---
title: "Bouwen van een appartementsgebouw · Rechtbank van eerste aanleg, 23 september 2025"
description: "Bouwen van een appartementsgebouw, Bestemming voor de beroepsactiviteit, Wijziging van bestemming. Rechtbank van eerste aanleg (België), 23 september 2025."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bouwen-appartementsgebouw-bestemming-beroepsactiviteit-wijziging-rechtbank-2025-09-23-a01c"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Bouwen van een appartementsgebouw, Bestemming voor de beroepsactiviteit

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Datum**

23 september 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

167 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Henegouwen \[Bergen\] d.d. 23.09.2025 (R.G. 24/227/A)

FINALITI 55104154 - WF 705-15-24000324

\[ gunstig voor de Belgische Staat \]

*Belasting over de toegevoegde waarde - Bouwen van een appartementsgebouw - Bestemming voor de beroepsactiviteit - Wijziging van bestemming - Kosteloze terbeschikkingstelling - Herziening van de aftrekken*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [45, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en [48, §2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) WBTW

Artikelen [6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-3e1c) en [10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10) van Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

## Samenvatting

Verzoeker, een zelfstandige natuurlijke persoon actief in de ingenieurssector en btw plichtige, heeft een gebouw met twee appartementen laten optrekken. Het ene appartement werd verhuurd aan een particulier (de btw op de bouw van dit appartement werd niet in aftrek gebracht) en het tweede appartement werd bestemd voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit (de btw op de bouw van dit appartement werd volledig in aftrek gebracht). Kort nadien heeft verzoeker een vennootschap opgericht en dit tweede appartement kosteloos ter beschikking gesteld van die vennootschap.

Na een fiscale controle oordeelde de Belgische Staat dat de op dit tweede appartement in aftrek gebrachte btw moest worden herzien, aangezien het appartement kosteloos aan de vennootschap ter beschikking werd gesteld. Vervolgens heeft verzoeker een aanvraag ingediend om een btw eenheid te vormen met deze vennootschap (wat werd aanvaard met ingang van 1 januari 2024) en heeft hij de onderhavige gerechtelijke vordering ingediend over de vraag van de herziening van de aftrekken.

De Belgische Staat stelt dat de in aftrek gebrachte btw moet worden herzien aangezien verzoeker het appartement kosteloos aan de vennootschap heeft ter beschikking gesteld.

Verzoeker is van mening dat de door hem in aftrek gebrachte btw op het appartement niet kan worden herzien aangezien hij in dat appartement al zijn beroepsactiviteiten uitoefent, met name zowel operationele activiteiten als bestuurder van de vennootschap als beroepsactiviteiten in eigen naam (meer bepaald occasionele consultancy opdrachten).

De rechtbank is van oordeel dat de overwegingen met betrekking tot de uitoefening, in het betrokken appartement, van een beroepsactiviteit in de hoedanigheid van bedrijfsleider van een vennootschap niet relevant zijn. Verzoeker en deze vennootschap vormen immers twee juridisch onderscheiden entiteiten en afzonderlijke btw plichtigen.

In casu is het in zijn hoedanigheid van btw plichtige, natuurlijke persoon, dat verzoeker de btw die rustte op de bouw van het betrokken appartement in aftrek heeft gebracht, en het is dus in zijn persoon dat de voorwaarden van het recht op aftrek (en meer specifiek hier de herziening van dat recht) moeten worden onderzocht.

Deze voorwaarden houden onder meer in dat de btw plichtige het goed/de dienst waarvoor de btw werd afgetrokken, gebruikt voor aan btw onderworpen handelingen.

Evenwel staat vast (en het is niet betwistbaar) dat de kosteloze terbeschikkingstelling van het betrokken appartement geen aan btw onderworpen handeling vormt.

