Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 29.03.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent – 5e kamer - terechtzitting van 29-03-2011
Nr. 2009/AR/3306
in de zaak van :
C. NV, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellante,
hebbende als raadsman mr. V. F., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit, BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van :
1) de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,
2) de e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te Tielt, wiens kantoren gevestigd zijn te 8700 Tielt, Tramstraat 50,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. V. D. P. J., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. De procedure
Bij verzoekschrift van 30 december 2009 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 24 december 2008 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen. De appellante werd verwezen in de kosten van het geding.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de geïntimeerde zou veroordelen tot terugbetaling aan de appellante van de in uitvoering van het betalingsbericht van 4 augustus 2003 met referentienummer … ten onrechte betaalde rechten, boeten en interesten, in het totaal … euro, verhoogd met gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding, zijnde 28 december 2006.
De appellante vraagt ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep.
De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
2. De feitelijke gegevens
De appellante is een vennootschap die als groothandel in voedingswaren een geregistreerde BTW-belastingplichtige is.
In de periode van 1998 tot 2000 heeft zij werken in onroerende staat uitgevoerd aan haar villa aan de … te ….
De controleambtenaar heeft op 8 augustus 2002 een plaatsbezoek uitgevoerd met het oog op de controle naar de toepassing van het juiste tarief en het bedrag van de BTW met betrekking tot die werken in onroerende staat. De controle ambtenaar heeft uit zijn vaststellingen afgeleid dat de appellante overtredingen begaan heeft op de BTWwetgeving en -reglementering. Meer bepaald zou ten onrechte toepassing zijn gemaakt van het tarief van 6 %, terwijl het tarief van 20,5 % had moeten zijn toegepast.
Er kon geen akkoordverklaring bereikt worden waarop de controleambtenaar op 28 mei 2003 een proces-verbaal heeft opgesteld waarin de gedane vaststellingen en afleidingen daaruit worden opgenomen met als conclusie dat de volgende bedragen zouden verschuldigd zijn door de appellante :
• … euro BTW;
• … euro interest en
• … euro boete.
Kennelijk werd de appellante met een betalingsbericht uitgenodigd om het totaal bedrag van … euro te betalen aan de geïntimeerde.
De vordering van de appellante werd vereffend via een toerekening op 20 mei 2003 op de BTW-rekening-courant voor een bedrag van … euro en via twee betalingen door de appellante van … euro en … euro.
Met een dagvaarding van 28 december 2008 stelde de appellante haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, geformuleerd zoals de huidige vordering voor het Hof (zie hoger).
De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 24 december 2008 de vordering van de appellante afgewezen zoals hoger gesteld.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3. De grieven en argumenten van de partijen
3.1. Het standpunt van de appellante
De appellante stelt dat bij de facturatie terecht het tarief van 6 % toegepast werd omdat de werken zouden vallen onder rubriek XXXI, tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 inzake BTW-tarieven.
De appellante benadrukt in eerste orde dat de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal zich niet uitstrekt tot de vermelding door de controleambtenaar van het percentage dat het oude gedeelte van de woning ten opzichte van het geheel na uitvoering van de werken zou vertegenwoordigen. Het zou hier niet om een vaststelling gaan maar om een persoonlijke afleiding uit de feitelijke vaststellingen.
Voorts voert de appellante aan dat het verdubbelcriterium dat de geïntimeerde hanteert, in strijd is met de wet omdat op die manier een kwantitatieve benadering wordt gebruikt, terwijl volgens de wet uitsluitend op kwalitatieve wijze zou mogen worden nagegaan of het oude gedeelte van de woning; nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. De appellante bestrijdt de stelling van de geïntimeerde als zou het verdubbelcriterium een administratieve toegeving op de wet uitmaken. Het criterium zou ingepast kunnen worden in het begrip “omvorming” wat door de wet toegelaten wordt.
