---
title: "Douane-expediteur, Invoer/Overbrenging · Hof van beroep te Brussel, 24 maart 2026, 2012/AR/1611"
description: "Douane-expediteur, Invoer/Overbrenging, Btw-vrijstelling van artikel 40, §1, 1° d) WBTW. Hof van beroep te Brussel (België), 24 maart 2026, 2012/AR/1611."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-invoer-overbrenging-btw-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-5aee"
lang: "nl"
---

# Douane-expediteur, Invoer/Overbrenging

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Rolnummer**

2012/AR/1611

**Datum**

24 maart 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

190 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep van Brussel d.d. 24.03.2026 (2012/AR/1611)

FIN 54061083-01

\[ Gemengd arrest \]

*BTW – Douane-expediteur - Invoer/Overbrenging - Btw-vrijstelling van* [*artikel 40, §1, 1° d) WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-40)

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van Beroep van Brussel d.d. 24.03.2026 (2012/AR/1611)**

**cie1,** ON ..., met maatschappelijke zetel te ...,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. GEVERS Jurgen, advocaat te 2110 WIJNEGEM, Stokerijstraat 29D bus 8,

tegen

**DE BELGISCHE STAAT,** ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke Directeur Directie BTW Brussel 2, in de persoon van de rekenplichtige van het Centraal BTW-Ontvangkantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3107, vertegenwoordigd door de Heer E.H., inspecteur, **BBI GESCHILLENCEL ANTWERPEN,** met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 5,

geïntimeerde,

die in persoon verschijnt door tussenkomst van een ambtenaar, de heer B.V.T., attaché.

---

Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder :

 het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 16 januari 2012 (2011/3131/A), waarvan geen betekeningsakte voorligt;

 het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 8 juni 2012;

 de conclusies en syntheseconclusies van appellante, neergelegd ter griffie op 31 januari 2013, 2 augustus 2013, 31 maart 2017, 17 februari 2020 en 4 maart 2025;

 de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 30 november 2012, 29 maart 2013, 31 mei 2017 en 2 maart 2020;

 de stukken van appellante, elektronisch neergelegd op 27 april 2017 en 19 mei 2017 en ter terechtzitting op 19 februari 2020 en 13 januari 2026;

 de stukken van geïntimeerde, neergelegd op 24 augustus 2018 en ter terechtzitting op 13 januari 2026.

## 1. Relevante feiten en voorgaanden

Appellante is douane-expediteur en sinds 1 oktober 2006 erkend als aansprakelijke vertegenwoordiger onder het globaal btw-identificatienummer ... voor de vertegenwoordiging van niet in België gevestigde belastingplichtigen.

In die hoedanigheid vertegenwoordigde appellante in de periode van 12 mei 2007 tot en met 27 september 2007 de vennootschap naar Frans recht cie2 (met btw-identificatienummer ...) en dit voor 110 invoeren/overbrengingen van diverse goederen (textiel, schoeisel, koffers, gereedschap,...) voor een totale waarde van 1.878.026,80 euro (stuk 1 van geïntimeerde). In het kader van deze vertegenwoordiging beriep appellante zich op de btw-vrijstelling van [artikel 40, §1, 1° d) WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-40) wat betreft de invoer en op [artikel 39bis, lid 1, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) wat betreft de intracommunautaire overbrenging van de goederen naar Frankrijk.

Op 2 december 2010 werd een proces-verbaal lastens appellante opgesteld waarin de volgende bedragen van appellante werden gevorderd:

 394.385,62 euro btw

 788.770,00 euro btw-boete (200%)

 te vermeerderen met interesten vanaf 21 januari 2008.

De btw-administratie voerde aan dat overeenkomstig [artikel 55 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55) de aansprakelijke vertegenwoordiger in de plaats wordt gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van het btw-wetboek en dat de vertegenwoordiger met zijn lastgever hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die door de lastgever zijn verschuldigd.

In dit proces-verbaal stelt de btw-administratie dat uit informatie verkregen vanuit Frankrijk blijkt dat er geen intracommunautaire verwervingen werden aangegeven door de Franse btw-belastingplichtige cie2 voor de periode april 2007 tot en met juni 2008.

Volgens de btw-administratie heeft appellante, optredend als aansprakelijke vertegenwoordiger voor de firma cie2 ten onrechte aangifte gedaan van **invoeren** met vrijstelling van btw op basis van [artikel 40, §1, 1°, d) WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-40) aangezien er geen bewijs van intracommunautaire levering of gelijkgestelde overbrenging werd aangetoond. Het betreft een totaal bedrag aan verschuldigde btw van 394.385,62 euro maar er wordt door de btw-administratie compensatie aan btw toegestaan aangezien de nagevorderde belasting wordt geheven van een belastingplichtige-indiener die deze belasting via haar btw-aangiften kan recupereren en het derhalve een nuloperatie betreft.

Volgens de btw-administratie blijkt dat cie2 als geadresseerde van de goederen bij invoer, noch een **intracommunautaire levering noch een overbrenging** in de zin van artikel 39bis, eerste lid, 1° en **4°** conform KB nr. 52 heeft verricht en dus niet voldaan werd aan de voorwaarden tot levering met vrijstelling van btw bij toepassing en uitvoering van [artikel 39bis, eerste lid, 1° en 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis). Op grond van [artikel 15, §3 en 7 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) stelt de btw-administratie dat de levering geacht wordt plaats te hebben in België zodat de btw in België opeisbaar is en dit voor een totaalbedrag van 394.385,62 euro.

Op 9 december 2010 werd een btw-dwangbevel (nr. 410/1202/40819) uitgevaardigd en ter kennis gebracht aan appellante op 17 december 2010 (stukken 2-3 van geïntimeerde).

## 2. Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 maart 2011 stelde appellante een vordering in rechte in tegen deze btw-vordering. Appellante verzocht de rechtbank om alvorens recht te doen, geïntimeerde bij toepassing van artikel 877 Ger. W. te bevelen om de informatie die door de Franse administratie werd medegedeeld bij het dossier te voegen en vervolgens de vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren. Appellante vorderde de vernietiging van het bestreden dwangbevel en de veroordeling van geïntimeerde tot de betaling van de gerechtskosten.

