---
title: "Evenredigheid van de boete, Vermindering van de boete · Hof van Cassatie van België, 23 september 2022, F.20.0112.N"
description: "Het Hof van Cassatie aanvaardt dat een Belgische belastingboete van 200 pct. wegens de concrete feiten wordt verlaagd naar 50 pct."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-evenredigheid-vermindering-cassatie-brussel-2022-09-23-f674"
lang: "nl"
---

# Evenredigheid van de boete, Vermindering van de boete

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Zetel**

Brussel

**Rolnummer**

F.20.0112.N

**Datum**

23 september 2022

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

262 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 23.09.2022 (F.20.0112.N)

WF 711-15-16/038464

\[Ongunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Boete – Evenredigheid van de boete– Vermindering van de boete*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen 70, §1, 72 en 84, 3e lid WBTW;

[Artikel 1 van KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

## Samenvatting

1\. Feiten en arrest van het hof van beroep

De betwisting heeft betrekking op de verschuldigde btw en de bijhorende boete wegens het frauduleus binnenbrengen van sigaretten in België, bestemd voor commerciële doeleinden.

Nadat tegenpartij het eerder overeengekomen afbetalingsplan niet meer na kwam, werd het dwangbevel opnieuw aan haar betekend. Hiertegen werd een verzoekschrift neergelegd bij de rechtbank van eerste aanleg, waarbij de nietigverklaring van het dwangbevel werd gevorderd. Deze vordering werd ongegrond verklaard waarna tegenpartij in hoger beroep ging. Het hof van beroep bevestigde het vonnis voor wat betreft de verschuldigde btw. Het hof ging echter wel over tot een vermindering van de boete van 200% naar 50% op basis van de evenredigheid.

Gelet op de motivering van het arrest was de administratie van mening dat het in casu ging om een vermindering van de boete op grond van opportuniteitsredenen. Bijgevolg werd er dan ook een cassatieberoep ingediend door de administratie.

2\. Arrest van het Hof van Cassatie

In de beoordeling van het eerste onderdeel van het enig middel van Belgische Staat , herinnert het Hof eraan dat wanneer een belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend op basis van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831, de rechter nog steeds de evenredigheid van de geldboete mag toetsen.

Dit staat evenwel niet eraan in de weg dat, wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend bij de minister of zijn gemachtigde op grond van voormeld artikel 9 Regentbesluit, de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete mag toetsen overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen

Het onderdeel dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Bij deze evenredigheidstoets dient de rechter er mee rekening te houden dat bij de vraag om een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie moet worden onderzocht en in het bijzonder mag worden nagegaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Ook wanneer de rechter vaststelt dat het bestuur niet over enige beoordelingsvrijheid beschikt, doordat het verplicht was de wettelijk voorziene administratieve geldboete op te leggen, mag de rechter de evenredigheid van de wettelijk voorziene administratieve geldboete toetsen.

De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar hierbij desgevallend als beoordelingsfactor in rekening nemen de mate waarin het bestuur zelf gebonden was.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

In de beoordeling van het tweede onderdeel van het enige middel van de Belgische Staat stelt het Hof dat de appelrechters hun beslissing om de boete te verminderen naar recht hebben verantwoord.

## Opmerking

Ondanks het feit dat het openbaar ministerie mondeling had geconcludeerd dat het betwiste arrest in hoger beroep, op basis van het tweede onderdeel had moeten worden vernietigd, oordeelt het Hof dat dit onderdeel kan niet worden aangenomen.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie F.20.0112.N van 23 september 2022

**BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 106, eiser, vertegenwoordigd door mr. … en mr. …, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te …, waar de eiser woonplaats kiest,

**tegen**

**M. C., verweerster.**

## I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 december 2019.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.

## II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

## III. BESLISSING VAN HET HOF

### *Beoordeling*

*Eerste onderdeel*

1\. Krachtens [artikel 70, § 1, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens [artikel 84, derde lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens [artikel 1, laatste lid, koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2\. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Ook wanneer de rechter vaststelt dat het bestuur niet over enige beoordelingsvrijheid beschikt, doordat het verplicht was de wettelijk voorziene administratieve geldboete op te leggen, mag de rechter de evenredigheid van de wettelijk voorziene administratieve geldboete toetsen.

De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar hierbij desgevallend als beoordelingsfactor in rekening nemen de mate waarin het bestuur zelf gebonden was.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

3\. Krachtens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van ’s lands middelen beschikt de minister op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter.

4\. Uit die bepaling, die aan de minister van Financiën een genaderecht verleent, volgt niet dat, bij ontstentenis van een bij de minister ingediend verzoek tot kwijtschelding, de rechter de bevoegdheden van de minister kan uitoefenen door louter naar opportuniteit te oordelen over de omvang of de kwijtschelding van de boete.

Dit staat evenwel niet eraan in de weg dat, wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend bij de minister of zijn gemachtigde op grond van voormeld artikel 9 Regentbesluit, de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete mag toetsen overeenkomstig de beginselen uiteengezet in randnummer 2.

