---
title: "Economische activiteit, Paarden · Hof van beroep te Antwerpen, 17 januari 2023"
description: "Economische activiteit, Paarden, Recht op aftrek, paardensport, recht op aftrek van Btw. Hof van beroep te Antwerpen (België), 17 januari 2023."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/economische-activiteit-paarden-recht-aftrek-hof-van-beroep-antwerpen-2023-01-17-eacf"
lang: "nl"
---

# Economische activiteit, Paarden, Recht op aftrek, paardensport

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

17 januari 2023

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

211 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 17.01.2023

WF 713-15-19/009510

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Economische activiteit – Paarden – Recht op aftrek*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) en [45, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) WBTW

Art. 9, §1, 1e lid van de Richtlijn 2006/112/EG

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige verkoopt en verhuurt paardenboxen, maar baat ook een winkel uit met uitrusting voor zowel paard als ruiter en outdoor-activiteiten. Sinds 2011 kocht hij ook paarden aan. Er vond een controle bij hem plaats over de jaren 2015 en 2016.

De discussie gaat over de aangekochte paarden en de hiermee verbonden kosten en of dit een economische activiteit uitmaakt in hoofde van de belastingplichtige.

Hierover kon tijdens de controle geen akkoord worden bereikt met de belastingplichtige. Bijgevolg stelde de administratie hieromtrent een proces-verbaal op. Hiertegen legde de belastingplichtige een verzoekschrift neer ter griffie. In eerste aanleg verklaarde de rechter de vordering ontvankelijk maar ongegrond.

## 2) Het arrest van het hof van beroep

\* Economische activiteit

Het hof stelt vast dat geen aangifte bij het KBO werd gedaan voor paardenhandel voor de gecontroleerde jaren. Daarnaast werd er geen enkele geboorte van een veulen geregistreerd, ondanks de aankoop van twee fokmerries in 2011. Er is ook geen duidelijkheid over hoeveel paarden de belastingplichtige in zijn bezit had. De lijst van paarden werd in de loop van het onderzoek gewijzigd en gehalveerd, maar dan nog blijkt de belastingplichtige slechts als houder geregistreerd te staan van vier paarden op deze lijst.

Tijdens de gecontroleerde periode werden er slechts twee paarden verkocht, beide met verlies. Hierbij bestaat er ook nog onduidelijkheid over de identiteit van één van deze paarden. Verder konden de identiteit en adressen van de kopers van de paarden verkocht in 2018 niet worden teruggevonden in het rijksregister. Bovendien dateren deze verkoopfacturen van na de verrichte controle en hebben ze geen betrekking op de gecontroleerde periode.

Bijkomend toont de belastingplichtige ook niet aan dat de paarden deelnamen aan wedstrijden of dat er publiciteit werd gemaakt voor zijn activiteit als paardenhandelaar.

Ten slotte bevat de boekhouding van de belastingplichtige ook verschillende anomalieën met betrekking tot de paarden.

Op basis van dit alles is het hof dan ook van oordeel dat de belastingplichtige er niet in slaagt om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen. Er is in dit geval dan ook geen sprake van een duurzame economische activiteit.

Voor het overige stelt het hof dat het zich niet kan uitspreken over de fiscale behandeling van de verkoop van paarden in de navolgende jaren aangezien deze geen voorwerp uitmaken van het geschil.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken**

Vonnis van 17/01/2023

Rol: 2021/AR/1054

**V. S. A.** ON 070...96, RRN 59...52, wonende te ...,

**eiser in hoger beroep**,

vertegenwoordigd door mr. S. N. loco mr. P. J., advocaat te ... (ref.: ...)

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 april 2021, gekend onder rolnummers 19/2224/A + 20/751/A

tegen

**BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIËN**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM MECHELEN, ON 0308.357.159,

met diensten te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 17, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG, Gasten Crommenlaan 6

**verweerder in hoger beroep**, voor wie verschenen zijn de heer X en mevrouw X, beiden fiscaal ambtenaar (kenmerk: ... + ...)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 14 april 2021, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 15 juni 2021,waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

*1.1. Voorwerp van de betwisting.*

De betwisting betreft aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2016 en 2017 en de nagevorderde BTW voor de periode 2015 en 2016.

A. V. S. is sinds 1984 geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor de verkoop en de verhuur van paardenboxen. Hij had ook een paardenshop met allerlei ruiterij­ benodigdheden, uitrusting voor de paardensport en voor outdoor-activiteiten.

Sinds 2011 kocht hij zelf paarden aan.