Geïntimeerde verzocht de rechtbank om de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en om appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.

In het bestreden vonnis verklaarde de rechtbank de vorderingen van appellante ontvankelijk en in die mate gegrond dat de proportionele geldboete van 200% werd beperkt tot 10% op grond van artikel 1, 1° en Bijlage G, afdeling 1, punt VI1.2 van *KB* nr. 41. Partijen werden door de rechtbank elk veroordeeld tot betaling van de helft van de gerechtskosten.

De rechtbank oordeelde dat de door appellante gevraagde informatie irrelevant is voor de procedure en er geen reden is om de overlegging te bevelen. De rechtbank stelde vast dat appellante niet betwistte dat zij optrad als aansprakelijk vertegenwoordiger van cie2 en dat partijen aldus de vertegenwoordiging van appellante op grond van [artikel 2, §1, lid 1, 1° KB nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-9c47) aanvaarden. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast volledig op appellante rust en dat het vast staat dat appellante de op haar rustende verplichtingen niet nakwam zodat zij niet genieten van de vrijstelling op grond van [artikel 39bis, al. 1, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis). Het is immers niet mogelijk om na te gaan of er sprake is van een vrijgestelde intracommunautaire overbrenging. Ten overvloede verwees de rechtbank naar het feit dat de intracommunautaire overbrenging ook niet wordt bewezen. Wat betreft de geldboete van 200%, oordeelde de rechtbank dat aan appellante bijzondere slordigheden kunnen verweten worden, maar dat er geen elementen zijn om te besluiten dat dit zou gebeurd zijn met de intentie om belastingen te ontduiken of de ontduiking mogelijk te maken. De rechtbank beperkte de opgelegde boete tot 10%.

Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan bij het voormelde verzoekschrift tot hoger beroep. Geïntimeerde tekende incidenteel beroep aan.

## 3. Procedure voor het hof van beroep

De vordering van appellante opgenomen in haar laatste syntheseconclusie luidt als volgt: "Het hoger beroep van cie1 ontvankelijk en gegrond te verklaren en het incidenteel beroep van Belgische Staat ongegrond te verklaren;

Dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen als volgt:

### IN HOOFDORDE:

\- Het proces-verbaal d.d. 2 december 2010, en het dwangbevel nr. 410/1202/40819 dat op 9 december 2010 werd opgemaakt door mevrouw H.H.,.Ontvanger, en dat op 10 december 2010 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, te vernietigen en de BELGISCHE STAAT te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde en/of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten, en wel om volgende redenen:

•cie1 trad rechtsgeldig op als btw-aansprakelijk vertegenwoordiger voor cie2;

•cie2 deed een invoer gevolgd door een overbrenging naar Frankrijk;

•De toepassingsvoorwaarden voor de vrijstelling voor de overbrenging van goederen zijn voldaan;

Indien er nog twijfel zou bestaan over de aangevoerde schendingen van de btw-Richtlijn en de interpretatie van de aangevoerde bepalingen, verzoekt cie1 uw Hof om de volgende prejudiciële vragen te verwijzen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie:

> *"Laat Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-Richtlijn) — onder meer artikel 138, 1. van die Richtlijn — de lidstaten toe om de vrijstelling voor een overbrenging in hoofde van de aansprakelijk vertegenwoordiger te weigeren, wanneer vaststaat dat de goederen daadwerkelijk zijn toegekomen in de andere lidstaat, het btw-nummer van de vertegenwoordigde geldig was op het tijdstip van de overbrengingen, de aansprakelijk vertegenwoordiger de btw-listing voor intracommunautaire leveringen heeft ingediend en steeds te goeder trouw was en ook de CMR-vrachtbrieven, vervoersfacturen, betalingsbewijzen, verkoopfacturen en paklijsten erop wijzen dat de goederen voor rekening van de vertegenwoordigde werden vervoerd naar de andere lidstaat en dat de overbrenging is geschied voor een andere belastingplichtige die als zodanig handelde in die andere lidstaat?"*

Te bevestigen dat geen boete en nalatigheidsinteresten worden opgelegd aangezien de vordering ongegrond is;

De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde

en/of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten;

### IN ONDERGESCHIKTE ORDE:

\- Het proces-verbaal d.d. 2 december 2010, en het dwangbevel nr. 410/1202/40819 dat op 9 december 2010 werd opgemaakt door mevrouw H.H., Ontvanger, en dat op 10 december 2010 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, te vernietigen en de BELGISCHE STAAT te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde en/of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten, en wel om volgende redenen:

•Indien uw Hof van oordeel zou zijn dat de voorwaarden voor de vrijstelling niet voldaan zouden zijn, *quod non,* staat vast dat de BBI het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel schendt;

•Er kan geen btw worden nagevorderd in hoofde van cie1 als aansprakelijk vertegenwoordiger aangezien dit strijdig is met het evenredigheidsbeginsel zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Indien er nog twijfel zou bestaan over de aangevoerde schendingen van de btw-Richtlijn en de interpretatie van de aangevoerde bepalingen, verzoekt cie1 uw Hof om de volgende prejudiciële vraag te verwijzen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie:

> *"Laat Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-Richtlijn) — onder meer de artikelen 201 en 204 van die Richtlijn — de lidstaten toe om de aansprakelijk vertegenwoordiger onvoorwaardelijk hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de belasting die verschuldigd is naar aanleiding van het weigeren van de btw-vrijstelling, wanneer de vrijstelling wordt geweigerd voor een overbrenging omwille van de niet-aangifte van de daaropvolgende gelijkgestelde verwerving door de klant, waarvoor de aansprakelijk vertegenwoordiger niet moet instaan, terwijl vaststaat dat de goederen zijn toegekomen in de andere lidstaat, het btw-nummer van de vertegenwoordigde geldig was op het tijdstip van de overbrengingen en de aansprakelijk vertegenwoordiger de btw-listing voor intracommunautaire leveringen heeft ingediend zodat de goede trouw van de aansprakelijk vertegenwoordiger bewezen is en uit alle onderliggende stukken (zoals CMR-vrachtbrieven, vervoersfacturen, betalingsbewijzen, verkoopfacturen en paklijsten) bleek dat de vrijstelling kon worden toegepast zodat hem ook geen fout of nalatigheid kan worden verweten?"*

