---
title: "Diensten, Maatstaf van heffing · Hof van beroep te Bergen, 6 november 2019"
description: "Diensten, Maatstaf van heffing, Bepaling, Verkrijgen van groenestroomcertificaten. Hof van beroep te Bergen (België), 6 november 2019."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/diensten-maatstaf-heffing-bepaling-verkrijgen-hof-van-beroep-bergen-2019-11-06-ab47"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Diensten, Maatstaf van heffing, Bepaling, Verkrijgen van groenestroomcertificaten

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Bergen

**Datum**

6 november 2019

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

105 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Bergen d.d. 06.11.2019

WF 703-15-15/060462

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Diensten – Maatstaf van heffing – Bepaling – Verkrijgen van groenestroomcertificaten - Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting – Plaatsing van zonnepanelen - Ontbreken van aangifte van de belastbare handelingen – Fiscale geldboete*

## Samenvatting

## Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

## *De feiten*

De activiteit van de belastingplichtige bestond uit de plaatsing van fotovoltaïsche installaties. Na de aankoop van de zonnepanelen sloot ze een overeenkomst met de eigenaar van een woning tot plaatsing van een fotovoltaïsche installatie op het dak van de woning. De eigenaar van het dak heeft zich ertoe verbonden om alle groenestroomcertificaten die door de fotovoltaïsche centrale worden verkregen voor een periode van 10 jaar over te dragen aan de belastingplichtige. Volgens belastingplichtige ging het om een globale dienst waarvan de tegenprestatie bestond in de overdracht van de groenestroomcertificaten.

De administratie heeft deze kwalificatie niet aanvaard. Volgens de administratie was de handeling, die door de belastingplichtige als een globale dienst wordt beschouwd, een handeling als bedoeld in [artikel 18, § 1, lid 1, van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) en was de overdracht van de groenestroomcertificaten door de eigenaar van het dak eveneens een in deze bepaling bedoelde dienst. Het betrof een uitwisseling van diensten.

Volgens [artikel 33, § 3, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-33) wordt bij ruil en, meer algemeen, wanneer de tegenprestatie niet uitsluitend uit een geldsom bestaat, die prestatie voor de berekening van de belasting, op haar normale waarde berekend.

Er dient te worden verwezen naar de bepalingen van artikel 32, 1ste lid, WBTW, waarin is bepaald wat als normale waarde wordt beschouwd en naar artikel 32, 2de lid, dat bepaalt dat indien er geen vergelijkbare verrichting voorhanden is, de normale waarde van een dienst niet lager mag zijn dan de door de belastingplichtige voor het verrichten van die dienst gemaakte uitgaven.

De beslissing van de rechtbank van eerste aanleg

De rechtbank van eerste aanleg heeft geoordeeld dat de plaatsing door belastingplichtige van fotovoltaïsche installaties een dienst is die aan de belasting onderworpen is en dat de klant als tegenprestatie de groenestroomcertificaten overdraagt aan belastingplichtige.

Na te hebben gepreciseerd dat de verhandeling van de groenestroomcertificaten een dienst is zoals bedoeld in [artikel 18, § 1, 7° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18), heeft de rechtbank beslist dat de btw verschuldigd is naarmate de groenestroomcertificaten worden overgedragen bij toepassing van [artikel 22, § 2, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22), dat bepaalt dat diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft. De vaststelling van de maatstaf van heffing van de door belastingplichtige verrichte diensten zal dus gespreid worden over een periode van 10 jaar.

De rechter heeft eveneens gesteld dat, ingevolge de gebrekkige toepassing van de btw-reglementering (in onderhavig geval was tabel G, IV van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van toepassing), de initiële geldboete van 20% verminderd moet worden tot 10% van het bedrag van de verschuldigde btw.

De administratie heeft beroep aangetekend.

## Arrest van het hof van beroep te Bergen

Het hof van beroep hervormt op grond van de door partijen gedeelde redenering in akkoordconclusies.