Het onderdeel dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

*Tweede onderdeel*

5\. Krachtens [artikel 70, § 1, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens [artikel 84, derde lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens [artikel 1, laatste lid, koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

6\. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

7\. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

\- door de verweerster niet wordt betwist dat de btw op de in België binnengebrachte sigaretten niet werd betaald, de inbreuk aldus vaststaat en deze overtreding overeenkomstig [artikel 70, § 1, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) in principe bestraft wordt met een administratieve geldboete gelijk aan het dubbel van de niet tijdig betaalde belasting;

\- de feiten gelinkt zijn aan de inbreuken, waarvoor onder meer de verweerster samen met een aantal andere verdachten strafrechtelijk werd veroordeeld en de verweerster toen veroordeeld werd tot een gevangenisstraf en een geldboete wegens het voorhanden hebben van sigaretten, niet bekleed met Belgische fiscale bandjes, en solidair met de andere beklaagden veroordeeld werd tot de accijns en de bijzondere accijns die hierop verschuldigd was;

\- toen reeds rekening werd gehouden met het blanco strafregister van de verweerster en bovendien uitstel van de tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf en van het grootste deel van de geldboete voor een termijn van drie jaar werd geacht van aard te zijn om haar verbetering te doen verhopen;

\- de verweerster reeds in december 2007 een voorstel deed aan de dienst invordering van de btw, teneinde de btw-schuld af te betalen en er aldus tot en met januari 2014 werd afbetaald aan 50,00 euro per maand, hetzij in totaal 2.400,00 euro;

\- het in de gegeven omstandigheden kennelijk onredelijk zou zijn om aan de verweerster de volledige boete van 200 pct. op te leggen, een boete van 50 pct. daarentegen niet onevenredig is met de ernst van de feiten en de gegeven omstandigheden en de boete dan ook tot 50 pct. wordt verminderd.

8\. Door aldus te oordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

### Beschikkend gedeelte

## Dictum

**Het Hof,**

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 487,37 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 september 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.

Ondertekeningen

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Arrest van het hof van beroep

**Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken**

Arrest van 03 december 2019

Rol: 2018/AR/1940

**M.C.,** RRN 65....74 , wonende te …, woonstkeuze bij mr. …, hierna vernoemd eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. …, advocaat te … tegen het vonnis van de llA kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 24 april 2018, gekend onder rolnummer 16/2079/A

**tegen**

**BELGISCHE STAAT** - in de persoon van de Minister van Financiën. ON 0308.357.159, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal Directeur van het KMO Centrum Hasselt, met diensten te 3500 HASSELT, Voortstraat 43 bus 106, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. …, advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt van 24 april 2018, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 17 oktober 2018, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

### 1. Voorafgaande feiten en procedure

***1.1.*** ***Voorwerp van de betwisting.***

De betwisting betreft de BTW met bijhorende boete die gevorderd wordt van M.C. wegens het frauduleus binnenbrengen in België van sigaretten van het merk Superkings en van het merk Regal, bestemd voor commerciële doeleinden.

***1.2.*** ***Aanslag en bezwaar.***

Blijkens een proces-verbaal van 18 februari 2003 (bijlage bij stuk 1 Belgische Staat) werd door een aantal ambtenaren van de opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Genk op 26 oktober 2001 een grondige observatie verricht van de loods te ... , Industriezone … en het magazijn te ... , Centrum …

Er werd ook een huisvisitatie verricht te ….

Er werden vaststellingen gedaan en een aantal aanwezige personen werden verhoord. Er werd onder meer vastgesteld dat er in de loods en het magazijn sigaretten aanwezig waren zonder Belgische fiscale bandjes, die ter plaatse werden verpakt.

Er werden op 18 februari 2003 en op 5 juni 2003 ten laste van de betrokkenen, waaronder M.C. processen-verbaal opgesteld door de Opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Genk wegens het onwettig bezit en vervoer van sigaretten, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes (bijlagen bij stuk 1 Belgische Staat).

Er werd vervolgens op 16 augustus 2004 een proces-verbaal opgesteld ten laste van M.C. wegens het verschuldigd zijn van de BTW op het ogenblik dat de accijns voor voormelde sigaretten opeisbaar werd (stuk 1 Belgische Staat).

De verbalisant stelde dat uit de processen-verbaal van de administratie van de douane en accijnzen bleek dat M.C. zich schuldig maakte aàn het frauduleus binnenbrengen in België van 2.348.780 sigaretten van het merk Superkings en 422.000 sigaretten van het merk Regal, bestemd voor commerciële doeleinden.

Op 29 september 2004 werd een dwangbevel uitgevaardigd, op 1 oktober 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Bij het dwangbevel was een eensluidend afschrift gevoegd van het proces-verbaal van 16 augustus 2004. In dit dwangbevel werd bevel gegeven tot betaling van:

\- Als BTW: 100.985,00 EUR

\- Als boeten op grond van artikel 70, §1 W.BTW: 201.970,00 EUR

\- Als interesten op grond van artikel 91, §1 W.BTW: 0,8% per maand te rekenen vanaf 26 oktober 2001 over een bedrag van 100.980,00 EUR.

\- De moratoire interesten over de geldboete vanaf de betekening van het dwangbevel.

\- De vervolgingskosten.

In het dwangbevel wordt melding gemaakt van het betalingsbericht van 30 augustus 2004, waarin M.C. uitgenodigd werd om de verschuldigde betalingen te voldoen vóór 30 september 2004, hetgeen niet gebeurde.

