---
title: "15 april 2005 · Controlemaatregel, bijzondere regeling · Rechtbank van eerste aanleg te Leuven"
description: "Controlemaatregel, bijzondere regeling, vrijstelling, andere vrijstelling, bewijs. Rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België), 15 april 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/controlemaatregel-bijzondere-regeling-vrijstelling-andere-rechtbank-leuven-2005-04-15-adce"
lang: "nl"
---

# Controlemaatregel, bijzondere regeling, vrijstelling, andere vrijstelling, bewijs · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Leuven

**Datum**

15 april 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

83 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 15.04.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer

**Zitting : 15 april 2005.**

**eindvonnis**

Rol nr. : **01/1444/A**

Inzake :

1\. **D. S. E.**, garagehouder, en zijn echtgenote

2\. **V. M. L. J.**, zonder beroep, samenwonende te …, …

**eisers,**

ter zitting vertegenwoordigd door meester **D. P.**, advocaat te … (…), …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de heer Minister van de Federale Overheidsdienst FINANCIEN, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 2.

**verweerder,**

ter zitting vertegenwoordigd door meester **C. M.** loco meester **d. N. E.**, advocaat te …, ….

In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 11 maart 2005, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- de geding inleidende dagvaarding op 6 juni 2001 op verzoek van **D. S. E.** en **V. M. L.** betekend aan de BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Leuven

\- de beschikking bij toepassing van artikel 747, tweede paragraaf, van het Gerechtelijk Wetboek van 17 september 2004

\- de conclusie, de aanvullende conclusie en de tweede aanvullende conclusie op respectievelijk 18 oktober 2001, 9 januari 2003 en 20 december 2004 op de griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT

\- de conclusie en de syntheseconclusie op respectievelijk 29 november 2002 en 30 november 2004 op de griffie neergelegd door **D. S. E.** en **V. M. L.**.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 11 maart 2005, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

## 1. Feiten en procesverloop

**1.1.** **D. S. E.**, hierna genoemd "eiser", baatte een garage in de vorm van een éénmanszaak uit.

De eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, stelde op 8 januari 2001 een proces-verbaal op waarbij onder meer werd vastgesteld dat eiser in 1996 en 1997 11 aankopen van oude voertuigen van klanten die een nieuw voertuig kochten, verrichte zonder de oude voertuigen in het aankoopdagboek bij aankoop of in het verkoopdagboek bij verkoop in te schrijven. De controleambtenaar paste op deze aankopen het wettelijk vermoeden van artikel 64, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde toe, en berekende de belastbare omzet rekening houdend met een winstmarge van 3 %. De controleambtenaar paste niet de margeregeling voor tweedehandse voertuigen van artikel 58, vierde paragraaf van het wetboek toe. De controleambtenaar berekende aldus de volgende vermeerdering van de aangegeven omzet :

1996

bedrag van de overnames … EUR

toepasselijke winstmarge 3 %

bedrag van de maatstaf van heffing … EUR

toepasselijk BTW-tarief 21 %

bedrag van de BTW … EUR

1997

bedrag van de overnames … EUR

toepasselijke winstmarge 3 %

bedrag van de maatstaf van heffing … EUR

toepasselijk BTW-tarief 21 %

bedrag van de BTW … EUR

totaal … EUR

De controleambtenaar stelde verder vast dat de BTW ten belope van … EUR met betrekking tot de sportuitrusting met reclame van eiser, ten onrechte niet werd opgenomen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar was.

Het BTW-ontvangkantoor Leuven, hierna genoemd "verweerder", vaardigde op 11 januari 2001 tegen eiser en **V. M. L.**, hierna genoemd "eiseres", een dwangbevel uit, uitvoerbaar verklaard op 12 januari 2001, waarvan aan eisers kennis werd gegeven op 16 januari 2001, met de ingebrekestelling tot betalen van :

BTW … EUR

geldboete … EUR

wettelijke interesten … EUR

… EUR

**1.2.** Eisers tekenden op 6 juni 2001 verzet aan tegen het dwangbevel. Zij vorderen :

\* de vernietiging/opheffing van het dwangbevel van 11 januari 2001, behoudens voor het niet betwiste bedrag van … EUR, subsidiair te vermeerderen met het bedrag van … EUR

\* de teruggave van het bedrag van … EUR, meer de moratoire dan wel wettelijke interesten sedert 31 juli 1998, en de gerechtelijke interesten

\* de veroordeling van verweerders, solidair en in solidum, de ene bij gebreke van de andere, in de kosten

\* de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Verweerder vraagt de vordering ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, behoudens voor het niet betwiste bedrag van … EUR, en eisers in de kosten te veroordelen.

