---
title: "Consulting, Bedrieglijk opzet · Hof van beroep te Brussel, 19 maart 2025"
description: "Het Brusselse hof legt twee derde van de proceskosten op aan de Belgische Staat en begroot haar rechtsplegingsvergoeding op nul euro."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/consulting-bedrieglijk-opzet-plaats-dienst-hof-van-beroep-brussel-2025-03-19-77c1"
lang: "nl"
---

# Consulting, Bedrieglijk opzet, Plaats van de dienst, adviesverstrekking

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

19 maart 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

229 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 19.03.2025

\[ Gemengd arrest \]

*BTW – Consulting - Bedrieglijk opzet – Plaats van de dienst*

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 19.03.2025**

**2019/AF/328**

**DE BELGISCHE STAAT,** ON 0308.357.159, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financier), F.O.D. Financier), met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op zijn beurt vertegenwoordigd door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering — Team Invordering Rechtspersonen Vilvoorde 1, met kantoor te Philipssite 3a Bus 2, 3001 Heverlee en door de Adviseur-generaal bij de gewestelijke directie van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Brussel waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33, bus 49, met als correspondentieadres voor briefwisseling: 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 806,

appellant,

vertegenwoordigd door de heer V.N., adviseur bij de gewestelijke directie van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Brussel,

**tegen :**

**X..,** ON …, met zetel te …,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door

Mr. D.G., advocaat te …,

en door

Mr. L.Y., advocaat te …,

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.

Gezien :

 het vonnis op tegenspraak van de rechtbank van eerste aanleg Leuven van 17 mei 2019, dat volgens de verklaring van partijen ter zitting niet werd betekend;

 het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 4 september 2019; - de conclusies van appellant neergelegd ter griffie op 20 mei 2020 (in twee exemplaren) en 17 december 2020 en de stukken van deze partij neergelegd ter griffie op 17 december 2020 en ter zitting van het hof op 8 januari 2025;

 de conclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit hof op 24 januari 2020 en 24 september 2020 en 23 maart 2021 en de stukken van deze partij neergelegd ter zitting op 8 januari 2025.

## Feiten en voorgaanden

Geïntimeerde is een dienstverrichter actief in consulting in informatica en zogenaamde SAP-systemen. Zij is deel van een internationale groep, actief in de informaticasector.

Geïntimeerde wordt voor 100 % gehouden door een Franse vennootschap, X. S.A. Ook een vennootschap in het Groothertogdom Luxemburg, genaamd X. SA behoort tot de zogenaamde X.-groep. Zij heette voorheen "E. SA". Deze Luxemburgse X. SA is verder aldus als "X. SA" bedoeld in dit arrest (en niet de Franse vennootschap).

Er is ook een vennootschap X. Nederland, gevestigd in Nederland (wat evenwel door de Belgische Staat wordt betwist, zie verder).

De vennootschap genaamd K. (verder ook "NV K." genoemd) is een vennootschap aan wie de X.-groep diensten heeft geleverd en gefactureerd (voor de belastbare tijdperken hier ter discussie).

Geïntimeerde heeft de naam X.Belgium sinds 29 juli 2014 (stuk 4 Belgische Staat).

Op 7 juni 2016 deed appellant een controle ter plaatse bij Geïntimeerde. Ook werd een plaatsbezoek gedaan bij de NV K., meer bepaald op 7 december 2016. Aan beide vennootschappen werden verschillende vragen om inlichtingen gestuurd.

De Belgische Staat meent dat uit die controles blijkt dat

 de Luxemburgse vennootschap X. SA (in het proces-verbaal van de Belgische Staat vermeld met ondernemingsnummer LU17418108) ten onrechte zou hebben gefactureerd aan de NV K., maar dat de werkelijke dienstverrichter voor de prestaties in die facturen Geïntimeerde zou zijn;

 de Nederlandse vennootschap X. (in het proces-verbaal van de Belgische Staat vermeld met ondernemingsnummer NL807013006B01) in feite geleid en beheerd zou zijn vanuit België, zodat facturen gericht door Geïntimeerde aan die vennootschap, de Belgische BTW hadden moeten vermelden.

Bij brief aangetekend verzonden op 21 november 2017 (stuk 5 van de Belgische Staat) stelde de Belgische Staat aan Geïntimeerde de verjaringstermijn uit te breiden bedoeld in artikel 81 bis § 1, lid 2, 4 WBW, te weten tot en met het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de BTW zich heeft voorgedaan, en dit, volgens de Belgische Staat, wegens het begaan van een inbreuk met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Op 28 november 2017 werd een proces-verbaal inzake BTW opgesteld lastens Geïntimeerde.

Daarin worden alle bevindingen op gesomd aangaande de voormelde vennootschappen, verklaringen van verantwoordelijken afgelegd onder meer tijdens de controle ter plaatse, alsmede hele reeksen facturatiegegevens.

Het proces-verbaal besluit met naast de voormelde stelling, de bevinding dat volgens de bewoording ervan, voor de diensten gefactureerd door X. SA Luxemburg (en mede wegens het gegeven dat volgens appellant X. Nederland in België beheerd wordt) deze overeenkomstig [artikel 21 § 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) gelokaliseerd moeten worden in België en X. Belgium, dus Geïntimeerde, schuldenaar is van de Belgische BTW volgens [artikel 51, § 1, 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51).

Samen gevat stelt het proces-verbaal (inzake de exacte vaststellingen zoals erin genoemd, verwijst het hof naar het proces-verbaal zelf, stuk 6 van de Belgische Staat) :

tussen begin 2010 en 7 januari 2017 werden prestaties gefactureerd door SA X., daar waar deze aan NV K. hadden moeten zijn gefactureerd door Geïntimeerde, omdat die de werkelijke dienstverrichter was, zoals vermeld op de timesheets die bij de facturen horen en zoals bepaald is in de contracten tussen (toen nog) E. Belgium NV en deze NV K. van 12 januari 2009 en 2 januari 2013;

die NV K. nam prestaties zelf eerst op in de BTW-aangiftes in vak 82 en 59 middels zogenaamde "supplier self-bills", maar die werden weer vervangen door "nieuwe" bills aan X. SA, en dit ten onrechte;

dit leidt tot een verschuldigde BTW voor al die jaren voor al die prestaties van in hoofdsom € 909.773,77;

uit een reeks vaststellingen tijdens plaatsbezoeken over aanwezige postbakjes, boekhoudstukken, inhouden van mappen, verklaringen van een dame ter plaatse, inhoud van briefwisseling die werd aangetroffen en verklaringen van een aangestelde van Geïntimeerde, moet worden afgeleid dat X. Nederland in België wordt beheerd en geleid, hetgeen ertoe leidt dat de facturen gericht door Geïntimeerde aan X. Nederland, alsdan een in België gevestigde client voor de geleverde diensten, hadden moeten zijn gefactureerd met toepassing van de Belgische BTW en dit voor deze aan die "Nederlandse" vennootschap gericht tussen 30 juni 2011 en 30 september 2016; dit leidt tot de vaststelling dat voor al die facturen het of to dragen bedrag aan Belgische BTW € 287.532,01 is.

