---
title: "Consignatie, schadevergoeding · Hof van beroep te Gent, 30 november 2017"
description: "Consignatie, schadevergoeding, verjaring, procedure, vervolging. Hof van beroep te Gent (België), 30 november 2017."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/consignatie-schadevergoeding-verjaring-procedure-vervolging-hof-van-beroep-gent-2017-11-30-cb64"
lang: "nl"
---

# Consignatie, schadevergoeding, verjaring, procedure, vervolging

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

30 november 2017

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

84 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 30.11.2017

\[Gunstig voor administratie\]

WF 708-15-12/049955

*Belasting over de toegevoegde waarde - consignatie - schadevergoeding - verjaring*

## Wettelijke bepalingen

Art. 92 lid WBTW;

Art. 6 EVRM;

Art. 1133 Ger. W;

Artikelen 1382, 1383 en 2262bis, § 1, BW;

Art. 100, eerste lid, 1° en art. 101 van het KB van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit

## Samenvatting

## 1)Feiten en voorgaande

De belastingplichtige was in 1973 actief als handelaar in tweedehandswagens en werd er van verdacht deel uit te maken van een bende die een btw-carrousel had opgezet. Volgens de belastingplichtige werd hem onterecht het recht op aftrek ontnomen en een maximale boete opgelegd van het dubbel van de ontdoken belasting. Na een afgewezen verzet tegen het dwangbevel in eerste aanleg als zijnde ongegrond, werd beroep aangetekend. Daarop werd een verzoekschrift tot consignatie van de schuld verstuurd. De belastingplichtige stelde dat hij gezien het enorme bedrag, hieraan geen gevolg kon geven. Bij gebrek aan voldoende consignatie werd het hoger beroep in arrest van september 1999 niet ontvankelijk verklaard. Ook de voorziening in cassatie (03/01/2003) werd afgewezen.

Daar de belastingplichtige van oordeel was dat de Belgische Staat een fout heeft begaan en de rechten van de verdediging geschonden had door de toelaatbaarheid van het hoger beroep af te laten hangen van de betaling van een geldsom die zijn vermogen te buiten gaat, heeft hij zich tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gericht. Op basis van schending van art. 6 EVRM veroordeelde het Hof de Belgische Staat tot het betalen van een (morele) schadevergoeding.

## 2)Procedure voor het hof van beroep

De belastingplichtige is in 2012 overgegaan tot dagvaarding in eerste aanleg van de Belgische Staat en vorderde op basis van artikelen 1382-1383 BW de oorspronkelijke bedragen. Bij bestreden vonnis in 2013 besluit de eerste rechter de vordering niet ontvankelijk wegens verjaring. Daarop werd door belastingplichtige een voorziening in hoger beroep gesteld.

Volgens art. 100 van bovengenoemd KB uit 1991 zijn verjaard en voorgoed vervallen ten voordele van de Staat, de schuldvorderingen, waarvan de op de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de 1° januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.

De rechter in beroep oordeelt dat door het inleiden van de zaak voor het EHRM op 30.06.2003, de belastingplichtige blijk geeft van zijn overtuiging dat de Belgische Staat bij het opstellen van de procedureregels een fout heeft begaan. De schade is ontstaan op het ogenblik dat hij de kans heeft verloren zijn geschil door het hof van beroep ten gronde te laten beoordelen (arrest hvb Gent van 08.09.1999, waartegen cassatievoorziening werd verworpen bij arrest van 3 januari 2003, C.00.0318.N/4). Er bestond geen wettelijke onmogelijkheid om zijn vordering voor de Belgische rechter voor het verstrijken van de verjaringstermijn aanhangig te maken. Ook zijn er geen elementen aangeduid waardoor de verjaring gestuit zou zijn.

Gelet op art. 100 van voormeld KB had de belastingplichtige dan ook tot dagvaarding moeten overgaan voor 1 januari 2008 om de verjaring van zijn vordering te beletten.