Indien uw Hof zou oordelen dat wel een boete en nalatigheidsinteresten kunnen worden opgelegd, *quod non,* de boete en de nalatigheidsinteresten kwijt te schelden, minstens te verminderen, of uiterst ondergeschikt de boete en de nalatigheidsinteresten met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen;

Indien er nog twijfel zou bestaan over de aangevoerde schendingen van de btw-Richtlijn en de interpretatie van de aangevoerde bepalingen, verzoekt cie1 uw Hof om de volgende prejudiciële vraag door te verwijzen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie:

> *"Is een boete van 200%, wegens inbreuken begaan op de btw-wetgeving, en het opleggen van nalatigheidsinteresten van maandelijks 0,8% (jaarlijks 9,6%) verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel, zoals vervat in artikel 49 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, indien een dergelijke boete en nalatigheidsinteresten worden nagevorderd van de hoofdelijk aansprakelijk vertegenwoordiger die te goeder trouw handelde aangezien het bewijs werd geleverd dat aan de voorwaarden voor toepassing van de btw-vrijstelling van de overbrengingen werd voldaan en zonder dat de administratie enig bewijs levert van het bedrieglijk opzet of fraude van de aansprakelijk vertegenwoordiger?"*

### IN IEDER GEVAL:

De BELGISCHE STAAT te veroordelen tot de gerechtskosten, met inbegrip van het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, begroot op:

 Het basisbedrag van 16.500,00 EUR voor de eerste aanleg;

 Het basisbedrag van 22.500,00 EUR voor de tweede aanleg."

Appellante voert hiertoe de volgende middelen aan:

 de btw-vrijstellingen werden terecht toegepast, cie2 deed invoeren gevolgd door overbrengingen naar Frankrijk en Duitsland, er werd voldaan aan de twee materiële voorwaarden, met name een verzending buiten België, maar binnen de Gemeenschap, zijnde een vervoer naar Frankrijk en Duitsland en dit voor een belastingplichtige die als zodanig handelde in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van het vervoer van de goederen, zijnde cie2;

 de rechtspraak aangehaald door geïntimeerde is niet relevant in onderhavige betwisting;

 de btw-administratie heeft het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel geschonden;

 de boete en de nalatigheidsinteresten moeten worden kwijtgescholden, minstens worden verminderd, minstens dient uitstel van tenuitvoerlegging te worden toegekend.

Geïntimeerde verzoekt het hof om het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.

Geïntimeerde voert hiertoe de volgende middelen aan:

de bewijslast voor toepassing van de vrijstelling ligt bij appellante, door de handelswijze van appellante zijn de goederen uit het te controleren handelscircuit verdwenen, er wordt geen enkel positief bewijs geleverd dat de vermelde bestemmeling de werkelijke ontvanger van de goederen is, appellante heeft niet zorgvuldig gehandeld, appellante heeft haar taak enkel op administratieve wijze ingevuld zonder rekening te houden met de rechten en plichten die met haar activiteit gepaard gaan;

 er is geen sprake van enige schending van het rechtszekerheids- of evenredigheidsbeginsel;

 er zijn wel degelijk elementen die minstens de intentie om de ontduiking van btw mogelijk maken aantonen, appellante heeft de op haar rustende wettelijke verplichtingen op een dermate flagrante wijze geschonden dat de goederen die via haar passeren daardoor volledig uit het te controleren handelscircuit zijn verdwenen, de eerste rechter heeft ten onrechte de boete van 200% naar 10% verlaagd.

De zaak werd ab initio hernomen en behandeld in openbare terechtzitting van 13 januari 2026 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

## 4. Beoordeling

### 4.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van het hoger beroep en incidenteel beroep worden niet betwist. Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn, zijn het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep en incidenteel beroep ontvankelijk.

### 4.2. Wat betreft de voorwaarden om de btw-vrijstelling overeenkomstig artikel

#### 39bis WBTW toe te passen

#### *Voorafgaandelijk en relevante bepalingen*

*Aansprakelijke vertegenwoordiger inzake btw*

Het hof stelt vast dat tussen partijen geen betwisting bestaat dat appellante optrad als aansprakelijke vertegenwoordiger voor cie2 overeenkomstig [artikel 2 van het KB nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-9c47) van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, zoals te dezen van toepassing. Dit artikel 2 bepaalt o.a, het volgende, zoals te dezen van toepassing:

„§ 3

De vooraf erkende persoon bedoeld in § 1, eerste lid, wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek voor de handelingen die hij verricht of die hem hier te lande worden verstrekt onder het globale BTW-identificatienummer."

[Artikel 4 van het KB nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-april-betrekking-toepassingsmodaliteiten-belasting-toegevoegde-2e67#ar31-art4), zoals te dezen van toepassing, luidt als volgt:

„§ 1

De niet in België gevestigde belastingplichtige stuurt de voor zijn medecontractant bestemde factuur naar zijn aansprakelijke vertegenwoordiger of naar de vooraf erkende persoon die hij vertegenwoordigt zonder het bedrag van de verschuldigde belasting erop te vermelden.

§2

De aansprakelijke vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon stelt in die hoedanigheid een stuk in tweevoud op, waarin de bij [artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde vermeldingen voorkomen. Hij stuurt het origineel van dat stuk naar de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige na de factuur welke die belastingplichtige voor zijn medecontractant heeft bestemd eraan gehecht te hebben. Hij bewaart het dubbel van dat stuk.

Het stuk bedoeld in het voorgaande lid dient te worden beschouwd als noodzakelijk deel uitmakend van de factuur die wordt uitgereikt door de niet in België gevestigde belastingplichtige.

