---
title: "Burgerlijke rechtspleging, Uitgaven en kosten · Belgisch Grondwettelijk Hof, 5 juli 2018, 88/2018"
description: "Burgerlijke rechtspleging, Uitgaven en kosten, Btw op de prestaties van gerechtsdeurwaarders. Belgisch Grondwettelijk Hof, 5 juli 2018, 88/2018."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/burgerlijke-rechtspleging-uitgaven-kosten-btw-grondwettelijk-hof-brussel-2018-07-05-88-2018"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/procedure-civile-frais-depens-tva-cour-constitutionnelle-bruxelles-2018-07-05-88-2018"
---

# Burgerlijke rechtspleging, Uitgaven en kosten · Burgerlijke rechtspleging - Uitgaven en kosten - Btw op de prestaties van gerechtsdeurwaarders

**Rechtscollege**

Grondwettelijk Hof

**Zetel**

Brussel

**Rolnummer**

6623

**Datum**

5 juli 2018

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Bron**

www.const-court.be

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

108 paragrafen

### Hoofding van de beslissing

Rolnummer 6623

Arrest nr. 88 /2018 van 5 juli 2018

A R R E S T \_\_\_\_\_\_ \_ \_\_\_

In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 1017, 1018 en 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Sint-Jans-Molenbeek.

### Tekst van de beslissing

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J. - P. Snappe, J. - P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P. - Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

\* \* \* I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 8 februari 2017 in zake de nv « Intrum » tegen T.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 februari 2017, heeft de Vrederechter van het kanton Sint-Jans-Molenbeek de volgende prejudiciële vragen gesteld :

> « 1. a. Schendt artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het verwijst naar artikel 2, en zelfs naar de artikelen 2 en 3, en niet uitsluitend naar artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de schuldenaar tegen wie een vordering tot ontbinding van de contractuele relatie wordt ingesteld welke niet in geld waardeerbaar is, zelfs al zou zij gepaard gaan met een vordering tot een geldelijke veroordeling, en de schuldenaar van wie alleen de betaling van een som geld (boven 250,00 euro) wordt gevorderd, verschillend behandelt, terwijl zij allebei verstek laten gaan op de inleidende zitting, en zelfs tijdens de daaropvolgende zittingen, en terwijl de prestaties van de raadsman van de schuldeiser volkomen vergelijkbaar en uiterst beperkt zijn ?
>
> b. Indien artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het verwijst naar artikel 2, en zelfs naar de artikelen 2 en 3, en niet uitsluitend naar artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schendt diezelfde bepaling, in die interpretatie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien zij het mogelijk zou maken een (te kwader trouw handelende) schuldenaar die verstek zou laten gaan op de inleidende zitting, en zelfs op de daaropvolgende zittingen, en tegen wie een vordering tot ontbinding van de contractuele relatie zou worden geformuleerd welke niet in geld waardeerbaar is, zelfs al zou zij gepaard gaan met een vordering tot een geldelijke veroordeling, gunstiger te behandelen dan een te goeder trouw handelende schuldenaar die op de zitting, en zelfs op alle zittingen, zou verschijnen, maar van wie alleen een som geld (boven 250,00 euro) zou worden gevorderd, terwijl die bepaling, volgens de parlementaire voorbereiding van het wetsontwerp ervan, net ertoe strekte dergelijke onrechtvaardige situaties te doen verdwijnen ?
>
> 2\. Schenden de artikelen 1017 en 1018 (en in het bijzonder artikel 1018, eerste lid, 2°) van het Gerechtelijk Wetboek, in voorkomend geval gecombineerd met artikel 51 (en in het bijzonder artikel 51, § 1) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval gecombineerd met de artikelen 170, § 1, en 172 van de Grondwet, in zoverre zij het mogelijk zouden maken de betaling van de belasting die is ontstaan door het verstrekken van een dienst, namelijk de betekening van een gedinginleidende akte, door de schuldenaar van die belasting, omdat hij de eindgebruiker van de genoemde dienstverrichting is, door die belasting als kosten aan te merken op grond van de uitgaven voor een gerechtelijke akte, ten laste van een derde te leggen, waarbij aldus de grondwettelijke beginselen van wettigheid en/of gelijkheid tegenover de belasting worden verbroken ? ».

