---
title: "Diensten van reisbureaus · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 31 mei 2016, 2013/7036/A"
description: "Diensten van reisbureaus, bijzondere margeregeling reisbureaus, schadevergoeding. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 31 mei 2016, 2013/7036/A."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/diensten-reisbureaus-bijzondere-margeregeling-schadevergoeding-rechtbank-brussel-2016-05-31-4cb4"
lang: "nl"
---

# Diensten van reisbureaus, bijzondere margeregeling reisbureaus, schadevergoeding

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Rolnummer**

2013/7036/A

**Datum**

31 mei 2016

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

119 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel dd. 31.05.2016 (2013/7036/A)

WF 713-15-13/030251

\[Gunstig voor de administratie\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – diensten van reisbureaus – bijzondere margeregeling reisbureaus - schadevergoeding*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 1, § 7 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1); [art. 21ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21ter); [art. 29, § 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-29); [art. 45 § 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)

Koninklijk besluit nr. 35 van 28 december 1999, tot invoering van een forfaitaire maatstaf van heffing van de btw op de winstmarge van reisbureaus

Art. 1382 B.W.

## Samenvatting

## 1. De feiten

Huidig geding heeft betrekking op een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W., uitgaande van eisende partijen en gericht tegen de Belgische Staat. Eisers waren aandeelhouders en gedelegeerd bestuurder bij een NV actief in de reissector, die ondertussen in staat van faillissement werd verklaard. Deze NV was touroperator voor “pakketreizen – all inclusive” die plaatsvonden buiten de EU. Deze reizen werden niet aan particuliere reizigers verkocht, maar er zou steeds met tussenpersonen gewerkt worden. De NV meende dat aan de hand van de ter beschikking zijnde reglementering dat ze btw diende aan te rekenen voor deze handelingen. Volgens de NV liet de Belgische Staat na hierover een duidelijk standpunt in te nemen. Omwille van het feit dat de NV btw toepaste kwam zij in een concurrentieel moeilijke positie ten opzichte van andere reisbureaus die geen btw toepasten. Zij leed hierdoor veel financiële schade en zou als gevolg daarvan failliet worden verklaard in 2012.

Eisende partij voert aan dat de Belgische Staat een fout beging waardoor de NV failliet ging en de aandelen niets meer waard waren en zij zodoende schade leden.

Uit een arrest van het Europees Hof van justitie dd. 13/03/2014 ([C-599/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-599-12-arrest)) blijkt dat de Belgische Staat voor dit soort reizen buiten de EU aangeboden door reisbureaus btw mocht heffen.

## 2. Standpunt Belgische Staat

Deze stelt dat er geen fout voorhanden is. Zij heeft gewoon correct de wet toegepast. Het nadeel van eisende partijen kan niet aan de Belgische Staat worden toegeschreven. Andere touroperators die gelijkaardige handelingen verrichten en meenden zich op de vrijstelling van de btw te kunnen beroepen werden gecontroleerd en de nodige vorderingen werden gesteld. Uit het arrest van het hof van beroep te Brussel dd. 4/11/15 (AR 12/AR/2278) blijkt duidelijk dat de NV geen tussenpersoon is en dat het niet in te zien valt hoe men als tussenpersoon kan optreden bij de verkoop van reizen die men zelf organiseert.

## 3. Beoordeling

Inzake is er schade voorhanden die bestaat in de waardevermindering van aandelen ten gevolge van schade aan het vennootschapsvermogen. M.b.t. schade die bestaat in de reflectie van schade aan het vennootschapsvermogen op de waarde van het aandeel (afgeleide schade genaamd) heeft de aandeelhouder geen aansprakelijkheidsvordering. De aandeelhouder kan geen afgeleide schade-vergoedingsaanspraak instellen omdat tussen eisende aandeelhouder en schadeveroorzaker het afgescheiden vennootschapsvermogen staat. Voor deze schade aan het vennootschapsvermogen komt aan de aandeelhouders geen zelfstandig vorderingsrecht toe.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het hof van beroep te Brussel in bovengenoemd arrest terecht oordeelde dat btw diende te worden aangerekend op de reizen in kwestie (geen vrijstelling).