Samen gevat stelt het proces-verbaal dat de plaatsbepaling van alle diensten (zijnde die bedoeld in [artikel 18 § 1, lid 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18), [1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) WBTW) vervat in de facturen krachtens [artikel 21 § 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) gelokaliseerd is in België, en dat de BTW verschuldigd is door Geïntimeerde op grond van [artikel 51 § 1, 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) dat haar a!s BTW-schuldenaar aanduidt.

Bovendien meent het proces-verbaal dat daarbij sprake is van bedrieglijk opzet en op grond van een groot geheel van in het proces-verbaal opgesomde gegevens, het vast staat dat X. Nederland minstens sinds 21 juni 2011 vanuit België beheerd wordt, zodat ook de door deze vennootschap uitgereikte facturen hadden moeten zijn onderworpen aan de Belgische BTW.

Het proces-verbaal stelt dat Geïntimeerde met opzet niet heeft gefactureerd met Belgische BTW en dat zij het bedrieglijk opzet had om de door haar geleverde diensten van Belgische origine, voor de Belgische belastingadministratie te verbergen en zelf de BTW niet te moeten voldoen.

Volgens het proces-verbaal rechtvaardigen de vastgestelde feiten het toepassen van een boete gelijk aan twee maal het bedrag van de ontdoken belasting, zoals bedoeld in [artikel 70 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70).

Op grond van het voorgaande stelt dat proces-verbaal dat de volgende bedragen door Geïntimeerde verschuldigd zijn :

| als BTW voor de prestaties geleverd aan NV K. Services | € 909.773,77 |
| --- | --- |
| als BTW voor de prestaties geleverd aan X. Nederland | € 287.532,01 |
| als boeten bedoeld in [art. 70 § 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) | € 2.394.611,56 |

(zonder vermindering gezien het aanwezig opzet, art. 1, Iaatste lid KB BTW

nr. 41)

als boeten op grond van [art. 53, § 1, lid 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), [2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) WBTW, in toepassing van het KB BTW nr.

44, sectie I, 1, B

. voor de aangiftes voor het 1 e, 2 e, 3e en 4 e kwartaal 2010 en 1 e, 2 e, 3 e en 4 e kwartaal

van 2011 en het l e kwartaal van 2012 € 4.500,00

. met verdubbeling vanaf 1 juli 2012 in toepassing van artikel 2 KB BTW nr. 44

voor de aangiftes voor het 2 e, 3 e en 4 e kwartaal van 2012, het 1 e, 2 e, 3 e en 4 e kwartaal

van 2013, het 1 e, 2 e, 3 e en 4 e kwartaal van 2014, het 1 e, 2 e, 3 e en 4 e kwartaal van 2015,

het l e, 2 e, 3 e en 4 e kwartaal van 2016 en het l e kwartaal van 2017

€ 20.000,00

als boeten op grond van [artikel 53quinquies WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53quinquies) (in toepassing van sectie VIII, 3 van

KB BTW nr. 44 van 21 oktober 1993)

tot 1 juli 2012 : 125,00

vanaf 1 juli 2012 : verdubbeling per afnemer-belastingplichtige ingevolge art. 2 KB

BTW nr. 44 € 3.000,00

als intresten krachtens [art. 91 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 2017,

berekend over de verschuldigde BTW afgerond op het lager tiental, zijnde €

1.197.300,00 p.m.

Op 12 december 2017 richtte appellant aan geïntimeerde een dwangbevel, met in bijlage voormeld proces-verbaal inzake BTW, uitgevaardigd op 29 november 2017 door de ontvanger H. S., adviseur invordering-Ontvanger, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door I. L., adviseur voor de adviseur-generaal H. B., te Brussel op 8 december 2017, waarin op grond van de gegevens in het proces-verbaal de volgende bedragen van Geïntimeerde gevorderd worden :

als BTW € 1.197.305,78;

als geldboeten € 2.422.486,56

waarvan € 2.394.611,56 als proportionele en € 27.875,00 als niet proportionele

geldboeten;

als intresten € 105.362.40;

hetzij in totaal € 3.725.154,74,

meer nalatigheidintresten krachtens [artikel 91, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), moratoire intresten krachtens [artikel 91, § 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan hypothecaire inschrijvingen.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd op 22 december 2017 neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven tekende Geïntimeerde verzet aan tegen dit dwangbevel. Daarin vorderde zij de vernietiging van het dwangbevel en het voormeld proces-verbaal en te zeggen voor recht dat Geïntimeerde de gevorderde bedragen niet verschuldigd is aan appellant.

Tevens vorderde zij de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering deels gegrond. Het vernietigde het dwangbevel in de mate dat daarin een bedrag van € 1.197.305,78 aan BTW en een bedrag van € 2.394.611,56 aan proportionele geldboete werd gevorderd en zegde voor recht dat slechts een bedrag aan BTW van € 215.380,12 en aan proportionele geldboete van € 21.538,01 verschuldigd was. De Belgische Staat werd veroordeeld tot 2/3 van de kosten van het geding en Geïntimeerde tot 1/3 van deze kosten.

Het bestreden vonnis motiveerde die beslissing door te stellen dat geen bewijs voorlag van een opzet bedoeld in [artikel 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en [71](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-71) WBTW, zodat de vordering inzake BTW deels verjaard was ingevolge de toepassing van de verjaringstermijn van drie jaar zoals omschreven in [artikel 81bis § 1, lid 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis).

Wat de dan nog opgelegde en verschuldigde geldboeten betreft, verminderde het bestreden vonnis deze in toepassing van artikel 6 EVRM rekening houdend met de vereiste van proportionaliteit tussen de dan nog weerhouden inbreuken en de op te leggen sanctie, tot 10 % van de verschuldigde BTW.

Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.