Memories zijn ingediend door :

\- de nv « Intrum », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo en Mr. M. Vanderstraeten, advocaten bij de balie te Brussel, en Mr. H. Derde, advocaat bij de balie te Leuven;

\- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel.

De nv « Intrum » heeft ook een memorie van antwoord ingediend.

Bij beschikking van 1 maart 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 21 maart 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen.

Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 21 maart 2018 in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

Het voor de verwijzende rechter gebrachte geschil stelt de nv « Intrum », schuldeiser krachtens een overdracht van schuldvordering door de nv « Lampiris », tegenover T.B., schuldenaar die verstek laat gaan. In het kader van de vaststelling van de kosten is de nv « Intrum » van mening dat wanneer de verwerende partij zoals te dezen verstek laat gaan, de in artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde minimumrechtsplegingsvergoeding moet worden vastgelegd op basis van het bedrag van de vordering en niet die kan zijn welke van toepassing is wanneer de vordering niet in geld kan worden gewaardeerd. Bovendien is de nv « Intrum » van mening dat de btw op de deurwaarderskosten voor de betekening van de gedinginleidende dagvaarding in geval van veroordeling van de schuldenaar als kosten aan die laatste moet worden aangerekend.

Wat de minimumrechtsplegingsvergoeding betreft, herinnert de verwijzende rechter eraan dat de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding niet zijn vastgesteld bij artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek maar bij het koninklijk besluit van 26 oktober 2007, waarvan artikel 3 bepaalt dat voor niet in geld waardeerbare vorderingen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1 200 euro bedraagt, het minimumbedrag 75 euro en het maximumbedrag 10 000 euro.

De verwijzende rechter stelt vast dat bij collectieve vorderingen die, zoals te dezen, ertoe strekken schuldvorderingen in te vorderen, de vordering tot invordering in de regel gepaard gaat met een vordering tot verbreking van de overeenkomst tussen de aanbieder en de gebruiker, waarbij die laatste vordering, volgens de verwijzende rechter, de hoofdvordering is, die niet in geld waardeerbaar is, terwijl de vordering tot betaling het accessorium is van die vordering tot ontbinding. Daaruit volgt dat in een dergelijk geval de bij verstek veroordeelde schuldenaar zou worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 90 euro, ongeacht de som die van hem zou worden gevorderd. Daarentegen, wanneer de aanbieder van diensten een uitdrukkelijk commissoir beding gebruikt en van de in gebreke blijvende schuldenaar, zoals te dezen, slechts een som geld boven 250 euro wordt gevorderd, zal het bedrag van de minimumrechtsplegingsvergoeding noodzakelijkerwijs hoger zijn dan de rechtsplegingsvergoeding die is vastgelegd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007.

De verwijzende rechter stelt zich vragen over die verschillende behandeling, bij collectieve vorderingen, tussen vergelijkbare categorieën van in gebreke blijvende schuldenaars, namelijk de schuldenaars tegen wie alleen een niet in geld waardeerbare vordering wordt geformuleerd, al dan niet met een in geld waardeerbaar accessorium, en de schuldenaars die geconfronteerd worden met een enkele in geld waardeerbare vordering. De verwijzende rechter is van oordeel dat die verschillende behandeling de schuldeisers ertoe zou kunnen aanzetten hun vorderingen op te splitsen en dat zij niet verantwoord is aangezien de diensten van een advocaat in dergelijke dossiers volkomen vergelijkbaar zijn en tot de eenvoudigste vorm ervan zijn herleid.