De vordering van eisende partij dient zodoende ongegrond te worden verklaard.

Het vonnis is betekend en de beroepstermijn is verstreken.

Tekst van het vonnis

### Tekst van de beslissing

## Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel

**dd. 31.05.2016**

**(2013/7036/A)**

In zake van:

1\. De heer **E. V. C.**. wonende te …, …

2\. De **EBVBA M.**. met maatschappelijke zetel te …, … KBO nr. …

EISENDE PARTIJEN, Beiden vertegenwoordigd door Mr. **M. L.**, advocaat met kantoor te …, … in aanwezigheid van de heer **E. V. C.**, voornoemd.

**Tegen:**

De BELGISCHE STAAT. Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW in de persoon van de Minister van Financiën voor wie optreedt de EA Inspecteur van het BTW controlekantoor Lier, met kantoor te …, …

VERWERENDE PARTIJ, Vertegenwoordigd door Mr. **J. H.**, advocaat met kantoor te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 16/02/2016, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

• de dagvaarding betekend op 27/05/2013;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek van 23/09/2014;

• de conclusies, samenvattende conclusies en laatste samenvattende conclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op 14/01/15, 18/09/15 en op 18/12/15;

• de conclusies, syntheseconclusies en syntheseconclusies voor eisende partijen, neergelegd ter griffie op 23 & 24/03/15, 20/07/15 en op 23 & 26/11/15;

• de stukken voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 12/02/15;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 16/02/16, waarna de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1\. **FEITEN**

Huidig geding heeft betrekking op een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W., uitgaande van eisende partijen en gericht tegen de Belgische Staat.

Partijen waren aandeelhouders en gedelegeerd bestuurder bij N.V. **O.**, een vennootschap actief in de reissector.

Bij vonnis van 23 januari 2012 werd de NV **O.** voor de Rechtbank van Koophandel te Mechelen, op bekentenis, in staat van faillissement verklaard.

De NV O. was als vennootschap actief in de reissector, meer-bepaald als touroperator met het oog op de organisatie van “pakketreizen - all inclusive" bestaande uit vluchten, hotel, vervoer van en naar, eten en drinken,...). Deze pakketreizen bestonden hoofdzakelijk uit bestemmingen die plaatsvonden buiten de Europese Unie. De pakketreizen werden niet verkocht aan particuliere reizigers maar er werd steeds met een tussenpersoon gewerkt. In de periode 2006-2010 stelden zich voor **O.** praktische problemen m.b.t. de (al dan niet) toepassing van B.T.W. t.a.v. pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie.

Voor bepaalde actoren in de reissector, met name voor de reisbureaus, is een van de algemene BTW principes afwijkende regeling voorzien door de Europese Unie. Er is voorzien in een bijzondere margeregeling. In bepaalde omstandigheden zijn voor deze reisbureaus ook specifieke Btw-vrijstellingen voorzien. Op grond van de Europese regelgeving ter zake, diende België deze specifieke Btw-regeling voor reisbureaus om te zetten in de Belgische BTW reglementering. De wijze waarop België deze omzetting in eerste instantie heeft gedaan en vervolgens heeft becommentarieerd in de Circulaire nr. 33 van 8 november 1978, werd fel bekritiseerd door de Europese Commissie. België heeft daarop bij twee Koninklijke Besluiten van 28 december 1999 de Belgische BTW reglementering aangepast vanaf 1 januari 2000. De aanpassing van de Circulaires ter zake werd reeds aangekondigd in 2000. Doch dit liet op zich wachten, ondanks verschillende vragen vanuit de sector betreffende overgangsregelingen, facturatieverplichtingen, toepassing van eventuele vrijstellingen, enz.

Meerdere rechtstreekse vragen van **O.** NV in 2005 en 2006 (vanwege raadslieden en bij monde van Dhr. **E. V. C.** als afgevaardigd bestuurder van **O.** NV) hieromtrent betreffende de specifieke situatie bleven onbeantwoord (vgl. stukken eisende partijen : 6-10).

