---
title: "BTW-tarief 6%, Renovatie · Hof van beroep te Gent, 23 juni 2026, 2024/AR/1718"
description: "BTW-tarief 6%, Renovatie. Hof van beroep te Gent (België), 23 juni 2026, 2024/AR/1718."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-tarief-renovatie-hof-van-beroep-gent-2026-06-23-cae4"
lang: "nl"
---

# BTW-tarief 6%, Renovatie

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Rolnummer**

2024/AR/1718

**Datum**

23 juni 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

113 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 23.06.2026 (2024/AR/1718)

\[ FIN 54738311 \]

\[ Gunstig arrest \]

*BTW – BTW-tarief 6% - Renovatie*

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 23.06.2026 (2024/AR/1718)**

2024/AR/1718 - In de zaak van:

1.**M.S.A.J.,** RRN ...,

wonende te ... ..., ...,

2.**V.T.R.C.,** RRN ...,

wonende te ... ..., ...,

*appellanten,*

*beiden hebbende als raadsman mr. ZAGHEDEN Méhdi, advocaat te 9052 GENT, Bollebergen 2A bus 20*

tegen

**BELGISCHE STAAT,** ON ...,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Brugge, met kantoor te 8200 BRUGGE, Koning Albert 1-laan 1-5 bus 3,

geïntimeerde,

*hebbende als raadsman mr. DECORDIER Carmenta* ***en*** *mr. BRICOUT Tine, beiden advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 22 november 2024 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 21 oktober 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/3468/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 12 mei 2026, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

Op 24 januari 2020 werd aan de appellanten een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een bestaande eengezinswoning gelegen aan de ... te .... Uit deze omgevingsvergunning blijkt dat de aanvraag enerzijds het renoveren van het bestaande volume en anderzijds het aanbouwen van een nieuw volume betrof. Rondom het bestaande volume werd een nieuwe gevelafwerking voorzien bestaande uit gevelisolatie en een afwerkingslaag in witte crepi, om te voldoen aan de huidige energienormen. De kroonlijsthoogtes werden verlaagd en de nokhoogtes bleven praktisch gelijk. Tegen de achtergevel werd een uitbreiding voorzien met een grondoppervlakte van 7,90m op 7,83m en afgewerkt met een plat dak. Intern werd de woning volledig

heringericht.

Na een controle ter plaatse en na nazicht van de facturen en onderzoek van de plannen stelde de administratie vast dat het verlaagde BTW-tarief van 6% onterecht werd toegepast op de facturen voor werken in de periode vanaf 26 juli 2019 tot 13 augustus 2020. De administratie stelde dat de volledige eerste verdieping nieuw was door het feit dat er nieuwe topgevels werden gebouwd en een nieuw dak werd geplaatst, en dat slechts 43,92% van de oude woning is gebleven ten opzichte van de nieuwe woning (nl. 162,04m 2 ten opzichte van 368,94m 2). Op 17 september 2020 werd een correctieopgave opgemaakt voor de facturen tijdens de periode vanaf 26 juli 2019 tot 13 augustus 2020, waarin de bijkomend verschuldigde BTW werd bepaald op 11.140,30 euro. Een (verminderde) proportionele geldboete van 10%, of 1.110,00 euro, werd aangekondigd. De appellanten verklaarden zich hiermee niet akkoord op 22 oktober 2020. Bij brief van hun raadsman van 16 januari 2022 preciseerden de appellanten hun bezwaar.

Bij beslissing van 8 november 2022 liet de administratie weten bij haar standpunt te zullen blijven. Zij stelde o.m. het volgende:

> *"Uit de toetsing van het 'oppervlaktecriterium' blijkt dat het oude behouden gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken. Het grootste deel van de woning dient bijgevolg als nieuwe oppervlakte te worden beschouwd.*
>
> *Enkel de oude gelijkvloerse verdieping werd (deels) behouden. De nieuw gebouwde eerste verdieping zorgt er, samen met de uitbreidingswerken op het gelijkvloers, voor dat het nieuwe gedeelte overheersend is."*

Middels verzoekschrift neergelegd op 13 december 2022 maakten de appellanten hun vordering aanhangig voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Bij vonnis van 21 oktober 2024 oordeelde de tiende kamer van deze rechtbank dat de vordering van de appellanten toelaatbaar maar ongegrond was, met veroordeling van de appellanten tot de gedingkosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vordering van de appellanten

De appellanten vragen in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

#### *IN HOOFDORDE*

*Dienvolgens het vonnis d.d. 21 oktober 2024 gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg*