Wat het begrip « kosten » betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat het feit dat de gerechtsdeurwaarder btw dient te berekenen op zijn uitgaven en erelonen niet noodzakelijkerwijs impliceert dat die btw in fine door de schuldenaar dient te worden gedragen. De verwijzende rechter herinnert eraan dat, volgens de fiscaalrechtelijke principes, de verschuldigdheid van een belasting voortvloeit uit de wet en dat de btw door de eindgebruiker wordt voldaan. Te dezen is de mandaatovereenkomst tussen de schuldeiser, lastgever, en de gerechtsdeurwaarder, lasthebber, een contractuele relatie waarbij de schuldenaar een derde is. De begunstigde van de dienst van de gerechtsdeurwaarder, namelijk de betekening van de gedinginleidende akte, is de schuldeiser, lastgever, zodat hij het is, in zijn hoedanigheid van eindgebruiker, die de schuldenaar van die belasting zou moeten zijn.

Door die belasting aan te merken als kostprijs van een gerechtelijke akte en door haar aldus op te nemen in het begrip « kosten », wordt de schuldeiser, schuldenaar van de btw in de hoedanigheid van eindgebruiker, echter ertoe gebracht de kostprijs van die belasting aan zijn eigen schuldenaar te kunnen doorrekenen en aldus die fiscale last aan een derde over te dragen. De lastgever van een gerechtsdeurwaarder zou aldus in een voordeliger e situatie zijn geplaatst dan elke andere schuldenaar van een gelijkwaardige belasting, terwijl artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek geen fiscale bepaling is en niet bedoeld is om de overdracht van een fiscale last te verantwoorden.

De verwijzende rechter beslist bijgevolg aan het Hof de hierboven weergegeven prejudiciële vragen te stellen.

III. In rechte

\- A -

Wat de eerste twee prejudiciële vragen betreft

A.1.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vragen niet ontvankelijk zijn in zoverre zij betrekking hebben op artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 21 februari 2010, maar dat, bij gebrek aan koninklijk besluit, nog niet van kracht is. Aangezien de prejudiciële vragen betrekking hebben op een bepaling die de rechter, in de stand van het van kracht zijnde recht, niet kan toepassen, zijn zij zonder relevantie voor de oplossing van het geschil en dienen zij dus niet te worden beantwoord.

Bovendien, zelfs indien zij in die zin zouden worden geïnterpreteerd dat zij artikel 6 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 beogen, dat een bepaling bevat die soortgelijk is met het in het geding zijnde artikel 1022, zevende lid, zouden de prejudiciële vragen eveneens niet ontvankelijk zijn, aangezien het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over de grondwettigheid van een koninklijk besluit.

A.1.2. In ondergeschikte orde gaat de eisende partij voor de verwijzende rechter ervan uit dat de prejudiciële vragen op een verkeerde lezing van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek berusten.

Die vragen berusten immers op de stelling volgens welke, wanneer een schuldenaar tegelijkertijd het voorwerp uitmaakt van een in geld waardeerbare vordering en van een niet in geld waardeerbare vordering, de rechtsplegingsvergoeding dient te worden berekend op grond van de hoofdvordering, die, volgens de verwijzende rechter, de niet in geld waardeerbare vordering tot ontbinding zou zijn. Die stelling is echter klaarblijkelijk verkeerd aangezien in geval van « gemengde » vordering, waarvan sommige elementen in geld waardeerbaar zijn en andere niet, de hoogste rechtsplegingsvergoeding dient te worden toegepast, hetgeen het Hof van Cassatie heeft bevestigd in zijn arrest van 11 mei 2010.

Er bestaat dan ook geen enkel verschil in behandeling tussen de in de prejudiciële vragen beoogde categorieën van personen, aangezien de rechtsplegingsvergoeding in beide gevallen hoger dan 90 euro zal zijn.

A.1.3. In nog meer ondergeschikte orde gaat de eisende partij voor de verwijzende rechter ervan uit dat de prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord.

Het door de verwijzende rechter bekritiseerde verschil in behandeling onder schuldenaars (die in voorkomend geval te goeder of te kwader trouw zijn), vloeit immers alleen voort uit het onderscheid tussen de vorderingen die in geld waardeerbaar zijn en die welke dat niet zijn, dat niet het gevolg is van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, maar van de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 2 6 oktober 2007. Het Hof is echter niet bevoegd om de grondwettigheid van een koninklijk besluit te toetsen.