Concreet is volgens de appellante het oude gedeelte van haar woning wel degelijk betekenisvol gebleven ten opzichte van het nieuwe gedeelte; het oude gedeelte zou ook na de verbouwing nog de hoofdzaak zijn. Aldus bekeken zou de omvang van de uitbreiding geen rol spelen. In het proces-verbaal, zo stelt de appellante, had de geïntimeerde trouwens niet betwist dat het nieuwe gedeelte van de woning niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren en dus het oude gedeelte louter aanvult om er één geheel mee te vormen. De realiteit zou zijn dat, ook na de verbouwingswerken, het oude gedeelte nog de essentiële functies van vroeger blijft vervullen, zoals inkom, leefruimten, keuken, slaapruimten, badkamer, enz. Bovendien zouden de verbouwingswerken ter hoogte van het oude gebouw in wezen uit niets anders bestaan dan de heroprichting van noodzakelijk afgebroken gedeelten met vervulling van dezelfde functies als de oude afgebroken gedeelten. Het zou zonder belang zijn dat de heropbouw niet steeds op exact dezelfde plaats op het perceel gebeurde.
Minstens, zo stelt de appellante, interpreteert de geïntimeerde het begrip 'oud gedeelte' te beperkt. Volgens haar moet onder 'oud gedeelte' worden verstaan : "het gebouw zoals dit bestaat vóór aanvang van de werken die bijdragen tot of noodzakelijk zijn in het kader van de verbouwing". Wat werd afgebroken zou niet zonder meer mogen uitgesloten worden. Er zou met het behoud van functionaliteit moeten rekening gehouden worden. Ook zou de (oude) garage, zelfs al werd ze niet meer als geïntegreerd deel van de woning voorzien, moeten meegerekend worden voor het bepalen van het 'oude gedeelte'.
De appellante berekent dat uit de vergelijking van de extra ruimtes met de oorspronkelijke oppervlakte, de uitbreiding slechts 12,83 % bedraagt (89,93 m2 op 700,11 m2); vergeleken met de oppervlakte na verbouwing, zou de uitbreiding ook slechts 13,75 % bedragen (89,83 m2 op 653,24 m2).
Subsidiair stelt de appellante dat er minstens moet mee rekening gehouden worden dat de werken in twee fases verliepen en dat de eerste fase in elk geval onder het tarief van 6 % valt.
Nog meer subsidiair betwist de appellante een administratieve boete verschuldigd te zijn. Ze zet de principes uiteen die rechtbanken en hoven zouden toelaten een dergelijke boete, met strafrechtelijk karakter, te beoordelen, zelfs naar opportuniteit. In elk geval zou geen boete verschuldigd zijn omdat het om een principekwestie zou gaan.
3.2. Het standpunt van de geïntimeerde
De geïntimeerde verwijst naar de vaststellingen door de controleambtenaar en stelt dat daaruit moet afgeleid worden dat het 'oud gedeelte' slechts 32,31 % van de totale vloeroppervlakte na de uitvoering van de werken bedraagt (223,87 m2 op 693,08 m2), zelfs zonder rekening te houden met de carport. Daarom zou dat oude gedeelte niet meer betekenisvol zijn ten aanzien van het nieuwe gedeelte. De werken zouden niet meer in hoofdzaak steunen op de oude dragende muren of meer algemeen op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw.
In zoverre de geïntimeerde zich daartoe op het verdubbelcriterium beroept, stelt hij dat dit wel degelijk een administratieve toegeving is omdat de termen uit de wet - omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering - op zich normaal geen uitbreiding veronderstellen of hoogstens slechts lichte uitbreidingen. Daarom zou voor de administratieve praktijk beslist zijn om als eis te stellen dat het oude gedeelte nog betekenisvol moet zijn ten opzichte van het nieuwe gedeelte, wat hoogstens zou toelaten om de oppervlakte van het oude gedeelte te verdubbelen.
De geïntimeerde betwist ook dat het oude gedeelte de essentiële functies zou blijven vervullen en aldus de hoofdzaak van de woning-na de-werken zou uitmaken. De keuken en het aanpalend salon zouden beide volledig nieuw zijn, evenals het volledige rechtergedeelte van de woning met slaapruimten, badkamer, dressing, toilet, zonnebankkamer, sas, terras en een speelruimte, het linker gedeelte met de garage, wasplaats, berging, bureel en archiefruimten en het tuingebouw. Volgens de geïntimeerde is het oude gedeelte een bijzaak van de nieuwe woning geworden.
De geïntimeerde bestrijdt verder de interpretatie van de appellante als zou het begrip 'oud gedeelte' toelaten rekening te houden met nieuwe ruimten die dezelfde functies vervullen als de oude afgebroken gedeelten, zelfs wanneer ze niet op dezelfde plaats op het perceel grond opgericht zijn.