Verwerende partij liet na om een duidelijk standpunt in te nemen, ook niet na deze herhaaldelijke vragen, en ook niet na schriftelijke vraag van de vakorganisatie Association of Belgian Tour Operators (ABTO).

N.V. **O.** meende dan maar dat ze aan de hand van de (wel) ter beschikking zijnde reglementering en andere bronnen BTW diende aan te rekenen en af te dragen aan de Belgische schatkist over haar handelingen ten aanzien van pakketreizen die plaatsvonden buiten de Europese Unie.

Andere actoren in de reissector die gelijkaardige handelingen verrichtten als **O.** NV meenden op grond van dezelfde reglementering en bronnen vrijgesteld te zijn van BTW ten aanzien van de door hen te verrichten handelingen voor pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie.

Om deze concurrentieverstoring te beëindigen en duidelijkheid te krijgen omtrent het BTW statuut had **O.** NV op 25 maart 2008 een vordering ingesteld bij de Stakingsrechter te Brussel tegen één van haar concurrenten, de NV **S. V.** daarin werd de Belgische Staat gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring.

De uitkomst van deze procedure was een vonnis van 1 oktober 2008 waarin geoordeeld werd dat de Belgische BTW-reglementering en de toepassing ervan handelingen ten aanzien van pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie onvoldoende duidelijk is om de vordering tot staking in te willigen.

Om haar concurrentiepositie enigszins te bewaren/vrijwaren zag **O.** zich genoodzaakt om zich ook op het standpunt te stellen dat er geen BTW verschuldigd is.

Teneinde echter te vermijden dat ze geconfronteerd werd met massale boetes ten gevolge van het niet afdragen van BTW wilde **O.** handelen als een goed huisvader en onder voorbehoud van alle rechten de BTW blijven afdragen aan de Belgische Staat doch vervolgens, minstens om een verjaring van het recht tot teruggave tegen te gaan, een vordering tot teruggave instellen.

De Belgische Staat antwoordde op geen enkele vraag dienaangaande en elke medewerking bleef uit.

Omwille van het feit dat de NV **O.** btw toepaste op haar handelingen kwam zij in een concurrentieel moeilijke positie ten opzichte van andere reisbureaus die geen BTW toepasten. Zij leed hierdoor heel wat financiële schade.

Uiteindelijk werd **O.** failliet verklaard in januari 2012.

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, 35ste kamer, d.d. 19 juni 2012 (AR 2010/446/A) werd in een geschil m.b.t. de B.T.W. in de aan de orde zijnde periode geoordeeld dat de handelingen die door NV **O.** werden verricht met betrekking tot reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie vrijgesteld werden van BTW. In dit vonnis werd geoordeeld dat "*de Belgische Staat wetens en willens aangaande een belangrijke controverse naliet/nalaat een standpunt in te nemen, ook niet na herhaalde vraag van belastingplichtigen, schendt zij de beginselen van behoorlijk bestuur, minstens de algemene zorgvuldigheidsnorm*".

Uit een arrest van het Europees Hof van Justitie dd. 13/03/14 blijkt uiteindelijk dat de Belgische Staat op het aan de inzake aan de orde zijnde soort reizen buiten de Europese Gemeenschap aangeboden door reisbureaus BTW mocht blijven heffen.

Bij arrest dd. 4/11/15 (AR 12/AR/2278) werd het eerder aangehaalde vonnis van deze rechtbank hervormd.

In dat arrest stelt het Hof dat er terecht B.T.W. diende te worden aangerekend op de reizen in kwestie (geen vrijstelling) en "*De Administratie zou soortgelijke vorderingen tot teruggaaf van andere Belgische reisbureaus wel hebben ingewilligd, hetgeen volgens geïntimeerden de concurrentie zou hebben verstoord. Dergelijke handelswijze van de administratie wordt echter niet aangetoond. De schadeeis is ongegrond*".