§3

Door of vanwege de Minister van Financiën kan in de gevallen die hij aanwijst en onder de voorwaarden die hij bepaalt de aansprakelijke vertegenwoordiger van de niet in België gevestigde belastingplichtige worden toegestaan het in § 2 bedoelde stuk niet op te stellen."

Wat betreft de btw aansprakelijke vertegenwoordiger bepaalt [artikel 55, §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55), zoals te dezen van toepassing, eveneens het volgende:

„§ 4

De aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in §§ 1 of 2 wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek.

Die vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon bedoeld in § 3, tweede lid is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die laatstgenoemde verschuldigd is krachtens onderhavig Wetboek."

De rechten en verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger werden eveneens opgenomen in een circulaire aangaande de toepasselijke regeling voor de door de niet in België gevestigde belastingplichtigen verrichte handelingen (Circ. nr. 4, E.T. 103.925 d.d. 4 maart 2003 — stuk 6 van geïntimeerde).

*Overbrenging*

Het hof stelt eveneens vast dat partijen aangaande de handelingen die ter betwisting staan, verwijzen naar een overbrenging van de goederen overeenkomstig [artikel 12bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12bis). Partijen bevestigen immers dat er geen eigendomsoverdracht plaatsvond.

[Artikel 12bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12bis), zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld en dat als overgebracht naar een andere lidstaat wordt beschouwd elk lichamelijk goed dat door of voor rekening van de belastingplichtige buiten België maar binnen de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd voor bedrijfsdoeleinden.

Wat betreft de btw-vrijstelling, die in onderhavige betwisting ter discussie staat, verwijzen partijen naar [artikel 39bis, eerste lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis), zoals te dezen van toepassing, dat als volgt luidt:

> #### "Art. 39bis
>
> Van de belasting zijn vrijgesteld:
>
> **1°** de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4;
>
> **2°...**
>
> **3°...**
>
> **4°** de in artikel 12bis bedoelde leveringen van goederen andere dan die onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, waarvoor de vrijstelling als bedoeld in 1° zou gelden, indien zij voor een andere belastingplichtige zouden zijn verricht."

In de mate dat er sprake is van een overbrenging, bepaalt [artikel 2 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde dat de belastingplichtige gehouden is een stuk op te maken voor de in [artikel 39bis, eerste lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) bedoelde leveringen van goederen.

*Standpunt partijen*

Appellante voert aan dat de overbrenging terecht werd vrijgesteld van btw aangezien zij voldoet aan de twee materiële voorwaarden.

Het bewijs werd geleverd dat de betreffende goederen verzonden of vervoerd werden buiten België, maar binnen de gemeenschap, in casu werden de goederen vervoerd naar Frankrijk en Duitsland en is overeenkomstig [artikel 138](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138),[1](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-1) van de btw-richtlijn niet vereist dat de goederen worden afgeleverd op een specifieke plaats in dat land. Dat de goederen niet werden afgeleverd op het adres van de maatschappelijke zetel van cie2 is niet relevant. Het adres waar de verzending of het vervoer eindigt, is irrelevant, waarbij appellante verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie (arrest P. en cie5).

Het bewijs werd geleverd dat de goederen voor beroepsdoeleinden werden overgebracht naar cie2, zijnde een als zodanig handelende belastingplichtige in Frankrijk en Duitsland. cie2 heeft de 110 overbrengingen verricht, dat wordt o.a. bewezen door het feit dat appellante rechtstreeks factureerde aan cie2 die ook rechtstreeks betaalde aan appellante. Door het verlenen van de btw-compensatie heeft de btw-administratie erkend dat cie2 handelde als btw-belastingplichtige. Dat cie2 de btw in Frankrijk over een intracommunautaire verwerving niet heeft afgedragen, kan niet aan appellante worden verweten.

Appellante stelt dat aangezien aan deze twee materiële voorwaarden, hetgeen de enige vereiste voorwaarden zijn, werd voldaan, de vrijstelling door de btw-administratie niet kan worden geweigerd louter omwille van de miskenning van een administratieve verplichting door de aansprakelijke vertegenwoordiger.

Geïntimeerde voert aan dat appellante faalt in de op haar rustende bewijslast en er wordt geen positief bewijs geleverd dat de vermelde bestemming de werkelijke ontvanger van de goederen is.

*Beoordeling*

Als aansprakelijke vertegenwoordiger draagt appellante de bewijslast van de voorwaarden teneinde te genieten van een btw-vrijstelling.

Ten onrechte voert appellante aan dat het voldoende is om aan te tonen dat de goederen werden vervoerd van België naar Frankrijk en/of Duitsland en dit ongeacht op welk specifiek adres in dat land.

Een overbrenging houdt immers in dat er geen eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden en zoals geïntimeerde terecht aanvoert, heeft een 'overbrenging' betrekking op ondernemingen die goederen van hun bedrijf materieel verplaatsen van één lidstaat naar een andere lidstaat en het doel van dit stelsel houdt in een controle te behouden op de interne goederenbewegingen.

Er moet aldus o.a. worden aangetoond dat het gaat om een overbrenging van een lichamelijk roerend goed behorend tot het bedrijf en dat dat goed naar een andere lidstaat wordt verzonden of vervoerd voor de bedrijfsdoeleinden van die belastingplichtige.

Het aldus zonder meer vervoeren van goederen naar Frankrijk of Duitsland of het louter bezitten van een Frans btw-nummer is dus geenszins voldoende, zoals ten onrechte geponeerd door appellante. Er moet worden aangetoond dat de betreffende goederen daadwerkelijk aan cie2 materieel werden vervoerd. Geïntimeerde stelt dan ook terecht dat appellante niet aantoont dat de betreffende goederen wel degelijk bij de Franse vennootschap cie2 zijn aangekomen. In tegenstelling tot hetgeen appellante aanvoert, voegt de btw-administratie geenszins een voorwaarde toe aan de in de btw-richtlijn geldende voorwaarden om te kunnen spreken van een van btw vrijgestelde overbrenging. Immers kan op geen enkele wijze de interne goederenbeweging in onderhavige betwisting worden gecontroleerd.

