---
title: "Onroerend goed, Schoolgebouw · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 26 mei 2025"
description: "De Brugse rechtbank verleent akte van het Belgische controleakkoord van 15 juli 2024 en verklaart de vordering ongegrond."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bouw-onroerend-goed-schoolgebouw-verlaagd-rechtbank-brugge-2025-05-26-3441"
lang: "nl"
---

# Onroerend goed, Schoolgebouw, Verlaagd BTW-tarief 6%

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

26 mei 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

97 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

\[ Gunstig vonnis \]

BTW – Bouw – Onroerend goed – Schoolgebouw – Verlaagd BTW-tarief 6%

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

**Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 26.05.2025**

**(22/1070/A)**

In de zaak : 22/ 1070/A

## Hoofdzaak :

X. (KBO: …), maatschappelijke zetel te …,

eisende partij,

hebbende als raadsman meester V.F., advocaat te … en meester S.D., advocaat te … (ref.: …)

tegen :

de BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN (KBO: 0308.357.159), vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, met woonstkeuze voor kennisgevingen en betekeningen op het kantoor van de directeur van de Stafdienst Logistiek te 1030 Brussel, North Galaxy, Toren B, 2 d e verdieping, Koning Albert II-laan 33, bus 971, op vervolging en benaarstiging van:

1) De adviseur invordering —ontvanger verbonden aan de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, Team Invordering Rechtspersonen Kortrijk met correspondentieadres te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6,bus 262;

2) De adviseur-generaal verbonden aan de FOD Financien —Fiscaliteit, Centrum Grote Ondernemingen Brugge met correspondentieadres te 9050 Ledeberg, G. Crommenlaan 6, bus 702;,

verwerende partij,

hebbende als raadsman meester D.A., advocaat te …

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift d.d. 18 maart 2022.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen neerlegde stukken. Partijen werden gehoord op de zitting van 28 april 2025.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op. het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1.Eiseres is een ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE..., voor de activiteit van algemene bouw van residentiele en niet-residentiele gebouwen. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiseres heeft tijdens de jaren 2018 en 2019 facturen uitgereikt m.b.t. projecten betreffende schoolgebouwen en daarbij toepassing gemaakt van het BTW-tarief van 6% ingevolge de toepassing van tabel A, rubriek XL van de bijlage bij het KB nr. 20.

Er wordt een controle aangevat op 19 november 2020 wat betreft de periode 1 januari 2018 tot 31 december 2019. Volgens de administratie is het tarief van 21 % van toepassing op de vermelde facturen i.p.v. het tarief van 6 %. Een proces-verbaal wordt opgemaakt op 7 oktober 2021 (verschuldigde BTW 205.276,01 EUR, proportionele boete 20.520,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2020). Op 26 oktober 2021 heeft eiseres een bedrag van 256.175,98 EUR betaald onder voorbehoud.

Door eiseres wordt een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op 18 maart 2022.

2.Eiseres vraagt dat:

\- akte wordt verleend van het gedeeltelijk akkoord dat door eiseres werd ondertekend op 15 juli 2024;

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard wat betreft de betwisting omtrent de toepassing van het verlaagd tarief op het ontwerp en het studiewerk van de in het proces-verbaal weerhouden bouwprojecten;

\- de BTW-vordering wordt vernietigd, minstens onwettelijk of ongegrond wordt verklaard in zoverre deze betrekking heeft op de toepassing van het verlaagd tarief op het ontwerp en het studiewerk van de in het proces-verbaal weerhouden bouwprojecten;

\- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van het bedrag van 129.311,89 EUR BTW, 12.930 EUR boeten en de hierop betrekking hebbende nalatigheidsintresten vanaf 21 januari 2020, te vermeerderen met moratoriumintresten vanaf 26 oktober 2021 tot datum van terugbetaling;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

3.Verweerder vraagt dat:

\- de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;

\- eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

#### 1. Verjaring

De BTW-vordering heeft betrekking op de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2019. In zoverre de oorzaak van opeisbaarheid van de BTW plaatsvond in 2018, verjaart de vordering in principe na 31 december 2021 ([artikel 81bis §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) oud of [artikel 85 §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) nieuw). Op zich is hieromtrent geen betwisting.

De verjaring wordt gestuit door opname van de BTW-schuld in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister. Vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister loopt dan een termijn van vijf jaar (artikel 85 §6, 3° lid WBTW).