*te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, kamer B.10 in de zaak gekend onder rolnummer*

*22/3468/A te herzien en opnieuw wijzende te zeggen voor recht dat de volgende naheffing in*

*de btw nietig is, minstens ongegrond is en dienvolgens ontheffing dient verleend te worden:*

*- correctieopgave met kenmerk 404/39/2020 161885, opgemaakt d.d. 17 september*

*2020, met postdatum 28 september 2020, voor een bedrag van 12.254,33 EUR.*

*Te zeggen voor recht dat:*

** *de uitgevoerde verbouwing aan de woning van appellanten btw-technisch kwalificeert als een "omvorming", waarop terecht het verlaagde btw-tarief van 6% werd toegepast, omdat zowel aan het structureel criterium als aan het oppervlaktecriterium aantoonbaar voldaan is;*

** *de belastingverhoging van 10% moet vernietigd worden omdat door de administratie niet voldaan werd aan de motiveringsplicht, minstens deze te ontheffen en ondergeschikt aan appellanten uitstel van deze sanctie toe te kennen.*

*Dienvolgens te zeggen voor recht dat alle sommen die mochten zijn of worden geïnd door geïntimeerde, door geïntimeerde dienen terugbetaald te worden, samen met de moratoriuminteresten verschuldigd overeenkomstig de wet.*

#### *RECHTSPL EGI NGSVERGOEDI NG*

*Kosten lastens geïntimeerde, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van het basisbedrag, m.n. 1.726,74 EUR, dit per aanleg.*

### 3.2. De vordering van degeïntimeerde

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;*

*Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen.*

*Appellante tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, begroot aan de zijde van de*

*Belgische Staat op 1.726,74 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.*

*Gezien geïntimeerde in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste*

*aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.*

## 4. De beoordeling

4.1. Het voorwerp van het geschil ten gronde tussen de partijen betreft de vraag of de in opdracht van de appellanten uitgevoerde werken in onroerende staat de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben (en dus terecht onderworpen werden aan het tarief van 6%) dan wel betrekking hebben op een nieuwbouw (en dus onderworpen zijn aan het tarief van 21%). Over de overige voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief van 6% op grond van artikel 1 KB/BTW nr. 20, zoals opgenomen in tabel A, rubriek XXXVIII, §1 van de bijlage bij KB/BTW nr. 20, bestaat geen discussie.

De vraag of de bouwwerken als een renovatie (standpunt appellanten) of als een nieuwbouw (standpunt geïntimeerde) kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De belasting steunt zich op de werkelijkheid. De termen die voorkomen op de bouwvergunning zijn terzake niet dienend. De bevestiging door het college van burgemeester en schepenen van de stad ... dat de omgevingsvergunning enkel kon worden bekomen indien minimum 60% van de bestaande gevels werd behouden (stuk 1, bundel appellanten), is dan ook niet relevant.

De appellanten dragen de bewijslast en dienen aan te tonen dat de in hun opdracht uitgevoerde werken niet onderworpen zijn aan het tarief van 21% en dus de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hadden (zie artikel 1 KB/BTW nr. 20, dat met ingang van 7 januari 2007 de bewijslast voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6% bij de belastingplichtige legt, door in een hiërarchie van de btw-tarieven te voorzien).

4.2. De wetgever heeft geen definitie gegeven aan het begrip werken of handelingen met als voorwerp "de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (...) geheel of ten dele van een woning", zoals omschreven in rubriek XXXVIII, tabel A van het KB/BTW nr. 20. Deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis, wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. De heropbouw van een gebouw na afbraak, zelfs indien de funderingen en de kelder van het oude gebouw of andere bijkomstige elementen van de structuur (zoals de voorgevel) worden behouden, wordt als een nieuwbouw beschouwd. Wanneer de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw worden behouden, worden de werken als omvorming of renovatie in de zin van rubriek XXXVIII, tabel A van het KB nr. 20 beschouwd. Zo is er sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (zie ook Cass. 25 juni 2020, AR [F.19.0069.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2020-06-25-4e3a); Cass. 21 oktober 2022, AR [F.21.0053.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-cassatie-all-cassation-2022-10-21-3ca2); beide op www.juportal.be).

De definitie van wat een "verbouwing" is in artikel 4.1.1 VCRO is in dit dossier niet dienend. Deze definitie gaat uit van het behoud van het "bestaand volume". Aangezien de appellanten een aanbouw hebben bijgebouwd, werden geen aanpassingswerken doorgevoerd binnen het bestaand bouwvolume.