Het louter verwijzen naar een mandaat om op te treden als aansprakelijke vertegenwoordigen en het louter voorleggen van facturen volstaat niet om wat betreft de betwiste handelingen de btw-vrijstelling aan te tonen. Wat betreft het voorgelegde mandaat (stuk 7 van appellante) blijkt bovendien dat dit niet gedateerd is, geen handtekening bevat van appellante en enkel een onleesbare handtekening namens cie2 bevat. Bovendien wordt in dit 'mandaat' gesteld dat cie2 alle documenten zal bezorgen aan appellante, in het bijzonder de aankoop- en verkoopfacturen van de goederen. In casu worden alleszins geen verkoopfacturen van de betreffende goederen door cie2 voorgelegd. Tenslotte wordt in het 'mandaat' gesteld dat de goederen moeten vervoerd worden naar Frankrijk en is dus geenszins sprake van enig vervoer naar Duitsland.

Ook de door appellante voorgelegde CMR-documenten vertonen gebreken (onleesbare handtekening, geen firmastempel, geen data,...) en verwijzen naar verschillende adressen waarvan op geen enkele manier de band met cie2 kan worden aangetoond of zelfs aannemelijk wordt gemaakt. Uit niets blijkt dat die adressen verband houden met cie2, nochtans vereist om te spreken over een 'overbrenging'. Voor bepaalde invoeren zijn er zelfs geen CMR-documenten (p.28 van het proces-verbaal), desondanks dat uit het dossier blijkt dat appellante betrokken was bij de organisatie van het vervoer aangezien appellante bevestigt dat zij transportkosten factureerde aan cie2.

Op basis van de aan het hof voorgelegde dossiers blijkt dus geenszins dat het cie2 was die de betreffende goederen in het kader van haar btw-activiteit overbracht naar Frankrijk en Duitsland. In tegendeel, op basis van de aan het hof voorgelegde dossiers blijkt dat elke controle van de beweging van de goederen onmogelijk is gemaakt. Dat de goederen ergens in Frankrijk of Duitsland zijn beland, is mogelijk, maar op basis van de voorgelegde gegevens wordt door appellante niet aangetoond dat deze goederen door of voor rekening van de Franse vennootschap cie2 voor haar bedrijfsdoeleinden zijn overgebracht van België naar Frankrijk en Duitsland.

Uit het aan het hof voorgelegde dossier blijkt niet dat er enige contactname was tussen appellante en cie2 in het kader van elk van de 110 invoeren. Het louter voorleggen van een algemeen gebrekkig opgesteld mandaat volstaat hiertoe niet. Appellante toont niet aan dat de vermelde bestemmeling de werkelijke ontvanger van de goederen is. Appellante beperkt zich tot algemeenheden met name dat de 'meeste goederen' daadwerkelijk werden geleverd op diverse adressen rond Parijs en dat de maatschappelijke zetel van cie2 gelegen is in diezelfde regio.

Wat betreft de bewering van het feit dat appellante rechtstreeks werd betaald door SARL cie2 blijkt uit de eigen stukken van appellante dat middels cheques werd betaald die werden gestort op rekening van cie1 met zetel te Frankrijk en dit op een Franse rekening bij *cie3* (stukken 9 en 11 van appellante). Appellante stelt dan ook ten onrechte dat zij rechtstreeks werd betaald door cie2.

In tegenstelling tot hetgeen appellante beweert, zijn wat betreft de betwiste handelingen de materiële voorwaarden teneinde beroep te kunnen doen op de btw-vrijstelling geenszins aangetoond door appellante.

Het feit dat de btw-administratie een compensatie verleende voor de btw verschuldigd bij invoer van de goederen, doet aan dit oordeel geen afbreuk. Het is appellante die de bewijslast draagt van een btw-vrijstelling.

Op basis van het geheel van deze overeenstemmende objectieve elementen staat het vast dat appellante ten onrechte beroep heeft gedaan op de btw-vrijstelling en werd de btw-vrijstelling aldus terecht verworpen door geïntimeerde.

Volledigheidshalve verwijst het hof tenslotte naar de terechte beoordeling door de rechtbank dat appellante bovendien de op haar rustende administratieve verplichtingen niet heeft ingevuld. Van enige louter formele administratieve vergissing is geen sprake. Alleszins ontbreekt het overbrengingsstuk ([artikel 2 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2)), noodzakelijk in het kader van de overbrengingen, teneinde de goederenstroom te controleren.

Appellante handelt bovendien tegenstrijdig en stelt ten onrechte dat zij heeft voldaan aan de verplichtingen vooropgesteld in Circulaire nr. 4 (stuk 6 van geïntimeerde), met name dat zij wel degelijk correct een bijkomend stuk bedoeld in [artikel 4, §2 van het KB nr. 31](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-april-betrekking-toepassingsmodaliteiten-belasting-toegevoegde-2e67#ar31-art4) zou hebben opgesteld en toegezonden aan cie2. Dit betreft immers een bijkomend stuk dat dient opgesteld te worden indien beroep wordt gedaan op [artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis), zoals te dezen van toepassing (nrs. 247 en 248b [Circulaire 4/2003](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/4-2003-representant-responsable-assujetti-etranger-etablissement-4733)), en dus niet artikel 39bis, eerste 1, 4° WBTW in het kader van een overbrenging waarop appellante zich nochtans beroept. Bovendien dienen in het geval van de toepassing van [artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) ook nog andere verplichtingen te worden nageleefd met name dient in een eerste fase de niet in België gevestigde belastingplichtige de voor zijn medecontractant bestemde factuur te bezorgen aan de aansprakelijke vertegenwoordiger (nrs. 248a en c [Circulaire 4/2003](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/4-2003-representant-responsable-assujetti-etranger-etablissement-4733)) én moet de aansprakelijke vertegenwoordiger daarna het stuk bezorgen aan de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige. Aan deze administratieve verplichtingen heeft appellante geenszins voldaan en geïntimeerde stelt terecht dat aldus de klant nooit gekend is en de facturatieverplichting zoals voorgeschreven in punt 247 en 248 [Circulaire 4/2003](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/4-2003-representant-responsable-assujetti-etranger-etablissement-4733) niet is vervuld. De *'note de debit'* voorgelegd door appellante in haar stukkenbundel (stuk 9 van appellante) verwijzen steeds naar de toepassing van [artikel 39bis, lid 1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) en niet naar [artikel 39bis, lid 1, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis).

