---
title: "3 februari 2012 · Controlemaatregel, bijzondere regeling · Rechtbank van eerste aanleg te Leuven"
description: "Controlemaatregel, bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs. Rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België), 3 februari 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/controlemaatregel-bijzondere-regeling-kleine-onderneming-rechtbank-leuven-2012-02-03-bcb9"
lang: "nl"
---

# Controlemaatregel, bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Leuven

**Datum**

3 februari 2012

## Procesverloop

2 stappen · 4 jaar 8 maanden

1. Weergegeven beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Leuven 03.02.2012
2. [Beslissing in beroep Hof van beroep te Brussel 05.10.2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak/berekening-meeromzet-forfaitaire-grondslag-feitelijk-hof-van-beroep-brussel-2016-10-05-17d8)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

61 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 03.02.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer

**zitting : 3 februari 2012**

**eindvonnis**

**Rol nr. : 10/151/A**

Inzake :

**B. J.**, zaakvoerder, wonende te …, ….

**eiseres,**

ter zitting vertegenwoordigd door meester **V.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Tienen, met kantoren te 3300 Tienen, Goossensvest 3.

**verweerder,**

ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw **E. H.**, fiscaal deskundige en mevrouw **M. V.**, e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur.

## I. PROCEDURE

De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 6 januari 2012 in beraad werd genomen.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

\- het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 23 juli 2010

\- de conclusies van partijen en de door verweerder neergelegde stukken

\- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier

De advocaat van eiseres en een ambtenaar die de BELGISCHE STAAT vertegenwoordigt hebben de zaak gepleit op de openbare zitting van 6 januari 2012. De zaak werd nadien in beraad genomen.

## II. DE FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING

Eiseres baat op de … te … een detailhandel in boven-, ceremonie- en bruidskleding uit. In die hoedanigheid is zij onderworpen aan het BTW­wetboek en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Naar aanleiding van een controle van de boekhouding van eiseres betreffende de periode 1 januari 2005 tot 31 december 2006 werden overtredingen vastgesteld, opgenomen in een proces-verbaal van 8 april 2009 (stuk 3 verweerder). Op basis van dit proces-verbaal werd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Tienen op 11 juni 2009 een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd uitvoerbaar verklaard op 15 juni 2009 door de wnd. gewestelijke directeur van de BTW te Hasselt (stuk 4 verweerder). Op 16 juni werd dit dwangbevel per aangetekende brief ter kennis gebracht aan eiseres (stuk 5 verweerder). Het werd haar op 14 juli 2009 door de gerechtsdeurwaarder betekend (stuk 6 verweerder).

Met huidig verzoekschrift vordert eiseres het dwangbevel van 11 juni 2009 nietig te verklaren en de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, met verhoging van de wettelijke intresten vanaf de betaling.

## III. BEOORDELING

**1.** Volgens eiseres is de vordering met betrekking tot het controlejaar 2005 verjaard. De boekhouder van eiseres had een volmacht om met de fiscus te onderhandelen. Eiseres betwist dat deze volmacht inhoudt dat de boekhouder een afstand van verjaring kon ondertekenen. Volgens eiseres dient een volmacht zo te worden geïnterpreteerd dat de volmachthouder de belangen van de volmachtgever behartigt. Afstand doen van de verjaring is naar het oordeel van eiseres niet in het belang van de volmachtgever. Bijgevolg heeft de boekhouder de termen van zijn volmacht overschreden. Gelet op het feit dat de ondertekening van de afstand van de verjaring hierdoor nietig is, vond geen geldige stuiting van de verjaring plaats.

**2.** In de volmacht die eiseres op 8 december 2008 aan haar boekhouder BVBA **M.** verleende, werd onder meer bepaald :

"om in zijn naam en plaats bij het Bestuur der belastingen inzage te nemen van zijn fiscaal en BTW-dossier, er alle gewenste inlichtingen te bekomen, *al zijn fiscale stukken te ondertekenen* en met het bestuur *overeenkomsten af te sluiten welke hij nodig acht*' (cursivering door de rechtbank).