Wat de bewering betreft dat hij in het betrokken appartement een beroepsactiviteit, namelijk consultancyactiviteiten, als natuurlijke persoon is blijven uitoefenen, moet worden vastgesteld dat verzoeker niet alleen niet bewijst dat hij zich een specifiek lokaal heeft voorbehouden voor zijn beroepsactiviteit als natuurlijke persoon toen hij het appartement kosteloos ter beschikking stelde van de vennootschap (die een afzonderlijke juridische entiteit vormt), maar dat zijn bewering bovendien niet wordt gestaafd door bewijsstukken (attesten van dienstverleners, klanten, visitekaartjes, reclame, …).

De rechtbank baseert zich ook op het sporadische karakter van de activiteiten als natuurlijke persoon, op de aanwezigheid in zijn privéwoning van een beroepslokaal waarvoor hij aftrekken toepast in de personenbelasting, en op de vermelding van deze privéwoning in de KBO voor zijn beroepsactiviteit.

Volgens zijn eigen verklaringen werd het gebruik van het betrokken appartement gerechtvaardigd door de noodzaak om een meer geschikt arbeidskader te bieden aan de medewerkers die met hem samenwerkten en die verbonden zijn aan de vennootschap.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat het arrest van het HvJ EU van 04.10.2024 niet op de onderhavige zaak kan worden toegepast. Het Hof van Justitie heeft immers geoordeeld dat een btw plichtige recht op btw-aftrek kan verkrijgen over de aankoop van een goed dat ter beschikking wordt gesteld van een onderaannemer indien er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen deze aankoop en ofwel een of meer in een later stadium door de belastingplichtige verrichte belaste handelingen of, bij gebrek daaraan, de economische activiteit van belastingplichtige in haar geheel, (de nationale rechter moet bovendien nagaan dat de terbeschikkingstelling niet verder gaat dan noodzakelijk voor deze handelingen). In casu is een dergelijk verband niet aangetoond (contracten, prestaties, …).

Bovendien is de oprichting van de btw eenheid, met ingang van 1 januari 2024, niet van die aard om de hierboven uiteengezette redenering in vraag te stellen. De rechtbank stelt ten slotte vast dat de Belgische Staat de herziening van de btw ten voordele van de btw eenheid heeft aanvaard.

Derhalve is de vordering ongegrond.

## Nota van de Administratie

De tegenpartij heeft hoger beroep ingesteld.

Wat betreft het arrest van het HvJ EU van 04.10.2024 (C 475/23, VGL GmbH, https://eur-lex.europa.eu), had de analyse betrekking op de aftrek van de btw die rustte op de aankoop van een kraan, die kosteloos ter beschikking werd gesteld door een btw plichtige aan een onderaannemer die verplicht was deze kraan te gebruiken om onderdelen te bewerken voor de btw plichtige. De bewerking van de goederen werd aan de btw plichtige werd gefactureerd door de onderaannemer. Aangezien er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de economische activiteit van de btw plichtige, eigenaar van de kraan, die het recht op aftrek van de btw op de aankoop van deze kraan had uitgeoefend en de belaste handelingen die deze btw plichtige in een later stadium verricht, kan de btw op de aankoop van de kraan door de btw plichtige in aftrek worden gebracht.

De verwijzende rechter moest nagaan of de terbeschikkingstelling beperkt is gebleven tot hetgeen noodzakelijk was voor de verwerking van de gietstukken. Indien dit niet het geval was, is het rechtstreeks en onmiddellijk verband verbroken tussen de aankoop van de kraan enerzijds en de in een later stadium belaste handelingen, of bij gebrek daaraan, de economische activiteit van de btw plichtige eigenaar van de kraan.

Het recht op aftrek zou dan enkel kunnen worden verleend voor de in een eerder stadium voldane btw die heeft gedrukt op het gedeelte van de voor de aankoop van de betrokken hijskraan gemaakte kosten dat objectief noodzakelijk was om de belastingplichtige in staat te stellen haar belaste handelingen te verrichten of haar economische activiteit uit te oefenen.