M.C. betwist niet dat voormeld dwangbevel, samen met het proces-verbaal van 16 augustus 2004 aan haar werd betekend op 18 oktober 2004. Er werd een afbetalingsplan overeengekomen in januari 2008, dat werd uitgevoerd tot 2 mei 2013 (stukken 10 en volgende Belgische Staat).

Het dwangbevel van 29 september 2004 werd op 13 april 2016 opnieuw aangetekend verstuurd naar M.C. (stuk 2 Belgische Staat).

Bij vonnis van de correctionele rechtbank van het arrondissement Hasselt van 21 juni 2006 (stuk 4 Belgische Staat) werd onder meer M.C. plichtig bevonden aan het ten laste gelegde misdrijf van het voorhanden hebben van 45.915 pakjes sigaretten van het merk Superkings en Regal en 92.629 pakjes sigaretten van het merk Superkings, niet bekleed met Belgische fiscale bandjes waarop de vermelde accijns en bijzondere accijns verschuldigd is, zoals uiteengezet in het proces verbaal van 18 februari 2003.

Dit vonnis werd op dit punt bevestigd door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 september 2007 (stuk 5 Belgische Staat).

Ze werd veroordeeld tot een gevangenisstraf en een geldboete, deels met uitstel.

Ze werd solidair met een W.I., G.M., R.S., M.S., D.V.H., A.P. en F.B. veroordeeld tot betaling van de ontdoken accijns op gefabriceerde tabak ten belope van 285.829,44 EUR, de betaling van de ontdoken bijzondere accijns op gefabriceerde tabak ten belope van 24.453,02 EUR en de betaling van de wettelijke nalatigheidsinteresten ten belope van 9,6 % per jaar vanaf 1 maart 2003 tot op de dag van de betaling van voormelde accijns en bijzondere accijns op gefabriceerde tabak.

***1.3.*** ***Procedure voor de. eerste rechter.***

Op 19 augustus 2016 legde M.C. een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt. Zij vorderde om haar verzet tegen het dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 1 oktober 2004 en haar ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 13 april 2016 ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig was en geen rechtsgevolgen kon hebben. Ze vorderde om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van 4.200,00 EUR, meer de interesten en om de kosten, te begroten op 500,00 EUR rolrecht ten laste te leggen van de Belgische Staat.

De eerste rechter stelde vast dat de grief van M.C. in verband met de verjaring niet verder uitgewerkt werd en dat er geen rechtsgevolgen werden verbonden aan het feit dat M.C. bij arrest van 5 september 2007 enkel werd veroordeeld tot betaling van de ontdoken accijnzen en niet van de BTW.

Met betrekking tot de gevorderde BTW oordeelde de eerste rechter, onder verwijzing naar een arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 maart 2016 en naar artikel 58, §1 W.BTW en [artikel 1 van KB nr.13](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-13-december-betrekking-regeling-tabaksfabricaten-stuk-7137#ar13-art1) dat het bedrag van de overeenkomstig artikel 58, §1 W.BTW berekende belasting door de schuldenaar van de accijns betaald moest worden aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns. De eerste rechter stelde vast dat in de processen-verbaal van 18 februari 2003 en 5 juni 2003 werd vastgesteld dat M.C. de accijnzen verschuldigd was wegens het onwettig bezit en verkoop van sigaretten, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes. Derhalve was de BTW, zoals berekend in het proces-verbaal van 29 september 2004 dan ook verschuldigd.

Voor wat de toepassing betreft van het non bis in idem-beginsel, oordeelde de eerste rechter dat de in het dwangbevel opgelegde BTW-boete van 201.970,00 EUR inderdaad een strafrechtelijk karakter had. Volgens de eerste rechter kon ze evenwel geen aanspraak maken op opschorting van de uitspraak, vermits een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet verzoenbaar is met een rechtspleging die niet voor een strafgerecht wordt gevoerd. In zoverre zij het de eerste rechter niet mogelijk maakte om een maatregel tot opschorting van de uitspraak toe te kennen, schond deze bepaling volgens de eerste rechter de artikel 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM niet.

De vordering van M.C. werd dan ook afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond en ze werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op 0,00 EUR rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman.

***1.4.*** ***Procedure voor het hof van beroep,***

M.C., thans eiseres in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus ten vernietigen en opnieuw wijzende:

haar verzet tegen het dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 1 oktober 2004 en haar ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 13 april 2016 ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig is en geen rechtsgevolgen kan hebben. Ondergeschikt vordert ze om de gevorderde boete van 200% af te wijzen als ongegrond en in elk geval vordert ze om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van 4.200,00 EUR, meer de interesten en om de kosten van beide instanties ten laste te leggen van de Belgische Staat. Deze kosten worden begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 12.000,00 EUR.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om M.C. ervan af te wijzen. De Belgische Staat vordert om het bestreden vonnis te bevestigen en om M.C. te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 12.000,00 EUR.

### 2. Bespreking

***2.1.*** ***Vooraf: veriarinq.***

Het hof stelt vast dat M.C. in graad van beroep niet langer inroept dat de vordering van de Belgische Staat verjaard zou zijn. De Belgische Staat toont trouwens aan dat de verjaring rechtsgeldig werd gestuit.