Bovendien komen de prejudiciële vragen erop neer het principe zelf van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding bepaald op basis van de aard of het belang van het geschil opnieuw ter discussie te stellen. Dat principe is nochtans verantwoord om een proces in het proces te vermijden en is door het Hof aanvaard in het arrest nr. 182/2008.

Tot slot kan de verwijzende rechter niet worden gevolgd wanneer hij van oordeel is dat, in het kader van collectieve vorderingen voor de invordering van schuldvorderingen, de diensten van de advocaat tot de eenvoudigste vorm zijn herleid. Het beste voorbeeld is de thans voorliggende zaak, waar de advocaat op twee terechtzittingen is verschenen, aanzienlijke conclusies over de rechtsplegingsvergoeding en de kosten heeft opgesteld en nu voor het Hof optreedt.

A.2. De Ministerraad gaat ervan uit dat aangezien de prejudiciële vragen betrekking hebben op een wetsbepaling die de verwijzende rechter in de huidige stand van het van kracht zijnde recht niet kan toepassen, zij zonder relevantie en bij gevolg niet ontvankelijk zijn.

In elk geval, in de veronderstelling dat de vragen ontvankelijk zijn, wijst de Ministerraad erop dat in de huidige stand van de wetgeving, de rechtscolleges, via de criteria bepaald bij artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding die door de in gebreke blijvende schuldenaar verschuldigd is, kunnen corrigeren of modaliseren, zowel naar beneden als naar boven, teneinde te vermijden een persoon die de vordering niet betwist, minder gunstig te behandelen. Bovendien maakt het ondervragingsrecht van de rechter, waarin is voorzien bij artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat kan worden uitgeoefend wanneer de verweerder verstek laat gaan, het ook mogelijk een oplossing te bieden voor de door de verwijzende rechter opgeworpen problematiek.

Wat de derde prejudiciële vraag betreft

A.3.1. Wat de derde prejudiciële vraag betreft, gaat de eisende partij voor de verwijzende rechter ervan uit dat de btw die de deurwaarder opneemt in de uitgaven voor de betekening van de gedinginleidende dagvaarding, ingeval van veroordeling van de schuldenaar, als kosten aan die laatste moet worden aangerekend.

Zij gaat ervan uit dat de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden aangezien de ene een uitgave doet die verbonden is met de rechtsvordering en de andere niet.

Hoewel de kwalificatie als belasting doorslaggevend is wanneer het erom gaat te bepalen wie de schuldenaar van de btw is, geldt hetzelfde niet wanneer die btw wordt opgenomen in dienstverrichtingen die als kosten worden beschouwd. De regeling van de kosten heeft immers niet ten doel een belasting in te voeren, maar te bepalen wie dient bij te dragen aan de terugbetaling van de gerechtskosten. De situatie van diegene die krachtens het fiscaal recht schuldenaar van de btw is, kan dus niet worden vergeleken met die van de partij die krachtens het gerechtelijk recht tot de kosten is veroordeeld.

Tot slot, in de veronderstelling dat de vergeleken categorieën van personen vergelijkbaar zijn, berust het verschil in behandeling op een objectief criterium, waarbij de wet de kwalificatie als kosten bepaalt, en is het redelijk verantwoord, aangezien het normaal is dat de schuldenaar van een belasting die betrekking heeft op een als kosten aangemerkte uitgave, die last, ingeval van gerechtelijke overwinning, door een derde kan doen dragen, hetgeen de schuldenaar van een andere belasting niet kan doen.

A.3.2. Wat het beginsel van de wettigheid van de belasting betreft, gaat de eisende partij voor de verwijzende rechter ervan uit dat de in de kosten opgenomen btw niet langer als belasting kan worden aangemerkt, zodat het wettigheidsbeginsel te dezen geen toepassing kan vinden. In elk geval zijn artikel 51 van het BTW-Wetboek en artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek wettelijke bepalingen, zodat het beginsel van de wettigheid van de belasting niet kan zijn geschonden. Het feit dat, zoals de verwijzende rechter onderstreept, artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek geen bepaling van fiscale aard is, is zonder relevantie.