*1.2. Aanslag en bezwaar.*

• Aankondiging controle.

Bij mail van 23 mei 2018 werd een controle op het kantoor van A. V. S. aangekondigd. Het betrof een algemene controle van zijn zelfstandige activiteit voor de jaren 2015 en 2016 en dit zowel voor de personenbelasting als voor de BTW (stuk 5 administratief dossier PB en stuk 9 administratief dossier BTW).

Er vond een controle plaats op 27 juni, 21 september en 12 oktober 2018 op het kantoor van. de gevolmachtigde van de heer V. S. .

• BTW.

Op basis van de voorgelegde stukken, de tijdens de controle gedane vaststellingen en de informatie waarover de administratie beschikte werd een correctie-opgave opgemaakt, waarin een aantal inbreuken op de BTW-wetgeving werden vastgesteld (stuk 6 administratief dossier BTW). Op 9 november 2018 verklaarde de heer V. S. zich akkoord voor een bedrag van 6. 870,43 EUR (stuk 6 administratief dossier BTW).

Tijdens het verloop van de controle werd herhaaldelijk gevraagd om het beroepskarakter aan te tonen van de aangekochte paarden en de kosten die hiermee verband hielden. Er werden stukken bezorgd, die werden onderzocht en waarin de administratie meende een aantal onregelmatigheden vast te stellen (zie kennisgeving van een proces-verbaal van regularisatie, stuk 1 administratief dossier BTW).

Op 14 november 2018 werd een proces-verbaal van regularisatie opgemaakt, dat op diezelfde dag ter kennis werd gebracht van A. V. S. (stuk 1 administratief dossier BTW).

De administratie meende dat niet werd aangetoond dat de kosten die gemaakt werden gebruikt werden voor het verrichten van belaste handelingen: er werd niet effectief gezocht naar kopers voor de paarden waardoor niet kon worden aangetoond dat het om een economische activiteit ging, de paardenhandel werd niet ingeschreven bij de KBO, er was geen aanwending van duurzame middelen of investeringen, het doel om winst te realiseren ontbrak (er werden twee paarden verkocht, beiden met verlies) en er waren zeer beperkte inkomsten in 2015 en 2016. Er werd niet aangetoond dat de kosten daadwerkelijk beroepskosten betroffen, die conform de voorwaarden van artikel 45 W.BTW konden worden afgetrokken.

Blijkens dit proces-verbaal waren aldus de volgende bedragen verschuldigd:

\- Als BTW: 17.670,40 EUR

\- Als verminderde proportionele geldboete: 1.760,00 EUR

\- Als verminderde niet-proportionele geldboete: 0,00 EUR Als tussentijdse interesten: 0,00 EUR

\- Als interesten tot 20 november 2018: 3.109,92 EUR

\- Totaal: 22.540,32 EUR, te vermeerderen met de interesten vanaf 21 november 2018.

Op 19 november 2018 werd een dwangbevel (nr. 500...88) uitgevaardigd voor voormelde bedragen, te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten vanaf 21 november 2018, de moratoire interesten op alle eventueel nog verschuldigde sommen, de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan hypothecaire inschrijving (stuk 3 administratief dossier BTW).

Dit dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op diezelfde dag.

Tegen dit dwangbevel werd door de belastingplichtige een administratief beroep ingesteld bij brief van 12 februari 2019, doch dit bezwaar werd afgewezen bij beslissing van 13 maart 2019 (stuk 2 administratief dossier BTW).

•Personenbelasting.

Op 8 november 2018 verstuurde de administratie een bericht van wijziging voor wat betreft de personenbelasting voor de aanslagjaren 2016 en 2017 (stuk 10 administratief dossier PS). De administratie stelde vast dat de heer V. S. in 2011 naast de eigenlijke beroepsactiviteit van het verhuren van paardenboxen begonnen was met de aankoop van paarden. Het betrof in de periode tot en met 2017 34 paarden waarvoor diverse kosten als beroepskosten in aftrek werden gebracht, zonder dat evenwel inkomsten werden gegenereerd. Volgens de administratie betrof deze nevenactiviteit evenwel geen beroepsactiviteit: er werden geen of nauwelijks inspanningen verricht om verkopen te realiseren, de nevenactiviteit werd niet ingeschreven bij de KSO, er werden geen duurzame middelen of investeringen aangewend en het doel om winst te realiseren ontbrak. Er werden slechts twee paarden met verlies verkocht. Het beroepsmatig karakter van de kosten werd niet bewezen.