In onderhavige zaak is het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de kosteloze terbeschikkingstelling van het betwiste appartement en de omzet die voor verzoeker het recht op aftrek doet ontstaan nooit materieel aangetoond of vastgesteld.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

***Het document wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

**Tribunal** **de** **Première** **Instance de HAINAUT \[division** **MONS\]**

**trente-sixième** **chambre** **fiscale (section** **civile)**

**23.09.2025**

**R.G.** **24/227/A**

o/r 2025/8011

EN CAUSE DE

**M.** **G.** , dont le numéro de Registre National est le **..** **.** **..** **.** **..** **-** **...** **.** **..** , domicilié à **…** .

Représenté à l'audience par son conseil,

Maître **R.** **P.** , avocat, dont le cabinet est établi à **…** .

E-mail : **...** **@avocat.be**

*PARTIE DEMANDERESSE*

CONTRE

L'**ÉTAT** **BELGE**, représenté par le Ministre des Finances, poursuites et diligences du Conseiller-général du Team Recouvrement, dont les bureaux sont situés à 7000 MONS, Avenue Mélina Mercouri, 1.

Représentée à l'audience par **P.** **N.** , conseiller.

E-mail : pme.mons.so@minfin.fed.be.

*PARTIE DÉFENDERESSE*

---

Le Tribunal prononce le jugement suivant :

## I. Procédure

Le Tribunal a pris connaissance des pièces régulièrement produites de la procédure, notamment :

\- la requête déposée par **M.** **G.** , reçue au greffe le 11 janvier 2024 et régulièrement notifiée ;

\- l'ordonnance délivrée le 21 mars 2024, en application de l'article 747 du Code Judiciaire et la notification de cette ordonnance contenant convocation des parties pour l'audience du 24 juin 2025 ;

\- les dernières conclusions de **M.** **G.** déposées au greffe de ce Tribunal le 30 janvier 2025 ;

\- les dernières conclusions de l'État belge déposées au greffe de ce Tribunal le 28 février 2025 ;

\- le dossier de pièces de **M.** **G.** déposé à l'audience du 24 juin 2025 ;

\- le dossier de pièces de l'État belge déposé à l'audience du 24 juin 2025.

Il a entendu le conseil de **M.** **G.** et le représentant de l'État belge en leurs plaidoiries à l'audience du 24 juin 2025, date à laquelle les débats ont été déclarés clos et la cause en prise en délibéré.

## II. Objet du litige

Le litige qui oppose les parties concerne une dette TVA établie à charge de **M.** **G.** au terme d'un procès-verbal de constat d'infractions établi le 30 novembre 2023 à l'issue d'un contrôle TVA afférent aux années 2020 et 2021.

## III. Faits pertinents

Entre 2019 et 2020, **M.** **G.** , indépendant en personne physique dans le secteur de l'ingénierie et assujetti à TVA, a fait ériger un immeuble de deux appartements situé à **…** :

\- l'**appartement** **A** a été donné en location à un particulier (la TVA grevant la construction de cet appartement n'a pas fait l'objet d'une déduction) ;

\- l'**appartement** **B** a été affecté à l'exercice de son activité professionnelle et la TVA afférente à la construction de celui-ci a été entièrement déduite.

Le 12 novembre 2020, **M.** **G.** a constitué la **SRL** **CG.** et a mis à disposition de cette société, à titre gratuit, l'**appartement** **B**.

Courant 2023, l'État belge a effectué un contrôle TVA portant sur les années 2020 et 2021 au terme duquel, il a, en substance, estimé que la TVA déduite sur l'**appartement** **B** devait être révisée puisque l'appartement a été gratuitement mis à la disposition de la **SRL** **CG.** .

Consécutivement à ce contrôle :

\- l'État belge a adressé un relevé de régularisation à **M.** **G.** **\[1\]**;

\- l'expert comptable de **M.** **G.** a, par courrier daté du 23 novembre 2023, contesté la position de l'État belge\[2\];

\- l'État belge a adressé, par courrier recommandé du 30 novembre 2023, à **M.** **G.** un procès-verbal de constat d'infractions\[3\].