A.4. De Ministerraad gaat ervan uit dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, aangezien een schuldeiser die een schuldenaar voor een rechtscollege dagvaardt, niet vergelijkbaar is met een schuldeiser die niet in rechte optreedt.

De artikelen 1017 en 1018 van het Gerechtelijk Wetboek onderwerpen alle rechtzoekenden aan dezelfde regels door te bepalen dat, enerzijds, de verliezende partij in de kosten wordt verwezen, met inbegrip van de deurwaarderskosten in hun geheel, ongeacht of zij al dan niet een contractuele band heeft met de deurwaarder die belast is met de betekening, en, anderzijds, de in het gelijk gestelde partij alle uitgaven inzake betekening die zij heeft moeten doen, als kosten recupereert. De verplichting om de kosten te dragen vindt dus haar oorsprong in de wet : zij is het gevolg van de gerechtelijke band en staat los van elke not ie van quasi - delictuele aansprakelijkheid of nadeel. Bovendien is de last van de kosten niet van openbare orde, aangezien de partijen het eens kunnen worden over de verdeling van de kosten, in welk geval de rechter hun akte verleent.

Sinds de wet van 28 december 2011, in werking getreden op 1 januari 2012, zijn de gerechtsdeurwaarders aan de btw onderworpen en hebben zij daardoor de verplichting op hun dienstverrichtingen de btw in rekening te brengen; daaruit volgt dat de opdrachtgever de btw dient te voldoen, aangezien bij het arrest nr. 141/2013 de onderwerping van de deurwaarders aan de btw is aanvaard.

Het feit dat de veroordeelde verweerder de kosten dient te dragen, waaronder de btw op de deurwaarderskosten, leidt niet ertoe de eiser te « bevoorre chten ». Enerzijds, preciseert de verwijzende rechter niet wie die andere schuldenaar van een gelijkwaardige belasting zou zijn, zodat het Hof geen vergelijking kan maken. Anderzijds belet, juridisch gezien, niets dat de partijen overeenkomen een belasting door een derde te laten dragen, zoals bijvoorbeeld voor de onroerende voorheffing inzake handelshuur of de kantoorbelasting. Die niet limitatieve voorbeelden volstaan om aan te tonen dat de artikelen 1017 en 1018 van het Gerechtelijk Wetboek op zich geen bevoorrechte situatie doen ontstaan.

De Ministerraad verzoekt het Hof dus de prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden.

\- B –

B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking, enerzijds, op artikel 1022, zevende lid,

van het Gerechtelijk Wetboek en, anderzijds, op de artikelen 1017 en 1018 van het

Gerechtelijk Wetboek.

B.2. Het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is, betreft de invordering,

door een vennootschap die schuldeiser is geworden krachtens een overdracht van

schuldvorderingen, van bedragen die wegens de levering van elektriciteit verschuldigd zijn

door een particuliere schuldenaar die verstek laat gaan. De prejudiciële vragen betreffen de

bepaling van de kosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding, voor dat geschil.

Ten aanzien van de eerste twee prejudiciële vragen

B.3. De eerste twee prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek « in die zin geïnterpreteerd dat het verwijst naar artikel 2, en zelfs naar de artikel en 2 en 3, en niet uitsluitend naar artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat ».

In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie, in zoverre het « de schuldenaar tegen wie een vordering tot ontbinding van de contractuele relatie wordt ingesteld welke niet in geld waardeerbaar is, zelfs al zou zij gepaard gaan met een vordering tot een geldelijke veroordeling, en de schuldenaar van wie alleen de betaling van een som geld (boven 250,00 euro) wordt gevorderd, verschillend behandelt, terwijl zij allebei verstek laten gaan op de inleidende zitting, en zelfs tijdens de daaropvolgende zittingen, en terwijl de prestaties van de raadsman van de schuldeiser volkomen vergelijkbaar en uiterst beperkt zijn ».