Door eiseres werd de BTW-schuld onder voorbehoud betaald op 26 oktober 2021. Op dat moment was er nog geen opname van de BTW-schuld in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister.

Gezien eiseres onder voorbehoud had betaald, diende voor de stuiting van de verjaring nog een innings-en invorderingsregister uitvoerbaar verklaard te worden en dit ten Iaatste op 31 december 2021 in zoverre de schuld betrekking had op BTW van 2018.

In stuk 15 van verweerder is vermeld dat de BTW-schuld werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister op 27 december 2021 en dat dit innings- en invorderingsregister uitvoerbaar werd verklaard op 28 december 2021.

Conform [artikel 85 §3 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) dient van zodra het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar is verklaard aan de belastingplichtige een innings- en invorderingsbericht te worden verzonden.

Pas na het inleiden van de gerechtelijke procedure heeft verweerder samen met de eerste besluiten een innings- en invorderingsbericht neergelegd dat is gedateerd op 26 april 2022. Volgens verweerder werd dit innings- en invorderingsbericht op 26 april 2022 verzonden aan eiseres. Eiseres stelt dat zij dit bericht niet ontvangen heeft en pas kennis heeft gekregen van het bericht bij de voeging aan de eerste besluiten van verweerder.

De wetgeving voorziet geen terwijl binnen welke het innings- en invorderingsbericht dient verzonden te worden na de uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister. De wet stelt enkel 'van zodra', wat betekent dat dit dient te gebeuren kort na de uitvoerbaarverklaring. Het innings- en invorderingsbericht is een middel voor de belastingplichtige om na te gaan dat het innings- en invorderingsregister tijdig werd uitvoerbaar verklaard.

Het is duidelijk dat het innings- en invorderingsbericht niet ter kennis werd gebracht 'van zodra' het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar werd. Er is geen sanctie voorzien in het geval dat het innings-en invorderingsbericht niet werd verzonden van zodra het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar werd verklaard. De verjaring wordt gestuit door het uitvoerbaar verklaren van het innings- en invorderingsregister en niet door het verzenden van het innings- en invorderingsbericht.

Uit niets blijkt dat de vermeldingen op het innings- en invorderingsbericht niet correct zouden zijn. Eiseres geeft zelf toe dat de ontvanger voor het innings- en invorderingsbericht heeft meegedeeld dat de schuld in het innings- en invorderingsregister werd ingeschreven op 27 december 2021 en dat het register uitvoerbaar werd verklaard op 28 december 2021. Volgens de ontvanger werd in eerste instantie geen innings- en invorderingsbericht verzonden omdat de schuld (onder voorbehoud) werd betaald.

De schuld is dan ook niet verjaard.

#### 2. Eerste uitrusting

De betwisting betreft het toepasselijk BTW-tarief op de eerste uitrusting van het schoolgebouw (o.a. verlichting, kasten en kapstokken).

Omtrent deze betwisting hebben partijen een akkoord afgesloten dat resulteerde in een 'schulderkenning gedeeltelijk akkoord m.b.t. PV controle 2018 - 2019' dat door eiseres werd ondertekend op 15 juli 2024. Eiseres erkent hierbij 62.366,78 EUR als BTW verschuldigd te zijn. De geldboete en intresten worden betaald onder voorbehoud en een verzoek tot kwijtschelding/vermindering zal worden ingediend.

Een bedrag van 13.597,35 EUR wordt terugbetaald aan eiseres, verhoogd met de boete van 10% en de intresten vanaf 21 januari 2020.

Er is geen akkoord omtrent de BTW t.b.v. 129.311,89 EUR dat betrekking heeft op het tarief van toepassing op studiediensten en ontwerpen verricht door eiseres.

#### 3. Verlaagd tarief 6% schoolgebouwen

Eiseres is een onderneming die zich bezighoudt met vastgoedprojecten, zoals gebouwen bestemd voor onderwijs en leerlingenbegeleiding.

In de gecontroleerde periode 2018-2019 betreft het 10 vastgoedprojecten m.b.t. schoolgebouwen. Eiseres heeft op de facturen het verlaagd BTW-tarief van 6% toegepast.

Conform [artikel 1, eerste lid KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, bedraagt het normale tarief 21 %. Het verlaagde tarief van 6 % is van toepassing voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage.