Ofwel gaat het over een intracommunautaire levering (met name een levering aan een klant van cie2) ofwel gaat het over een overbrenging (met name eventueel een levering bij een opslagruimte van cie2), maar een combinatie van beide is niet mogelijk. Noch een buitenlandse factuur (tussen cie2 en een beweerde klant) noch een overbrengingsstuk zijn in het bezit van appellante en zijn dus niet opgenomen in haar boekhouding.

Appellante kan zich niet verschuilen achter louter (enkele, beperkte en onregelmatig opgestelde) formele documenten. Gelet op haar eigen handelswijze, kan appellante bezwaarlijk stellen dat zij alles gedaan heeft wat redelijkerwijze in haar mogelijkheden lag om te vermijden dat zij bij dergelijke fraude betrokken is geraakt.

Aangezien appellante faalt in de op haar rustende bewijslast wat betreft de door haar ingeroepen btw-vrijstelling, dient er aldus dienaangaande ook geen prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie.

Het hoger beroep van appellante op dit middel is ongegrond.

### 4.3. Inzake de beweerde schending van het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel

Appellante voert aan dat indien het hof zou oordelen dat niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling, de btw-administratie het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Volgens appellante is de onvoorwaardelijke hoofdelijke gehoudenheid niet toegelaten wegens strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel ingevolge rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ 21 december 2011, cie4, [C-499/10](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-499-10-arrest)). Volgens appellante moet worden nagegaan of de vertegenwoordiger wist of had moeten weten dat de btw door zijn klant niet zou worden afgedragen en worden in onderhavige betwisting alle bewijsstukken voorgelegd die van appellante kunnen worden verlangd om de toegepaste vrijstelling te rechtvaardigen.

Volgens appellante had zij wel een rechtstreeks mandaat van cie2, die de facturen betaalde en heeft appellante alle documenten zoals verkoopfacturen, paklijsten, CMR-documenten nauwgezet gecontroleerd, bewaard en ook voorgelegd.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan, zoals appellante terecht stelt, inderdaad worden afgeleid dat een systeem van onvoorwaardelijke aansprakelijkheid kan leiden tot een schending van het evenredigheidsbeginsel. Wanneer de aansprakelijkheid voor betaling van btw bij een andere persoon dan de schuldenaar wordt gelegd zonder dat hem de mogelijkheid wordt geboden aan deze aansprakelijkheid te ontkomen door te bewijzen dat hij volledig buiten de handelingen van deze schuldenaar staat, is dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het zou, volgens het Hof van Justitie, immers kennelijk onevenredig zijn om deze persoon onvoorwaardelijk aan te spreken voor een tekort aan belastinginkomsten dat is veroorzaakt door de handelingen van een derde belastingplichtige waarop hij geen enkele invloed had (vgl. HvJ 30 april 2025, [C-278/24](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-278-24-arrest) en HvJ 12 december 2024, [C-331/23](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-331-23-arrest)).

Gelet op de concrete gegevens en de aan het hof voorgelegde stukken, oordeelt het hof dat appellante evenwel geenszins nauwgezet alles heeft gecontroleerd en opgevolgd. Dit blijkt al duidelijk uit de onregelmatige voorgelegde of ontbrekende CMR-documenten. Het louter voorleggen van een (gebrekkig) mandaat is niet voldoende. Het is appellante die de keuze heeft gemaakt om op te treden als aansprakelijke vertegenwoordiger van cie2 en het is dan ook appellante die gehouden is tot het nakomen van alle verplichtingen die dat met zich meebrengt. Er kan door appellante geen volledig dossier worden voorgelegd per invoer gevolgd door een beweerde overbrenging. Appellante beperkt zich tot loutere beweringen en verschuilt zich achter louter administratieve vergissingen. Terecht voert geïntimeerde aan dat appellante haar verantwoordelijkheden als aansprakelijke vertegenwoordiger niet kan ontlopen door zich te verschuilen achter derde of zich kan beperken tot louter administratieve verplichtingen. Het staat vast dat appellante, als aansprakelijke vertegenwoordiger van cie2, geen contact opnam met deze vennootschap en zelf geen stappen ondernam om haar dossier te staven of te controleren. En dit ondanks de vele aangiftes die door haar werden gedaan, het betreft in casu maar liefst 110 aangiftes op een periode van slechts 4 maanden.

Van goede trouw in hoofde van appellante is geen sprake, gelet op de concrete gegevens van het dossier, in het bijzonder gelet op de zeer vele aangiftes die door haar werden gedaan als aansprakelijke vertegenwoordiger voor een buitenlandse vennootschap waarmee zij geen rechtstreeks contact had. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bijzondere positie van de aansprakelijke vertegenwoordiger die juist bedoeld is om fraude te voorkomen en dat aldus van appellante, als professionele speler, de nodige nauwkeurigheid en zorgvuldigheid kan verwacht worden. Appellante heeft zelf niet voldaan aan de administratieve verplichtingen die op haar rustten en heeft bijzonder nalatig opgetreden teneinde enige controle uit te voeren op de vennootschap voor wie zij optrad. Het betreft

een persoonlijke tekortkoming. Er is geen sprake van enige schending van het rechtszekerheids- of evenredigheidsbeginsel door geïntimeerde. Appellante is allerminst zorgvuldig geweest zodat enige verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie dienaangaande dan ook niet relevant is.