## 2. Het proces-verbaal

**2.1.** Eisers betogen dat particulieren gebruikelijk en veelvuldig bij de aankoop van een nieuw voertuig trachten hun oud voertuig over te laten; dat doorgaans deze oude voertuigen worden aangekocht of overgenomen door gespecialiseerde afnemers van de merken die zij zelf verkopen; dat eiser deze oude voertuigen en eventueel de ontvangen prijs, indien particulier en opkoper niet gezamenlijk kunnen aanwezig zijn, slechts om praktische redenen even in bewaring hield; dat eiser geen aankoper of handelaar van dergelijke tweedehandse voertuigen is, tenzij uitzonderlijk en dan hoofdzakelijk van voertuigen van het merk Seat die hij zelf verkoopt; dat eiser dan conform [artikel 58 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) documenten bijhield en ovennaakte, en de margeregeling voor tweedehandse voertuigen toepaste.

Verweerder vermeldt in conclusie twee gevallen van aankoop in 1996 van het oude voertuig van de koper van een nieuw voertuig, die eiser regelmatig in zijn boekhouding bracht en waarop hij de margeregeling voor tweedehandse voertuigen inzake BTW toepaste.

Het proces-verbaal van 8 januari 2001 maakt gewag van 11 andere dergelijke aankopen, waar eiser niet zo handelde.

**2.2.** In 11 gevallen van verkoop van een nieuw voertuig leest de controleambtenaar op de bestelbons (en niet de verkoopfacturen, zoals verkeerdelijk vermeld in de tabel van het proces-verbaal, zoals blijkt uit de toelichting bij die tabel) dat eiser een voertuig overnam en dat het bedrag van de overnamewaarde wordt afgetrokken van de totale door de klant te betalen som ingevolge de aankoop van het nieuwe voertuig. De controleambtenaar leest op de rekeninguittreksels dat het restbedrag, dit is de waarde van een nieuw voertuig verminderd met het bedrag waarvoor het oude voertuig werd overgelaten, werd betaald. Tenslotte stelde de controleambtenaar vast dat de overgenomen voertuigen niet werden ingeschreven in het aankoopboek noch in de inventaris.

Dit zijn, in tegenstelling tot wat eisers menen, die stellen dat verweerder vermoedens op vermoedens stapelt, geen vermoedens maar effectieve vaststellingen van de controleambtenaar, die gelden tot bewijs van het tegendeel overeenkomstig artikel 59, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Aan de bewijswaarde van het proces-verbaal van 8 januari 2001 doet geen afbreuk het feit dat in 7 van de 11 gevallen de prijs op de verkoopfactuur niet overeenstemt met de prijs op de bestelbon. Eisers beschouwen ten onrechte dat verweerder aldus van een verkeerd uitgangspunt vertrekt en dat het proces-verbaal hierdoor geen bewijswaarde heeft. Eisers stellen overigens zelf dat de prijs op de bestelbon om diverse redenen, zoals extra opties, wijzigingen, kan aangepast zijn.

Aan de bewijswaarde van het proces-verbaal van 8 januari 2001 doet evenmin afbreuk het feit dat de overname van een oud voertuig niet wordt gestaafd door de kastransferten van eiser, dit zijn bedragen die eiser contant op zijn rekening stortte. Verweerder betoogt terecht dat eisers zodoende zichzelf een bewijs zoeken te verschaffen en dat het onmogelijk is de herkomst van de contante gelden te achterhalen en ze te affecteren aan een welbepaalde verkoop.

**2.3.** Verweerder paste het wettelijk vermoeden van [artikel 64, eerste lid, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64), waardoor alle aangekochte goederen worden geacht te zijn geleverd onder voorwaarden die de BTW opeisbaar maken, correct toe.

Vast te stellen is overigens dat eiser die stelt hoogstens als doorgeefluik te zijn opgetreden voor het contact met de opkoper, en niet als tussen- of wederverkoper, zijn bewering geenszins bewijst. De rechtbank stelt met verweerder vast dat de drie door eisers bijgebrachte overnameovereenkomsten die de klant met de opkoper zou hebben gesloten, als zeer twijfelachtig overkomen : ofwel stemt de handtekening van de klant in het geheel niet overeen met de handtekening op de bestelbon (twee overeenkomsten), ofwel is de overeenkomst niet door de klant maar door zijn stiefvader ondertekend.

Eisers bewijzen niet dat de op de bestelbons voor nieuwe voertuigen aangeduide overgenomen oude voertuigen niet effectief door eiser werden overgenomen. Eisers leveren het tegenbewijs betreffende de bestemming van de oude voertuigen niet.

**2.4.** Verweerder paste een winstpercentage van 3 % toe. De controleambtenaar berekende deze winstmarge door de aangegeven aankopen van de verkochte tweedehandse voertuigen te vergelijken met de aangegeven verkopen ervan over de gecontroleerde periode aan de hand van het register van tweedehandse voertuigen.

Eisers betwisten deze winstmarge louter formeel, zonder inhoudelijke argumentering (blz. 12 van hun conclusie).