Conform tabel A, rubriek XL van de bijlage bij het vermelde KB nr. 20 worden de leveringen van gebouwen, bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44 §2, 4°, a) WBT\\A/ is vrijgesteld, als ook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke

goederen die niet overeenkomstig artikel 44 §3, W.BTW van de belasting zijn vrijgesteld, onderworpen aan het tarief van 6 % (1°) en wordt het werk in onroerende staat in de zin van [artikel 19 §2 derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19), met uitsluiting van de reiniging, en de andere handelingen bedoeld in rubriek XXXI §3, 3° tot 6° met betrekking tot de vermelde gebouwen onderworpen aan het tarief van 6% (3°).

Conform [artikel 44 §2, 4° a) WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) zijn vrijgesteld van belasting het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgesteld onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van voornoemde diensten.

Conform de [Circulaire 2018/C/6](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2018-c-6-betrekking-toepassingsgebied-rubriek-xl-tabel-8cd2) d.d. 18 januari 2018 m.b.t. het toepassingsgebied van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 inzake BTW-tarieven moet onder werk in onroerende staat worden verstaan alle werkzaamheden die bestaan in het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele van een uit zijn aard onroerend goed, alsmede elke handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt. Komen bijvoorbeeld niet in aanmerking voor het verlaagd tarief van 6% de diensten van architecten, bouwingenieurs en veiligheidscoördinatoren.

Conform de BTW-commentaar, boekwerk VI, hoofdstuk 16, afdeling 2, nr. 7.A.a worden de intellectuele werken m.b.t. een uit zijn aard onroerend goed niet beschouwd als werken in onroerende staat, aangezien werken in onroerende staat gekenmerkt worden door het materiele aspect van de dienst.

Het is duidelijk dat voormelde circulaire en commentaar geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben geen bindend karakter.

Uit de wettekst blijkt ontegensprekelijk dat om in aanmerking te komen voor het BTW-tarief van 6% het gebouw moet bestemd zijn voor het school- of universitair onderwijs, met inbegrip van een gebouw gebruikt voor nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen.

Bij de projecten waaromtrent er betwisting is ontstaan, is de opdrachtgever steeds eigenaar van de grond. De bouwvergunning wordt aangevraagd door de opdrachtgever. De opdrachtgever legt ook steeds een programma van eisen neer. In een deel van de projecten wordt er geen zakelijk recht op de grond toegekend aan eiseres en worden de werken door natrekking onmiddellijk eigendom van de opdrachtgevers. In een ander deel van de projecten is er in de overeenkomst vermeld dat de opdrachtgever eigenaar wordt van het gebouw bij het ondertekenen van het pv van voorlopige oplevering en na betaling van alle facturen.

De rechtbank is van oordeel dat onder werken in onroerende staat niet begrepen zijn de intellectuele prestaties zoals studie, ontwerp en andere voorbereidende werkzaamheden. Het tarief van 6% is overeenkomstig rubriek XL, 3° van tabel A bij het KB nr. 20 beperkt tot werken in onroerende staat. De uitzondering op het algemeen BTW-tarief van 21% dient beperkend te worden uitgelegd.

Uit geen enkele wetsbepaling, Europese richtlijn noch uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie kan afgeleid worden dat werk in onroerende staat omvat de intellectuele prestaties.

Wat betreft de beweerde eenzijdige afstand van natrekking, wordt door eiseres hieromtrent geen enkel bewijs voorgelegd. Het bewijs van afstand van natrekking is essentieel om te kunnen spreken van een levering van een schoolgebouw i.p.v. het leveren van een dienst (werk in onroerende staat).

Alle projecten betreffen dus werken in onroerende staat die betrekking hebben op het bouwen van schoolgebouwen en waarop het BTW- tarief van 6% van toepassing is. Dit verlaagd BTW-tarief van 6% is niet van toepassing op de intellectuele prestaties (luchtdichtheidsproeven, keuring installaties, opstellen dossiers, plaatsbeschrijvingen, studie branddetectie,...) maar enkel op de materiele bouwwerken.

Een aannemingsovereenkomst en een koopovereenkomst betreffen geen gelijke of gelijksoortige handelingen, zodat het fiscale neutraliteitsbeginsel inzake BTW niet wordt geschonden.

De verrichtte materiele en intellectuele prestaties vormen ook geen geheel of zijn niet ondergeschikt aan elkaar.