## In rechte

## Vorderingen en middelen van partijen

## Vorderingen en middelen van appellant

Appellante vordert zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Hij vordert :

 zijn vordering als gesteld in het dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren en de "verlengde aanslagtermijn" inzake BTW van "7 jaar" alsmede de proportionele boete berekend aan 200 % te handhaven en voor het overige het bestreden vonnis te bevestigen;

 in ondergeschikte orde de verjaringstermijn van "3 jaar" toe te passen, waarbij de maatstaf van heffing correct bepaald wordt en een proportionele boete inzake BTW van 100 % te doen gelden en voor het overige het bestreden vonnis te bevestigen;

 Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

Hij voert daartoe de volgende middelen aan :

terecht is de verjaringstermijn bedoeld in [artikel 81bis, § 1, 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) toegepast en dit geldt ook voor het toegepaste tarief inzake de proportionele boete (berekend aan 200 % van het bedrag van de BTW); immers is bewezen dat de BTW werd ontdoken voor de periode waarover de taxatie bedoeld in het dwangbevel gaat met bedrieglijk opzet en met het oogmerk om te schaden; daarvan is het bewijs geleverd;

de Belgische schatkist werd door Geïntimeerde door niet te factureren met BTW voor beide facturatiestromen wetens en willens benadeeld wat het oogmerk om te schaden door haar gehanteerd, bewijst;

het is bewezen dat zij handelde met kennis van zaken en dit voor beide facturatiestromen;

 onterecht roept Geïntimeerde in dat sprake zou zijn van een noodzaak van toepassing van de regeling inzake tussenpersonen of commissionairs als bedoeld in [artikel 20 § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20) en [13 § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-13) WBTW;

er is geen lastgevingsovereenkomst bewezen tussen Geïntimeerde en X. QA en er kan niet worden voorgehouden dat X. SA handelde voor rekening van Geïntimeerde, dit voor de facturatiestroom die X. SA betreft;

 in ondergeschikte orde voert de Belgische Staat aan dat in zoverre de verjaringstermijn van drie jaar zou gelden bedoeld in [artikel 81bis § 1, lid 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), de verschuldigde BTW niet correct bepaald is in het bestreden vonnis en dat de boete maar beperkt verminderd kan worden; onterecht wordt dan maar rekening gehouden met een verschuldigde BTW vanaf december 2014, daar waar die bedoelde verjaringstermijn van "jaar tot jaar" berekend moet worden, zodat de BTW in hoofdsom het bedrag van € 362.737,73 bedraagt;

zelfs in dat geval moet de proportionele boete nog bepaald worden op 100 % van de op de handeling verschuldigde belasting; artikel 6 EVRM laat de rechterlijke macht niet toe de boete verder te verminderen dan dat dit kan door de administratie van appellant.

## Vorderingen en middelen van Geïntimeerde

Geïntimeerde herneemt, in hoofdorde, zijn vordering zoals gesteld in eerste aanleg en stelt derhalve een incidenteel beroep in tegen het bestreden vonnis. Zij vordert de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding voor beide aanleggen.

In ondergeschikte orde vordert zij het bestreden vonnis te bevestigen, doch dan ook de gevorderde BTW te verminderen met € 981.925,66 en de resterende boete en intresten kwijt te schelden;

In uiterst ondergeschikte orde vordert zij het bestreden vonnis te bevestigen en de boete te verlagen tot € 21.538,01.

Zij voert daartoe de volgende middelen aan :

 in ieder geval is geen bedrieglijk opzet bewezen in haren hoofde zodat de "zevenjarige" verjaringstermijn niet van toepassing kan zij i, evenmin als dat een proportionele BTW-boete berekend aan 200 % kan worden opgelegd; de belastbare handelingen van voor december 2014 zijn verjaard en een boete inzake BTW berekend aan 200 % is niet proportioneel met de inbreuk;

 inzake de facturatie gericht aan SOLI Nederland is er geen sprake van een bewijs van bedrieglijk opzet in hoofde van Geïntimeerde zodat enkel de "driejarige" termijn inzake navorderingen van BTW van toepassing kan zijn en een boete berekend aan 200 % disproportioneel is;

 er is geen bewijs dat X. Nederland vanuit België beheerd is, zodat in het geheel geen BTW op die facturatiestroom verschuldigd is door Geïntimeerde;

bovendien is X. SA de dienstverrichter aan NV K.; geïntimeerde kan dan geen BTW daarop verschuldigd zijn;

 de regeling inzake commissionairs is voor die laatste facturatiestroom van toepassing zodat ook om die reden Geïntimeerde op de facturen geen Belgische BTW moest aanrekenen;

Geïntimeerde verzoekt erom geen boeten inzake BTW op te leggen.

## Beoordeling

## De identiteit van de dienstverrichter voor de diensten vervat in de facturen gericht door SA X. aan NV K. Services

De Belgische Staat houdt voor de BTW gevorderd inzake facturaties gedaan door X. SA aan NV K. vol dal de daadwerkelijke dienstverrichter voor de dienstverrichtingen aangerekend in die facturen, Geïntimeerde is.

Hij baseert zich daarbij in hoofdzaak op de volgende elementen :

tussen Geïntimeerde (of haar rechtsvoorganger, dan wel Geïntimeerde toen nog genaamd "E.") en NV K. werd op 12 januari 2009 een overeenkomst gesloten, die blijkbaar herzien dan wel vernieuwd werd op 2 januari 2013;

in die overeenkomst verbindt Geïntimeerde er zich toe dienstverrichtingen te leveren aan NV K.;

een verklaring van een aangestelde van NV K. die uitlegde dat het gaat om prestaties waarvoor SA X. consultants zocht en leverde, in concrete uit te voeren bij J.J. (dan wel blijkbaar J.P.), waarbij de facturen (in de periodes hier ter discussie) uitgaan van die SA X. maar waarbij de contractuele verhouding in uitvoering waarvan de consultants gestuurd worden naar J.J., bestaat tussen Geïntimeerde en NV K.;

het gegeven dat op de uitgaande facturen van NV K. aan Janssen Pharmaceutica de naam van de consultant vermeld staat die naar daar is uitgezonden evenals de vermelding *"supplier E.* Belgium", waarbij het woord supplier begrijpt als "leverancier";

het gegeven dat uit onderzochte stukken blijkt dat NV K. een systeem van zogenaamde "supplier self bills" invoerde gericht aan, toen nog, E. en dat zij deze weer ongedaan maakte en die dan richtte aan SA X.;

het feit dat de facturen betaald werden op een bankrekening van SA X. in het Groothertogdom Luxemburg;

het feit dat is vastgesteld dat de verschillende consultants die werkzaam waren binnen de relatie inzake dienstverrichting, zelf hun facturaties voor hun uitgevoerde dienstverrichtingen factureerden aan Geïntimeerde, die dan echter op hun beurt aangerekend werden aan NV K. door SA X. (en niet Geïntimeerde);

het feit dat op zogenaamde timesheets (hetgeen het hof begrijpt als uurstaten) die horen bij de facturen, Geïntimeerde vermeld is en niet SA X.;

maiberichten over een enkele wijze van factureren op een bepaald ogenblik gericht door een individuele consultant aan de persoon binnen Geïntimeerde die zich met de facturatie van prestaties door de consultants aan NV K. bezig hield.