**2.** **VOORWERP VAN DE VORDERING**.

De vordering van eisende partijen strekt ertoe te oordelen dat verwerende partij een fout zou hebben begaan die hen rechtstreekse schade heeft berokkend en de aanleiding is geweest van een volledig verlies van de waarde van de aandelen NV **O.**.

Verder vorderen eisende partijen verwerende partij te horen veroordelen om aan concluante een provisionele schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op € … te betalen en voorbehoud toe te kennen voor alle meerdere en/of bijkomende schade.

Tot slot beoogt ze de veroordeling van verwerende partij tot het betalen van de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het tussen te komen vonnis.

Verwerende partij concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

### 3. BEOORDELING

#### 3.1. De ontvankelijkheid

Verweerder werpt in conclusies geen middelen (meer) op om de ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij te betwisten. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van deze vordering. De vordering is dan ook ontvankelijk.

De fout bestaat uit een inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur : bij onduidelijke wetgeving nalaten een standpunt in te nemen, dat verwijten eisende partijen verwerende partij. Dit is een inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel.

#### 3.11. Ten gronde

Eisende partij voert aan dat verwerende partij een fout beging in de zin van de bepalingen van art. 1382 B.W. waardoor NV **O.** failliet ging. Gevolg daarvan was dat de aandelen van eisende partijen in NV **O.** niets meer waard waren en zij zodoende schade leden.

De foutieve gedragingen van verwerende partij zijn :

\- het opleggen van geldboetes voor de indiening van elke verkeerde btw aangifte, zelfs indien dit louter gebeurt door de belastingplichtige ter vrijwaring van zijn recht;

\- de weigering om toepassing te maken van de mogelijkheden van art. 13, 2 de lid KB nr. 4;

\- het niet innemen van een officieel standpunt;

\- het naast zich neerleggen van het oordeel van de stakingsrechter van Brussel in het vonnis van 1/10/08.

Samengevat, zo stelt eisende partij, bestaan de fouten van verwerende partij erin dat in de periode 2005 tot 23/01/2012 verwerende partij meermaals naliet een officieel (en definitief) standpunt in te nemen m.b.t. de BTW kwestie, hetgeen tot financiële moeilijkheden en uiteindelijk het faillissement van NV **O.** heeft geleid.

De schade die eisende partijen opliepen is het feit dat hun aandelen NV **O.** niets meer waard waren/zijn.

Verwerende partij stelt dat er geen fout voorhanden is. Zij heeft gewoon correct de wet toegepast.

Zij stelt steeds een eenduidig standpunt te hebben ingenomen.

Bovendien is er van een niet-correcte omzetting van de richtlijn geen sprake.

Het nadeel dat eisende partij van concurrenten ondervond, kan niet aan verwerende partij worden toegeschreven.

Andere touroperators die gelijkaardige handelingen verrichten en meenden zich op vrijstelling van BTW te kunnen beroepen, werden gecontroleerd op vlak van BTW en 'de nodige vorderingen werden gesteld'.

De uitoefening van het recht op teruggaaf werd NV **O.** niet onmogelijk gemaakt. De wetgeving (art. 75 e.v. W.B.T.W. en KB nr. 4) is duidelijk.

Het standpunt van de Fiscale Administratie blijkt duidelijk uit de BTW vordering die middels de correctie - opgave dd. 16/03/10 aan eisende partij werd verzonden.

Uit het arrest van het Hof van Beroep blijkt dat NV **O.** geen tussenpersoon is maar zelf reizen organiseert; en dat het niet in te zien valt hoe men als tussenpersoon kan optreden bij de verkoop van reizen die men zelf organiseert. Verder blijkt uit dat arrest dat de Fiscale Administratie terecht meent dat de door NV **O.** verkochte reizen die buiten de Europese Unie plaatsvinden niet vrijgesteld zijn van BTW.

##### Beoordeling

Inzake is er schade voorhanden die bestaat in de waardevermindering van aandelen ten gevolge van schade aan het vennootschapsvermogen.