Het bestreden vonnis waarin beslist is geworden dat de vordering is verjaard, wordt dan ook bevestigd.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 30.11.2017**

Rol: 2014/AR/2544

In de zaak van:

**J.L.,** wonende te … , appellant, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbiistand bii het Hof van Beroep te Gent d.d. 11 september 2013, hebbende als raadsman mr. …,

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT/FOD FINANCIEN**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van Inning en Invordering - sectie BTW met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

DE BELGISCHE STAAT/FOD FINANCIEN, op vervolging van de eerstaanwezend Inspecteur BTW-Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

DE BELGISCHE STAAT/FOD FINANCIEN, Algemene administratie van de Fiscaliteit - sector BTW, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het … BTW-Controlekantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dardinstraat 4, geïntimeerden, allen hebbende als raadsman mr. …, advocaat te …,

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 29 september 2 14, heeft J.L. tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 juni 2013, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent 1e kamer.

Gelet op de tussenarresten van 17 november 2016 en van 12 januari 2017.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerecht zaken werd in acht genomen.

Bijzonderste gegevens

De feitelijke gegevens en procedurele voorgaanden die aan huidige procedure voorafgingen kunnen kort als volgt worden samengevat:

J.L. (appellant} was sinds 1973 actief als garagist en handelaar in tweedehandswagens. Op een gegeven ogenblik - en na inspecties in januari februari 1992 werd J.L. ervan verdacht deel uit te maken van een bende die een internationaal btw-carrousel zou hebben opgezet. J.L. zelf betwistte echter steeds dat hij hier op enige wijze van op de hoogte was, laat staan dat hij erbij betrokken as, waarbij hij benadrukte dat hij in dit verband buiten vervolging werd gesteld.

Volgens J.L. heeft hij steeds alle btw die hij van zijn cliënten ontving op regelmatige wijze doorgestort aan de Belgische Staat en ook steeds de btw betaald, m ar hebben zijn leveranciers deze niet doorgestort. Zodoende werd er - aldus Jules Lonke - onterecht afgeleid dat hij geen recht had op aftrek van de door hem betaalde btw en speciale taks op luxeproducten voor de periode van 1 januari 1988 tot 31 december 1990 én werd er hem onterecht de maximale wettelijke boete, namelijk het dubbel van de “ontdoken” belasting, aangerekend meer intresten.

Dienaangaande werd op 30 november 1992 door de btw - diensten lastens hem een dwangbevel betekend en werd er beslag gelegd op zijn goederen.

Op 2 april 1993 werd een dwangbevel betekend met deurwaardersexploot tot betaling.

Op 9 juni 1993 werd er door J.L. overeenkomstig het (oud) artikel 8 btw -wetboek verzet met dagvaarding betekend. Dit verzet werd bij vonnis van 1 apr 1 1996 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge afgewezen als zijnde ongegrond, waartegen J.L. op 30 augustus 1996 hoger beroep aantekende. Vervolgens werd op 4 oktober 1996 een verzoekschrift tot consignatie van de schuld gestuurd aan J.L., aarop niet zou zijn gereageerd. J.L. merkt hierbij op dat het voor hem - gelet op de omvang van de bedragen - volkomen onmogelijk was hieraan gevolg te geven.

Bij gebrek aan voldoende consignatie werd bij arrest van 8 september 1999 van dit hof het hoger beroep uiteindelijk niet ontvankelijk verklaard. J.L. tekende tegen deze beslissing cassatieberoep aan, doch ook dit werd bij arrest van 3 januari 2003 afgewezen.

Aangezien J.L. van oordeel was dat de Belgische Staat een fout heeft begaan door zijn rechten van verdediging te schenden door de toelaatbaarheid van het hoger beroep afhankelijk te stellen van de betaling van een som die zijn vermogen en fortuin te boven gingen, heeft hij zich tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens g richt. Bij arrest van oordeelde dit Hof uiteindelijk dat artikel 6 van het E.V.R.M. geschonden was en veroordeelde 25 september 2007 het de Belgische Staat tot het betalen van een (morele) schadevergoeding van € 15.000,00.

J.L. liet op 10 mei 2012 overgaan tot dagvaarding van de Belgisch Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Hij vorderde op grond van de artikelen 1382-1383 B.W. de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen van:

\- enerzijds een provisie van € 425.000,00 op een toen geschat bedrag van € 876.366,07 meer de wettelijke en gerechtelijke intresten;

\- anderzijds een bedrag van € 28.827,57 ter vergoeding van de door de fout van geïntimeerde door hem gemaakte kosten en uitgaven.