Geïntimeerde brengt daartegen in dat niet zij maar SA X. de dienstverrichter is van de geleverde dienstverrichtingen in de hier bedoelde facturen, zodat zij terecht door die vennootschap gefactureerd zijn aan NV K.. Janssen Pharmaceutica zou van oudsher een klant geweest zijn van SA X. en niet van haar (terwijl voor een deel van de geviseerde periode Geïntimeerde zelf nog niet zou zijn opgericht en nog niet zou hebben bestaan) en dat de Belgische Staat geheel onterecht voor houdt dat zij de dienstverrichter is voor alle facturen waarover BTW na gevorderd wordt.

De redenen waarom terecht gefactureerd werd voor de hier bedoelde dienstverrichtingen door SA X. en niet door haar zijn volgens haar :

 het gegeven dat door die "oude" klantenrelatie men is voor blijven factureren vanuit SA X.;

 het operationeel en administratief proces is hetzelfde gebleven, ook na het afsluiten van de contracten;

 brieven uitgaande van de revisoren van NV K. aan SA X. over het openstaande saldo, die blijkbaar geen vragen dezen rijzen over de vraag naar de identiteit van de eigenlijke dienstverrichter;

 de jarenlange dienstverlening door SA X. en NV K. die enkel aangepast werd inzake tarieven en de identiteit van de consultants;

 het weliswaar onjuist karakter van de handtekeningen op de contracten getekend door Geïntimeerde, die geen afbreuk doet aan de voortzetting van de oude contractuele relatie tussen SA X. en NV K.;

 het gegeven dat die ondertekening enkel ertoe strekte aan Geïntimeerde een lastgeving te doen om de contracten te doen ondertekenen terwijl de contractspartij SA X. bleef;

 het gegeven dat alle partijen van mening zijn dat oude contracten, hoewel aangepast, voort gezet werden.

Deze laatste argumenten doen, na onderzoek ervan en na nazicht van alle voorliggende stukken door het hof, geen afbreuk aan de vaststelling dat het bestreden vonnis met reden heeft geoordeeld dat de daadwerkelijke dienstverrichter voor de dienstprestatie vervat in de facturen bedoeld in het dwangbevel (in zoverre zij betrekking hebben op facturaties aan NV K.) Geïntimeerde is.

De beide contracten geven helder aan dat de erin bedoelde dienstverrichtingen geleverd zullen worden door Geïntimeerde, en niet door een vennootschap uit dezelfde groep, gevestigd op het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg. Het gegeven dat voordat Geïntimeerde bestond, dat wet het geval zou zijn, en dat de zakelijke relatie met alle leden van de groep, historische wortels heeft vanuit het vernoemde Groothertogdom, verhelpt niet dat duidelijk is aangetoond dat voor de hier bedoelde periodes, Geïntimeerde wet degelijk de rechtspersoon is geweest in wiens hoofde de verbintenis werd opgenomen, en werd uitgevoerd, dienstverrichtingen te gaan doen voor NV K.. Dat de overeenkomsten bij middel van enige lastgeving door Geïntimeerde louter werden ondertekend in naam en voor rekening van de Luxemburgse SA X., berust op een uitleg achteraf gegeven, doch niet op een verifieerbare daadwerkelijke gang van zaken, ondersteund in stukken zoals bv. voorafgaande gegeven opdracht daartoe, laat staan andere aanrekeningen van dienstverrichtingen die Geïntimeerde dan met dat doel voor de SA X. zou hebben gedaan. Zo zijn voor die beweerde uitvoering van enige lastgeving ook geen stukken voorhanden die aantonen dat Geïntimeerde voor zo'n beweerde lastgeving zou zijn vergoed en ook al niet dat er zijn die aantonen dat op zich Geïntimeerde zou zijn vergoed voor het optreden als administratief kantoor voor het doen van facturaties voor prestaties die ook daadwerkelijk (hetgeen niet is bewezen) door de Luxemburgse vennootschap zouden zijn geleverd.

Verder roept de Belgische Staat terecht op grond van vaststellingen bij plaatsbezoeken, verklaringen en inlichtingen ingewonnen bij de contractspartij van Geïntimeerde NV K. in dat de feitelijke situatie, waarbij consultants op een welbepaald ogenblik facturatie instructies geven aan het kantoor van Geïntimeerde en waarbij is vastgesteld dat in het kantoor in België van Geïntimeerde facturatieverrichtingen gebeurden en waarbij in timesheets gevoegd bij facturen ook sprake is van het gegeven dat de dienstverrichting in wezen door geïntimeerde wordt verricht, aantoont dat het Geïntimeerde is die aanzien moet worden als dienstverrichter voor de Belgische BTW-doeleinden, en niet de Luxemburgse vennootschap SA X..

Hetgeen geïntimeerde inroept, te wezen dat oude zakelijke relaties zijn blijven bestaan, dat er een lastgeving zou zijn, dat de feitelijke situatie niet gewijzigd zou zijn, dat een klantenrelatie die lang bestond is voort gezet en de overige door haar ingeroepen argumenten zoals onder meer die inzake enige wijze van berekening van transfertprijzen, doen aan de voornoemde vaststelling geen afbreuk.

Alleen al de overeenkomsten van dienstverrichtingen, die wel degelijk uitgevoerd blijken te zijn geweest voor en door Geïntimeerde, laten toe aan te nemen dat de verrichting van de diensten bedoeld in de facturen, door Geïntimeerde is geleverd en dit voor de gehele periode bedoeld in het dwangbevel.

Een mandaat van lastgeving, ook stilzwijgend, om contracten te ondertekenen, waardoor alsnog X. SA aanzien zou moeten worden als de werkelijke dienstverrichter, wordt niet bewezen.

