Btw-tarief · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 26 april 2011

Zoeken

Btw-tariefBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-tarief-hof-van-beroep-antwerpen-2011-04-26-073c

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
26 april 2011

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 5 maanden
  1. Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Hasselt29.10.2009
  2. Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen26.04.2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

79 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 26.04.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

Zitting van : 26/4/2011

In zake : 2009/AR/3172

1. S. P., wonende te …, …,

2. B. Y., wonende te …, …,

appellanten,

tegen het vonnis gewezen op 29 oktober 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt,

vertegenwoordigd door Mr. B. J., advocaat te …, …,

tegen :

1. ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de Gewestelijk Directeur van de BTW, wonende te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 40,

2. BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, wonende te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Mr. P. B. loco Mr. V. D. S. P., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 29 oktober 2009, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 25 november 2009, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting betreft het toepasselijk BTW-tarief (6 % of 21 %) op werken, uitgevoerd aan het onroerend goed, gelegen aan de … te ….

Voor voormeld pand, eigendom van appellanten, werd op 7 juli 2005 een stedenbouwkundige vergunning bekomen voor het "verbouwen van een tweewoonst met stapelplaats tot 6 appartementen met losstaande garages".

F. S., inspecteur bij de FOD Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, verklaarde in een proces-verbaal van 21 mei 2006 dat hij vaststelde dat voormeld gebouw grotendeels werd afgebroken en dat naast de zijmuren tegen de aanpalende woningen en 2 binnenmuren een klein stuk binnenmuur van de voorgevel overeind gebleven was.

In het proces-verbaal van 23 oktober 2007 werd gesteld dat, na vergelijking van de plannen, opgemaakt door architect S. H. van …, met het proces-verbaal van 21 mei 2006 aangetoond was dat :

"- het nieuwe gebouw 6 appartementen omvat over drie bouwlagen, met verschillende ruimten (inkom, trappenhal) in mede-eigendom;

- de voorgevel volledig werd afgebroken en vernieuwd, slechts een deel van de binnenmuur van de voorgevel en 2 binnenmuren bleven behouden;

- de achtergevel volledig werd afgebroken; de nieuw achter gevel niet op dezelfde plaats werd opgebouwd;

- van de vroegere dak-constructie niets behouden bleef;

- de bestaande verdiepingsplaten werden afgebroken en overal volledig nieuwe verdiepingsplaten werden aangebracht,·

- de overige constructies (elektriciteit, verwarming, sanitair) volledig nieuw werden gebouwd".

In voormeld proces-verbaal werd dan ook besloten tot inbreuken op het KB nr. 20 van 20 juli 1970, vermits het BTW-tarief van 6 % werd toegepast, daar waar het tarief van 21 % moest worden toegepast.

Er werd gesteld dat verschuldigd was :

- als nog verschuldigde BTW : … EUR;

- als boeten : het dubbel van de verschuldigde BTW : … EUR.

Er werden drie foto's gevoegd bij het proces-verbaal van 23 oktober 2007.

Op 19 februari 2008 werd een dwangbevel uitgevaardigd door F .H., eerstaanwezend inspecteur a.i. van het eerste BTW­ontvangkantoor van Hasselt. Dit dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 februari 2008 door F. S., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Beringen 1.

Dit dwangbevel werd aan de belastingplichtigen betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 19 maart 2008.

1.2. Procedure voor de eerste rechter

De belastingplichtigen tekenden tegen dit dwangbevel verzet aan bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 9 april 2008.

Ze vorderden om het dwangbevel van 19 februari 2008 nietig te verklaren en om de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, met veroordeling van de Belgische Staat tot betaling van de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelde in zijn vonnis van 29 oktober 2009 dat de bewijslast van de feiten die de BTW verschuldigd maken, op de administratie rust. Het is derhalve aan de administratie om aan te tonen dat het tarief van 6 % niet van toepassing is in onderhavig geval. De administratie dient te bewijzen dat het gaat om een nieuwbouw en niet om een renovatie, zodat het tarief van 21 % van toepassing is. De eerste rechter oordeelde dat op basis van de vaststellingen, alsook uit de foto's bleek dat het niet ging om een verbouwing maar om een nieuwbouw en dat de vordering van de belastingplichtigen dan ook ongegrond was.