In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie, in zoverre het « het mogelijk zou maken een (te kwader trouw handelende) schuldenaar die verstek zou laten gaan op de inleidende zitting, en zelfs op de daaropvolgende zittingen, en tegen wie een vordering tot ontbinding van de contractuele relatie zou worden geformuleerd welke niet in geld waardeerbaar is, zelfs al zou zij gepaard gaan met een vordering tot een geldelijke veroordeling, gunstiger te behandelen dan een te goeder trouw handelende schuldenaar die op de zitting, en zelfs op alle zittingen, zou verschijnen, maar van wie alle en een som geld (boven 250,00 euro) zou worden gevorderd, terwijl die bepaling, volgens de parlementaire voorbereiding van het wetsontwerp ervan, net ertoe strekte dergelijke onrechtvaardige situaties te doen verdwijnen ».

B.4. Zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162 bis van het Wetboek van strafvordering » (hierna : wet van 21 februari 2010), bepaalt artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek :

> « Wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, of wanneer alle in het ongelijk gestelde partijen op de inleidende zitting zijn verschenen maar de rechts vordering niet hebben betwist, of wanneer zij uitsluitend uitstel van betaling vragen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding ».

Artikel 6 van de wet van 21 februari 2010 bepaalt :

> « Met uitzondering van dit artikel bepaalt de Koning voor elk artikel van deze wet de dag waarop het in werking treedt ».

B.5. De Ministerraad en de eisende partij voor de verwijzende rechter betogen in hun respectieve memories dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven om de reden dat artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 21 februari 2010, nog niet in werking is getreden.

B.6. Zoals is voorgeschreven bij artikel 6 van de wet van 21 februari 2010, staat het aan de Koning de dag te bepalen waarop elk artikel van die wet in werking treedt. Een koninklijk besluit in die zin werd nog niet genomen wat betreft artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 waarbij het in het geding zijnde artikel 1022, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingevoegd.

B.7. Het staat in beginsel aan de verwijzende rechter na te gaan of het nuttig is aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over een bepaling die hij van toepassing acht op het geschil. Slechts wanneer dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof de vraag onontvankelijk verklaren.

Te dezen nopen de prejudiciële vragen het Hof tot een toetsing van de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van een wetsbepaling die, zoals in B.6 is vermeld, nog niet in werking is getreden.

Aangezien de prejudiciële vragen betrekking hebben op een wetsbepaling die de verwijzende rechter in de geldende stand van het recht niet kan toepassen, zijn zij niet relevant voor de oplossing van het bodemgeschil en bijgevolg onontvankelijk.

B.8. De eerste twee prejudiciële vragen behoeven geen antwoord.

B.9.1. Voor het overige stelt het Hof vast dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in geval van verstek thans is neer gelegd in artikel 6 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 « tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat » (hierna : het koninklijk besluit van 26 oktober 2007), dat bepaalt :

> « Wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding ».

Met toepassing van artikel 1022, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden bij de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 de basis -, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bepaald voor, respectievelijk, de « geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen » (artikel 2) en « de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen » (artikel 3).

B.9.2. In de veronderstelling dat er een verschil in behandeling bestaat wat betreft het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in geval van een bij verstek gewezen beslissing, naargelang de vordering al dan niet in geld waardeerbaar is, of naargelang de schuldenaar al dan niet te goeder trouw is, vindt dat verschil in behandeling, in de geldende stand van het recht, zijn oorsprong in de artikelen 2, 3 en 6 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 en niet in de in het geding zijnde bepaling.

B.9.3. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de grondwettigheid van een reglementaire bepaling.

Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag

B.10. De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 1017 en 1018 van het Gerechtelijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 51 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

B.11.1. De artikelen 1017 en 1018 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen :

« Art. 1017. Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt. \[…\] Art. 1018. De kosten omvatten : \[…\] 2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten; \[…\] ». B.11.2. [Artikel 51 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) (hierna : BTW-Wetboek) bepaalt :

> « § 1. De belasting is verschuldigd : 1° door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht; 2° door degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht; 3° door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk. \[…\] ».