4.3. Onder de hierboven genoemde begrippen worden normaal niet begrepen werken of handelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXVIII, §3, 1 ° van het KB nr. 20 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is. Zelfs wanneer redelijkerwijze met enige marge rekening moet worden gehouden, dan blijkt dat de mate waarin de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1986-aanschrijving-7f20) toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan,

een administratieve toegeving op de wettekst is.Dat is zeker het geval waar de

administratie besliste om maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. Hoewel het oppervlaktecriterium niet in de wet is ingeschreven, is de omvang van het nieuwe gedeelte een relevant feitelijk element bij de beoordeling. Het oppervlaktecriterium is gebaseerd op een administratief standpunt dat de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming van dat gebouw "wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken".

Alhoewel circulaires geen bindende kracht hebben doch rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof aan dat de appellanten, zoals elke andere belastingplichtige, recht hebben op de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer hun renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult.

Het oppervlaktecriterium, dat niet is voorzien in de wet, kan worden aanzien als een administratieve toegeving dat wel degelijk een relevant, doch niet noodzakelijk doorslaggevend criterium vormt en een concrete beoordelingsruimte toelaat in het voordeel van de belastingplichtige in vergelijking met de strengere wet. Het is niet onredelijk vanwege de administratie om die toegeving aldus toe te passen in die zin dat "de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte" (btw-revue nr. 110 van september 1994). Het is ook een logische en zeer redelijke redenering dat er kan worden van uit gegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de

woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Opdat de

uitbreidingswerken aan het begrip "omvormen" zouden beantwoorden, is het een correcte interpretatie dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De door het KB nr. 20 gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" veronderstellen zoals gezegd een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan. Met het gedeelte dat (quasi) volledig werd afgebroken en opnieuw werd heropgebouwd kan bij de toepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden. Voormeld administratief standpunt (met het zgn. oppervlaktecriterium) geldt immers enkel in geval van uitbreiding van de bestaande/behouden woning. In ieder geval dienen de werken aan het bestaande/behouden gedeelte te kwalificeren als een verbouwing, en niet als een nieuwbouw (zie randnummer 4.2.).

4.4. Op basis van de voorgelegde plannen en stukken kan het hof enkel het standpunt van de administratie bijtreden. De essentie van de discussie tussen de partijen betreft de vraag of de verdieping al dan niet kwalificeert als een nieuwbouw. Uit de foto's blijkt dat de topgevels van de verdieping volledig werden afgebroken tot aan de vloerplaat en terug opgebouwd, en dat het bestaande oude dak volledig werd afgebroken (pannen en timmerwerk) en identiek werd heropgebouwd. Dit wordt niet betwist door de appellanten. Om deze nieuwe dakconstructie te kunnen dragen, werd ook een nieuwe ringbalk gegoten.

Aangezien de verdieping volledig vernieuwd werd, vanaf de vloerplaat tot aan (en met inbegrip van) het dakgebinte, dient deze verdieping als een volledig nieuwe ruimte te worden beschouwd. Hier gelden dezelfde principes als voor de situatie waar op de funderingen van een afgebroken gebouw een nieuw gebouw wordt opgetrokken (zie randnr. 4.2). Niettegenstaande binnen de contouren van de oude woning werd gebleven en het gebruik van de ruimtes quasi dezelfde is gebleven, is de bouwstructuur van de verdieping volledig vernieuwd als gevolg waarvan de werken aan deze verdieping tot gevolg hebben dat zij gelijkstaan met een nieuwbouw. Van een nieuwbouw is niet enkel sprake bij een 'uitbreiding' ten opzichte van de oorspronkelijke toestand. Wanneer een bestaand bouwwerk volledig wordt afgebroken en wordt heropgebouwd op dezelfde plaats, is het nieuw. Dit is niet enkel van toepassing op de afbraak en heropbouw van een volledig onroerend goed, maar geldt ook bij de afbraak en heropbouw van een verdieping. Dat de bestaande gevelmuren op het gelijkvloers werden behouden, is om die reden niet doorslaggevend en in deze situatie niet relevant aangezien de volledige verdieping werd afgebroken en nieuw werd heropgebouwd. Deze volledige verdieping steunt overigens deels op een nieuwe dragende constructie aangezien er een nieuwe ringbalk werd gegoten. Dat deze ringbalk en nieuwe dakconstructie nodig waren voor de stabiliteit en veiligheid, is niet relevant. De redenen waarom moet worden overgegaan tot afbraak en heropbouw, doen immers niets af aan het feit dát werd afgebroken en heropgebouwd, wat voor btw-doeleinden kwalificeert als een nieuwbouw.