*1)* *Wat betreft het tijdstip van het belastbaar feit en de tijdstip van opeisbaarheid van de belasting betreft*

De relatie tussen de belastingplichtige en zijn klanten moet worden geanalyseerd als een uitwisseling van diensten volgens hun eigen regels voor het vaststellen van het belastbare feit en het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting. De bepalingen van [artikel 22, § 2, van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22) kunnen in dit geval dus niet worden toegepast, aangezien er geen sprake is van betaling of verrekening, maar van een uitwisseling van diensten.

De dienst verricht door belastingplichtige moet dus de algemene regel van artikel 22, § 1, volgen en bijgevolg vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht.

Dat kan alleen het tijdstip zijn waarop de fotovoltaïsche installatie daadwerkelijk in gebruik genomen wordt, dat wil zeggen vanaf het moment dat zij elektriciteit kan produceren.

*2)* *Inzake de vaststelling van de maatstaf van heffing*

Voor zover het belastbare feit en de opeisbaarheid ervan moeten worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van [artikel 22, § 1, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22), moet op dat tijdstip ook de maatstaf van heffing voor de door de belastingplichtige verrichte dienst worden bepaald.

Overeenkomstig [artikel 26 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26) wordt de belasting berekend over alles wat de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen.

In het onderhavige geval bestaat de tegenprestatie uit het verkrijgen van groenestroomcertificaten. De overdracht van groenestroomcertificaten is een overdracht van een schuldvordering. Dat is een dienst is in de zin van [artikel 18, § 1, tweede lid, 7° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18).

Aangezien het onmogelijk is de totale waarde van de groenestroomcertificaten over een periode van tien jaar te bepalen, moet worden verwezen naar de bepalingen van [artikel 32, lid 2, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32).

In dit geval is de kostprijs van deze dienst, en dus het bedrag van de gemaakte uitgaven, gemakkelijk te berekenen op basis van de boekhouding van de belastingplichtige.

*3)* *Wat de vaststelling van de geldboete betreft*

De eerste rechter oordeelde dat de toepasselijke boete 10 % van de als btw verschuldigde bedragen bedroeg ingevolge de gebrekkige toepassing van de btw-reglementering zoals bedoeld in tabel G, IV in de bijlage bij koninklijk besluit nr. 41.

In het onderhavige geval heeft de eerste rechter echter wel degelijk vastgesteld dat de belastbare handelingen niet waren aangegeven.

Het is van belang erop te wijzen dat dit soort inbreuken wordt bestraft in tabel G, V, van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 41, en bepaalt dat inbreuken, die bestaan in het niet, slechts gedeeltelijk of laattijdig opnemen van belastbare handelingen in de daartoe bestemde aangifte, worden bestraft met een geldboete van 20% van de verschuldigde belasting wanneer het bedrag van die belastingen hoger is dan 1250 euro.

Aangezien de betwiste handelingen niet werden aangegeven, dient het bestreden vonnis in deze zin te worden hervormd.

## Opmerkingen

Het hof van beroep te Bergen verleent akte aan de partijen van hun akkoord, hervormt het bestreden vonnis en verklaart het dwangbevel geldig.

**Tekst van het arrest**

***Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

## Arrêt de la Cour d’appel de Mons, Dix-huitième chambre du 6 novembre 2019

Rôle : 2018/RG/393

EN CAUSE DE:

**L'ETAT BELGE**, représenté par Monsieur le Ministre des Finances, dont le cabinet est sis à 1000 BRUXELLES, rue de la Lol n° 12, poursuites et diligences du Conseiller-expert·au centre des PME de Charleroi, dont les bureaux sont établis à 6000 CHARLEROI, rue Jean Monet n° 14, boîte 34, partie appelante, représentée à l'audience par Monsieur Francis DAUSORT, conseiller d'administration fiscale, son agent,