Verder stelt Geïntimeerde dat in het doen van de facturaties een toepassing gezien moet worden van [artikel 13 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-13).

Hij stelt dat X. SA de tussenpersoon is bedoeld in [artikel 20 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20). Deze tussenpersoon is volgens haar tussen gekomen en heeft haar tussenkomst verleend bij diensten verstrekt aan K., zodat het gegeven dat Geïntimeerde de diensten gefactureerd heeft aan X. SA, die op haar beurt de diensten heeft gefactureerd aan NV K., een toepassing is van de voormelde regeling en de BTW zoals gevorderd in het dwangbevel (en in het al genoemde proces-verbaal) niet verschuldigd kan zijn.

Zij stelt dat X. SA ook consequent die werkwijze toegepast heeft in de BTW-aangiften in het Groothertogdom Luxemburg en dat dus geen onregelmatigheid is begaan ten aanzien van de Belgische BTW-wetgeving. Dit zou volgen uit de gecombineerde toepassing van [artikel 13](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-13), [20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20) en [21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) WBTW.

Een commissionair zoals bedoeld in [artikel 20 § 1 lid 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20) is een BTW-plichtige die in eigen naam, maar ingevolge een opdracht en voor rekening van de zogenaamde principaal overeenkomsten sluit en tussen komt in dienstverrichtingen.

Dat X. SA als tussenpersoon zoals bedoeld in de voornoemde bepalingen is opgetreden, is niet bewezen. Er is vooreerst geen lastgevingsovereenkomst bewezen tussen Geïntimeerde en X. SA. Er is ook niet aangetoond dat die laatste vennootschap op enige wijze heeft gehandeld in opdracht van Geïntimeerde. Het ontvangen van alleen betalingen van facturen bewijst dit niet. Er is ook niet bewezen dat betalingen zouden zijn door gestort naar Geïntimeerde, handelend als "principaal". Het is eenvoudigweg niet bewezen dat X. SA dienstverrichtingen heeft gedaan, en ook niet dat zij erbij is tussen gekomen. Derhalve is de ingeroepen "commissionairsregeling" niet van toepassing en vormt zij geen verklaring voor de manier waarop de facturen geviseerd in het proces-verbaal zijn opgemaakt aan de ontvanger van de dienstverrichting.

De plaats van vestiging van X. Nederland en de vraag of in de facturatie door Geïntimeerde aan X. Nederland, Geïntimeerde ervan moest uitgaan dat X. Nederland een in België gevestigde afnemer van diensten was voor doeleinden van de Belgische BTW-wetgeving

De Belgische Staat houdt vol dat X. Nederland beheerd werd in België, meer bepaald op de plaats van vestiging van Geïntimeerde zelf, en dat daardoor voor de facturen vermeld in het proces-verbaal van 28 november 2017, Geïntimeerde aan X. Nederland in toepassing van artikel 2, 18, § 1, lid 2, 1 en [artikel 21 § 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) had moeten factureren met toepassing van de BTW zoals voorzien in het WBTW, dus de Belgische BTW. De Belgische Staat houdt dus vol dat X. Nederland op de tijdstippen van de dienstverrichtingen bedoeld in de facturen, haar zetel van haar economische activiteit in België had.

Geïntimeerde betwist dat X. Nederland haar zetel van economische activiteit op die tijdstippen in België had.

De bewijslast van het bestaan van een belastingschuld ligt bij de Belgische Staat.

Die voert ter zake het volgende aan tot staving van zijn stelling dat X. Nederland de zetel van haar economische activiteit in België had, zijnde de stelling dat deze vennootschap in België werd "beheerd" en dit vanaf 30 juni 2011 tot en met 30 september 2016 :

 de heer L.D., die "eindverantwoordelijke" is van X. Nederland volgens

de Belgische Staat, heeft verklaard op 7 juni 2016 dat hij nog zelden naar Nederland afreisde, dat er nog 1 consultant aanwezig is die werkt bij A., dat de uitgaande facturatie in België wordt opgemaakt en dat er in Nederland enkel nog een brievenbus aanwezig is;

 dat op 7 juni 2016 op de zetel van Geïntimeerde een postbakje was met daarop "NL" en daarin uitgaande facturen van X. Nederland en dat een mevrouw verklaarde dat facturen aan die vennootschap in België in de zetel van Geïntimeerde gemaakt worden;

 dat alle uitgaande facturen van X. Nederland zich op de zetel van geïntimeerde bevonden op diezelfde dag;

 dat een brief van 18 september 2012 uitgaande van toen nog E. Nederland werd aangetroffen in mee genomen mappen op die dag gericht aan de vennootschap A. te Veldhoven over openstaande facturen;

 dat tevens een brief is aangetroffen gericht aan A.A. van 21 juni 2011 dat alle briefwisseling naar de zetel van geïntimeerde in België moet en dat een kaart met pincode voor bancaire verrichtingen ook naar België moet;

 een mail van 26 augustus 2011 gericht aan de Nederlandse post dat alle briefwisseling voor X. Nederland naar België moet verzonden worden;

 een brief van 1 maart 2012 van "N.M. verstuurd in naam van X. Nederland" die gevonden is in "stukken" mee genomen op 7 juni 2016 en/of in een op die dag gekopieerde laptop en/of computer;

 "de aangifte omzetbelasting" voor het tweede en vierde kwartaal van 2012, "ondertekend/verstuurd" door N.M.;

 excelbestanden van salarissen, van het jaar 2012, van werknemers van X. Nederland.

Geïntimeerde repliceert daarop met de volgende elementen :

 X. Nederland is opgericht op 1 maart 1998 en telde op haar hoogtepunt 40 werknemers, in 2014 echter nog 5 met een mijnheer Tony Klerks als "country manager", alien werkzaam en wonend in Nederland;

 sinds mei 2014 gebeuren er administratieve werkzaamheden in België;

 ook na 2014 is deze persoon T.K. actief gebleven voor X. Nederland, in

Nederland;

die heeft de beslissingsmacht voor die Nederlandse vennootschap;

 X. Nederland werd gefactureerd op haar Nederlands adres, onder meer door die mijnheer Klerks, met zijn Nederlands adres en telefoonnummer; het gaat om facturaties waarvoor geïntimeerde werkte als onderaannemer voor X. Nederland, onder meer weer voor A. in Veldhoven;

 de verklaring van mijnheer L.D. is afgelegd op 7 juni 2016.