Bijgevolg dienden de kosten voor stalgelden (huur stallen), kosten paarden, dierenartskosten te worden verworpen en dienden de telefoonkosten te worden beperkt. Daarnaast diende een herinnering voor de onroerende voorheffing te worden verworpen, alsook twee dubbel geboekte facturen.

Er diende volgens de administratie verder een belastingverhoging te worden toegepast van 10% wegens het indienen van een aangifte zonder het opzet de belasting te ontduiken, eerste overtreding.

De belastingplichtige verklaarde zich op 9 november 2018 niet akkoord met de voorgenomen wijzigingen, behalve voor wat betreft de andere te verwerpen kosten (stuk 10 administratief dossier PB), met name:

\- Beperking telefoon: 350,00 EUR per jaar

\- AJ 2017: privé-uitgave van 988,48 EUR (factuur 609)

\- AJ 2016: herinnering onroerende voorheffing: 15.612,08 EUR

\- AJ 2016: dubbelboeking factuur 237 en 262: 31.464,00 EUR

In een kennisgeving van beslissing tot taxatie van 12 december 2018 liet de administratie weten waarom ze bij haar standpunt bleef (stuk 12 administratief dossier PB).

De volgende supplementaire aanslagen werden gevestigd:

\- Aanslagjaar 2016: kohierartikel 788...51 voor een bedrag van 37.832,14 EUR (stuk 14 administratief dossier PB)

\- Aanslagjaar 2017: kohierartikel 690...80 voor een bedrag van 13.702,73 EUR (stuk 13 administratief dossier PB)

A. V. S. diende voor beide aanslagjaren een bezwaarschrift in, gedateerd op 23 mei 2019 (stuk 3 administratief dossier PB).

In het kader van het onderzoek van het bezwaar stelde de administratie op 1 augustus 2019 een vraag om inlichtingen ·(stuk 4 administratief dossier PB). Hierop werd (deels na aanmaning) geantwoord en er werden stukken overgemaakt (stuk 5 administratief dossier PB). Er werd ook een vraag om inlichtingen gesteld aan de Belgische Confederatie van het Paard VZW (stuk 6 administratief dossier PB). Ook hier werd op geantwoord (stuk 7 administratief dossier PB).

Bij beslissing van de adviseur van 20 november 2019 werd het bezwaar afgewezen (stuk 2 administratief dossier PB).

*1.3. Procedure voor de eerste rechter.*

Op 15 mei 2019 legde A. V. S. een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Hij vorderde om zijn verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren en om bijgevolg het RCIV artikel ... te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen, erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd waren. Hij vorderde om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle betaalde of ingehouden bedragen, meer de interesten en tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 2.400,00 EUR.

Deze zaak was gekend onder het rolnummer 19/2224/A.

Op 7 februari 2020 legde A. V. S. nog een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Hij vorderde om zijn verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beslissing te vernietigen en het bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren. Hij vorderde derhalve om de betwiste aanslagen integraal te vernietigen, dan wel te ontheffen en om de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIB92 en tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 EUR.

Deze zaak was gekend onder het rolnummer 20/751/A.

De eerste rechter voegde beide zaken samen wegens samenhang. Hij oordeelde dat de toelaatbaarheid van de rechtsvorderingen niet in betwisting was en ook niet ambtshalve aan te voeren was.

Ten gronde verwees hij inzake BTW naar het proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel en dat terecht op de bewijslast wees van artikel 45, §1, in fine W.BTW. Hij stelde vast dat de BTW-navordering hierop gebaseerd was en oordeelde dat de belastingplichtige niet met overtuigingsstukken aantoonde dat hij recht op aftrek had. Inzake personenbelasting diende de belastingplichtige volgens de eerste rechter aan te tonen dat aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 was voldaan. Dit bewijs werd niet geleverd, gelet op het gebrek aan samenhang en feitgebondenheid van de boekhouding.

De rechtsvorderingen werden ontvankelijk, respectievelijk toelaatbaar, doch allebei ongegrond verklaard en A. V. S. werd veroordeeld tot de kosten van het geding in beide samengevoegde zaken. De kosten werden niet vereffend bij gebrek aan opgave en begroting in conclusie. De bijdrage aan het fonds was volgens de eerste rechter definitief verworven voor het fonds.

*1.4. Procedure voor het hof van beroep.*

A. V. S., thans eiser in hoger beroep vordert om zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus teniet te doen/ te hervormen in de mate dat de oorspronkelijke vorderingen werden afgewezen als ongegrond. Hij vordert om, opnieuw rechtdoende, zijn oorspronkelijke vorderingen toelaatbaar en gegrond te verklaren en bijgevolg:

\- De betwiste aanslagen in de personenbelasting te vernietigen, dan wel te ontheffen en de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen, meer de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIB92;

\- Het RCIV artikel ... te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn en om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de interesten.