Aangezien de volledige verdieping als een nieuw gedeelte moet worden beschouwd alsook rekening houdend met de oppervlakte van het nieuw aangebouwde deel, kwalificeren de bouwwerken integraal als een nieuwbouw. De oppervlakte van het oude gedeelte, m.n. de bestaande gelijkvloerse verdieping, bedraagt immers minder dan de helft van de totale

oppervlakte van de woning na uitvoering van de werken. De concrete

oppervlakteberekening van de administratie wordt niet betwist door de appellanten. Het behouden gedeelte (bestaande gelijkvloers) kan niet langer betekenisvol worden aanzien ten aanzien van het nieuwe gedeelte (nl. eerste verdieping en nieuwe aanbouw).

De redenen voor de afbraak en heropbouw van de verdieping zijn niet relevant om te beoordelen of deze verdieping voor btw-doeleinden als een omvorming/verbouwing dan wel als een nieuwbouw kwalificeert.

Aangezien de appellanten niet aantonen dat de bouwwerken kwalificeren als een verbouwing, heeft de administratie terecht besloten dat de bouwwerken kwalificeren als een nieuwbouw en dat het btw-tarief van 21% van toepassing is.

4.5. Aan de appellanten werd een proportionele geldboete opgelegd van 10% of 1.110,00 euro.

Waar de appellanten stellen dat de opgelegde belastingverhoging onvoldoende werd gemotiveerd aangezien de correctieopgave louter verwijst naar de toepasselijke wetsbepalingen, kunnen zij niet worden gevolgd. In de materie inzake btw, die geregeld wordt door zowel de wet als vele uitvoerende koninklijke besluiten, is een verwijzing naar de wettelijke bepalingen voor de motivering van een opgelegde belastingverhoging noodzakelijk. Dit maakt de motivering complex, maar daarom niet onvoldoende. De feiten die de overtreding opleveren, worden uitgebreid vermeld in de correctieopgave. Ook de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen, worden vermeld. Die motieven zijn enerzijds de wettelijke bepalingen die de administratie zich verplicht ziet toe te passen, en anderzijds de afwezigheid van belastingontduiking die de administratie heeft aangenomen. Gelet op de begane overtreding, die in detail in de correctieopgave werd uiteengezet, hadden de appellanten alle nodige informatie om de redenen te kennen waarom in hun hoofde overgegaan werd tot het opleggen van een sanctie. Het hof ziet geen reden om om deze reden over te gaan tot nietigheid van de boete.

Het wordt niet betwist dat de kwestieuze geldboete strafrechtelijk van aard is in de zin van artikel 6.1 EVRM. De fiscale geldboetes wegens overtreding van het Wetboek BTW sanctioneren immers een norm die gericht is tot eenieder die verplicht is de BTW-regelgeving te volgen. Uit de aard en de wijze van bepaling van de omvang van de boete blijkt dat deze geen vergoedende functie heeft, maar in wezen ertoe strekt te straffen en herhaling van inbreuken te voorkomen.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van [artikel 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat: met belastingboeten inzake de btw uitvoering wordt gegeven aan het recht van de

Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (HvJ 23 februari 2013, [C-617/10](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-617-10-arrest),

*Âkerberg Fransson,* punt 27);

een nationale rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of een maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten kan toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (HvJ 26 februari 2013, [C-399/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-399-11-arrest), *Melloni,* punt 60 en HvJ 23 februari 2013, [C-617/10](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-617-10-arrest), *Âkerberg Fransson,* punt 29);

bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (HvJ 7 december 2000, [C-213/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-213-99-arrest), *de Andrade,* punt 20 en HvJ 6 februari 2014, [C-424/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-424-12-arrest), *Fatorie,* punt 50);

dergelijke sancties derhalve niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude (HvJ 26 april 2017, [C-564/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest), *Farkas,* punt 60; HvJ 8 mei 2008, C95/07 en [C-96/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest), *Ecotrade,* punten 65-67; HvJ 20 juni 2013, [C-259/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-259-12-arrest), *Rodopi-M* 91, punt 38); bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel met name rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (HvJ 26 april 2017, [C-564/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest), *Farkas,* punt 60; HvJ 8 mei 2008, [C-95/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest) en [C-96/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest), *Ecotrade,* punten 65- 67; HvJ 20 juni 2013, [C-259/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-259-12-arrest), *Rodopi-M* 91, punt 38);

de rechter tevens rekening mag houden met de concrete omstandigheden van de zaak om te beoordelen of de op basis van de bepalingen van nationaal recht aan de belastingplichtige opgelegde sanctie in overeenstemming is met het Unierechtelijk even redigheidsbeginsel (HvJ 26 april 2017, [C-564/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest), *Farkas,* punt 61).