Appellante dient aldus wel degelijk aangesproken te worden op grond van haar hoofdelijke aansprakelijkheid krachtens [artikel 55 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55) en het hoger beroep van appellante op dit middel is eveneens ongegrond.

### 4.4. Inzake de geldboete van 200%

Appellante voert aan dat de opgelegde geldboete niet evenredig is met de vermeende inbreuken en verwijst naar de volgende omstandigheden:

\- de boete betreft een buitensporige last en is volledig disproportioneel met de kost van een aangifte die door appellante moest worden ingevuld, welke de enige formaliteit was die zij diende te vervullen voor cie2;

\- een dergelijke boete is een aanslag op de financiële toestand van appellante, de continuiteit komt in het gedrang;

een dergelijke boete is niet evenredig met de inbreuk en met het doel van een administratieve boete;

indien de vrijstelling geweigerd wordt, wordt appellante de facto reeds gesanctioneerd aangezien zij het volledige btw-bedrag zal moeten afdragen en dit btw-bedrag als dusdanig reeds substantieel is.

Tevens voert appellante aan dat geen rekening wordt gehouden met het feit dat zij te goeder trouw is en geen enkel financieel voordeel heeft gehaald uit het feit dat cie2 de btw in Frankrijk kennelijk niet heeft afgedragen. Tenslotte voert appellante aan dat zij wel rechtstreeks contact had met cie2 daar zij rechtstreeks aan cie2 factureerde en cie2 haar ook rechtstreeks betaalde en dat het niet verdacht of onregelmatig is dat een aansprakelijke vertegenwoordiger instructies of documenten zou krijgen via een expediteur-tussenpersoon.

Geïntimeerde stelt incidenteel beroep in wat betreft de geldboete en voert aan dat de rechtbank ten onrechte de boete van 200% naar 10% verlaagd heeft. Volgens geïntimeerde kan appellante haar verantwoordelijkheden als aansprakelijke vertegenwoordiger niet ontlopen door te stellen dat zij enkel gehandeld heeft overeenkomstig de instructies die zij van haar opdrachtgever mocht ontvangen. Volgens geïntimeerde toont de handelswijze van appellante wel degelijk de intentie aan om de ontduiking van btw mogelijk te maken.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van de artikelen [70, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en [70, §2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) WBTW een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken ([artikel 1 KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1)).

In het proces-verbaal wordt de boete als volgt gemotiveerd:

> *"Immers, uit de gedane vaststellingen blijkt dat de cie1 bijzonder onnauwkeurig, om niet te zeggen uitermate nonchalant, heeft gehandeld.*
>
> *Bij nazicht is gebleken dat de leveringsplaatsen die worden vermeld op de cmr's steeds verschillend zijn met het adres dat wordt vermeld op de btw-nota (cie2, ... in ... ...), zodat de werkelijke afnemers en hun buitenlands btw-identificatienummer onbekend blijven.*
>
> *Door deze houding is het onmogelijk de goederenstroom te volgen, wat precies de essentiële bedoeling is van de door belastingplichtige na te leven wetgeving en instructies;*
>
> *Aldus worden goederen aan het controleerbare handelscircuit onttrokken zodat ontduiking van de btw wordt mogelijk gemaakt."*

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Hij mag dus onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een sanctie met de betrokken omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder rekening houden met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 24 maart 2023, [F.21.0056.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10) en Cass. 23 september 2022, [F.20.0112.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-evenredigheid-vermindering-cassatie-brussel-2022-09-23-f674)).

De verplichting tot eerbiediging van het EU-recht — dat ook de BTW-wetgeving omvat — gebiedt de rechter om met volle rechtsmacht de evenredigheid van de administratieve btw-boeten te controleren (vgl. HvJ 8 mei 2019, [C-712/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-712-17-arrest) en HvJ 11 december 2025, C-665/24).

De hoegrootheid van de boete is het gevolg van de grote hoeveelheid aan aangiften die appellante heeft gedaan voor een Franse vennootschap waarbij zij geen contact opnam per specifieke aangifte. Het is de eigen keuze van appellante geweest om op die wijze op te treden als aansprakelijke vertegenwoordiger en zij dient daarvan dan ook de gevolgen te dragen. Gelet op de door appellante voorgelegde CMR-documenten was appellante aldus op de hoogte dat de vele goederen naar verschillende adressen werden vervoerd, zowel naar Frankrijk als naar Duitsland, waarbij enig verband met de Franse vennootschap ontbrak en waarbij appellante, zich klaarblijkelijk ook geen vragen stelde. Voor appellante was het klaarblijkelijk voldoende dat de goederen werden vervoerd ergens naar Frankrijk of Duitsland. Appellante bevestigt bovendien zelf haar nalatig handelen en onzorgvuldig handelen door te stellen dat de enige formaliteit die zij diende te vervullen voor cie2 was, het invullen van een aangifte. Het staat onomstotelijk vast dat de taak van een aansprakelijke vertegenwoordiger niet kan beperkt worden tot het louter invullen van een aangifte.

Het hof stelt vast dat appellante geen stukken voorlegt aangaande haar financiële situatie teneinde te stellen dat er sprake zou zijn van een buitensporige last of een aanslag op haar financiële toestand.

De btw-inbreuken, zijnde het claimen van een groot bedrag aan btw-vrijstellingen, terwijl niet wordt bewezen dat aan de vrijstellingsvoorwaarden werd voldaan, staan vast en het staat vast dat appellante weinig moeite heeft gedaan om de dossiers van de vele aangiften te onderbouwen en zich beperkt heeft tot het stelselmatig invullen van aangiftes zonder enig eigen nazicht of controle. Waarbij appellante, nochtans op de hoogte van de wijze van het transport van de goederen, zich in het kader van de overbrenging tevreden stelde met het louter vervoeren ongeacht waar concreet de goederen werden afgeleverd. De door appellante voorgelegde CMR-documenten vertonen gebreken of ontbraken gewoonweg. Appellante heeft dus geen rekening gehouden met de plichten opgelegd in het kader van de aansprakelijke vertegenwoordiging.