\- De kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, in hoofde van eiser in hoger beroep begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 3.600,00 EUR in eerste aanleg en 3.900, 00 EUR in hoger beroep en een bijdrage aan het begrotingsfonds van 20,00 EUR per aanleg.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert:

\- In hoofdorde om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, om het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en om de bestreden aanslagen te bevestigen, met veroordeling van eiser in hoger beroep tot de kosten van beide aanleggen;

\- In ondergeschikte orde om de aanslagen te bevestigen in de mate dat ze overeenstemmen met de elementen waarmee eiser in hoger beroep zich akkoord verklaarde, zijnde voor aanslagjaar 2016 een bedrag aan verworpen uitgaven van 47.426,08 EUR en voor aanslagjaar 2017 een bedrag aan verworpen uitgaven van 1.338,48 EUR. De Belgische Staat vordert om de belastingverhoging van 10% te willen bevestigen voor beide aanslagjaren en om eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen in hoofde van de Belgische Staat te begroten op 0,00 EUR rechtsplegingsvergoeding bij gebrek aan vertegenwoordiging door een advocaat.

De Belgische Staat vordert om bij de begroting van de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van eiser in hoger beroep rekening te houden met het deel van de aanslagen dat geen betrekking heeft op het deel waarmee hij zich akkoord verklaarde.

Ter zitting van 6 december 2022 wordt bevestigd dat eiser in hoger beroep een rechtsplegingsvergoeding vordert van 3.600,00 EUR in eerste aanleg en 4.500,00 EUR in hoger beroep. De Belgische Staat verklaart zich defensief akkoord met de begroting van de rechtsplegingsvergoeding.

## 2. Bespreking

*2. 1. Argumenten van partijen.*

Volgens A. V. S. is er wel degelijk sprake van een professionele paardenhandel. Het betreft een voortdurende economische activiteit waarbij winst wordt nagestreefd. De aankoop van 34 paarden kon niet onmiddellijk winst opleveren, vermits het veulens betrof die niet voor de leeftijd van 4 jaar, na een lang procedé van ontwikkeling kunnen worden verkocht. De aankoop van veulens biedt ook geen garantie op een verkoop met meerwaarde, vermits er pas na drie jaar kan uitgemaakt worden welke de kwaliteit van het paard is. Slechts 2 op 10 veulens bieden uitzicht op een goede winst.

In de jaren 2015 en 2016 werden zeven paarden aangekocht, waarvan enkele werden verkocht en één is overleden. Voor elk van de betrokken paarden werden de onderliggende gegevens bijgebracht. Ook de gegevens van de overige paarden werden bijgebracht.

De reclame betreft gewoonlijk mond aan mond reclame, waarbij ook de hoofdactiviteit van het verhuren van paardenboxen voor klantenbinding zorgt. Verder worden de paarden uitgebracht op wedstrijden, waar ze gezien worden door mogelijke klanten. Er wordt dus wel degelijk gezocht naar klanten.

Indien in de onderhavige jaren geen sprake zou zijn van··een economische activiteit, moet dit volgens eiser in hoger beroep ook aanvaard worden voor de daaropvolgende jaren.

Eiser in hoger beroep verwijt de administratie dat ze niet consequent handelt. Hij verwijst daarbij naar andere dossiers, waar wel zou zijn aanvaard dat het ging om een professionele paardenhandel.

De fiscale administratie van haar kant wijst erop dat het aan de belastingplichtige toekomt om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor de aftrek van de voorbelasting inzake BTW en aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 inzake personenbelasting. Er wordt niet aangetoond dat er paarden, die sinds 2011 werden aangekocht met meerwaarde werden verkocht. Er blijkt voor de betwiste jaren niet dat er sprake is van een economische activiteit. Van de twee paarden die werden verkocht werd het ene verkocht met verlies en betrof .het andere een privépaard van A. V. S. dat via zijn zaak zou zijn verkocht, zonder dat dit evenwel werd aangetoond. Het gebrek aan documenten valt op en de wel voorgelegde documenten zijn weinig geloofwaardig en niet onderbouwd.

De administratie wijst erop dat er enkel vijf verkoopfacturen worden voorgelegd, allen daterend van 2018, hetzij na de gecontroleerde periode, waarbij de paarden telkens met aanzienlijk verlies werden verkocht. Er zijn geen onderliggende stukken en de identiteit en het adres van de Belgische kopers waren niet terug te vinden in het Rijksregister.