**CONTRE:**

Maître ..., avocat, dont le cabinet est situé à ..., agissant en.sa qualité de curateur, désigné par jugement rendu le 25 Juin 2018 du tribunal du commerce du Hainaut, division de Charleroi, à la faillite de la S.A. E., inscrite à la Banque Carrefour des Entreprises sous le numéro 0810...., dont le siège social est·établi à ..., partie Intimée, comparaissant à l'audience par Maître Hervé POLLET, avocat à CHARLEROI ;

La Cour, après en avoir délibéré, prononce l'arrêt suivant :

Vu la requête d'appel déposée au greffe de cette cour par l'Etat belge le 20 avril 2018, notifiée par plis Judiciaires du même Jour à la S.A. E. et à son conseil, Maître ..., avocat;

Vu les jugements dont appel, produits en copies conformes, rendus contradictoirement par la trente-sixième chambre du tribunal de première instance du Hainaut, division de Mons, les 7 septembre 2017 et 22 février 2018, sous le numéro de rôle général 15/3715/A, et la procédure y visée;

Vu l'ordonnance de mise en état rendue le 22 mai 2018, actant les délais pour conclure et fixant la cause pour plaidoiries à l'audience de la dix-huitième chambre de cette cour du 5 Juin 2019, dont l'Etat belge et le conseil de la S.A. E. ont été avisés par plis du 22 mai 2018;

Vu la lettre de Maître Francis BRINGARD du 16 avril 2019, parvenue au greffe le 17 avril 2019, par laqu\_elle il informe la cour de sa nomination en qualité de curateur à la faillite de la S.A. E. par un Jug\_ement rendu le 25 juin 2018 par le tribunal de commerce du Hainaut, division de Mons;

Vu le dossier de l’Etat belge et les conclusions d'accord des parties déposés au greffe de cette cour le 5 septembre 2019 ;

Ouï les parties en leurs dires et moyens à l'audience du 2 octobre 2019, à laquelle les débats ont été déclarés dos et la cause prise en délibéré.

En leurs conclusions d'accord déposées au greffe de cette cour le 5 septembre 2019, !es parties

demandent que les jugements entrepris soient réformés et que la contrainte CTRI 500/... décernée le 15 avril 2015 soit validée.

Les parties fondent leur accord sur les motifs suivants :

“

1) Quant à la date du fait générateur et à la date d'exigibilité de la taxe

Par ses Jugements des 7 septembre 2017 (Annexe 3) et 22 février 2018 (Annexe 4)1 le Tribunal de première instance du Hainaut a estimé, à tort1 que lefait générateur et la date d'exigib//ité des opérations d'installation de centrales photovoltai'ques par l'intimée était régie par les dispositions de l'[article 22, § 2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22).

En d'autres termes, le Premier Juge estime que ces prestations font l'objet de décomptes ou de paiements successifs et que dans cette mesure la taxe est due aufur et à f"\[}esure de l'encaissement des certificats verts.

L'appelante ne peut partager ce point de vue du premier Juge.

En l'espèce, il Importe de constater qu1aucùn paiement n'intervient et aucun décompte n'est effectué.

En effet, l'intimée effectue un travail consistant en la réalisation d'une centrale photovoltaïque en contrepartie de laquelle ses clients s'engagent pendant une période de 10 ans à lui céder leurs certificats verts. Ces cessions de certificats verts sont,, en fait des cessions· de créances et donc des prestations de services au sens de article 18, § 1111 du Code de la 1VA.

En l'espèce, Il y a donc lieu d'analyser la relation entre l'intimée est ses clients comme un échange de prestations de services qui chacune suivent leurs propres règles en matière de détermination du moment du fait générateur et du moment d'exigibilité de la taxe.

Les dispositions de l'[article 22, § 2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22) ne peuvent donc trouver à s'appliquer, en l'espèce, puisqu'il n'y a pas paiement ou décompte mais bien échange de prestations.