Verder vorderde hij ook de aanstelling van een deskundige om zijn integrale schade te bepalen.

De Belgische Staat betwistte deze vordering en stelde dat deze laattijdig erd ingesteld, waarbij zij verwees naar de specifieke verjaringsregeling van art. 100 en 101 van de wet op de rijkscomptabiliteit. Ten gronde had volgens haar niet zij, maar wel appellant zelf een fout begaan en was de ingeroepen schade en het oorzakelijk verband met de beweerde fout niet bewezen.

Bij bestreden vonnis van 3 juni 2013 besluit de eerste rechter tot de onontvankelijkheid wegens verjaring van de vordering van J.L. en veroordeelt hij deze laatste tot de kosten (waarbij de rechtsplegingsvergoeding gelet op de kosteloze rechtspleging werd bepaald op het minimumbedrag).

J.L. kon zich hiermee geenszins akkoord verklaren en heeft hoger beroep ingesteld waarmee hij de inwilliging van zijn oorspronkelijke vordering beoogt.

Hij herneemt ten gronde zijn eerdere argumentatie op basis van art. 1382 e.v. B.W. en zet in subsidiaire orde uiteen dat hij na beroep wel degelijk een beter resultaat zou bekomen hebben, minstens dat er sprake is van een verlies van een kans.

De Belgische Staat van haar kant vraagt het hoger beroep niet-ontvankelijk, minstens niet-gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen, met veroordeling van appellant tot de kosten. Zij treedt de eerste rechter bij da de vordering onder verwijzing naar art. 2262bis §1, tweede alinea B.W. verjaard was, aar herneemt daarenboven ook haar eerder ingeroepen argumentatie zowel wat betreft e verjaring als ten gronde. Subsidiair verdedigt zij de opgelegde administratieve geldboete.

Bij tussenarrest van 17 november 2016 heeft het hof het debat heropend ten inde aan J.L. toe te laten een kopie voor te leggen van het arrest van 25 september 2007 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Bij volgend tussenarrest van 12 januari 2017 heeft het hof ambtshalve de vraag gesteld of: *Gelet op de kracht van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 1999 en van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 1 april 1996, het al dan niet verschuldigd zijn van de btw nog ter discussie kan worde,, gesteld ?*

Diende niet te worden overgegaan tot een procedure herroeping van het ge1, ijsde op grond van art. 1133, 3° Ger. W. dat stelt dat een verzoekschrift tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend wanneer tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid, onverenigbare beslissingen zijn gewezen over hetzelfde onderwerp en op deze de grond.

Zijn het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 1999 en het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 25 december 2007 geen onverenigbare beslissingen in de zin van art. 1133, 3° Ger. W. nu het ene hof heeft beslist tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep, terwijl het andere hof heeft beslist dat de maatregel van onontvankelijkheid in strijd is met art. 6 EVRM?

Het debat werd heropend teneinde aan de partijen toe te laten standpunt in te nemen over deze vragen.

J.L. argumenteert dat:

\- het instellen van een procedure tot herroeping van het gewijsde een mogelijkheid is, maar geen verplichting. In art. 1133 Ger.W. is immers sprake van "kan" en niet van "moet"

\- het voorwerp van de vordering niet hetzelfde is vermits niet wordt gevraagd de beslissing

op grond waarvan J.L. gehouden is de btw te betalen teniet te oen, maar wel de veroordeling van de Belgische Staat op grond van art 1382 B.W. omdat door de toepassing van de toen heersende procedureregels zijn rechten van verdediging werden geschonden.

Ook de Belgische Staat betwist de stelling dat diende te worden overgegaan ot het instellen van een procedure overeenkomstig art. 1133 Ger.W.

## Beoordeling

## *a. herroeping van het gewijsde*

De partijen hebben terecht geargumenteerd dat de door J.L. gestelde vordering geen herroeping van het gewijsde inhoudt. Het onderwerp van de vordering betreft immers niet een herziening van het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 1999 en van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 1 april 1996 over het al dan niet verschuldigd zijn van de btw, maar wel een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 1382 B.W. ten aanzien van de Belgische Staat omdat zij op foutieve wijze de procedure heeft georganiseerd door een (te hoge) consignatie als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het hoger beroep te vereisen. Zodoende heeft J.L. de kans verloren de zaak opnieuw ten gronde te laten beoordelen door het hof van beroep te Gent.