Door de aangehaalde gegevens bewijst de Belgische Staat niet dat voor de periode bedoeld in het proces-verbaal X. Nederland een vennootschap is die de zetel van haar economische activiteit in België had. De verificatie van de door Geïntimeerde aangehaalde bewijselementen laat toe aan te nemen dat niet ten genoegen van recht is bewezen dat X. Nederland "vanuit België" "is beheerd" en dat derhalve dienstverrichtingen gedaan door Geïntimeerde aan X. Nederland voor alle facturen genoemd in het proces-verbaal met Belgische BTW hadden moeten zijn aangerekend om de reden dat de dienst in België plaats vond omdat X. Nederland in België, en niet in Nederland, de zetel van haar economische activiteit had.

Er is geen enkel gegeven voorhanden over de vraag wat de omvang van de activiteit van die vennootschap X. Nederland is. Er is enkel een opsomming van facturen die Geïntimeerde in de betrokken periode zelf aan X. Nederland heeft gericht. Er is slechts sprake van een fragmentarisch aanhalen van gegevens over facturaties in België gericht door Geïntimeerde aan die vennootschap, die niet toelaten aan te nemen dat voor de ganse periode bedoeld in het proces-verbaal X. Nederland een vennootschap is die haar eigenlijke economische activiteit in die ganse periode bij voortduur in België heeft uitgeoefend.

Dat een deel van de administratieve werkzaamheden van die vennootschap in België gebeurde, wat op zich aangetoond is door de gegevens in het proces-verbaal, laat niet toe te besluiten dat de ganse economische activiteit in België is geschied. Hoogstens laat het toe de vraag te stellen op welke wijze die dienstverrichting vanuit Geïntimeerde naar de Nederlandse vennootschap op zich gefactureerd is, maar dit is niet de aard van de navordering van appellant.

De betrokken vennootschappen zijn overduidelijk werkzaam in de zogenaamde "consultancy"-industrie, wat inhoudt dat zij op zich de werkzaamheden van hun eigenlijke economische activiteit, en dus ook die van X. Nederland, uitoefenen in de vestiging van klanten, mogelijk zelfs door "homewerk" of "thuiswerk" in het "home-office" of "thuiskantoor" van de consultant. Het dispatchen van werkzaamheden uitgeoefend door X. Nederland op Nederlands grondgebied vergt dus niet noodzakelijk een groot, omvangrijk of in oppervlakte omvangrijk kantoor en ook niet het voortdurend aanwezig zijn van personeel precies op de plaats van de Nederlandse zetel van X. Nederland. Dat de Heer L.D."verantwoordelijk" is in de groep voor activiteiten van "de groep" in Nederland, belet niet dat is aangetoond X. Nederland wel degelijk beschikte over een inzet van mensen, een verantwoordelijke (de heer Klerks minstens voor een deel van de geviseerde periode) en middelen op Nederlands grondgebied. Dat dit territoriaal op geen enkele manier op Nederlands grondgebied gebeurde in die periode, dat dit enkel op Belgisch grondgebied gebeurde, dat de Nederlandse vennootschap niet bestuurd werd in Nederland, dat zij er geen bestuursactiviteiten deed, dat zij er geen economische activiteit deed, dat de eigenlijke economische activiteit enkel in België gebeurde, of in België gebeurde, is door de aangehaalde gegevens van de Belgische Staat niet in voldoende mate en ten genoegen van recht bewezen.

Dat de heer L.D. verklaarde op 7 juni 2016 dat hij zelden tot nooit naar Nederland gaat, zegt niets over de noodzaak van zijn aanwezigheid daar, verklaart niet wat zijn eigenlijke functie is in die Nederlandse vennootschap of zijn taak binnen de X.-groep voor die vennootschap en is een momentane verklaring over de toestand op die dag en hoogstens de periode van maanden of weken ervoor. Dat hij zegt dat er geen activiteit meer is dan en er niemand op de payroll (hetgeen het hof begrijpt als betalingsrol) staat, betreft een situatie in 2016. Dat er boekhoudstukken, jaarrekeningen en veel brieven gevonden zijn van X. Nederland op 7 juni 2016 in België, laat enkel toe aan te nemen dat op die dag die stukken in België stonden, doch laat niet toe te besluiten wat er jaren aan een stuk gebeurd is, noch dat er niet ook nog stukken in Nederland hebben gestaan of nog stonden, op 7 juni 2016 en bovendien in alle jaren bedoeld in de tijdsperiode geviseerd in het proces-verbaal. Dat er een brief gevonden is van 21 juni 2011 aan ABN Amro op 7 juni 2016, is daarvoor evenmin voldoende. Dat op 5 september 2011 aan de Nederlandse post gevraagd wordt brieven door te sturen naar België, wat men uit de stukken opgehaald op 7 juni 2016 nadien in België kan lezen, zegt mogelijk iets over het doorsturen van post in de maanden erna (d.i. na 5 september 2011), niet of dat een standaard procedure was voor 2012 en de volgende jaren. Bovendien is duidelijk aangetoond door de door Geïntimeerde voorgelegde gegevens dat X. Nederland wel degelijk zijn zetel in Nederland gehouden heeft en dat er een persoon, de heer K., aldaar klaarblijkelijk de dagelijkse leiding had, dat er een zetel was, dat er mensen werkten, hoewel nog weinig uiteindelijk in 2016.

Op grond van het voorgaande, is de vordering van de Belgische Staat nopens BTW te vergoeden op de facturatie gericht aan X. Nederland niet gegrond. Het noodzakelijk bewijs, op positieve wijze te leveren door de Belgische Staat die de BTW vordert, is in onvoldoende mate en dus niet geleverd op grond van de door de Belgische Staat aangehaalde elementen en dit in concreto niet voor alle tijdstippen bedoeld in het proces-verbaal.

Op dit punt moet het bestreden vonnis gewijzigd worden.

## Het al dan niet verjaard zijn van de vordering van de Belgische Staat voor de BTW bedoeld in de facturen aan X. SA

De Belgische Staat vordert de BTW op deze facturen tot en met de periode bedoeld in [artikel 81bis, § 1, lid 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) WBTW.

