerechtelijk Wetboek, 85, inzonderheid §1, 85bis, 88, 89, inzonderheid het tweede lid, (zoals het van kracht was voor de wijziging ervan bij artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen), van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, 59 en 94 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, aangezien, nu de dagvaarding tot faillissement wel degelijk een invorderingsmaatregel is naar luid van de voormelde bepalingen, alleen de ambtenaar die luidens de voornoemde bepalingen met de invordering is belast, dat wil zeggen de B.T.W.-ontvanger, bevoegd was om de procedure op gang te brengen, en niet de gewestelijk inspecte

ur van de bijzondere belastinginspectie.

IV. Beslissing van het Hof

Overwegende dat het middel berust op de bewering dat het faillissement een invorderingsprocedure is en dat de Staat, aangezien het gaat over de belasting over de toegevoegde waarde, alleen in rechte kan optreden ten verzoeke van de ontvanger van die belasting, die wettelijk met de invordering ervan belast is ;

Overwegende dat het faillissement een gemeenschappelijke vereffe-ningsprocedure is die is ingericht ten voordele van de gezamenlijke, door een curator vertegenwoordigde, schuldeisers die de individuele aanspraken van de schuldeisers opschort ; dat het geen invorderingsprocedure is ;

Dat het middel faalt naar recht ;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF

Verwerpt de voorziening ;

Veroordeelt eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer ...

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer ...

Ondertekeningen