La prestation de l'intimée pour ses clients doit donc suivre la règle générale de l'article 21, § 1er selon laquelle le fait générateur d,e la taxe intervient et la taxe devient exigible au moment oiJ la prestation de service est effectuée.

Ce moment ne peut ltre autre que celui oÎ.I la centrale photovoltaïque est effectivement opérationnelle à savoir au moment où elle peut produire de l'électricité.

Le Jugement entrepris doit donc être réformé à cet égard.

L'intimée marque son accord sur ce principe de droit et consent à ne pas se prévaloir des Jugements entrepris à cet égard.

2.) Quant à la détermination de la base d'imposition

Dans la logique de son point de vue en matière defait générateur et de date d'exigibilité le premier juge estime que la base d'imposition doit être établie au moment de la perception des certificats verts et sur base de la valeur de ceux-ci à ce moment.

La base d'imposition des prestations de l'jntimée serait donc établie par « étalement » sur une période de 10 ans.

L'appelante ne peut à nouveau partager ce point de vue.

Dans la mesure où lefait générateur de la taxe et son exigibilité doivent être déterminé en application des dispositions de l'[article 22, § 1er](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22) du Code comme précisé sous le point 1) cl­ avant, c'est également à ce moment que doit être établie la base d'imposition de la prestation de l'intimée.

Or, /'[article 26 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26) précise que pour les livraisons de biens et les prestations de services, la taxe est calculée sur tout ce qui constitue la contrepartie obtenue ou à obtenir par le fournisseur du bien ou par Je prestataire du service de la part de celui à qui Je bien ou le service est fournit ou d'un tiers, y compris les subventions directement liées au prix de ces opérations;

En l'espèce, la contrepartie consiste en l'obtention de « certificats verts»;

Cette contrepartie ne consiste donc pas, comme précisé ci-avant en une somme d'argent mais en une prestation de services;

En effet, la cession de certificats verts consiste en une cession de créance;

Une cession de créance est une prestation de services au sens de l'article 18, § ·1er allnéa 2, 7° du Code de la TVA;

L'article 33, § 3 du Cde de la TVA précise que lorsque la« contrepartie» est une prestation qui ne consiste pas en une somme d'argent, cette prestation est, pour le calcul de la taxe, comptée à sa valeur normale;

II faut se reporter aux dispositions de l'[article 32, alinéa 1er du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) qui précisent que par valeur normale, on entend le montant total qu'un preneur, se trouvant au stade de commercialisation auquel est effectuée la prestation de services, devrait payer dans des conditions de pleine concurrence, à un prestataire indépendant à l'intérieur du pays dans lequel la transaction est imposée, pour se procurer à ce moment les biens ou les services en question;

La question qui se pose donc est de savoir quel est la valeur des « certificats verts » obtenus en contrepartie de la prestation de services de la requérante;

Au moment où la taxe est exigible, à savoir au moment où l'installation est opérationnelle et où le client devient producteur d'électricité, il est néanmoins Impossible de déterminer quelle sera la valeur globale des « certificats verts » sur une période de dix ans ;

Dans ces circonstances, l'[article 32, alinéa 2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) stipule que lorsqu'il n'est pas possible d'établir une transaction comparable, la valeur normale d'une prestation de services ne peut être inférieure au montant des dépenses engagées par l'assujetti pour l'exécution de cette prestation;

Cette dispos/fion légale constate, fort logiquement, qu'un prestataire ne peut normalement prester pour moins que ce que lui coûte sa prestation;

En l'occurence le coût de cette prestation et donc le montant des dépenses engagées est facilement quantifiable.

Celui-ci ressort, en effet, de la propre comptabilité de la requérante;

Le compte 260200 « Installations tiers investisseurs » des bilans de la requérante établis au 31/12/2012 et 2013 font état de ces dépenses qui concourent à réaliser les Installations photovoltaïques;

Le Jugement entrepris doit donc être réformé à cet égard.

L'Intimée marque son accord sur ce principe de droit et consent à ne pas se prévaloir des Jugements entrepris à cet égard.