Ensuite de quoi, **M.** **G.** a :

\- introduit une demande pour constituer une unité TVA avec la **SRL** **CG.** (ce qui a été accepté avec effet au 1er janvier 2024) ;

\- introduit le présent recours.

## IV. Objet des demandes

Aux termes de sa requête introductive d'instance, **M.** **G.** a demandé de :

\- annuler ou à tout le moins dégréver la taxe sur la valeur ajoutée enregistrée sous l'**article** **500** **.......** **95** ainsi que les amendes y afférentes et annuler le procès-verbal de régularisation correspondant ;

\- dégrever/annuler les intérêts de retard relatifs à la dette litigieuse ;

\- condamner l'État belge à la restitution de toutes sommes indûment perçues par voie de retenue ou autrement, majorées des intérêts légaux ;

\- condamner l'État belge aux frais et dépens en ce compris l'indemnité de procédure.

Aux termes de ses dernières conclusions d'instance, **M.** **G.** demande de :

\- annuler ou à tout le moins dégréver la taxe sur la valeur ajoutée enregistrée sous l'**article** **500** **.......** **95** ainsi que les amendes y afférentes et annuler le procès-verbal de régularisation correspondant ;

\- dégrever/annuler les intérêts de retard relatifs à la dette litigieuse ;

\- condamner l'État belge à la restitution de toutes sommes indûment perçues par voie de retenue ou autrement, majorées des intérêts légaux ;

\- condamner l'État belge aux frais et dépens en ce compris l'indemnité de procédure.

Aux termes de ses dernières conclusions d'instance, l'État belge demande de :

\- dire la demande recevable mais non fondée ;

\- confirmer la **dette** référencée **500** **.......** **95** ;

\- condamner **M.** **G.** aux frais et dépens de l'instance.

## V. Recevabilité

La demande, introduite en la forme et dans les délais légaux, est recevable, ce qui ne fait d'ailleurs pas l'objet de contestation.

## VI. Fondement

### *VI.1. POSITION DES PARTIES*

**M.** **G.** soutient, en substance, que la TVA qu'il a déduite sur ledit appartement ne doit pas faire l'objet d'une révision dès lors qu'il exerce, au sein dudit appartement, l'ensemble de ses activités professionnelles, c'est-à-dire qu'il exerce tant des activités opérationnelles en qualité de dirigeant de la **SRL** **CG.** que des activités professionnelles en personne physique (et plus spécifiquement des missions de consultance ponctuelles\[4\]).

Pour sa part, l'État belge soutient que la TVA déduite par **M.** **G.** doit être révisée dès lors qu'il a gratuitement mis à disposition de la **SRL** **CG.** ledit appartement.

### *VI.2. PRINCIPES APPLICABLES*

Il apparait pertinent de rappeler que :

\- suivant l'[article 45 § 1er du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) :

> *« Tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable, les taxes ayant grevé les biens et les services qui lui ont été fournis, les biens qu'il a importés et les acquisitions intracommunautaires de biens qu'il a effectuées, dans la mesure où il les utilise pour effectuer :*
>
> *1°* *des opérations taxées \[ ... \] »*

\- suivant l'[article 48 § 2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) :

> *« § 2. En ce qui concerne les biens d'investissement et les services qui présentent des caractéristiques similaires à celles normalement associées à des biens d'investissement, la déduction des taxes qui les ont grevés est sujette à révision pendant une période de cinq années. La révision s'opère, chaque année à concurrence d'un cinquième du montant de ces taxes, lorsque des variations sont intervenues dans les éléments qui ont été pris en considération pour le calcul des taxes déductibles.*
>
> *Toutefois, pour la taxe qui a grevé les biens d'investissement immobiliers déterminée par le Roi, la période de révision est de quinze ans et la révision a lieu chaque année à concurrence d'un quinzième du montant de cette taxe ».*

\- suivant l'[article 6 de l'Arrêté Royal n° 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-3e1c) du 10 décembre 1969 relatif aux déductions pour l'application de la TVA :