***2.2.*** ***Verschuldiqdheid van de BTW door M.C..***

*2.2.1.* *Argumenten van M.C..*

M.C. stelt dat de BTW niet door haar verschuldigd kan zijn. Zij werd in het arrest van 5 september 2007 van het hof van beroep te Antwerpen veroordeeld tot betaling van de accijnsrechten en de bijzondere accijnzen, telkens meer nalatigheidsinteresten, maar niet tot betaling van de BTW.

M.C. verwijst naar de conclusies van de advocaat-generaal aan het Europees Hof van Justitie naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het hof van beroep te Antwerpen, waarin hij vooropstelt dat de machtiging tot het invoeren van een bijzondere afwijkende maatregel, volgens dewelke de BTW op tabaksfabrikaten in een voorfase, tegelijk met de accijns wordt voldaan, niet de mogelijkheid omvat van betaling te vorderen van de BTW als gevolg van een diefstal van deze producten.

Deze visie werd volgens M.C. bevestigd in het arrest van het Europees Hof van Justitie van 14 juli 2005 dat hierop is gevolgd.

Volgens M.C. is de verwijzing door de eerste rechter naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 maart 2016 niet dienstig. M.C. is immers geen BTW­ belastingplichtige in de zin van artikel 4, §1 W.BTW.

*2.2.2.* *Beoordeling.*

Artikel 58, §1 W.BTW luidt als volgt:

> *"Ten aanzien van de in België ingevoerde, in de zin van artikel 25ter verworven of geproduceerde tabaksfabricaten, wordt de belasting geheven telkens wanneer voor die fabricaten, overeenkomstig de wets- of verordeningsbepalingen ter zake, Belgische accijns moet worden voldaan. De belasting wordt berekend op de prijs vermeld op het fiscale bandje of indien geen prijs is bepaald, over de maatstaf van heffing van de accijns.*
>
> *(...)*
>
> *De Koning regelt de heffing van de belasting ter zake van tabaksfabricaten en bepaalt wie tot*
>
> *de voldoening ervan gehouden is."*

Artikel 1 van het Koninklijk besluit 13 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor tabaksfabricaten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S., 31 december 1992) luidt als volgt:

> *"De belasting over de toegevoegde waarde op tabaksfabricaten, tabakssurrogaten daaronder begrepen, die in België worden ingevoerd, worden verworven in de zin van* [*artikel 25ter*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) *van het Wetboek of worden geproduceerd, is opeisbaar op hetzelfde tijdstip als de accijns.*
>
> *Het bedrag van de overeenkomstig* [*artikel 58, § 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58)*, van het Wetboek berekende belasting wordt door de schuldenaar van de accijns betaald aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns.*
>
> *Door of vanwege de Minister van Financiën kan, in individuele gevallen en onder de voorwaarden door of namens hem te bepalen voor ieder geval, voor de voldoening van de belasting een termijn worden toegestaan die niet langer mag zijn dan de termijn toegestaan voor de voldoening van de accijns."*

De bijzondere regeling van de BTW op tabaksfabricaten werd destijds ingevoerd teneinde de controle terzake te vergemakkelijken (Parl.St., Kamer, Bijzondere Zitting 1968, nr.88/1, p.55 en Parl.St., Senaat, 1968-1969, nr.455, P;192).

In een arrest van 22 december 1978 (Pas., 1979, 1, 484) kwam het Hof van Cassatie reeds tot de conclusie dat art. 58 W.BTW niet strijdig is met de art. 30, 86 en 90 van het E.E.G.­ verdrag, noch met Richtlijn 72/464 van 19 december 1972.

[Artikel 27 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) voorziet in de mogelijkheid om een lidstaat te machtigen om bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen teh einde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of - ontwijking te voorkomen. Bestaande maatregelen terzake op 1 januari 1977 mochten worden gehandhaafd op voorwaarde dat de lidstaat de Commissie vóór 1 januari 1978 van deze maatregelen in kennis stelde.

De artikelen [394](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-394) en [395](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-395) van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (P.B.J L, 347, 11 december 2006), waarin de regeling van [artikel 27 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting- Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB l 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/7/EG van de Raad van 20 januari 2004 (PB L 27, blz. 44; hierna: "Zesde richtlijn") wordt hernomen luiden als volgt:

Artikel 394:

> *"De lidstaten die op 1 januari 1977 bijzondere maatregelen toepasten ter vereenvoudiging van de belastingheffing of ter voorkoming van bepaalde vormen van belastingfraude of­ ontwijking, mogen deze handhaven op voorwaarde dat zij de Commissie vóór 1 januari 1978 van deze maatregel in kennis hebben gesteld en onder voorbehoud dat de vereenvoudigingsmaatregelen voldoen aan de in artikel 395, lid 1, tweede alinea, omschreven voorwaarde."*

Artikel 395:

> *"1.De Raad kan op voorstel van de commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen, teneinde de belastinginning te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of-ontwijking te voorkomen.*
>
> *De maatregelen tot vereenvoudiging van de belastinginning mogen geen noemenswaardige invloed hebben op de totale belastingopbrengst van de lidstaat in het stadium van het eindverbruik.*
>
> *2.(...)"*

*Het Koninkrijk België heeft overeenkomstig* [*artikel 27, lid 5, van de Zesde richtlijn*](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) *de bepaling van artikel 58, §1 W.BTW op 19 december 1977 ter kennis gebracht van de Commissie. Deze kennisgeving luidde als volgt (zie ook H.v.J., 27 januari 2011 in de zaak* [*C-489/09*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-489-09-arrest)*, inzake Vandoorne NV / Belgische Staat, punt 12):*