Deze bepaling luidt als volgt (voor de belastbare tijdstippen hier ter discussie) :

*"§1*

*Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.*

*In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:*

*1°* *3**\[een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmachtige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd meegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting of waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt, in verband met de belasting waarop die overeenkomst of die rechtsgrond van toepassing is; j**3*

*2°* *een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven, handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;*

*3°* *bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn;*

*4°* *de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.*

De Belgische Staat stelt dat hij de hierboven bedoelde zevenjarige termijn toepast om de reden dat de inbreuk betreffende de facturaties gedaan aan X. SA gedaan zijn met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden als bedoeld in [artikel 81bis § 1, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) (hetgeen eveneens wordt voorgehouden inzake de gevorderde geldboeten inzake BTW).

Derhalve berust de bewijslast over de aanwezigheid van dit opzet in hoofde van Geïntimeerde bij de Belgische Staat.

Het te bewijzen opzet omvat twee elementen :

 Geïntimeerde moet gehandeld hebben, wetend dat haar gedraging een inbreuk op het BTW-wetboek uitmaakt, van strafrechtelijke aard, en moet de materiele elementen van haar gedraging gekend hebben, zijnde de feitelijke omstandigheden waardoor haar gedraging beantwoordt aan de geschonden wetsbepaling van het WBTW;

 Geïntimeerde moet haar objectief wederrechtelijke gedraging ook gewild hebben, d.w.z. dat moet zijn bewezen dat zij de bedoeling heeft gehad het objectieve en het materiele bestanddeel van de inbreuk, zijnde het niet factureren met Belgische BTW aan de NV K. (maar het gegeven dat er gefactureerd is door SA X.) als verboden handelen te verwezenlijken.

Bovendien moeten die twee elementen bewezen zijn in de zin dat het gewild hebben van die gedraging gedaan werd om de Belgische BTW te ontgaan, als bijzonder opzet.

Er wordt immers door het proces-verbaal en het dwangbevel geen ander wederrechtelijk nagestreefd voordeel of aan de Belgische schatkist berokkend nadeel geviseerd dan de Belgische BTW niet of te dragen. Geen ander voordeel, ook niet ten aanzien van de Belgische schatkist op een andere wijze, zoals by. het ontduiken van vennootschapsbelasting, is aangehaald.

Nadat het proces-verbaal uitvoerig de wijze van factureren, de self-billing en de administratieve gang van zaken citeert, stelt het immers dat geviseerde opzet het volgende is :

> *"... Door X. Belgium te laten factureren aan de NV K. Services OCG had de NV SQL! Belgium het bedrieglijk opzet om de door haar geleverde diensten van Belgische origine, voor de Belgische belastingadministratie te verbergen en zelf de BTW niet te moeten voldoen. ..."*

Ook in zijn besluiten stelt de Belgische Staat dat het opzet erin zou hebben bestaand de Belgische BTW niet te doen afdragen aan de schatkist (blz. 17 besluiten neergelegd ter griffie op 17 december 2020).

Indien al zekerheid zou bestaan over het gegeven dat door de facturatiestroom te organiseren zoals nu is gedaan, Geïntimeerde de materiele elementen van haar gedraging kende, zijnde de feitelijke omstandigheden waardoor haar gedraging beantwoordt aan de geschonden wetsbepalingen van het WBTW, bewijst de Belgische Staat niet dat die kennis over die materiele handelswijze precies zo gewild was met de bedoeling het objectieve en het materiele bestanddeel van de inbreuk, zijnde het niet factureren met Belgische BTW aan de NV K. (maar het gegeven dat er gefactureerd is door SA X.), als verboden handelen te verwezenlijken. Dit laatste element van het te leveren bewijs namelijk dat het de bedoeling was BTW te ontgaan, is niet geleverd.

Bij nazicht van alle voorliggende elementen en gegevens blijkt bovendien dat indien het al in de bedoeling zou hebben gelegen van Geïntimeerde de BTW op de facturen te ontduiken en deze wederrechtelijk niet aan de Belgische Staat afgedragen te zien, deze BTW door de concrete wijze waarop de facturenstroom onterecht is georganiseerd, wel degelijk inbaar en kenbaar was voor appellante, en allicht ook afgedragen is. Dit belet niet dat een vordering inzake de BTW op de facturen is ontstaan voor de Belgische Staat, maar dit is terecht een gegeven dat door het bestreden vonnis en ook door dit hof wordt aangehaald om aan te nemen dat het ontduiken van BTW als "bedoeling" van het handelen van Geïntimeerde, niet bewezen is. Dat de Belgische Staat alsdan nog steeds het risico loopt de verschuldigde BTW niet geInd te zien binnen de aangehaalde verjaringstermijn bewijst het hier noodzakelijk opzet niet.

Dat de wijze van factureren het bijzonder opzet had de Belgische BTW te doen ontduiken door Geïntimeerde, is dan ook niet bewezen.

Terecht heeft het bestreden vonnis dan ook geoordeeld dat de gevorderde BTW op de facturen aan X. SA verjaard is in zoverre gevorderd buiten de verjaringstermijn van [artikel 81bis § 1 lid 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) WBTW.

Voor hetgeen gevorderd wordt binnen de verjaringstermijn van [artikel 81bis § 1, 1, lid 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), dwz deze tot voldoening van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten (zie hierna evenwel) binnen de termijn zijnde die van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, is er geen verjaring van de vordering van de Belgische Staat.

Aangezien het dwangbevel is berekend op 12 december 2017, beslaat de toe te kennen vordering die van de BTW op de facturen aan uiteindelijk gericht aan NV K. vanaf 1 januari van het jaar 2014. Het is dan ook terecht dat de Belgische staat een bedrag aan BTW in hoofdsom vordert van € 279.708,76.

Met reden roept de Belgische Staat in dat het kalenderjaar dat staat op het jaar 2015, alle BTW bedoelt waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in de loop van het jaar 2014 (en dus niet vanaf "december") en dit gezien de duidelijke wetsbepaling van [artikel 81bis § 1, lid 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis).

## Aangaande de opgelegde boeten inzake BTW

Appellante vordert de kwijtschelding of vermindering van de opgelegde BTW-boeten (nog berekend aan 10 % van het dan volgens haar nog verschuldigd bedrag aan BTW).

Het hof kan met voile rechtsmacht oordelen over de gevorderde BTW boeten en het daarbij uitgeoefend toetsingsrecht is breder dan louter een wettigheidstoetsing. In weerwil van hetgeen voorgehouden door de Belgische Staat beperkt de toepassing van het artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 dat rechterlijk toetsingsrecht niet en beperkt deze toetsingsbevoegdheid niet het recht van de rechter na te gaan of de boete zoals opgelegd, en zoals uiteindelijk te begroten, proportioneel is met de begane inbreuken en dit zonder dat enig minimum daarbij gehanteerd moet worden, indien moet worden vastgesteld dat alsdan de boete onevenredig zou zijn met de vastgestelde begane inbreuken.