> *« Par biens d'investissement pour lesquels la déduction des taxes est sujette à révision conformément à l'*[*article 48, § 2*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48)*, du Code, il faut entendre les biens corporels, les droits réels visés à l'*[*article 9, alinéa 2, 2°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) *, du Code et les services destinés à être utilisés d'une manière durable comme instruments de travail ou moyens d'exploitation \[ ... \] ».*

\- suivant l'[article 10 § 1er de l'Arrêté Royal n° 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10) du 10 décembre 1969 relatif aux déductions pour l'application de la TVA, la révision relative aux taxes ayant grevés des biens d'investissement doit être opérée lorsque :

*1°* *le bien d'investissement est affecté par l'assujetti en tout ou en partie, à un usage privé ou à la réalisation d'opérations qui n'ouvrent pas droit à déduction ou qui ouvrent droit à déduction dans une mesure autre que celle qui a servi de base à la déduction initiale ; cette disposition n'est cependant pas applicable lorsque l'affectation totale à un usage privé donne lieu à une livraison imposable au sens de l'*[*article 12, § 1er, 1° ou 2°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12) *, du Code ;*

*2°* *des variations sont intervenues dans les éléments pris en considération pour le calcul des taxes déduites, en raison de l'activité économique, pour le bien d'investissement ;*

*3°* *le bien d'investissement fait l'objet d'une opération ouvrant droit à déduction et dans la mesure où la déduction des taxes ayant grevé ce bien fait l'objet d'une limitation autre que celle prévue à l'*[*article 45, § 2*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)*, du Code ;*

*4°* *le bien d'investissement cesse d'exister dans l'entreprise ou lorsque ce bien n'est plus affecté à son usage par l'unité TVA en raison de la sortie d'un de ses membres, à moins qu'il ne soit établi que le bien ait fait l'objet d'une opération ouvrant droit à déduction ou qu'il a disparu par destruction ou vol ;*

*5°* *un assujetti perd cette qualité ou lorsqu'il entre dans une unité TVA ou n'effectue plus que des opérations n'ouvrant pas droit à déduction pour les biens immeubles par nature et les droits réels sujets à révision, à moins que ces biens n'aient fait l'objet d'une livraison ouvrant droit à déduction ou que ces droits réels n'aient été cédés ou rétrocédés avec application de la taxe ».*

Sur le plan probatoire, il apparait également pertinent de rappeler qu'en application des articles 870 du Code Judiciaire et 8.4 du nouveau Code Civil\[5\] (applicables également en matière fiscale\[6\]) :

\- celui qui veut faire valoir une prétention en justice doit prouver les actes juridiques ou faits qui la fondent ;

\- celui qui se prétend libéré doit prouver les actes juridiques ou faits qui soutiennent sa prétention ;

\- les parties doivent collaborer à l'administration de la preuve\[7\] ;

\- la charge de la preuve incombe, en principe, au demandeur mais lorsque le défendeur invoque une exception, il devient demandeur.

### *VI.3. EXAMEN*

En l'espèce, il ressort de l'examen de la cause que **M.** **G.** :

\- a déduit l'entièreté de la TVA afférente à la construction de l'appartement situé à **…** ;

\- exerçait, à ce moment là, son activité professionnelle, en personne physique ;

\- a constitué, peu après (et plus spécifiquement le 12 novembre 2020), la **SRL** **CG.** à qui, il a mis gratuitement à disposition, ledit appartement.

**M.** **G.** soutient que la révision de la TVA n'est pas justifiée puisque non seulement, il exerce l'entièreté de ses activités professionnelles (que ce soit en société ou en personne physique) dans le dit appartement mais qu'en sus, il exerce encore, dans cet appartement, une activité professionnelle de consultance en personne physique.

Le Tribunal estime que les considérations relatives à l'exercice, au sein dudit appartement, d'une activité professionnelle en qualité de dirigeant d'entreprise de la **SRL** **CG.** ne sont pas pertinentes.