Volgens de geïntimeerde is zelfs los van de administratieve interpretatie van de wet steeds, alleen al zelfs op basis van de visuele voorstelling, duidelijk dat het hier om de oprichting gaat van een quasi volledig nieuwe woning.
Dat de werken in twee fases zouden hebben plaats gevonden, is volgens de geïntimeerde onjuist. Het zou over één globaal bouwproject gaan, zonder verschillende bouwplannen, zonder onderscheid in facturatie en uitgevoerd in een relatief korte aaneensluitende periode, namelijk van mei 1998 tot juni 2100.
Wat de boete betreft, erkent de geïntimeerde een zekere beoordelingsmacht voor het Hof, maar hij acht de boete minimaal en evenredig met de begane overtredingen.
Het zou ook niet gaan om een principekwestie.
4. Beoordeling
4.1. Toepasselijk tarief
De (enige) vraag is of de werken die de appellante aan haar oorspronkelijke gebouwen liet uitvoeren vallen onder de eerste paragraaf van rubriek XXXI, tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. In het bijzonder gaat het over de interpretatie van de eerste voorwaarde die voor de toepassing van het verlaagd tarief in die paragraaf wordt geëist, namelijk :
de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben.
Op basis van een onderzoek van de door de partijen voorgelegde stukken, in het bijzonder de plannen en de foto's (die de toestand vooraf en achteraf voldoende duidelijk weergeven), moet het Hof het standpunt van de geïntimeerde bijtreden dat zelfs een louter visuele evaluatie al meteen duidelijk maakt dat de werken die de appellante liet uitvoeren veel verder reiken dan wat onder de begrippen omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering of herstelling moet worden verstaan.
De oorspronkelijke toestand blijkt duidelijk uit voorgelegde luchtfoto's (stukken 4 app.).
Op de foto van de afgewerkte toestand is de oorspronkelijke woning nog goed herkenbaar door de vorm. Daaruit blijkt meteen dat die oorspronkelijke woning nu twee volledig nieuw gebouwde vleugels heeft gekregen waarvan de functies duidelijk blijken uit de bouwplannen. Net zoals de oorspronkelijke woning hebben die twee vleugels een bovenverdieping, met dien verstande dat de oorspronkelijke woning ook nog een zolderruimte (onder een zadeldak) heeft. Dat beeld bevestigt meteen dat de oorspronkelijke woning niet meer de hoofdzaak is en/of betekenisvol is in het geheel. Volgens dat globale beeld vertegenwoordigt de oorspronkelijke woning nog hoogstens een derde van het geheel.
Uit die plannen blijkt dat de benedenverdieping binnen de ruimte van de oorspronkelijke woning nog slechts de volgende ruimtes telt : een inkomhall (ook traphall), een toilet, een vestiaire, een sas naar het nieuw gedeelte en een living (eet- en zitplaats). Hoewel geen plan voorligt van de indeling van de oorspronkelijke woning, is duidelijk dat de functie van keuken, washok en eventueel een berging volledig verdwenen zijn. De keuken en de wasplaats zijn nu in het nieuwe gedeelte ondergebracht en hebben samen al een oppervlakte die meer dan de helft bedraagt van de oppervlakte van de benedenverdieping van.de oude woning.
In de nieuwbouw is nog een bijkomende zithoek met een ruime oppervlakte ingewerkt.
Op de benedenverdieping zijn, in de nieuwe vleugels, de volgende functies toegevoegd die, naar alle vermoeden, niet in de oorspronkelijke woning zullen zijn aanwezig geweest : een garage voor drie voertuigen (met drie garagepoorten), een berging, een strijkkamer, een tweede toilet, een slaapkamer, een badkamer met douche en toilet, dressing en een zonnebankkamer.
Op de bovenverdieping van wat de oorspronkelijke woning was, zijn de functies en de indeling blijkbaar gebleven, namelijk drie slaapkamers en een badkamer.
Ook de kelder onder de oorspronkelijke woning is gebleven.
De bovenverdiepingen van de twee nieuwe vleugels zijn telkens open ruimten, op de plannen betiteld als zolders en speelzaal.
Voor het Hof is het overduidelijk dat het hier niet gaat om een renovatie, rehabilitatie, verbetering of herstelling.