Het overzicht van de paarden, bezorgd als stuk bij de conclusies, verschilt van het overzicht, bezorgd op 31 augustus 2018. De gegevens op deze lijst kloppen niet. Van slechts vier van de paarden, die door eiser in hoger beroep worden opgegeven blijkt eiser in hoger beroep vermeld te staan als houder in het register van de Belgische Conferentie van het Paard. Zelfs als hij deze paarden de facto hield, geeft dit geen blijk van een professioneel optreden, doch veeleer van een hobby. Voor wat andere paarden betreft, waarvoor stalgelden werden geboekt, blijkt dat deze niet voorkomen in de activa van eiser in hoger beroep. Voor wat de twee zogenaamde fokmerries betreft, die in 2011 zouden zijn aangekocht werd geen enkel veulen geregistreerd. Er is geen aangifte gedaan bij de KBO voor de paardenhandel voor de betrokken jaren. De voorraad aan paarden werd tijdens de controle gewijzigd (gehalveerd). Er zijn geen wedstrijdgegevens over de betrokken jaren en bankdocumenten ontbreken. De vordering van eiser in hoger beroep in verband met zijn shop werd in hoger beroep afgewezen door het hof van beroep te Antwerpen.

De administratie stelt dat haar geen inconsequente houding kan verweten worden. De hoedanigheid van de betrokkene betreft een feitenkwestie die jaar per jaar en geval per geval moet worden bekeken en beoordeeld. De door eiser in hoger beroep aangehaalde uitspraken betreffen andere feitelijke situaties.

*2.2. Beoordeling.*

Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen, de belasting, geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten onder meer gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen (artikel 45, §1 W.BTW).

Overeenkomstig artikel 9, §1, eerste lid van de Richtlijn wordt als "belastingplichtige" beschouwd "*eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit*".

Als "economische activiteit" worden volgens artikel 9, §1, tweede lid van de Richtlijn beschouwd "*alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitvoering van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen*".

Artikel 2, eerste lid W.BTW bepaalt dat de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting zijn onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.

Artikel 4, §1 W.BTW bepaalt wat moet worden verstaan onder het begrip "belastingplichtige": "*Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend* ".

De Belgische Staat betwist in deze dat er sprake is van een economische activiteit in de zin van de wet. Er werden volgens de administratie geen activiteiten opgebouwd met de bedoeling om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen.

Het Hof van Justitie oordeelde (H.v. J., 26 september 1996, [C-230/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-94-arrest) (E.), punt 29}, H.v.J., 19 juli 2012, [C-263/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-263-11-arrest), (R.), punt 38}: "*Ofschoon voorts criteria verband houdend met de resultaten van de activiteit op zich niet geschikt zijn om te bepalen of de activiteit erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen, kunnen bij dat onderzoek de werkelijke duur van de verhuur van de zaak, de omvang van de clièntele en het bedrag van de opbrengsten - factoren dus die tot het geheel van de omstandigheden van het concrete geval behoren - tezamen met andere factoren in aanmerking genomen worden.* "

Er kan hierbij worden geciteerd uit het arrest van het Hof van Justitie van 20 juni 2013 ([C- 219/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-219-12-arrest), (Finanzamt Freistact Rohrbach Urfahr), punt 19 en volgende):

“*19. De vraag of die activiteit erop gericht is duurzaam opbrengst te verkrijgen, is een feitelijke vraag bij de beoordeling waarvan alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen, waaronder inzonderheid de aard van de betrokken zaak (zie arrest van 19 juli 2012, R.,* [*C-263/11*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-263-11-arrest)*, punt 33).*

*20.* *Aan de hand van dit criterium moet ook kunnen worden vastgesteld of een particulier een zaak op zodanige wijze heeft gebruikt dat zijn activiteit als een "economische activiteit" in de zin van de Zesde richtlijn is aan te merken. De omstandigheid dat een zaak uitsluitend voor economische exploitatie geschikt is, volstaat in de regel om te kunnen aannemen dat de eigenaar ze ten behoeve van zijn economische activiteit exploiteert en dus om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Indien een zaak naar haar aard daarentegen zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt, moeten alle exploitatieomstandigheden worden onderzocht teneinde uit te maken of zij werkelijk wordt gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (zie arrest van 26 september 1996, E.,* [*C-230/94*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-94-arrest)*, Jurispr.blz. /-451 7, punt 27, en reeds aangehaald arrest R., punt 34).* " (onderlijning door het hof).