**M.** **G.** et la **SRL** **CG.** constituent, en effet, deux entités juridiques distinctes et assujettis distincts.

En l'espèce, c'est en sa qualité d'assujetti, personne physique, que **M.** **G.** a déduit la TVA grevant la construction dudit appartement et c'est donc dans son chef que les conditions du droit à déduction (et plus spécifiquement ici en l'espèce la révision de ce droit) doivent être examinées.

Ces conditions impliquent notamment que l'assujetti utilise le bien/service pour lequel la TVA a été déduite à des opérations taxées.

Or, il n'est pas contesté (ni contestable) que la mise à disposition à titre gratuit dudit appartement ne constitue pas une opération assujettie à la TVA

Quant à l'affirmation selon laquelle il a continué à exercer, dans ledit appartement, une activité professionnelle de consultance en personne physique, il échet toutefois de constater que non seulement **M.** **G.** ne prouve pas qu'il s'est réservé un local spécifique pour son activité professionnelle en personne physique lorsqu'il a mis l'appartement gratuitement à la disposition de la **SRL** **CG.** (qui constitue une entité juridique distincte) mais qu'en sus, il n'étaie d'aucune manière son propos (attestations de prestataires, de clients, cartes de visite, publicité, **...** ).

Le Tribunal relève, *à contrario* que :

\- de son propre aveu\[8\], **M.** **G.** exerce des missions de consultance **ponctuelles** en personne physique ;

\- il dispose, à son domicile privé (situé à **…** ), d'un local professionnel pour lequel il opère des déductions à l'impôt des personnes physiques\[9\];

\- il renseigne :

• à la Banque Carrefour des Entreprises, dans le cadre de son activité professionnelle en personne physique, l'adresse de son domicile privé situé à **…** au sein duquel il dispose d'un bureau\[10\] ;

• sur le site de Wallonie Energie SPW, cette même adresse\[11\];

\- de ses propres explications\[12\], l'exploitation dudit appartement, a été justifiée par la nécessité d'offrir un cadre de travail plus adéquat aux collaborateurs qui travaillaient avec lui et qui sont rattachés à la **SRL** **CG.**.

Quant à l'arrêt\[13\] de la Cour de Justice du 4 octobre 2024 dont il se prévaut, le Tribunal estime que les considérations reprises dans cet arrêt ne sont pas, en l'espèce, rencontrées.

En effet, dans son arrêt du 4 octobre 2024, la Cour de Justice a, en substance, estimé qu'un assujetti pouvait obtenir le droit à déduction à la TVA qui grevait un bien mis à la disposition d'un sous-traitant lorsqu'il apparaissait qu'il existait un lien direct et immédiat entre l'acquisition du bien et une ou plusieurs opérations taxées en aval par ledit assujetti ou à défaut l'ensemble de l'activité économique de l'assujetti (la juridiction devant, par ailleurs, vérifier que la mise à disposition n'excède pas ce qui est nécessaire pour lesdites opérations)\[14\].

Or, en l'espèce, un tel lien n'est pas démontré (contrats, prestations, **...** ).

Par ailleurs, la création de l'unité TVA, avec effet au 1 er janvier 2024, n'est pas de nature à remettre en cause le raisonnement susmentionné. Le Tribunal constate, au demeurant, que l'État belge a admis la révision de la TVA en faveur de l'unité TVA

Partant, la demande de **M.** **G.** n'est pas fondée.

## VII. Frais et dépens

Conformément à l'article 1017 du Code Judiciaire, les frais et dépens de l'instance seront mis à charge **M.** **G.** qui succombe dans ses prétentions.

La contribution au fonds d'aide juridique de deuxième ligne qu'il a déjà versée lui sera délaissée\[15\].

### Beschikkend gedeelte

## VIII. Décision du Tribunal

Le TRIBUNAL, statuant contradictoirement, en premier ressort ;

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire dont il a été fait application.