*“B. Voldoening van de belasting in een voorgaande fase.*

*1.* *Tabaksfabricaten.*

*Teneinde de controle op de heffing van de btw te vergemakkelijken, wordt de btw die verschuldigd is ter zake van de leveringen van tabaksfabricaten voldaan over de consumentenprijs, samen met de accijns, bij de aanschaffing van de fiscale bandjes door de fabrikant of de invoerder. In de latere fasen wordt geen btw geheven, maar wordt uiteraard ook geen aftrek toegepast. Alle verkopen van tabaksfabricaten worden inclusief belasting gefactureerd."*

Het Europees Hof van Justitie heeft reeds herhaalde malen opgemerkt dat de sigarettenmarkt zich bij uitstek leent voor de ontwikkeling van illegale handel (H.v.J., 10 december 2002, Britlsh American Tobacco (lnvestments) en Imperia! Tobacco, [C-491/01](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-491-01-arrest), Jurispr., p. 1-11453, punt 87; H.v.J., 29 april 2004, British American Tobacco, [C-222/01](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-222-01-arrest), Jurispr., p. 1-4683, punt 72; H.v.J., 27 januari 2011, [C-489/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-489-09-arrest), Vandoorne NV / Belgische Staat, punt 44).

Het Europees Hof van Justitie heeft de Belgische regeling terzake reeds niet strijdig bevonden met de in [artikel 27, lid 1, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) vastgestelde criteria om de heffing van de btw te vereenvoudigen en belastingfraude en -ontwijking met betrekking tot deze producten te voorkomen (H.v.J., 27 januari 2011, [C-489/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-489-09-arrest), Vandoorne NV / Belgische Staat, voormeld).

Bij vonnis van 19 maart 2015 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt de volgende prejudiciële gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

*"Schendt* [*artikel 58, §1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58)*, zoals uitgevoerd door artikel 1 van het Koninklijk besluit nummer 13 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor tabaksfabricaten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10, 11,170 en/of 172 van de Grondwet, in zoverre het aan de Koning de bevoegdheid delegeert om te bepalen wie tot de voldoening van de belasting ter zake van tabaksfabricaten gehouden is ?"*

Het Grondwettelijk Hof heeft deze vraag negatief beantwoord in een arrest van 3 maart 2016 (arrest nr. 37/2016) en heeft dus gezegd voor recht dat er geen schending is van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet. Door in artikel 58, §1, vijfde lid W.BTW de Koning de bevoegdheid te verlenen om het tijdstip te bepalen waarop de BTW op tabaksfabricaten verschuldigd wordt en te bepalen wie op dat tijdstip tot de voldoening ervan gehouden is, heeft de wetgever de Koning niet gemachtigd om af te wijken van de artikelen [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) tot [8bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) van het BTW-Wetboek, die bepalen wie als belastingplichtige in de zin van dat Wetboek kan worden aangemerkt. Het bepalen van het tijdstip waarop de BTW op tabaksfabricaten verschuldigd wordt, kan volgens het Hof immers niet als een wezenlijk bestanddeel van de betreffende belasting, namelijk de aanwijzing van de belastingplichtige, worden aangemerkt. De wet bepaalt volgens het Hof zelf de essentiële elementen van de belasting, en namelijk de aanwijzing van de belastingplichtige, zodat de in het geding zijnde bepaling bijgevolg bestaanbaar is met artikel 170 van de Grondwet.

In een arrest van 14 juli 2005 ([C-435/03](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-435-03-arrest), stuk 2 M.C.) heeft het Hof van Justitie beslist dat geen enkele .bepaling van de Zesde Richtlijn het verschuldigd worden van de BTW gekoppeld heeft aan de accijnsheffing. Het belastbare feit voor de BTW, waarmee de wettelijke voorwaarden voor het verschuldigd worden van de belasting worden vervuld, is de levering of de invoer van de goederen en niet de heffing van de accijns daarover (punt 41 van het arrest). Diefstal van goederen vormt geen levering van goederen en kan derhalve niet als zodanig aan de BTW worden onderworpen, ook niet als het gaat om accijnsgoederen. De machtiging om maatregelen in te voeren die de controle op de heffing van de BTW vergemakkelijken in de zin van [artikel 27, vijfde lid](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) van de richtlijn kan dus geen rechtsgrond verschaffen aan een nationale regeling die diefstal van goederen aan BTW onderwerpt.

Het hof stelt vast dat de BTW in onderhavig geval niet verschuldigd werd, louter omwille van het verschuldigd worden van de accijns of de bijzondere accijns. Dit is niet het belastbaar feit, doch is wel bepalend voor het moment waarop de BTW verschuldigd wordt.

De belastingheffing werd in onderhavig geval gesteund op de feiten, vastgesteld in de processen-verbaal van de administratie der douane en accijnzen van 18 februari 2003 en 5 juni 2003 en van de BTW-administratie.van 16 augustus 2004. Uit deze stukken blijkt dat de BTW door onder meer M.C. verschuldigd geworden is vanwege het binnenbrengen in België van de sigaretten:

\- In het proces-verbaal van 16 augustus 2004 (stuk 1 Belgische Staat) wordt gesteld: "Uit de processen-verbaal van de voornoemde ambtenaren van de Administratie van de douane en accijnzen blijkt dat mevrouw M.C. zich heeft schuldig gemaakt aan het frauduleus binnenbrengen in België van 2.348.180 sigaretten van het merk Superkings en 422.000 sigaretten van het merk Regal bestemd voor commerciële doeleinden".