## 3. De margeregeling voor tweedehandse voertuigen

Verweerder paste de normale BTW-regeling en niet de margeregeling toe, aangezien eiser niet aan de voorwaarden van deze regeling voldeed. Verweerder somt de stukken op waarvan de voorlegging is vereist volgens de Aanschrijving nummer 2 van 1995 met betrekking tot belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse goederen, zonder deze Aanschrijving te noemen : het aankoopborderel of de factuur, een copie van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs is vereist, enzovoort.

Essentieel is echter dat eiser moet bewijzen dat haar leverancier, dit is de klant wiens oud voertuig hij overneemt, één van de personen is opgesomd in artikel 58, vierde paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dit zijn, voor zover zij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting hebben kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving, of de invoer van deze vervoermiddelen : een niet-belastingplichtige (particulier, niet-belastingplichtige rechtspersoon); een andere belastingplichtige, voor zover die levering krachtens artikel 44, tweede paragraaf, 13 , van het wetboek is vrijgesteld; een andere belastingplichtige, voor zover die levering is vrijgesteld krachtens artikel 56, tweede paragraaf, van het wetboek en het een bedrijfsmiddel betreft; een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover die levering overeenkomstig de winstmargeregeling werd onderworpen aan de BTW.

Eiser kan het bewijs van de hoedanigheid van zijn leverancier met alle bewijsmiddelen van gemeenrecht, uitgezonderd de eed, leveren (H. VANDEBERGH, Problemen bij de toepassing van de margeregeling voor tweedehandse voertuigen inzake BTW, T.F.R., 2001, 888).

Eiser levert dit bewijs niet. Eiser leest dit bewijs verkeerdelijk in de bewoordingen *"het bewijs (werd) gevonden dat er auto's bij particulieren werden aangekocht"* van het proces-verbaal van 8 januari 2001, dat immers nergens verwijst naar de margeregeling, en bijgevolg met het woord "particulieren" geen van de in artikel 58, vierde paragraaf, van het wetboek, kan hebben bedoeld. Eiser kan bijgevolg geen aanspraak maken op de toepassing van de margeregeling.

Waar de hoedanigheid van de leverancier (de vorige gebruiker) essentieel is in de margeregeling, waarvan de achterliggende reden precies het vermijden van belastingheffing op belasting is, is de verwijzing van eisers naar de rechtspraak van het Hof van Justitie dat oordeelt dat aspecten van formeel belang moeten wijken indien er geen gevaar is voor verlies van belastinginkomsten, niet pertinent.

## 4. De sportuitrusting met reclame

Verweerder meent terecht dat de terbeschikkingstelling van die sportartikelen zijn oorzaak vindt in een overeenkomst onder bezwarende titel die het voeren van reclame tot voorwerp heeft. Eisers bewijzen niet dat de sportkleding dient te worden teruggegeven.

### Beschikkend gedeelte

## OP DEZE GRONDEN

**DE RECHTBANK,**

gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

rechtsprekend op tegenspraak,

alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,

verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond,

veroordeelt eisers in de kosten, aan hun zijde niet begroot omdat zij ze zelf moeten dragen, en aan de zijde van verweerder op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

Aldus gedaaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van **de twaalfde kamer** der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op **vrijdag 15 april 2005**, waar zetelden :

\- de heer **P. V.**, alleenzetelend rechter;

\- mevrouw **J. C.**, griffier.

**J. C.** **P. V.**

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 58](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) 1 voorkomen

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Dwangbevel, feitelijk vermoeden, weerlegbaar vermoeden, wettelijk vermoeden, berekening meeromzet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-feitelijk-vermoeden-weerlegbaar-wettelijk-hof-van-beroep-antwerpen-2016-11-29-1351) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Margeregeling tweedehandsvoertuigen, Belastingplichtige wederverkoper, Rechtszekerheids-en vertrouwensbeginsel, winstmargeregeling, tweedehands voertuig](https://juriel.be/nl/rechtspraak/margeregeling-tweedehandsvoertuigen-belastingplichtige-rechtbank-brussel-2021-12-13-0290) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Vaste termijn, Verjaringstermijn, Vordering tot teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vaste-termijn-verjaringstermijn-rechtbank-luik-2022-04-25-02bf) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wettelijk vermoeden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzet-wettelijk-vermoeden-rechtbank-brugge-2020-12-15-0871) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetberekening, Onttrekking, Bewijskracht van de boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetberekening-onttrekking-bewijskracht-boekhouding-sociale-hof-van-beroep-gent-2022-06-14-170e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-bewijskrachtige boekhouding, Herberekening van het omzetcijfer, Feitelijke vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskrachtige-boekhouding-herberekening-omzetcijfer-feitelijke-rechtbank-luik-2022-05-19-1c7a) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 1 gemeenschappelijke bepalingen