Het hof oordeelt dat er in deze niet aangetoond werd dat er sprake is van een duurzame economische activiteit. Integendeel haalt de administratie een aantal elementen aan, die wijzen op het tegendeel, waaronder:

\- A. V. S. deed geen aangifte bij de KBO van een paardenhandel voor de betrokken jaren.

\- Hoewel in 2011 twee fokmerries werden aangekocht werd er geen enkel veulen geboren.

\- Er is onduidelijkheid over de paarden die de heer V. S. in zijn zaak zou hebben gehad. De lijst van deze paarden werd in de loop van het fiscaal onderzoek gewijzigd en voor slechts vier van de betrokken paarden werd de heer V. S. als houder vermeld in het register van de Belgische Conferentie van het Paard.

\- Dat er wedstrijden werden gereden met de betrokken paarden blijkt uit geen enkel gegeven. Er wordt niet aangetoond dat publiciteit werd gemaakt voor de activiteit als paardenhandelaar.

\- Er werden in de bewuste periode slechts twee paarden verkocht, allebei met verlies. Dat de paarden slechts voor verkoop vatbaar zijn na een periode van vier jaar is daarbij geen argument, vermits de activiteit van paardenhandel volgens eiser in hoger beroep reeds in 2011 zou zijn opgestart.

\- De identiteit en het adres van de Belgische kopers van de paarden die in 2018 zouden zijn verkocht kon niet worden teruggevonden in het rijksregister. Bovendien dateren deze verkoopfacturen pas van na de in onderhavig dossier verrichte controle en betreffen niet de hier betwiste periode.

\- De boekhouding is zeer gebrekkig te noemen, hoewel van een professionele handelaar het tegendeel kan worden verwacht: de administratie vermeldde een aantal anomalieën in de boekhouding, die door de belastingplichtige niet worden betwist, laat staan weerlegd; er werden kosten in aftrek gebracht voor de stalling van paarden die niet voorkwamen op de lijst van paarden die A. V. S. in zijn zaak zou hebben gehad; bankdocumenten zijn niet voorhanden; er bestaat onduidelijkheid over de identiteit van één van de-twee paarden die in de betrokken jaren werden verkocht.

Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat A. V. S., op wie de bewijslast rust, niet aantoont dat er in deze sprake is van een economische activiteit en dus van de aanwending van de aan hem geleverde goederen en diensten voor het stellen van belastbare handelingen, die de aftrek van de voorbelasting kan verantwoorden. Paarden kunnen zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden worden gebruikt en uit de concrete omstandigheden blijkt in deze niet dat zij werden gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

Het feit dat A. V. S. actief is in de verkoop en verhuur van paardenboxen en in de verkoop van artikelen voor paarden doet aan het voorgaande geen afbreuk.

Het hof vermag zich in deze niet uit te spreken over de fiscale behandeling van gebeurlijke verkoop van paarden in de navolgende jaren. Deze latere jaren maken niet het voorwerp uit van onderhavig geding.

Ook hetgeen zou zijn beslist in andere dossiers, die betrekking hebben op de handel in paarden is hierbij irrelevant. De beoordeling of er sprake is van een economische activiteit betreft een feitenkwestie, die geval per geval moet worden beoordeeld en de administratie wijst er terecht op dat de feitelijke toestand in de betrokken dossiers verschilt.

Ook inzake de personenbelasting kan het standpunt van de belastingplichtige niet worden gevolgd. Opdat kosten overeenkomstig artikel 49 WIB92 als beroepskosten kunnen worden afgetrokken is vereist dat de belastingplichtige aantoont dat deze kosten in het betrokken belastbaar tijdperk werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten (in casu winsten) te verkrijgen of te behouden. Wat onder winsten dient te worden verstaan wordt in de wet verder omschreven in artikel 24 WIB92. Overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 1° WIB92 bestaat winst uit inkomsten van alle nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen die voortkomen uit alle verrichtingen gedaan door de inrichtingen van die ondernemingen of door toedoen daarvan.

Een activiteit die aanleiding geeft tot de toepassing van artikel 24 WIB92 veronderstelt een geheel van verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen en met elkaar verbonden zijn om een voortdurende en gewone bedrijvigheid uit te maken en die niet bestaan in het normaal beheer een privaat vermogen (zie de rechtspraak vermeld door J. Bossuyt, 'Auteursrechten in de inkomstenbelastingen', A. F. T., 2015, (p.17}, p.19).