3} Quant à la détermination de l'amende

Le premier Juge a estimé, par son Jugement du 22 février 2018 que l'amende applicable était de 10 % des montants dus à titre de TVA s'agissant d'une application Inexacte de la réglementation TVA. visée au tableau GN annexé à l'arrêté royal n° 41.

Or en l'espèce, Je Premier Juge a bel et bien constaté que des opérations imposables n'avaient pas été déclarées.

Il importe de remarquer que ce type d'infraction est sanctionnée par Je tableau GV annexé à l'arrêté royal n" 41 qui stipule que sont sanctionnées d'une amende de 20 % de la taxe due lorsque le montant de ces taxes est supérieur à 1250 € les infractions consistant dans le fait que des opérations imposables n'ont pas été inscrites, en totalité ou en partie, ou ont été inscrites tardivement dans la déclaration prévue à cet effet.

En l'espèce, li est difficilement critiquable que les prestations de l'intimée n'aient pas été déclarées.

Le Jugement entrepris doit donc être réformé à cet égard.

L'intimée marque son accord sur ce constat et consent à ne pas se prévaloir des Jugements entrepris à cet égard.

La créance de l'Etat belge a, d'ailleurs, été admise telle que déclarée au passif de la faillite de la SA E. par Maître ..., curateur de l'intimée. ».

Il résulte des explications des parties et pièces auxquelles la cour peut avoir égard que ledit accord est conforme à la loi et Il convient d'y faire droit.

### Beschikkend gedeelte

**PAR CES MOTIFS ;**

**La Cour, Statuant contradictoirement ;**

Vu les dispositions de la loi du 15 Juin 1935, relative à l'emploi des langues en matière judiciaire, dont il a été fait application ;

Donne acte aux parties de leur accord ;

Y faisant droit, réforme les jugements entrepris au regard de la motivation partagée par les parties;

Valide la contrainte CTIR 500/... décernée le 15 avril 2015 et motivée par le procès­verbal du 8 avril 2015.

Délaisse à chacune des parties ses propres dépens.

Ainsi Jugé et prononcé en audience publique, par la Dix-huitième Chambre de la Cour d'appel de Mons, le six novembre deux mille dix-neuf, où siégeaient :

Signatures

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22) 6 voorkomens

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 3 voorkomens

[WBTW art. 32](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) 3 voorkomens

[WBTW art. 26](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26) 2 voorkomens

[WBTW art. 33](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-33) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Restaurant- en cateringdiensten, bedrijfskantine Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/restaurant-cateringdiensten-bedrijfskantine-belasting-rechtbank-antwerpen-2022-12-05-ac00) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Maatstaf van heffing, Normale waarde, Gerechtskosten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/maatstaf-heffing-normale-waarde-gerechtskosten-hof-van-beroep-gent-2021-11-30-de4b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Tegenprestatie, maatstaf van heffing, normale waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/ruil-tegenprestatie-maatstaf-heffing-normale-hof-van-beroep-gent-2023-10-24-59b1) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Maatstaf van Heffing, Normale waarde, Subjectieve waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/actie-maatstaf-heffing-normale-waarde-hof-van-beroep-antwerpen-2025-09-16-d370) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, levering van goederen, dienst, maatstaf van heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-dienst-maatstaf-hof-van-beroep-antwerpen-2000-11-13-8737) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafdossier, Inzage, Verjaring, Rechten van de verdediging, Aftrek, Neutraliteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafdossier-inzage-verjaring-rechten-verdediging-hof-van-beroep-luik-2020-04-24-5cae) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs van het recht op aftrek, Fictieve facturen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-recht-aftrek-fictieve-facturen-rechtbank-bergen-2022-02-15-5e77) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoedanigheid van belastingplichtige, Uitoefening van economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoedanigheid-belastingplichtige-uitoefening-economische-activiteit-rechtbank-luik-2020-03-12-aca1) 2 gemeenschappelijke bepalingen