\- W.I. verklaarde in het zijn verhoor op 26 oktober 2003 (p.5 van het proces-verbaal van 18 februari 2003; bijlage bij stuk 1 Belgische Staat) dat de sigaretten afkomstig waren van een leverancier uit Rusland en dat ze in de magazijnen in België gedurende een vijftal weken werden verpakt ter bestemming van Engeland.

\- Reeds in het proces-verbaal van 18 februari 2003 {p.26) wordt gesteld dat de vastgestelde feiten een overtreding uitmaakten van onder meer artikel 52 W.BTW, dat betrekking heeft op de belasting verschuldigd ter zake van invoer.

Bij vonnis van de correctionele rechtbank van het arrondissement Hasselt van 21 juni 2006, terzake bevestigd door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 september 2007 werd geoordeeld dat M.C. zich schuldig had gemaakt aan het voorhanden hebben van 45.915 pakjes sigaretten van de merken Superkings en Regal en van 92.629 pakjes sigaretten van het merk Superkings, niet bekleed met Belgische fiscale bandjes. De betrokkenheid van M.C. bleek uit de aard van de goederen, aangetroffen bij de huiszoeking in het pand gelegen te Koersel, Schansstraat 51, eigendom van BVBA Brick Production and Trading, waarvan M.C. zaakvoerster was en uit het feit dat zij samen met F.B. toekwam in het magazijn nummer 3053 tijdens de controle van de administratie der douane en accijnzen, waarbij zij een niet geloofwaardige uitleg gaf voor haar aanwezigheid.

Zoals gezegd werd M.C. in voormeld vonnis, zoals bevestigd door het arrest van 5 september 2007 solidair met de overige beklaagden veroordeeld tot betaling van de ontdoken actijns op gefabriceerde tabak ten belope van 285.829,44 EUR, de betaling van de ontdoken bijzondere accijns op gefabriceerde tabak ten belope van 24.453,02 EUR en de betaling van de wettelijke nalatigheidsinteresten.

Overeenkomstig artikel 58, §1 W.BTW wordt de belasting geheven telkens wanneer voor de tabaksfabricaten, overeenkomstig de wets- of verordeningsbepalingen ter zake, Belgische accijns moet worden voldaan. Vermits M.C. blijkens voormelde processen-verbaal en blijkens de veroordeling door voormeld vonnis, bevestigd door het arrest van 5 september 2007 de accijns diende te voldoen, is in haren hoofde overeenkomstig artikel 58, §1 W.BTW ook de BTW verschuldigd geworden, zoals vastgesteld door de fiscale administratie in het dwangbevel geviseerd op 1 oktober 2004.

Het is dan ook terecht dat M.C. als schuldenaar van de accijns, overeenkomstig [artikel 1 van KB nr.13](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-13-december-betrekking-regeling-tabaksfabricaten-stuk-7137#ar13-art1) tevens gehouden is tot betaling van de BTW aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns.

Het hof oordeelt dat geen verkeerde lezing gegeven wordt aan voormeld arrest van het Grondwettelijk hof door te oordelen dat M.C. gehouden is tot betaling van de BTW.

***2.3.*** ***De geldboete.***

M.C. stelt dat de boete van 200% een repressief karakter heeft en dat artikel 70, §2 W.BTW de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM schendt in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt de opschorting van de uitspraak toe te kennen. Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 februari 2013 is volgens eiseres in hoger beroep terzake niet bindend en de maatregel tot opschorting van de uitspraak kan wel toegepast worden.

*•* *Wettigheid.*

Overeenkomstig artikel 70, §1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd, gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

De belastingverhoging is aldus in overeenstemming met de wet.

*•* *Uitstel?*

In zijn arrest van 21 februari 2013 (arrest nr.13/2013, T.Strafr., 2014/2, Hl, met noot P.Hoet; Jan Van Dyck, 'BTW-boeten en 'uitstel: wat kan of moet de. rechte·r doen', Fiscoloog, 2013, nr.1330, 5) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over de prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie of artikel 70, §2 W.BTW de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM schendt in zoverre het een rechter niet mogelijk maakt de in die bepaling bedoelde geldboete gepaard te laten gaan met een uitstel of een maatregel van opschorting of van probatie, terwijl de overtreder het voordeel daarvan zou kunnen verkrijgen indien hij om reden van dezelfde feiten voor de correctionele rechtbank verschijnt, teneinde de strafsancties opgelegd te krijgen waarin de artikelen 73 en volgende W.BTW voorzien.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat artikel 70, §2, eerste lid W.BTW niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de rechter niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel toe te kennen.

Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft echter volgens het Grondwettelijk Hof niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou geweest zijn om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (punt B.4.3. van het arrest van 21 februari 2013).

Reeds in een eerder arrest van 6 november 2008 (arrest nr.157/2008) had het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat [artikel 70, §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM schendt, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt de in die bepaling voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met een uitstel.

Het uitstel van de tenuitvoerlegging van straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van straffen te beperken en de re-integratie van de overtreder niet in het gedrang te brengen.