B.12. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 170, § 1, en 172 van de Grondwet, van de artikelen 1017 en 1018 (en in het bijzonder artikel 1018, eerste lid, 2°) van het Gerechtelijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 51 (en in het bijzonder artikel 51, § 1) van het BTW-Wetboek « in zoverre zij het mogelijk zouden maken de betaling van de belasting die is ontstaan door het verstrekken van een dienst, namelijk de betekening van een gedinginleidende akte, door de schuldenaar van die belasting, omdat hij de eindgebruiker van de genoemde dienstverrichting is, door die belasting als kosten aan te merken op grond van de uitgaven voor een gerechtelijke akte, ten laste van een derde te leggen, waarbij aldus de grondwettelijke beginselen van wettigheid en/of gelijkheid tegenover de belasting worden verbroken ».

B.13. Uit de elementen van het dossier blijkt dat de prejudiciële vraag past in het kader van de vaststelling van de kosten. De vraag gaat over de mogelijkheid om de btw op de prestaties van gerechtsdeurwaarders, te dezen de uitgaven voor de betekening van de gedinginleidende dagvaarding, op te nemen in « de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten » in de zin van artikel 1018, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.

De verwijzende rechter is van oordeel dat de begunstigde van de dienstverrichting van de deurwaarder de opdrachtgevende schuldeiser is, die, in zijn hoedanigheid van eindgebruiker, de schuldenaar van de btw is, maar die, indien die belasting wordt opgenomen in het begrip « kosten », de kostprijs van die belasting kan doorrekenen aan zijn eigen schuldenaar, en aldus de last die belasting te moeten voldoen, over te dragen naar een derde partij bij de verrichting die aanleiding heeft gegeven tot de verschuldigdheid van die belasting.

B.14.1. Zoals het is vervangen bij artikel 55 van de wet van 28 december 1992 « tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek der registratie -, hypotheek- en griffierechten », bepaalt [artikel 51 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), volgens de parlementaire voorbereiding, wie de schuldenaar van de btw is (Parl. St., Kamer, 1992 - 1993, nr. 684/1, p. 53).

B.14.2. De artikelen [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) tot en met [8 bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) van het BTW-Wetboek bepalen wie als belastingplichtige in de zin van dat Wetboek kan worden aangemerkt. Luidens artikel 4, § 1, is belastingplichtige « eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend ».

B.14.3. Luidens [artikel 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) is de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht, de belasting verschuldigd. De belastingplichtige, met uitzondering van degene die geen enkel recht op aftrek heeft, is gehouden de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij [artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) voorgeschreven aangifte ([artikel 53, § 1, eerste lid, 3°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)).

B.14.4. Normalerwijs betaalt een belastingplichtige die een belastbare levering van goederen of diensten verricht, zelf de btw die hij aan de Staat is verschuldigd. In dat geval is de belastingplichtige ertoe gehouden een factuur uit te reiken aan zijn medecontractant of ervoor te zorgen dat in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn medecontractant of een derde, een factuur wordt uitgereikt ([artikel 53, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)). Die factuur vermeldt onder meer de tarieven en het totaalbedrag van de door de medecontractant verschuldigde belasting ([artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) van 29 december 1992). Bijgevolg rekent de belastingplichtige de medecontractant de door hem verschuldigde btw aan.

B.15.1. Bij artikel 53 van de wet van 28 december 2011 houden de diverse bepalingen is, met uitwerking op 1 januari 2012, de vrijstelling van de btw opgeheven die de gerechtsdeurwaarders voordien genoten voor de diensten verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid, en waarin was voorzien in artikel 44, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek. Die maatregel heeft dus tot gevolg die diensten aan een belasting van 21 pct. te onderwerpen.

B.15.2. Uit de in B.14 in herinnering gebrachte regels inzake btw volgt echter dat de lastgever van de deurwaarder niet de schuldenaar van de btw is.

B.16.1. Krachtens artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst de rechter in ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, tenzij bijzondere wetten anders bepalen en onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die de rechter eventueel bekrachtigt. Krachtens artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten onder meer « 2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten ».

Bij het koninklijk besluit van 30 november 1976 « tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen » wordt het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken vastgesteld.