Een prestatie vormt een geheel wanneer twee of meer elementen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat ze objectief gezien een niet te splitsen economische prestatie vormen waarvan het kunstmatig zou zijn deze uit elkaar te halen, of wanneer een of meer prestaties een hoofdprestatie vormen terwijl de andere prestaties moeten beschouwd worden als een of meer bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Het feit dat tussen dezelfde leverancier en dezelfde klant een overeenkomst gesloten wordt, belet niet dat er sprake kan zijn van onderscheiden en zelfstandige prestaties. Evenmin beslissend is het feit dat een prijs in rekening wordt gebracht.

De keuringen van installaties vormt een doel op zich en worden uitgevoerd door erkende controleurs. Plaatsbeschrijvingen vormen een doel op zich en gebeuren in het kader van eventuele schadeclaims. De EPB-verslaggeving vormt een doel op zich. Het opstellen van het dossier (beschrijving na uitvoering van de werken en bevat o.a. de afwijkingen t.a.v. het oorspronkelijke plan en wordt gebruikt in de EPB-verslaggeving) vormt een doel op zich. De luchtdichtheidsproeven worden gemaakt in het kader van de EPB-verslaggeving en betreffen geen bijzaak bij het werk in onroerende staat. De studies branddetectie vormen een doel op zich en betreffen geen bijzaak bij het werk in onroerende staat. Akoestische metingen betreffen een doel op zich.

Het ontwerpen van het schoolgebouw is een onderscheiden prestatie van het werk in onroerende staat, zijnde het bouwen van het schoolgebouw. Het ontwerpen van het schoolgebouw wordt door eiseres ook uitbesteed aan architecten (derden).

De beslissingen van de Dienst Voorafgaande Beslissingen hebben betrekking op een bepaalde belastingplichtige en een bepaalde situatie en kunnen niet zomaar worden toegepast op andere belastingplichtigen en andere situaties. De beslissingen waarnaar door eiseres wordt verwezen hebben betrekking op overeenkomsten die ook omvatten de financiering en het onderhoud van het gebouw, dit is niet het geval in de overeenkomsten die door eiseres werden afgesloten.

#### 4. Geldboete

Een administratieve boete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met voile rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met voile rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Eiseres heeft een verkeerd BTW-tarief toegepast. Het betreft geen princiepskwestie gezien tabel A, rubriek XL van de bijlage bij het vermelde KB nr. 20 duidelijk is.

De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 10 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de zware inbreuk.

De rechtbank ziet geen enkele reden om de geldboete kwijt te schelden.

Er is geen enkele reden om uitstel te verlenen. Een uitstel van de geldboete zou in de huidige stand van de wetgeving trouwens een volledige kwijtschelding van de geldboete betekenen, waardoor het doel van het uitstel niet wordt bereikt.

### C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1 lid GerW de gerechtskosten dragen.

De eis is in geld waardeerbaar. De waarde van de eis situeert zich tussen 100.000 en 250.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 7.848,84 EUR (geïndexeerd) bedraagt.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verleent akte van het gedeeltelijk akkoord m.b.t. pv controle 2018-2019 dat door eiseres werd ondertekend op 15 juli 2024.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 7.848,84 EUR.

---

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op **maandag zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig** waar zitting hadden:

L.D., rechter;

J.T., griffier.

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 2 voorkomens

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 1 voorkomen

[WBTW art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) 1 voorkomen

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 1 voorkomen

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Regularisatieopgave, Handtekening voor akkoord -Vertegenwoordigingsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-handtekening-akkoord-hof-van-beroep-brussel-2021-01-21-0c02) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingschuld, Inning, Opneming in een innings- en invorderingsregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingschuld-inning-opneming-in-innings-grondwettelijk-hof-brussel-2024-11-28-0d4d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Innings- en invorderingsregister, Facturen, Aftrek, werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/innings-invorderingsregister-facturen-aftrek-werkelijk-rechtbank-2026-03-26-462c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoteluitbating, Renovatiewerken, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoteluitbating-renovatiewerken-recht-aftrek-overeenkomst-rechtbank-brussel-2012-10-03-20bf) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Investeringsgoederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/investeringsgoederen-onroerend-goed-gebruikt-maatschappelijke-rechtbank-brussel-2017-04-19-2551) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;onroerende verhuur;belastbaar feit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/terbeschikkingstelling-bergruimte-opslaan-goederen-onroerende-rechtbank-brussel-2004-05-19-4683) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, Gebruik voor privédoeleinden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-gebruik-privedoeleinden-rechtbank-luik-2008-02-07-b08d) 3 gemeenschappelijke bepalingen