In onderhavig geval stelt het hof evenwel vast dat uitstel van tenuitvoerlegging niet wordt gevraagd. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de rechter niet ambtshalve kan nagaan of er redenen zijn om uitstel toe te kennen, indien de fiscale wet in die mogelijkheid had voorzien. De rechter moet dat enkel nagaan nadat de BTW-belastingplichtige daartoe een verzoek heeft geformuleerd ([Cass., 29 januari 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak/sancties-fiscale-geldboeten-uitstel-betaling-cassatie-brussel-2016-01-29-d620), Fiscoloog, 2016, nr.1480, 13).

In onderhavig geval kan dan ook geen uitstel van de straftuitvoering worden toegekend vermits M.C. niet om een dergelijke uitstel heeft gevraagd.

*•* *Opschorting ?*

Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 februari 2013, voornoemd, had ook betrekking op de onmogelijkheid voor de rechtbank om een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen.

Op dit punt oordeelde het Grondwettelijk Hof dat dergelijke maatregel niet verzoenbaar is met een rechtspleging die niet voor een strafgerecht wordt gevoerd. De door een rechtbank in fiscale zaken gewezen beslissing bestaat er immers niet in om een veroordeling tot een boete uit te spreken, maar wel om de administratieve beslissing, waarbij de geldboete wordt opgelegd te controleren. In zoverre het de rechtbank niet mogelijk is om een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling tot een administratieve geldboete toe te kennen, is artikel 70 W.BTW volgens het Grondwettelijk Hof aldus niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM.

Overeenkomstig artikel 26 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (BS, 7 januari 1989), doet het Grondwettelijk Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent onder meer de schending door een wet van de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het Grondwettelijk Hof in principe verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.

Vermits het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak deed over deze problematiek, dient onderhavig hof niet over te gaan tot het stellen van een prejudiciële vraag terzake.

Het hof verwijst hier dan ook naar het arrest van Grondwettelijk Hof van 21 februari 2013 over deze vraagstelling en volgt het standpunt van het Grondwettelijk Hof in deze. De administratie beschikt immers bij het opleggen van een administratieve geldboete niet over de mogelijkheid om opschorting van straf te verlenen. De rechter, die de administratieve geldboete met volle rechtsmacht kan toetsen, beschikt over dezelfde beoordelingsbevoegdheden als de administratieve overheid. Vermits de fiscale overheid geen opschorting kan uitspreken, kan het gerecht hier bij de beoordeling van de sanctie evenmin toe overgaan.

De leemte die terzake in de wet bestaat, kan enkel door de wetgever worden ingevuld.

*•* *Evenredigheid.*

M.C. werpt wel op dat de boete van 200% een repressief karakter heeft. Aldus wordt minstens de evenredigheid van dergelijke boete betwist.

Recent werd nogmaals door het Hof van Cassatie bevestigd (Cass., 18 januari 2018, F.16.0160.N; zie ook Cass., 8 april 2001, F.10.0033;N, www.cass.be) dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie moet onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 13 februari 2009, nr. [F.06.0108.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-boete-vermindering-boetes-kwijtschelding-cassatie-brussel-2009-02-13-05d6)).

In onderhavig geval stelt het hof vast dat niet wordt betwist dat de BTW op de in België binnengebrachte sigaretten niet werd betaald. De inbreuk staat aldus vast. Bovendien stelt het hof vast dat deze overtreding overeenkomstig artikel 70, §1 W.BTW in principe bestraft wordt met een administratieve geldboete, gelijk aan het dubbel van de niet tijdig betaalde belasting.

Anderzijds stelt het hof vast dat voormelde feiten gelinkt zijn aan de inbreuken, waarvoor onder meer M.C. samen met een aantal andere verdachten werd veroordeeld bij vonnis van de correctionele rechtbank van het arrondissement Hasselt van 21 juni 2006, terzake bevestigd door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 september 2007. Zij werd toen veroordeeld tot een gevangenisstraf en een geldboete wegens het voorhanden hebben van sigaretten, niet bekleed met Belgische fiscale bandjes en werd solidair met de andere beklaagden veroordeeld tot de accijns en de bijzondere accijns die hierop verschuldigd was. Haar betrokkenheid bij de feiten bleek doordat inpakmateriaal van de sigaretten werd gevonden op de zetel van een vennootschap, waarvan zij zaakvoerster was. Zij kwam ook toe in het betrokken magazijn op het moment van de controle door de administratie der douane en accijnzen, zonder dat zij een plausibele uitleg kon geven. Er bleken ook verpakkingsdozen besteld te zijn via de firma, waarvan zij zaakvoerster was.

Anderzijds werd toen reeds rekening gehouden met het blanco strafregister van M.C.. Bovendien werd uitstel van de tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf en van het grootste deel van de geldboete voor een termijn van drie jaar geacht van aard te zijn om haar verbetering te doen verhopen.

Het hof stelt verder vast dat M.C. reeds in december 2007 een voorstel deed aan dienst Invordering van de BTW, teneinde de BTW-schuld af te betalen (stuk 10 en volgende Belgisahe Staat). Er werd aldus tot en met januari 2014 afbetaald aan 50,00 EUR per maand, hetzij in totaal 2.400,00 EUR.