Dit la demande recevable mais non fondée.

L'en déboute.

Confirme, pour autant que de besoin, la **dette** **TVA** référencée **500** **.......** **95**.

Condamne **M.** **G.** aux frais et dépens de l'instance et liquide à 24,00 € le montant d'ores et déjà payé par lui à titre de contribution au fonds d'aide juridique de deuxième ligne.

Ainsi jugé et prononcé en langue française et en audience publique au Palais de Justice de MONS, Province de HAINAUT, les jour, mois et an que dessus, par la TRENTE-SIXIÈME CHAMBRE FISCALE du Tribunal susdit où siégeaient :

**DL.** **A.** , juge,

**S.** **V.** , greffier délégué.

(*signatures*)

\[1\] Pièce 1 du dossier de pièces de **M. G.** .

\[2\] Pièce 2 du dossier de pièces de **M. G.** .

\[3\] Pièce 3 du dossier de pièces de **M. G.** et pièce 1 du dossier de pièces de l'État belge.

\[4\] Plus spécifiquement réalisation de permis énergétique.

\[5\] Depuis le 1 er novembre 2020.

\[6\] Voyez: F. BALTUS, Procédure en matière de TVA *in Manuel de procédure fiscale*, Anthémis, Limal, 2019, p. 689 et suivants.

\[7\] Cass., 18 janvier 2007, *Res. jur. imm.*, 2007, p. 34.

Voyez: J. VAN COMPERNOLLE, "Principes directeurs du procès civil", *in Droit judiciaire, T. 2, Manuel de procédure civile*, Bruxelles, Larcier, 2015, p. 66.

\[8\] Conclusions de **M. G.** , page 3.

\[9\] Pièces 1 et 3 du dossier de pièces de **M. G.** et pièce 1 du dossier de pièces de l'État belge.

\[10\] Conclusions de l'État belge, page 15 avec capture d'écran.

\[11\] Conclusions de l'État belge, page 16 avec capture d'écran.

\[12\] Conclusions de **M. G.** , page 5.

\[13\] En réponse à une question préjudicielle qui lui était posée.

\[14\] C.J.U.E., 4 octobre 2024, 475/23, disponible sur https://curia.europa.eu/jcms/jcms/j\_6/fr

\[15\] Il est à relever que les parties sont exemptées du paiement des droits de mise au rôle en application des articles 279 et 162, 4°, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.

## Aangehaalde teksten

6

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 4 voorkomens

[WBTW art. 48](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) 4 voorkomens

[KB nr. 3 art. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 3 voorkomens

[KB nr. 3 art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-3e1c) 3 voorkomens

[WBTW art. 12](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12) 1 voorkomen

[WBTW art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Vestiging recht van erfpacht, recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vestiging-recht-erfpacht-aftrek-herziening-hof-van-beroep-antwerpen-2019-06-04-fe32) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-rechtbank-gent-2010-02-17-1304) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bedrijfsmiddel, Overdracht bedrijfsmiddel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bedrijfsmiddel-overdracht-herziening-cassatie-brussel-2021-09-30-3429) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Historische btw-aftrek, Herzieningstermijnen, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/historische-btw-aftrek-herzieningstermijnen-recht-cassatie-brussel-2021-04-30-3bde) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstellingen, Beperking recht op aftrek, Innings- en invorderingsregister, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-beperking-recht-aftrek-innings-rechtbank-brugge-2023-02-20-6127) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Kans- en geldspelen, Langs elektronische weg aangeboden, Vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kans-geldspelen-langs-elektronische-weg-hof-van-beroep-gent-2023-06-664d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Begrip nieuwbouw, herziening, herzieningstijdvak van vijftien jaar, onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/begrip-nieuwbouw-herziening-herzieningstijdvak-vijftien-hof-van-beroep-gent-2022-11-22-71fc) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Herziening recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-uitoefening-beroepswerkzaamheid-rechtbank-hasselt-2019-06-c4b4) 3 gemeenschappelijke bepalingen