De boeten zoals opgelegd worden bedoeld als sanctie opgelegd aan Geïntimeerde. Zij worden door het hof beoordeeld, hoewel administratiefrechtelijk gevorderd, als van duidelijk strafrechtelijke aard (cfr. o.a. Gr.Fl. 2 maart 1995, Gr.H. 24 februari 1999, Gr.H. 17 maart 1999; Hof Mensenrechten arrest Engel v. Nederland, 8 juli 1976, *Publ. Eur. Court H.R.* Serie A, nr. 22, Hof Mensenrechten arrest Lauko v. Slovakije, 2 september 1998, *Reports 1998 VI).* De rechter kan met voile rechtsmacht oordelen over de opgelegde geldboete inzake BTW, zonder dat hij deze om redenen van opportuniteit of billijkheid kan kwijtschelden (Cass. 5 februari 1999; Cass. 24 januari 2002; [Cass. 21 januari 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2005-01-21-fb70); www.juridat.be; G.H. 24 februari 1999).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 E.V.R.M., mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht laat aan de rechter toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of de Belgische Staat naar redelijkheid overging tot het vorderen van een administratieve sanctie zoals in concreto gedaan, wat evenwel niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, de boete kan kwijtschelden of verminderen (cfr. Cass. 24 januari 2002, www.cass.be).

De boeten hier samen echter gevorderd zijn onevenredig met de voorgehouden inbreuk, mede gelet op de vaststelling dat het noodzakelijk te bewijzen bijzonder opzet BTW te ontduiken, niet bewezen blijkt als dusdanig.

Niettemin blijkt wel dat de verweten inbreuken wel degelijk bestaan en gemaakt zijn.

De vordering van de Belgische Staat tot het opleggen van boeten als administratieve sanctie met strafrechtelijke aard zoals gevorderd in het dwangbevel is niet proportioneel met de bewezen inbreuken.

ten boete inzake BTW, te beperken tot 10 % van de nog verschuldigde BTW zoals nu terecht nog gevorderd door en zoals door dit arrest bewezen geacht qua verschuldigdheid aan de Belgische Staat, is evenredig met de aard en de omvang van de bewezen inbreuken, die bestaat in het onterecht niet correct factureren van dienstprestaties aan de NV K. zoals hoger vastgesteld. Aldus is zij aangepast aan de ernst, de aard, de mate van laakbaarheid en de grootte van de begane inbreuken en aan de gedraging van Geïntimeerde die erin bestaat niet het nodige te hebben gedaan opdat de Belgische BTW-wetgeving correct zou worden toegepast.

Dit betreft evenwel aldus niet een vermindering van de opgelegde BTW-boeten om redenen van opportuniteit of billijkheid, maar een die de proportionaliteit bewaakt tussen de vastgestelde inbreuken en de noodzakelijke bestraffing, preventief en penaliserend van aard.

In dit opzicht moet het bestreden voor is dan ook eveneens gewijzigd worden.

## Aangaande de kosten

Gelet op het voorgaande, blijft gelden dat de Belgische Staat terecht veroordeeld worden tot 2/3 van de kosten van de procedure in eerste aanleg en Geïntimeerde tot 1/3 van deze kosten en is deze kostenverdeling ook gepast in hoger beroep, begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van € 22.500,00 aan de zijde van Geïntimeerde en op € 0,00 aan de zijde van de Belgische Staat (die vertegenwoordigd wordt door een van zijn ambtenaren) evenals tot de bijdrage aan het bijzonder begrotingsfonds voor de tweedelijnsbijstand, begroot op € 20,00 voor de procedure in graad van hoger beroep.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en deels gegrond en verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de vorderingen ontvankelijk verklaarde en in zoverre het oordeelde over de kosten en doet het voor het overige teniet,

Doet het bestreden dwangbevel deels teniet, meer bepaald inzoverre het bedragen aan BTW, interesten en geldboeten vordert voor een bedrag aan BTW hoger dan € 279.708,76 en hoger dan de op dit bedrag verschuldigde interesten, en in zoverre het geldboeten inzake BTW vordert, hoger dan bepaald op 10 % van € 279.708,76,

Laat derhalve de in het dwangbevel in die mate nog gevorderde nalatigheidsinteresten, moratoire interesten en de vervolgingskosten en kosten verbonden aan hypothecaire inschrijvingen bestaan,

Verklaart de vordering van Geïntimeerde voor het overige ongegrond en wijst haar of van het meer gevorderde,

Veroordeelt appellante tot 2/3 van de kosten van de procedure in hoger beroep en Geïntimeerde tot 1/3 van deze kosten, begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding begroot aan beide zijden op € 22.500,00 aan de zijde van Geïntimeerde en op € 0,00 aan de zijde van de Belgische Staat, en op € 20,00 bijzondere bijdrage begrotingsfonds voor de tweedelijnsbijstand,

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de **6N** kamer van het hof van beroep te Brussel op **19 MAART 2025**

waar aanwezig waren :

C.V., voorzitter

J.V., griffier

## Aangehaalde teksten

14

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 8 voorkomens

[WBTW art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-20) 4 voorkomens

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 4 voorkomens

[WBTW art. 13](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-13) 3 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 3 voorkomens

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 2 voorkomens

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 2 voorkomens

[WBTW art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-1) 1 voorkomen

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[WBTW art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) 1 voorkomen

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 1 voorkomen

[WBTW art. 53quinquies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53quinquies) 1 voorkomen

[WBTW art. 71](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-71) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-000e) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-351c) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-vrijstelling van reisbureaus voor reisdiensten buiten de Europese Unie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-vrijstelling-reisbureaus-reisdiensten-buiten-cassatie-brussel-2025-02-28-ae8d) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Regularisatieopgave, Handtekening voor akkoord -Vertegenwoordigingsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-handtekening-akkoord-hof-van-beroep-brussel-2021-01-21-0c02) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Uitoefening van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/uitoefening-recht-aftrek-facturen-aankoop-hof-van-beroep-brussel-2019-10-17-7b1b) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Holding, Onroerende verhuur, Essentieel karakter, holdingvennootschap](https://juriel.be/nl/rechtspraak/holding-onroerende-verhuur-essentieel-karakter-hof-van-beroep-2026-04-20-31c6) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 6 gemeenschappelijke bepalingen