Hieruit volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak (zie ook Cass. 12 februari 2026, [F.24.0026.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dienst-bedoeld-in-btw-wetboek-cassatie-brussel-2026-02-12-c871), op juportal.be).

De proportionele geldboete werd opgelegd op grond van [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) dat een geldboete van het dubbel van de belasting oplegt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen.

Krachtens [artikel 84 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) werd het bedrag van de proportionele fiscale geldboete binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. [Artikel 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, bepaalt de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, met verwijzing naar de als bijlage aan het besluit gevoegd tabellen A tot J. In uitvoering van dit KB nr. 41 (rubriek G, 1, IV) werd de boete bepaald op 10% van de verschuldigde BTW, afgerond tot 1.110,00 euro.

In de gegeven omstandigheden is de opgelegde belastingverhoging evenredig met de door de appellanten begane inbreuken, en kon die belastingverhoging in redelijkheid door de administratie worden opgelegd. De appellanten baseren zich op de reeds meermaals als foutief beoordeelde werkwijze om de afgebroken en als nieuw heropgebouwde gedeeltes als 'oud'/'bestaand' te beschouwen. Op zicht van de omvang van de effectief opgelegde belastingverhoging van 10% van de verschuldigde belasting, kan ook niet aangenomen

worden dat deze niet evenredig met de inbreuk zou zijn. Dat de werken voor

stedenbouwkundige doeleinden als een verbouwing kwalificeren of dat de werken noodzakelijk waren voor de stabiliteit en de huidige normen, zijn geen redenen om de opgelegde geldboetes te matigen. De geldboete van 10% of 1.110,00 euro staat in evenredige verhouding met de aard, de ernst en de omvang van de begane overtredingen.

Zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien, is er evenmin reden om een uitstel (of opschorting) toe te kennen aangezien dit het beoogde effect van de boete teniet zou doen. De boete beoogt de naleving van de btw-regelgeving in iedere situatie (en niet enkel wanneer bouwwerken worden uitgevoerd); ook de gelijkberechtiging onder belastingplichtigen is een relevant element. Met de goede trouw van de appellanten werd reeds rekening gehouden door de geldboete te verminderen van 200% naar 10%.

4.6. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De eerste rechter heeft terecht de vordering van de appellanten afgewezen als ongegrond.

## 5. De gerechtskosten

De appellanten worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. In fiscale zaken is een vordering tot nietigverklaring dan wel ontheffing van een betwiste aanslag een in geld waardeerbare vordering. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 10.000,01 euro tot 20.000,00 euro bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep 1.726,74 euro.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd;

 het hof veroordeelt de appellanten tot de gerechtskosten van het hoger beroep,

vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellanten (maar te hunnen laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde:

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.726,74 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep Gent, de **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **23 juni 2026.**

Aanwezig:

Frederieke Compernolle, raadsheer, wn. voorzitter, alleen rechtsprekend

An Van Wijnsberge, griffier

## Aangehaalde teksten

10

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

[C-564/15, arrest van 26 april 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest) 3 voorkomens

[C-259/12, arrest van 20 juni 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-259-12-arrest) 2 voorkomens

[C-617/10, arrest van 26 februari 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-617-10-arrest) 2 voorkomens

[C-95/07 en C-96/07, arrest van 8 mei 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest) 2 voorkomens

[C-213/99, arrest van 7 december 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-213-99-arrest) 1 voorkomen

[C-399/11, arrest van 26 februari 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-399-11-arrest) 1 voorkomen

[C-424/12, arrest van 6 februari 2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-424-12-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale controle, Proces-verbaal](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-controle-proces-verbaal-rechten-rechtbank-namen-2021-06-23-191f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Levering van nieuwe gebouwen, Geen periodieke betaling, Bijzondere rekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/levering-nieuwe-gebouwen-geen-periodieke-hof-van-beroep-luik-2023-03-17-1a65) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Kunstmatige constructie, kopiename computerbestanden, fraude, controlemaatregel, inzagerecht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kunstmatige-constructie-kopiename-computerbestanden-fraude-rechtbank-gent-2022-03-14-1dfe) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, vertrouwensbeginsel, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-vertrouwensbeginsel-levering-goederen-rechtbank-gent-2022-06-13-1e62) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 2 gemeenschappelijke bepalingen
