Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd. 09.11.2000
Dwangbevel - Tegenstelbaarheid
Voor betwistingen inzake belastingen waarvoor de oorzaak van de eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999, dienen vorderingen tegen de belastingadministratie te worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak. Voor de periode daarvoor kon dit enkel gebeuren door middel van dagvaarding. Wanneer derhalve een B.T.W.-belastingplichtige verzet doet tegen een dwangbevel dat betrekking heeft op de periode 1995-1996 door middel van een verzoekschrift op tegenspraak, is de vordering onontvankelijk.
Twaalfde kamer
Ondervoorzitter, Voorzitter van de Kamer: Dhr. R. Tack
Rechters: Dhr. J. De Backer, Dhr. M. Van Den Bossche
Griffier: Dhr. R. De Coninck
Partij: C•••••• C•••••• t. De Belgische Staat
Rolnr.: 00/1120/B
De rechtbank houdt rekening met volgende documenten:
1. het inleidend verzoekschrift op tegenspraak van eiseres, neergelegd op 12 april 2000 tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 14 maart 2000 en uitvoerbaar verklaard op 16 maart 2000 en aan eiseres betekend op 27 maart 2000;
2. de conclusie van verweerster neergelegd ter griffie op 2 mei 2000;
3. de conclusie van eiseres neergelegd ter griffie op 9 oktober 2000;
4. de stukken overgelegd door verweerster.
1
De vordering
De vordering van eiser strekt ertoe te zeggen voor recht dat het dwangbevel dd. 14 maart 2000 van de BTW ontvanger van Gent I uitvoerbaar verklaard op 16 maart 2000 en aan eiseres betekend op 27 maart 2000 ongegrond is.
2
Feiten en retro-akten
Op naam van C•••••• C•••••• die BTW plichtig is voor de activiteit van uitbating van een café werd een dwangbevel uitgevaardigd wegens het verschuldigd zijn van de som van 61.790 frank BTW en 123.000 frank geldboete. Deze som is verschuldigd wegens het niet betalen van verschuldigde BTW op de meeromzet ingevolge zwarte aankopen bij haar leverancier in de jaren 1995-1996.
Eiseres gaat thans in verzet tegen dit dwangbevel.
3
Geschil
Verweerster stelt dat het verzet ingeleid bij verzoekschrift onontvankelijk is wegens de verkeerde inleiding van de zaak. Dit diende bij dagvaarding te gebeuren nu de eisbaarheid van de BTW zich heeft voorgedaan in de loop van de jaren 1995-1996.
Verweerster vordert eiseres te veroordelen tot de gedingkosten.
Eiseres stelt dat het verzet ingeleid bij verzoekschrift ontvankelijk is en slechts nietig kan verklaard worden indien de wet dit uitdrukkelijk voorziet.
Bovendien ligt de oorzaak van eisbaarheid van de BTW in het dwangbevel d.d. 14/2/2000.
Subsidiair, indien de eisbaarheid van de BTW zich zou voorgedaan hebben in 1995-1996 en indien de procedure strikt genomen diende te gebeuren bij dagvaarding dan werden de belangen van verweerster op geen enkele manier geschaad nu zij kennis heeft van het inleidende verzoekschrift en haar verdediging heeft georganiseerd.
In ondergeschikte orde vragen partijen ter terechtzitting de zaak door te verwijzen naar de rol indien de Rechtbank van oordeel zou zijn dat de zaak ontvankelijk is.
4
Bespreking
1. Omtrent de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Gent bestaat geen discussie.
2. De vraag stelt zich of een verzet tegen een dwangbevel ingeleid op 12/4/2000 diende te gebeuren bij dagvaarding i.p.v. bij verzoekschrift op tegenspraak nu de eisbaarheid van de BTW zich heeft voorgedaan in de loop van de jaren 1995-1996.
3. Art. 89, 2de lid WBTW, in voege voor de wetten van 15 maart en 23 maart 1999 ( B.S. 27/3/1999) waarbij de nieuwe fiscale procedure wordt ingevoerd stelt:
"De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding. Dat verzet wordt bij exploot betekend aan de Staat, meer bepaald aan de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd."
4.1.
De wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen ( B.S. 27/3/1999) is in werking getreden de tiende dag na haar publicatie, d.i. op 6 april 1999. In art. 59 stelt deze wet:
"Artikel 89, tweede en derde lid van hetzelfde Wetboek(WBTW) wordt vervangen door de volgende bepaling: De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte."
4.2.
De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken ( B.S. 27/3/1999) is in werking getreden de tiende dag na haar publicatie, d.i. op 6 april 1999.
In art. 9 stelt deze wet:
"(In het Gerechtelijk Wetboek worden volgende artikelen ingevoegd:)
Art. 1385 decies : Tegen de belastingsadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32° , ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak..."
5. Nieuwe procedureregels zijn in principe onmiddellijk van toepassing. Dit principe geldt ook voor fiscale procedures. ( Tiberghien.A. , Inleiding tot het Belgisch Fiscaal recht., Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1986, 283.) De wet voorziet evenwel zelf in een aantal overgangsbepalingen.
Zo stelt art. 97 van de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van de fiscale geschillen:
"Voor zover zij de procedureregels wijzigen:
(...)
zijn de art. 56 en 58 tot 62 van deze wet van toepassing op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999"
6. Aldus dient te worden besloten dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het geding wordt ingeleid(verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.
In casu heeft de opeisbaarheid van de BTW zich voorgedaan in de loop van de jaren 1995-1996 zodat het verzet ten onrechte ingeleid werd bij verzoekschrift.
De wet voorziet in onderhavig geval dat de gedinginleiding dient te geschieden bij dagvaarding. (zie H. Dubois , De Hervorming van de Fiscale Procedure. BTW en andere indirecte belastingen, C.B.R. UIA studienamiddag 23 april 1999 p. 17)
7. De regel is dat een vordering die een rechtspleging op tegenspraak inleidt wordt ingesteld door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaardersexploot. Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is de gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en de vordering onontvankelijk. De nietigheidsregeling- en de vereiste van belangenschade- is terzake niet van toepassing.
De regel van art. 700 Ger.W. met betrekking tot de rechtsingang ressorteert onder de rechterlijke organisatie en miskenning ervan houdt zonder meer de onontvankelijkheid van de vordering in (Cass.27 mei 1994, RW 1994-1995 p. 1017; zie V. Dauginet , De nieuwe fiscale procedure. Commentaar bij de wetten van 15 en 23 maart 1999 p. 209).
Beschikkend gedeelte
Op die gronden,
De rechtbank,
Rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd,
Verklaart het verzet onontvankelijk;
Veroordeelt de eiseres tot de kosten van geding begroot als volgt:
aan de zijde van eiseres:
- rechtsplegingsvergoeding: 12.900 frank
- uitgavenvergoeding: 2150 frank
aan de zijde van verweerster:
- rechtsplegingsvergoeding: 12.900 frank
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.