Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 26.06.2000
Dwangbevel aan verkeerde persoon
De B.T.W.-belastingplichtige had verschuldigde B.T.W., speciale taks op luxemproducten, boetes en interesten niet betaald, met als gevolg dat de B.T.W.-administratie een dwangbevel uitvaardigde waartegen door de B.T.W.-belastingplichtige verzet wordt gedaan. Onderzoek heeft aangetoond dat de persoon aan wie het dwangbevel werd betekend niet dezelfde is als de bedoelde B.T.W.-belastingplichtige. Bijgevolg dient het dwangbevel te worden vernietigd. Aangezien de B.T.W.-administratie duidelijk onzorgvuldig is geweest door het dwangbevel aan de verkeerde persoon te betekenen, wordt door de rechtbank een schadevergoeding ex aequo et bono toegekend.
Vierde kamer
Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. N. Haemers
Gedelegeerd adjunct-griffier: Mevr. N. Lhoëst
Partij: V•• E• G••••••• t. De Belgische Staat
Rolnr.: 98/1186/A
I
RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding de dato 15 april 1998.
Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 7 januari 2000, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.
De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.
Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 22 mei 2000.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II
BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1.
Op 23 april 1992 werd door de bijzondere belastingsinspectie een proces-verbaal opgesteld voor overtredingen vastgesteld naar aanleiding van het nazicht van het BTW.-dossier van de heer V•• E• G•••••••, geregistreerd als B.T.W.-belastingplichtige onder het nummer •••.•••.•••, geboren te Nederland en wonende te 8450 Bredene, K••••••••••••, •• b•• ••.
Wegens niet-betaling van de verschuldigde BTW., speciale taks op luxeproducten, boete en intresten werd op 26 mei 1992 een dwangbevel lastens voormelde uitgevaardigd.
Via opzoekingen in het Rijksregister van België werd door verweerder vastgesteld dat een zekere V•• E• G••••••• (eiser), geboren te Nederland, sedert 4 september 1996 in België geregistreerd was te 2330 Merksplas, H••••••••, ••. Ervan uitgaande dat dit de aan bovenvermelde BTW.-verplichtingen onderworpen belastingplichtige was, werd hem op 8 april 1998 een dwangbevel betekend.
Op 15 april 1998 heeft eiser verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.
2.2.
Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel, uitgevaardigd op 26 mei 1992, van nul en generlei waarde is en dat eiser ontslaan wordt van alle in het dwangbevel gevorderde bedragen. Verder wordt gevraagd dat verweerder wordt veroordeeld tot de betaling aan eiser van een schadevergoeding ten bedrage van 75.000,- Bf., te vermeerderen met de wettelijke intresten.
Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3.
Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en deels gegrond wordt verklaard in de mate dat ze betrekking heeft op de nietigverklaring van het dwangbevel. Voor het overige dient de vordering van eiser als ongegrond te worden afgewezen.
III
BEOORDELING
3.1.
Uit onderzoek is gebleken dat de persoon aan wie het dwangbevel werd betekend, nl. de heer V•• E• G•••••••, A•••••••, geboren te Rotterdam (Nederland) op 13 augustus 1956, niet dezelfde is als de belastingplichtige die geregistreerd is onder het BTW.-nummer •••.•••.•••, nl. de heer V•• E• G•••••••, H••••••••, geboren te Rheden (Nederland) op 11 juli 1965.
Verweerder sluit zich derhalve aan bij de stelling van eiser dat het dwangbevel nietig is, gezien eiser niet kan geïdentificeerd worden als BTW.-belastingplichtige G••••••• V•• E• met BTW.-nummer •••.•••.•••.
Het dwangbevel dient derhalve te worden vernietigd.
3.2.
Eiser stelt verder dat verweerder willekeurig tot betekening is overgegaan, eenvoudigweg omdat eiser dezelfde naam heeft als degene lastens wie op 26 mei 1992 een dwangbevel blijkt te zijn uitgevaardigd.
Eiser vraagt dan ook dat verweerder zou veroordeeld worden wegens tergend en roekeloos geding, dan wel bij toepassing van artikel 1382 B.W.. Hij eist een schadevergoeding van 75.000,- Bf..
De Rechtbank kan geen begrip opbrengen voor het feit dat de administratie veronderstelde de juiste persoon te hebben gelokaliseerd wanneer familienaam, eerste voornaam en geboorteland overeenstemden. Verweerder is duidelijk onzorgvuldig geweest door het kwestieus dwangbevel op 8 april 1998 aan eiser te laten betekenen.
Het ongerechtvaardigd doen betekenen van een dwangbevel waarbij maar liefst 6.395.978,- Bf. achterstallige BTW. en 12.791.000,- Bf. boete wordt gevorderd is ongetwijfeld schadeverwekkend geweest in hoofde van eiser.
Aangezien de rechtbank in de onmogelijkheid is om de omvang van de schade, en derhalve het bedrag van de schadeloosstelling met nauwkeurigheid te berekenen, wordt ze ex aequo et bono begroot op 10.000,- Bf..
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
Vernietigt in hoofde van eiser het dwangbevel dat op 26 mei 1992 werd uitgevaardigd door Roland Caura , ontvanger van het BTW.-ontvangkantoor te Oostende.
Veroordeelt verweerder tot de betaling aan eiser van een schadevergoeding ten bedrage van 10.000,- Bf., meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 8 april 1998 tot 15 april 1998, datum der dagvaarding en vanaf deze datum met de gerechtelijke intresten op dit bedrag, evenzeer aan de wettelijke intrestvoet.
Wijst eiser van het overige af.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eiser begroot als volgt:
| - dagvaarding | 4535 Bef. |
| - rechtsplegingsvergoeding | 12.900 Bef. |
| - totaal: | 17.435 Bef. |
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (ondernemingsnummer, privéadres) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.