Aangezien het mandaat het werk is van contracterende partijen, beslist de wil van de partijen over de omvang van het mandaat (zie art. 1134 BW). Onverminderd het bepaalde in artikel 1988 BW behoort het de rechtbank in eerste instantie de werkelijke gemeenschappelijke bedoeling van de partijen na te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gebruikte bewoordingen, het mandaat dat aan de boekhouder was gegeven een mandaat betrof om namens eiseres ''belastingaangelegenheden te regelen" en bijgevolg als een bijzondere en uitdrukkelijke volmacht moet worden aanzien.

Dit mandaat liet de boekhouder niet alleen toe om met de belastingadministratie te onderhandelen, dus daden van beheer te stellen, maar gaf hem ook de mogelijkheid om met de administratie akkoorden af te sluiten, dus daden van beschikking te stellen. Eiseres had aan haar boekhouder wel degelijk de bevoegdheid gegeven om akkoorden of dadingen af te sluiten. Hij kon in die omstandigheden ook een afstand van verjaring ondertekenen.

De vordering met betrekking tot het controlejaar 2005 is dus niet verjaard aangezien de verjaring rechtsgeldig werd gestuit op 8 december 2008 door de ondertekening van de afstand van verjaring door de gevolmachtigde en nadien opnieuw werd gestuit door de kennisgeving van het dwangbevel op 16 juni 2009.

**3.** Volgens eiseres wordt in casu ten onrechte een meeromzet berekend volgens het forfait. De administratie is niet gerechtigd het forfait toe te passen als vermoeden van niet-aangegeven omzet. Het forfait is geen bewijsmiddel inzake BTW.

De belastingplichtige heeft volgens eiseres steeds een keuze voor het forfaitair stelsel; het gaat steeds om een optie al dan niet aan de normale regeling dan wel aan het forfait te worden onderworpen. Het forfait kan niet worden opgedrongen. De wettelijke bepaling terzake, artikel 56 W.BTW, staat vermeld onder de hoofding 'bijzondere regelingen' en steunt op de Zesde Richtlijn. De vraag die zich volgens eiseres stelt is of in die context het forfait in de BTW niet een andere aard heeft dan inzake directe belastingen. Het forfait is inzake directe belastingen eigenlijk een bewijsmiddel om bij gebrek aan bewijskrachtige boekhouding de winst van de onderneming te bepalen. Het staat dan ook in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen onder de hoofding 'bewijsmiddelen van de Administratie' (art. 342 WIB '92) vermeld.

In wezen is het forfait inzake BTW volgens eiseres een afwijking van de bepalingen betreffende de maatstaf van heffing. Zij betwist bijgevolg dat het forfait inzake BTW als een bewijsmiddel mag aangewend worden. Volgens haar zou de administratie de aangifte niet door het forfait mogen vervangen, zoals in zake inkomstenbelastingen wel mogelijk is indien er geen bewijskrachtige boekhouding is. De administratie zou volgens haar de gerealiseerde omzet op andere wijzen moeten vaststellen.

4\. Het forfaitair systeem is een optioneel systeem, en dit zowel wat betreft de inkomstenbelasting als de belasting over de toegevoegde waarde. In beide belastingen beoogt het systeem een aanzienlijke vereenvoudiging in de wijze van aanslaan van de belastingplichtigen in de gevallen de belastingplichtige niet over bewijskrachtige gegevens met betrekking tot zijn belastbare inkomsten of zijn belastbare omzetcijfer beschikt. Ongeacht het feit dat het forfait in het WIB gerangschikt is onder het hoofdstuk bewijsmiddelen van de administratie, blijft het een feit dat ook in de directe belastingen de belastingplichtige de mogelijkheid wordt geboden zijn aangifte in te vullen volgens het forfait. Het betreft in de inkomstenbelastingen echter geen onaantastbare keuze aangezien de administratie steeds mag bewijzen dat de belastingplichtige een hoger inkomen genoot.

Daarnaast zijn de forfaitaire grondslagen van aanslag waarvan sprake in artikel 342, § 1 WIB '92, als bijzonder bewijsmiddel, een variante van de gewone vergelijkingsmethode. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens inzake de inkomsten van de belastingplichtige impliceren zij een wettelijk vermoeden van juistheid en van vestiging overeenkomstig de wet.