Het gaat ook niet om een omvorming (in het Frans : transformation), wat in wezen veronderstelt dat één en ander van vorm verandert, maar dan nog steeds zonder dat het gebouw door die omvorming veel groter wordt.
Het is dan ook een administratieve toegeving dat toegelaten wordt de oppervlakte van de oude woning te verdubbelen.
Zelfs wanneer nagegaan wordt of de werken binnen de verdubbelgrens bleven, dan kan slechts de analyse van de geïntimeerde worden bijgetreden. De cijferbenadering van de appellante veronderstelt dat de oppervlakte van de oude loods, die op enige afstand van de oude woning stond, wordt meegeteld. Het Hof kan deze zienswijze evenwel niet volgen.
In de eerste plaats geldt voor het verdubbelcriterium dat het nog steeds om het 'bewerken' van een voordien bestaande toestand moet gaan. Het voorwerp van de werken moet dus minstens voor een deel behouden blijven; dat is niet het geval met de betreffende loods, nu ze volledig is afgebroken. Dat ze niet kon heropgericht worden op dezelfde plaats wegens stedenbouwkundige voorschriften, verandert daar niets aan.
Ten overvloede blijkt uit de foto's van vroeger (zowel uit de jaren 50 als uit de jaren 70) dat het om een loods gaat die dienst deed als handelsgebouw (voor een groentehandel) en dus geen deel uitmaakte van de woning, terwijl het moet·gaan om de 'omvorming, rehabilitatie, enz. van een woning'.
Bovendien, zelfs als zou aangenomen worden dat de loods dienst deed om er personenauto's te stallen (een privéfunctie), dan nog kan bezwaarlijk worden rekening gehouden met de volledige oppervlakte van de loods. Zelfs als de oppervlakte van de (grote) garage uit de nieuwbouw (9,80 m x 6 m =) 58,80 m2 zou meegerekend worden als deel van de oppervlakte van de oorspronkelijke woning (in plaats van de volledige loods, die bezwaarlijk in zijn geheel als 'woning' kan worden beschouwd, maar door de appellante op 472,53 m2 wordt berekend) dan komt de totale oppervlakte van de 'verbouwde' woning op (227,58 m2 (zijnde het hoogste cijfer door de partijen, nl. de appellante, gehanteerd) + 58,80 m2 =) 286,38 m2. Zelfs als voor het bepalen van de totale oppervlakte van de woning na uitvoering van de werken de tuinberging/poolhouse niet wordt meegerekend, beslaat de actuele woning een oppervlakte van 653,24 m2, zijnde meer dan het dubbele van 286,38 m2.
Het is dan ook duidelijk dat ook de verdubbelgrens niet is gerespecteerd.
Ten onrechte beroept de appellante er zich verder op dat er reden zou zijn om de bouwwerken in twee fases op te splitsen. De bouwplannen maken daarin geen onderscheid en werden kennelijk in één keer vergund; de facturen volgden elkaar aan een normaal tempo op, gespreid over een tweetal jaren, wat voor de aard van de werken niet ongewoon lang is.
De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de werken niet in aanmerking kwamen voor het verlaagd tarief. Deze grief is ongegrond.
4.2. De boete
Zelfs binnen de ruime beoordelingsmarge die aan de hoven en rechtbanken toekomt om over de opgelegde administratieve boete (met strafrechtelijk karakter) te oordelen, bestaat hier geen enkele reden om tot enige vermindering over te gaan.
De boete werd bepaald op 10 %.
Het gaat niet om een principekwestie, maar om een beoordeling van feiten. Uit het onderzoek van de feiten is duidelijk gebleken dat de werken bijlange niet in aanmerking komen voor het verlaagd tarief. De appellante had dit redelijkerwijze moeten beseffen. Het opleggen van een boete, die zowel een ontradend als een herstellend effect moet hebben, is dus in elk geval gerechtvaardigd.
Een boete van 10 %, voor een bedrag van … euro, is bovendien gepast, namelijk in overeenstemming tot de aard, de zwaarte van de inbreuk en het doel van een boete.
Ook deze grief is dus ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.
Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak;
gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;
veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt :
- aan de kant van de appellante : nihil
- aan de kant van de geïntimeerde :
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, rechtdoende in fiscale zaken, op NEGENENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ELF.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.