M.b.t. schade die bestaat in de reflectie van schade aan het vennootschapsvermogen op de waarde van een aandeel ("afgeleide schade genaamd") heeft de aandeelhouder geen aansprakelijkheidsvordering.

De aandeelhouder kan geen voor afgeleide schade schadevergoedingsaanspraak instellen omdat tussen de eisende aandeelhouder en de schadeveroorzaker het afgescheiden vennootschapsvermogen staat.

"De vennootschap is gerechtigd om schadevergoeding te vorderen van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast. Voor deze schade aan het vennootschapsvermogen komt aan de aandeelhouders geen zelfstandig vorderingsrecht toe" (vgl. Cassatie 23 februari 2012, *T.r.v.*, 2012, 319).

De vordering van eisende partijen dient bijgevolg te worden afgewezen.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het vonnis dd. 19 juni 2012 (AR 2010/446/A) in de zaak NV **O.** tegen de Belgische Staat in beroep door het Hof van Beroep van Brussel werd hervormd bij arrest dd. 4/11/15 (AR 12/AR/2278) en dat het Hof van Beroep oordeelde dat er terecht B.T.W. diende te worden aangerekend op de reizen in kwestie (geen vrijstelling). Verder oordeelde het Hof "*De Administratie zou soortgelijke vorderingen tot teruggaaf van - andere Belgische reisbureaus wel hebben ingewilligd, hetgeen volgens geïntimeerden de concurrentie zou hebben verstoord. Dergelijke handelswijze van de administratie wordt echter niet aangetoond. De schadeeis is ongegrond*".

De vordering van eisende partij dient zodoende ongegrond te worden verklaard.

### 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partijen ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partijen.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert op € …. Verweerder begroot de rechtsplegingsvergoeding niet.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007 begroot worden op € …. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partijen ongegrond,

Veroordeelt eisende partijen tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € ….

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 31 mei 2016.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer M. **L.**: rechter

Mevrouw **C. V.**: griffier.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze ten uitvoer zullen leggen.

Dat onze Procureurs-Generaal en onze Procureurs des Konings bij de Nederlandstalige rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle Bevelhebbers en Officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt.

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking, is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.

Voor eensluidende uitgifte.

Voor de Hoofdgriffier,

De griffier,

Deze uitgifte is vrijgesteld van het griffierecht bij toepassing van

280-1° van het wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.

NEDERLANDSTALIGE

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG BRUSSEL

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) 2 voorkomens

[WBTW art. 21ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21ter) 2 voorkomens

[WBTW art. 29](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-29) 2 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 2 voorkomens

[C-599/12, arrest van 13 maart 2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-599-12-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Uitgaven zonder bedrijfskarakter, Gebouw, Gedeeltelijk beroepsgebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-uitgaven-zonder-bedrijfskarakter-hof-van-beroep-luik-2020-09-04-17c5) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Historische btw-aftrek, Herzieningstermijnen, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/historische-btw-aftrek-herzieningstermijnen-recht-cassatie-brussel-2021-04-30-3bde) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Kans- en geldspelen, Langs elektronische weg aangeboden, Vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kans-geldspelen-langs-elektronische-weg-hof-van-beroep-gent-2023-06-664d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Begrip nieuwbouw, herziening, herzieningstijdvak van vijftien jaar, onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/begrip-nieuwbouw-herziening-herzieningstijdvak-vijftien-hof-van-beroep-gent-2022-11-22-71fc) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Uitoefening van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/uitoefening-recht-aftrek-facturen-aankoop-hof-van-beroep-brussel-2019-10-17-7b1b) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Optionele verhuur met btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-optionele-rechtbank-brussel-2021-11-22-9235) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Motivering van het proces-verbaal, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/motivering-proces-verbaal-innings-invorderingsregister-rechtbank-gent-2023-12-21-99e9) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-recht-hof-van-beroep-gent-2024-03-12-aa98) 2 gemeenschappelijke bepalingen