Zijn huidige vordering betreft de vergoeding van de hierdoor geleden schade bestaande uit het verlies van die kans.

## *b. verjaring van de vordering*

Krachtens artikel 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van de schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën en artikel 100, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, zijn verjaard en voorgoed vervallen ten voordele van de Staat, de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.

Overeenkomstig art. 101 van voormeld KB wordt de verjaring gestuit volgers de regels van het gemeen recht.

Voor het ontstaan van de vordering uit onrechtmatige daad is niet alleen vereist dat het slachtoffer kennis heeft van de schade maar ook van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

J.L. heeft ten vroegste kennis gekregen van de fout begaan door de Belgische Staat na het arrest van het [Hof van Cassatie van 3 januari 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-hoger-beroep-cassatie-brussel-2003-01-03-7757). Het is pas op dat ogenblik dat definitief is komen vast te staan dat de vereiste van consignatie, de behandeling van het geschil ten gronde door het hof van beroep te Gent, belette. Er kan aangenomen worden dat J.L. pas na overleg met zijn advocaat tot de constatatie is gekomen dat de Belgische Staat bij het opstellen van de procedureregels een fout heeft begaan.

Samen met de eerste rechter is het hof dan ook van oordeel dat Jules Lonck ten laatste op -·het ogenblik van het inleiden van zijn vordering voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zijnde 30 juni 2003 kennis heeft gekregen van de fout van de Belgische Staat en van de door hem geleden schade.

Door de inleiding van die vordering heeft hij immers blijk gegeven van zijn overtuiging dat de Belgische Staat bij het opstellen van de procedureregels een fout heeft begaan. Voor de start van de verjaring is niet vereist dat het bestaan van de fout juridisch vaststaat. De schade is ontstaan op het ogenblik dat hij de kans heeft verloren zijn geschil door het hof van beroep ten gronde te laten beoordelen (arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 1999, waartegen de cassatievoorziening werd verworpen bij arret van 3 januari 2003.

J.L. verwijst naar de absolute verjaringstermijn van twintig jaar vastgelegd in art. 2262, bis §1, derde lid B.W. Voor zover deze wetsbepaling al naar analogie zou kunnen worden toegepast op vorderingen ten aanzien van de Belgische Staat, stelt het hof vast dat deze termijn niet aan de orde is vermits de termijn van 5 jaar bepaald in het tweede lid reeds was verstreken voor de termijn van twintig jaar.

Er bestond voor J.L. geen wettelijke onmogelijkheid om zijn vordering voor de Belgische rechter voor het verstrijken van de verjaringstermijn aanhangig e maken. De behandeling van de zaak zou moeten worden uitgesteld tot op het ogenblik dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een arrest zou hebben gewezen omdat pas vanaf dat ogenblik het al dan niet bestaan van een fout van de Belgische Staat juridisch zou zijn vastgesteld, maar dit belette J.L. niet het geding in te leiden.

J.L. duidt geen elementen aan waardoor de verjaring zouden zijn gestuit.

Gelet op art. 100 van voormeld KB had J.L. dan ook tot dagvaarding moeten overgaan voor 1 januari 2008 (dit ongeacht of bij de beoordeling van het ontstaan van de vordering wordt uitgegaan van het arrest van het [Hof van Cassatie van 3 januari 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-hoger-beroep-cassatie-brussel-2003-01-03-7757), dan wel van de inleiding van de zaak voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 30 juni 2003 om de verjaring van zijn vordering te beletten.

Het bestreden vonnis waarin beslist is geworden dat de vordering is verjaard, wordt dan ook bevestigd.

### Beschikkend gedeelte

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op tegenspraak.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst J.L. in de kosten van het hoger beroep, die aan zijn zijd niet moeten worden begroot daar zij ten zijne laste blijven en die aan de zijde van de Belgische Staat worden begroot op € 1.320,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: … en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 30 NOVEMBER 2017,

Ondertekeningen