Om dezelfde redenen als hiervoor vermeld, toont de belastingplichtige niet aan dat er in onderhavig geval sprake is van een beroepsactiviteit die gericht is op het verkrijgen van winst, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden om de kosten als beroepskosten in aftrek te brengen.

Zowel de aanslagen in de personenbelasting en in de BTW als de opgelegde sancties dienen behouden te blijven. Wat deze sancties betreft blijken ze niet onevenredig te zijn ten aanzien van de gepleegde inbreuken.

*2. 3. Rechtsplegingsvergoeding.*

De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat A. V. S. tot de kosten van het geding moet worden veroordeeld. De Belgische Staat liet zich niet bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, zodat ze terecht geen aanspraak maakt op een rechtsplegingsvergoeding.

De bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 EUR per aanleg dient ten laste te blijven van eiser in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rol recht in hoger beroep overeenkomstig artikel 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg. .

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van A. V. S. toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst A. V. S. in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op 0, 00 EUR.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer L. M. mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van **17 januari 2023.**

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank

Vonnis van 14/04/2021

Rol:

19/2224/A

20/751/A

Inzake

**V. S. A.**

wonende te ..., RRN: 590...52 , met ondernemingsnummer 070...96,

**eisende partij**

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. S. N. loco Mr. P. J. te ...,

TEGEN:

**DE BELGISCHE STAAT**,

In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Mechelen, met kantoor te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 17, KBO: 0308.357.159

**verwerende partij**

Vertegenwoordigd door dhr. X, adviseur.

En inzake AR Nr. 20/751/A:

**V. S. A.**

wonende te ..., RRN: 590...52

**eisende partij**

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. S. N. loco Mr. P. J. te ...,

TEGEN:

**DE BELGISCHE STAAT**,

In de persoon van de Minister van Financiën, te 1.000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Mechelen, met kantoor te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22,·KBO: 0308.357.159

**verwerende partij**

Vertegenwoordigd door dhr. X, attaché.

Gezien de stukken in de dossiers der rechtspleging,1 zoals ze voorkomen op de inventarissen ervan;

Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 17 maart 2021.

Eiser staat voor de BTW sedert 1 februari 1984 geregistreerd (0)701...96) voor drie activiteiten : 'verhuur van paardenboxen, aan- en verkoop van diverse materialen en vervaardiging van metaal- en constructiewerken';

Hij is maandaangever.

Inzake BTW en directe belastingen werd gezamenlijke controle aangekondigd+ gehouden over 2015 en 2016.

Inzake BTW volgde een correctieopgave waarmee eiser zich ten dele niet akkoord verklaarde, waarna een proces-verbaal van regularisatie van 14 november 2018.

Het stelt dat werd vastgesteld dat eiser in de periode 2011 tot en met 2017 naast verhuur van boxen zich ook bezighield met aankoop van paarden, concreet gezien 34 paarden.

Daaromtrent werden kosten zoals aankoop der paarden, stalgelden, dierenarts, ..., als beroepskosten geboekt met volledige BTW-aftrek.

Eiser bezorgde naderhand twee verkoopfacturen van paarden ('K. E., 'K. van de P.').

Van het laatst vermelde paard werd geen aankoopdocument gevonden.

De verkoopfactuur werd in het kader van de controle gewijzigd als paard M..

In de loop van de controle verkreeg de belastingdienst geen eenduidig standpunt van eiser.

Het proces-verbaal meldt dat niet werd aangetoond dat er uitgaande handelingen werden gesteld, of zelfs maar nagestreefd, bij dan afwezigheid van mogelijkheid tot aftrek van voorbelasting.

Het proces-verbaal stelt ook dat niet werd aangetoond dat" de kosten daadwerkelijk beroepskosten zijn" in de zin van art.[45 §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) Wetboek BTW.

Vanuit deelneming aan wedstrijden (in pas 2018, na de gecontroleerde controle) stelt het PV nog dat vanuit desbetreffende documenten geen beroepsmatige aard van de kosten kan worden afgeleid.

De navordering omvat rechten, 10% proportionele geldboete, intrest.

Willig administratief beroep (bezwaarschrift) van 12 februari 2019 werd 13 maart 2019 afgewezen.

De bevoegde Ontvanger vaardigde 19 november 2018 dwangschrift uit dat dezelfde dag uitvoerbaar werd verklaard (ref.500...88).

Een raadsman legde 15 mei 2019 verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neer. Afschrift van het dwangschrift is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.