De vordering van eisers werd afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond en ze werden veroordeeld tot de kosten van het geding, hetzij een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

1.4. Procedure voor het hof van beroep

P. S. en Y. B. legden een verzoekschrift hoger beroep neer en vorderen voor het hof van beroep :

"- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering toe te wijzen;

- het dwangbevel d.d. 19 februari 2008 nietig te verklaren;

- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd te verhogen met de verschuldigde interesten;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zowel in eerste aanleg als in beroep begroot op … EUR."

De Belgische Staat vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de belastingplichtigen te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op telkens … EUR.

Gelet op deze vordering van de Belgische Staat met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding, dient aangenomen te worden dat de Belgische Staat op dit punt incidenteel beroep instelt.

2. Bespreking

2.1. Toepasselijke BTW-tarief

Overeenkomstig Tabel A, XXXI, § 1, 1°, bijlage bij K.B.nr.20 van 20 juli 1970 wordt onder meer aan het verlaagd tarief (van 6 %) onderworpen, de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud van woningen, met uitsluiting van de reiniging ervan.

Vermits de wetgever deze handelingen niet nader heeft gedefinieerd moet daaraan de gebruikelijke betekenis worden toegekend. Zo dient te worden aangenomen dat het verlaagd tarief niet van toepassing zal zijn wanneer er in wezen sprake is van nieuwbouw.

In onderhavig geval dient te worden vastgesteld dat het onroerend goed in kwestie aanvankelijk een tweewoonst betrof, in de zin van twee aanpalende woningen, met een gelijkvloers, een eerste verdieping en een zolder. Daarnaast bevond zich een stapelplaats, eveneens met een schuin dak.

Uit de foto's en de beschrijvingen door de verbalisanten blijkt dat de stapelplaats volledig werd afgebroken evenals het grootste deel van de vanuit de straatkant rechts gelegen woning. Het buitenste deel van de voorgevel werd volledig afgebroken, evenals de achtergevel. De dakconstructie werd volledig verwijderd, alsook de verdiepingsplaten. Van elektriciteit, sanitair en verwarming werd niets behouden.

De nieuwe achtergevel werd niet op dezelfde plaats terug opgebouwd. In de plaats van de tweewoonst met stapelplaats, kwam een gebouw met zes appartementen over drie bouwlagen, met losstaande garages.

Het hof oordeelt dat in de gegeven omstandigheden niet langer gesproken kan worden van een verbouwing of renovatie, maar dat er in tegendeel sprake is van nieuwbouw. Het feit dat een stuk van de binnenmuur van de voorgevel werd behouden, alsook een paar binnenmuren is niet van aard om te doen besluiten dat het slechts om een verbouwing gaat. De delen van het oorspronkelijke gebouw die herbruikt werden zijn immers zeer beperkt in verhouding tot het geheel.

Het feit dat men, als gevolg van de slechte staat van het gebouw, meer moest afbreken dan oorspronkelijk voorzien en dat een volledige afbraak met nieuwbouw uiteindelijk gemakkelijker en goedkoper zou zijn geweest doet aan het voorgaande geen afbreuk. De brief van architecte H., opgesteld op vraag van appellanten is terzake niet dienend.

De uitgevoerde werken zijn dermate essentieel en steunen amper op bestaande constructies, zodat terzake moet besloten worden dat een nieuw gebouw werd opgericht. Het tarief van 21 % werd dan ook terecht toegepast.

2.2. Rechtsplegingsvergoeding

Er bestaat geen betwisting over het feit dat de rechtsplegingsvergoeding dient bepaald te worden overeenkomstig de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (BS 31 mei 2007), uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007.

Samen met de administratie oordeelt het hof dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr. 2010/183, p. 720).

Gelet op het bedrag van de verschuldigde belastingen en verhogingen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding … EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken, zodat het kan worden toegekend aan de Belgische Staat als in het gelijk gestelde partij. Het incidenteel beroep van de Belgische Staat is dan ook gegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep van P. S. en Y. B. ontvankelijk doch ongegrond, behalve voor wat de rechtsplegingsvergoeding betreft.

Verklaart het incidenteel beroep van de stad Antwerpen ontvankelijk en als volgt gegrond,

Bevestigt de bestreden beslissing, met uitzondering voor wat de toegekende rechtsplegingsvergoeding betreft.

Veroordeelt P. S. en Y. B. tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat begroot op :

- … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg,

- … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZESENTWINTIG APRIL TWEEDUIZENDENELF,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

S. B. en M. G., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. M. G. S. B. D. W.