Op grond van artikel 59, § 1 W.BTW kunnen de overtredingen van de bepalingen van het wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, uitgezonderd de eed. Meer in het bijzonder is een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag van de aanslag in een bepaalde sector een feitelijk gegeven waarop de administratie, als er geen regelmatige boekhouding wordt voorgelegd, kan steunen en dat kan gelden als een vermoeden in de zin van artikel 59, § 1 W.BTW (zie ook [Cass. 13 december 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijsmiddelen-vermoedens-forfaitaire-grondslagen-aanslag-cassatie-brussel-2007-12-13-fc3d), Pas. 2007, 2285).

Zoals blijkt uit de gedane vaststellingen, vervat in het proces-verbaal van 8 april 2009 (stuk 3 verweerder), dient de boekhouding van eiseres als niet-bewijskrachtig te worden beschouwd. De vaststellingen op basis waarvan de controleur stelt dat de voorgelegde boekhouding onvolledig, niet controleerbaar en bijgevolg niet bewijskrachtig is, zijn in het proces-verbaal opgenomen. De rechtbank stelt vast dat eiseres de verwerping van de boekhouding niet betwist. Ingevolge de verwerping van de boekhouding kon de administratie de forfaitaire grondslagen van aanslag (art. 56, § 1 W.BTW) voor de kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren als feitelijk vermoeden (art. 59, § 1 W.BTW) aanwenden om de aangegeven ontvangsten te verifiëren. De forfaitaire regeling inzake BTW kon wel degelijk als een bewijsmiddel worden toegepast.

**5.** Eiseres houdt voor dat verweerder de juridische grondslag van haar dwangbevel wijzigde. Volgens eiseres steunde verweerder zich voor haar berekening op grond van het forfait, daarbij uitdrukkelijk verwijzend naar artikel 56 W.BTW. Volgens eiseres zou verweerder, blijkens zijn conclusies, evenwel voorhouden dat hij zich in wezen steunt op een herberekening van de omzet van eiseres door de administratie der directe belastingen. Deze herberekening zou dan als feitelijk vermoeden gelden inzake BTW. Daarentegen verwijst de BTW-administratie volgens eiseres in haar proces-verbaal nergens naar een akkoord of omzetberekening door de administratie der directe belastingen. De juridische grondslag van het dwangbevel is artikel 56 W.BTW en niet een feitelijk vermoeden of bewijskrachtig gegeven afkomstig van de administratie der directe belastingen. Eiseres wijst op het feit dat de juridische grondslag van de vordering na het betekenen van het dwangbevel immers niet meer kan gewijzigd worden. De wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen is volgens eiseres terzake van toepassing. Het staat ontegensprekelijk vast dat een dwangbevel moet gemotiveerd zijn. Is deze motivering, zoals in casu, verkeerd of onvolledig dan brengt dit volgens eiseres de nietigheid van het dwangbevel mee. De vordering wordt immers niet meer gedragen door haar oorspronkelijke motivering, wat in strijd is met de voorschriften van de voornoemde wet.

**6.** Het dwangbevel (stuk 4 verweerder) verwijst uitdrukkelijk naar het bijgevoegd, voor eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van 8 april 2009 (stuk 3 verweerder). Het proces-verbaal vormt een geheel met het dwangbevel.

De grondslag van de vordering is gebaseerd op artikel 56, § 1 W.BTW, zoals blijkt uit het proces-verbaal dat bij het dwangbevel is gevoegd. Van dit artikel werd gebruik gemaakt in toepassing van artikel 59, § 1 W.BTW :

"Bij toepassing van [artikel 59, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) wordt voor het bepalen van het bedrag van de verkopen gebruik gemaakt van de forfaitaire grondslagen die overeenkomstig [artikel 56, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) en het ter uitvoering ervan getroffen koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 door de Administratie werden vastgesteld in overleg met de betrokken bedrijfssectoren en meer bepaald de grondslagen van aanslag van toepassing voor de kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren" (p. 3 proces-verbaal).

De toepassing van de forfaitaire regeling werd als feitelijk vermoeden aangewend om de omzet te berekenen, zoals dit feitelijk vermoeden ook is opgenomen in het proces­verbaal dat bij het dwangbevel is gevoegd.