Gelet op de concrete gegevens van het dossier en rekening houdende met het feit dat gaat over veelvuldige inbreuken die elkaar zeer snel en in korte tijd hebben opgevolgd, oordeelt het hof dat een btw-boete vastgesteld op 100% in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken, de ernst en de omvang ervan. In die mate is het incidenteel beroep gegrond.

De hoofdelijke gehoudenheid van appellante tot de btw-boete moet in die mate aldus verminderd worden. Er is dienvolgens geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

In zoverre [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) aan de rechtbanken en hoven niet toelaat om een uitstel te verlenen, is het in strijd met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Deze ongrondwettigheid belet een rechter niet om [artikel 70 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) toch toe te passen wanneer de rechter vaststelt dat de inbreuken vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de inbreuk en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (vgl. GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020 en Cass. 12 januari 2018, [F.16.0127.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2018-01-12-aa91)).

Gelet op de bijzondere omstandigheden van het dossier, oordeelt het hof dat een effectieve sanctie nodig is, er is geen reden om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

### 4.5. Inzake de nalatigheidsinteresten

Appellante verzoekt vrijstelling, minstens vermindering van nalatigheidsinteresten. Appellante stelt dat gelet op de zwaarte van de nalatigheidsinteresten deze als een strafrechtelijke sanctie moeten worden beschouwd en verzoekt dienaangaande eveneens uitstel van uitvoering.

Wat de interesten betreft, deze zijn verschuldigd krachtens [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) en zijn van rechtswege opeisbaar. De interest inzake btw is bovendien geen strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (vgl. Cass. 24 maart 2023, [F.21.0076.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/interest-systeem-verrekening-tarief-strijdigheid-cassatie-brussel-2023-03-24-9b56) en Cass. 13 februari 2026, [F.22.0122.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nalatigheidsinterest-moratoire-interesten-cassatie-brussel-2026-02-13-93a1)).

Het hof verwijst naar [artikel 84bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis), zoals te dezen van toepassing (huidig artikel 70 WMGI), dat bepaalde dat in bijzondere gevallen de bevoegde adviseur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling mag verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan. De mogelijkheid om een dergelijke vrijstelling te bekomen is een gunstmaatregel die tot de discretionaire bevoegdheid van de adviseur-generaal behoort. Wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de adviseur-generaal een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing mag de rechtbank niet in zijn plaats treden (vergelijk Cassatie, 4 maart 2004, C.03.0346.N, C.03.0448.N en C.03.0449.N).

In onderhavige betwisting heeft appellante dergelijk verzoek nooit voorgelegd aan de bevoegde adviseur-generaal, er is dan ook geen reden om de interesten, die wettelijk verschuldigd zijn, kwijt te schelden of te verminderen of om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.

### 4.6. Gerechtskosten

Aangezien partijen onderscheidenlijk omtrent een geschilpunt in het ongelijk worden gesteld en gelet op de concrete omstandigheden van onderhavige betwisting, laat het hof de gerechtskosten van beide aanleggen ten laste van de partij die ze gemaakt heeft. Zodoende dient er geen rechtsplegingsvergoeding begroot te worden.

Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 4° en 279 1 Wb.Reg.).

Derhalve worden de kosten van de procedure vereffend zoals hierna uiteen gezet.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond,

Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre de vorderingen van appellante ontvankelijk werden verklaard,

Opnieuw rechtsprekende, verklaart de vorderingen van appellante in die mate gegrond dat de in het dwangbevel nr. 410/1202/40819 gevorderde geldboete moet beperkt worden tot 100% van de gevorderde btw en de hoofdelijke gehoudenheid van appellante eveneens aldus beperkt moet worden,

Wijst de overige vorderingen van appellante af,

Het hof slaat de gerechtskosten van beide aanleggen tussen partijen om, zodat elke partij zijn eigen gerechtskosten van beide aanleggen draagt.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op **24 MAART 2026**

waar aanwezig waren :

Aag Bellens, raadsheer

Jan Van den Bossche, griffier

## Aangehaalde teksten

19

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 9 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 4 voorkomens

[WBTW art. 40](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-40) 3 voorkomens

[WBTW art. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-55) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 2 voorkomens

[KB nr. 31 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-artikel-9c47) 2 voorkomens

[KB nr. 31 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-31-april-betrekking-toepassingsmodaliteiten-belasting-toegevoegde-2e67) 2 voorkomens

[WBTW art. 12bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12bis) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) 1 voorkomen

[WBTW art. 84bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 1](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-1) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 138](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138) 1 voorkomen

[C-278/24, arrest van 30 april 2025](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-278-24-arrest) 1 voorkomen

[C-331/23, arrest van 12 december 2024](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-331-23-arrest) 1 voorkomen

[C-499/10, arrest van 21 december 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-499-10-arrest) 1 voorkomen

[C-712/17, arrest van 8 mei 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-712-17-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Douane-expediteur, Vennootschap naar Frans recht, Invoer /Overbrenging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-vennootschap-frans-recht-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-1024) 12 gemeenschappelijke bepalingen

[Douane-expediteur, Vertegenwoordiger, Invoer, Intracommunautaire overbrenging, BTW-vrijstelling, intracommunautaire Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-vertegenwoordiger-invoer-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-febd) 12 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijgestelde overbrenging, Notificatie, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijgestelde-overbrenging-notificatie-innings-invorderingsregister-rechtbank-bergen-2026-01-28-bdbc) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-351c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Vormvereisten dwangbevel, gezag van gewijsde, zetel van economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vormvereisten-dwangbevel-gezag-gewijsde-zetel-hof-van-beroep-gent-2023-06-20-aab9) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Afstandsverkoop, omzetberekening, margeregeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/afstandsverkoop-omzetberekening-margeregeling-rechtbank-gent-2025-11-20-db08) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlengde verjaringstermijn, Vermoeden belastingontduiking, Intracommunautaire levering, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlengde-verjaringstermijn-vermoeden-belastingontduiking-hof-van-beroep-gent-2026-02-17-e499) 4 gemeenschappelijke bepalingen