B.16.2. De verplichting om de kosten te dragen vindt haar oorsprong in de wet.

De veroordeling in de kosten is « een rechtsgevolg \[…\] van de beslissing over de grond van het geschil » (Cass., 11 februari 1977, Arr. Cass., 1977, I, p. 649). Die maatregel bepaalt de verdeling van de kostprijs van het proces onder de partijen bij het geschil, waarbij die uitgaven, binnen de grenzen bepaald bij de artikelen 1017 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, moeten worden gedragen door de in het ongelijk gestelde partij. De verwijzing in de kosten, zelfs ambtshalve, is een gevolg van de gerechtelijke band.

B.16.3. Sinds de inwerkingtreding van artikel 53 van de voormelde wet van 28 december 2011 zijn de diensten van de deurwaarder die een gedinginleidende dagvaarding betekent, onderworpen aan 21 pct. btw. Die belasting vormt een element dat wordt opgenomen in de uitgaven voor gerechtelijke akten.

De omstandigheid dat de kosten de btw op de diensten van de deurwaarder die een gedinginleidende dagvaarding betekent, kunnen omvatten, vloeit voort uit het wettelijke begrip « kosten », dat ertoe strekt de uitgaven voor het proces te verdelen onder de partijen bij het geschil.

De verwijzing in de kosten heeft niet ten doel, noch tot gevolg de in B.14 in herinnering gebrachte regels met betrekking tot de hoedanigheid van schuldenaar van de btw te wijzigen of ervan af te wijken.

B.17.1. Overeenkomstig de regels inzake btw treft de belasting op de diensten van een deurwaarder die een gedinginleidende dagvaarding betekent alle rechtzoekenden niet op dezelfde wijze. De btw-plichtige personen kunnen immers het bedrag van de belasting recupereren en worden dus niet in dezelfde mate geraakt door die belasting op de deurwaarderskosten met betrekking tot de betekening van een gedinginleidende dagvaarding. De rechtzoekenden die niet aan de btw zijn onderworpen, moeten daarentegen op die kosten een belasting van 21 pct. betalen.

B.17.2. Wanneer de btw op de deurwaarderskosten met betrekking tot de betekening van een gedinginleidende dagvaarding wordt gefactureerd aan een eisende partij die btw-plichtig is, en in zoverre het geschil waarin zij werd betrokken, verband houdt met haar als belastingplichtige uitgeoefende werkzaamheid, is die laatste ertoe gemachtigd die belasting over de toegevoegde waarde af te trekken. In die hypothese dient die belasting te worden afgetrokken van de kosten die ten laste zijn gelegd van de in het ongelijk gestelde partij, waarbij de rechter het bedrag van de kosten dient te begroten op de werkelijke kosten (Cass., 15 juni 2007, Arr. Cass., 2007, nr. 330).

B.17.3. Gelet op hetgeen in B.17.2 is vermeld, doen de in het geding zijnde bepalingen geen afbreuk aan het wettigheidsbeginsel bedoeld in artikel 170, § 1, van de Grondwet, noch aan het bij de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid voor de belasting.

B.18. De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

### Beschikkend gedeelte

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. De eerste twee prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. 2. Gelet op hetgeen in B.17.2 is vermeld, schenden de artikelen 1017 en 1018 van het Gerechtelijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 51 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 juli 201 8.

De griffier, De voorzitter,

P. - Y. Dutilleux J. Spreutels

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 3 voorkomens

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 1 voorkomen

[WBTW art. 8bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Voldoening van de belasting, Verlegging van de heffing, Medecontractant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-verlegging-heffing-medecontractant-grondwettelijk-hof-all-2012-10-c02e) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de belasting, Verlegging van de btw-heffing -Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-belasting-verlegging-btw-heffing-rechtbank-brussel-2019-12-05-6dc1) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-bergen-2022-05-20-c627) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Paarden, Verlegging van de heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-paarden-verlegging-heffing-hof-van-beroep-antwerpen-2022-01-18-cf20) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 3 gemeenschappelijke bepalingen