In zijn conclusie stelt verweerder :

"de in het proces-verbaal van 8 april 2009 opgenomen berekening van de omzet is gebaseerd op de berekening van de belastbare basis door de ambtenaar van directe belastingen ingevolge de gezamenlijk uitgeoefende controle van de boekhouding van eiseres... Tegen deze aanslag inzake directe belastingen werd geen bezwaar ingediend door eiseres zodat deze aanslag definitief geworden is ... De BTW-vordering is dus gesteund op een definitief aanvaarde taxatie inzake directe belastingen, ... " (syntheseconclusies verweerder).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze passage, weliswaar ongelukkig geformuleerd, enkel doelde op het feit dat in de directe belastingen het bericht van wijziging, bij gebreke aan bewijskrachtige stukken, eveneens gebaseerd is op de toepassing van dezelfde forfaitaire regeling inzake kleinhandelaars in diverse textiel- en lederwaren, als aangewend inzake BTW. Gelet op het feit dat tegen dit bericht van wijziging inzake directe belastingen door eiseres geen bezwaar werd ingediend, werd door haar deze taxatie definitief aanvaard. De administratie wendt dit akkoord inzake directe belastingen aan om het feitelijk vermoeden waarvan toepassing in het proces-verbaal inzake BTW kracht bij te zetten. Enkel vanuit dit opzicht wordt er verwezen naar het akkoord inzake directe belastingen, aangezien het op dezelfde forfaitaire rekenwijze, dezelfde cijfers en winstmarges is gebaseerd als waarvan sprake in het proces-verbaal opgesteld inzake BTW.

De wettelijke grondslag van het dwangbevel is evenwel niet gewijzigd. Het dwangbevel is bovendien correct gemotiveerd.

**7.** Uit wat voorafgaat volgt dat de verjaring met betrekking tot het controlejaar 2005 door de afstand van verjaring werd gestuit, het forfait inzake BTW als feitelijk vermoeden kan worden aangewend om de omzet te berekenen en het dwangbevel in casu rechtsgeldig is gemotiveerd.

### Beschikkend gedeelte

## IV. DE RECHTBANK beslist het volgende

De rechtbank doet uitspraak na **tegenspraak** en in eerste aanleg.

De vordering van eiseres is ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot de kosten. Deze kosten moeten voor eisers niet worden vastgesteld omdat zij te hunnen laste blijven en worden voor verweerder vastgesteld op 0,00 (nul) euro.

Dit vonnis is uitgesproken tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de **12****de** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op **3 februari 2012**.

De zetel is als volgt samengesteld :

**K. V. I.**, alleenzetelend rechter

**M. L'E.**, griffier.

**M. L’E.** **K. V. I.**

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 56](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) 1 voorkomen

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Grossierbedrijf;facturatie;geldboete, groothandel, facturering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grossierbedrijf-facturatie-geldboete-groothandel-hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-08-618f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Forfaitaire herberekening omzet op basis gegevens inkomstenbelastingen, feitelijke vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/forfaitaire-herberekening-omzet-basis-gegevens-rechtbank-leuven-2015-06-12-12aa) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Berekening meeromzet, forfaitaire grondslag, feitelijk vermoeden, wettelijk vermoeden, omzetverhoging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/berekening-meeromzet-forfaitaire-grondslag-feitelijk-hof-van-beroep-brussel-2016-10-05-17d8) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs, controlemaatregel, bijzondere regeling, kleine onderneming](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-bijzondere-regeling-kleine-rechtbank-dendermonde-2001-11-08-19b1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Forfaitaire regeling haarkappers berekening forfaitaire omzet, inventaris](https://juriel.be/nl/rechtspraak/forfaitaire-regeling-haarkappers-berekening-omzet-hof-van-beroep-antwerpen-2012-06-19-6d07) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-2008-02-25-a967) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel, Feitelijk vermoeden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-feitelijk-vermoeden-rechtbank-brugge-2000-06-19-b5a6) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, belastbaarheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-dendermonde-2000-01-27-c2bb) 2 gemeenschappelijke bepalingen