Inzake personenbelasting kwam Bericht tot Wijziging van Aangifte in november 2018 dat verwerping van kosten voorneemt voor aanslagjaren 2016 en 2017 (code 1606), waarop 10% verhoging, waarop eiser zelf geventileerd antwoordde.

De belastingdienst repliceerde gemotiveerd geventileerd tot behoud van het voornemen. Hij stelde daarbij wel dat het niet gaat om code 1606 maar wel code 1657 ipv 1606.

Op 16 december werd (supplementaire) aanslag artikel 788...51 gevestigd voor aanslagjaar 2016 en 3 januari 2019 werd (supplementaire) aanslag artikel 690...80 gevestigd voor aanslagjaar 2017.

Vermelde raadsman legde 27 mei 2019 verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie. Vanuit wat voorafgaat past het vooreerst de zaken samen te voegen om reden van samenhang.

Ontvankelijkheid van de rechtsvordering onder A.R.19/2224/A staat niet in betwisting.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering onder A..R.20/751/A staat niet in betwisting, dit ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

### Ten gronde

1\. Inzake BTW streeft eiser vernietiging lees onwettigverklaring van het dwangbevel na.

Inzake personenbelasting streeft eiser vernietiging minstens ontheffing der bestreden aanslagen na.

Verweerder in beide zaken streeft afwijzing der rechtsvorderingen na.

2\. Inzake BTW is er het proces-verbaal dat krachtens art.59 §1 2de lid Wetboek BTW bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel.

Het proces-verbaal wijst daarbovenop specifiek op de bewijslast van art.[45 §1 in fine](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) Wetboek BTW.

De voorliggende door eiser betwiste BTW-navordering is erop gebaseerd.

Eiser kan slechts aanspraak formuleren op aftrek zo hij de voorwaarden daartoe aantoont.

Hij argumenteert veel, maar toont met zijn overtuigingsstukken geen recht op aftrek aan.

Art.[45 §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) Wetboek BTW vereist uitgaande BTW op voor aan eiser geleverde goederen die hij bestemt voor uitgaande belaste handelingen.

3.Inzake personenbelasting dient eiser vervulling der voorwaarden van art.49 WIB92 aan te tonen.

De fiscale vordering (door de verworpen uitgaven) wijst in een zorgvuldig uitgewerkt detail op gebrek aan samenhang bij eiser over de aangevoerde kosten en op aldus het gebrek aan bewijskracht ervan.

Van een boekhouding mag samenhang en feitgebondenheid worden verwacht. Te dezen ontbreken deze kwaliteiten volledig.

**OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,**

recht doende op tegenspraak,

voegt de zaken onder A.R.19/2224/A en A.R.20/751/A samen en beoordeelt ze in een en het zelfde vonnis.

Verklaart de rechtsvorderingen ontvankelijk, respectievelijk toelaatbaar, maar allebei ongegrond.

Veroordeelt eiser in beide zaken tot de kosten.

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, dit bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.

Bijdrage Fonds wet 19/03/2017 gestort door eiser, is definitief verworven voor het Fonds.

Dit vonnis werd uitgesproken op **veertien april tweeduizend eenentwintig** in openbare zitting van de Kamer AFi4.

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 5 voorkomens

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 2 voorkomens

[C-230/94, arrest van 26 september 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-94-arrest) 2 voorkomens

[C-263/11, arrest van 19 juli 2012](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-263-11-arrest) 2 voorkomens

[C-219/12, arrest van 20 juni 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-219-12-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Vaste termijn, Verjaringstermijn, Vordering tot teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vaste-termijn-verjaringstermijn-rechtbank-luik-2022-04-25-02bf) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplicht, Uitoefening van een economische activiteit, Aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-uitoefening-economische-activiteit-aftrek-rechtbank-2021-09-03-5ad2) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Passieve of actieve holding, Externe dienstverlening (managementadvies)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/passieve-actieve-holding-externe-dienstverlening-rechtbank-nijvel-2022-07-01-69ab) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de belasting, Verlegging van de btw-heffing -Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-belasting-verlegging-btw-heffing-rechtbank-brussel-2019-12-05-6dc1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Paardenfokkerij, Recht op aftrek, Economische activiteit, Privé-activiteit als hobby](https://juriel.be/nl/rechtspraak/paardenfokkerij-recht-aftrek-economische-activiteit-rechtbank-2022-11-24-c56d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-bergen-2022-05-20-c627) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoedanigheid van belastingplichtige, Economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoedanigheid-belastingplichtige-economische-activiteit-uitbating-rechtbank-2020-09-07-ca78) 2 gemeenschappelijke bepalingen