Het hof oordeelt dat het in de gegeven omstandigheden kennelijk onredelijk zou zijn om aan M.C. de volledige boete van 200% op te leggen. Een boete van 50% is daarentegen niet onevenredig met de ernst van de feiten en de gegeven omstandigheden. De boete wordt dan ook tot 50% verminderd.

***2.3. Rechtspleqinqsvergoedinq.***

Partijen zijn het erover eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. [Cass., 12 maart 2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-verminderd-tarief-nieuwe-gebouwen-cassatie-brussel-2010-03-12-1ec2), F.J.F., nr.2010/183, p.720}.

Gelet op het bedrag van de gevorderde belasting en boete, zijn partijen het er terecht over eens dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in deze 12.000,00 EUR bedraagt per aanleg. Er werd geacteerd dat M.C. enkel een rechtsplegingsvergoeding vraagt in hoger beroep. Bovendien werd de Belgische Staat in eerste aanleg niet vertegenwoordigd of bijgestaan door een advocaat, zodat ze voor die aanleg geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding.

Het hof stelt verder vast dat elk van de partijen omtrent een onderscheidenlijk geschilpunt in het ongelijk werden gesteld, zodat er reden is om de kosten om te slaan, in die zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

### 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van M.C. toelaatbaar en als volgt gegrond. Het hof hervormt het bestreden vonnis.

Het hof reduceert de verschuldigde boete van 200% naar 50% en bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Het hof begroot de kosten van het geding op een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 12.000,00 EUR en een bijzondere bijdrage aan het begrotingsfonds van 20,00 EUR in hoofde van M.C. en een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 12.000,00 EUR in hoofde van de Belgische Staat.

Het hof slaat de kosten van het geding om, in die zin dat elk zijn eigen kosten draagt. Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 03 december 2019 door …

Ondertekeningen

## Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk, llA- kamer

Vonnis van 24.04.2018

Rol: 16/2079/A

INZAKE:

**M.C.,** zonder beroep, wonende te …, en woonstkeuze doende in het kantoor van haar raadsman mr. … advocaat te … Eiseres, vertegenwoordigd door mr. …, advocaat te …

**tegen:**

**De Belgische Staat**, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Hasselt met kantoor te Voorstraat 43 bus 106, 3500 Hasselt Verweerder, vertegenwoordigd door mevr. X, attaché

VOLGT HET VONNIS

Gelet op:

het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.08.2016;

de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 22.09.2016;

de eerste besluiten, aanvullende besluiten, synthesebesluiten en stukken van verweerder;

de conclusie, syntheseconclusie en stukken van eiseres.

## I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

Op 18.02.2003 en 05.06.2003 werd door ambtenaren van de Opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Genk een proces-verbaal opgesteld wegens het onwettig bezit en vervoer van sigaretten, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes ten laste van M.C. (zie bijlage 1 bij stuk 1, bundel administratie).

Op basis van de gedane vaststellingen door de ambtenaren van de Administratie van de douane en accijnzen met betrekking tot de in het bezit van eiseres zijnde sigaretten werd door de heer Y e.a. inspecteur van het BTW controlekantoor Beringen 1, een proces-verbaal opgesteld op 16.08.2004 lastens eiseres wegens het verschuldigd zijn van BTW op het ogenblik dat de accijns opeisbaar wordt voor vermelde sigaretten (zie stuk 1, bundel administratie).

Op 29.09.2004 werd door de e.a. inspecteur van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt een dwangbevel uitgevaardigd, dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de wnd. e.a. inspecteur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Beringen dat samen met het proces verbaal van 16.08.2004 aan eiseres werd betekend op 18.10.2004. Bij aangetekend schrijven van 13.04.2016 werd door Z, adviseur invorderingen voor éénsluidend verklaard afschrift van voormeld dwangbevel nogmaals betekend aan eiseres. (zie stuk 2, bundel administratie).

In dit dwangbevel werden de volgende bedragen gevorderd:

\- 100.985,00 euro BTW;

\- 201.970,00 euro administratieve geldboete overeenkomstig [artikel 70 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70);

\- de wettelijke intresten over de rechten vanaf 26.10.2001;

\- de moratoire intresten over de geldboete vanaf de betekening van het dwangbevel;

\- de vervolgingskosten.

Op 19.08.2016 werd door eiseres een verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank waarbij zij een vordering in rechte instelden.

## ll. BEOORDELING

### *2.1.* *Stuitingsdaad:*

Eiseres is vooreerst van oordeel dat het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 05.09.2007 niet als een stuitingsdaad kan gelden aangezien zij bij arrest veroordeeld werd tot betaling van de ontdoken accijnzen doch niet van de BTW.

Eiseres werkt deze grief echter niet verder uit en verbindt er geen rechtsgevolgen aan.

### *2.2.* *M.b.t. de gevorderde BTW:*

1\. Eiseres is van oordeel dat zij niet kan gehouden worden tot betaling van de gevorderde BTW.

De persoon die gehouden is tot voldoening van de BTW is evenwel niet noodzakelijk dezelfde als de BTW-belastingplichtige.

2\. [Art. 58, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) laat het aan de Koning over om te bepalen wie "tot voldoening van de belasting" op de tabaksfabrikanten gehouden is.

Eiseres was evenwel van oordeel dat deze interpretatie van [art. 58, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) niet correct was en dat [art. 58, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) enkel bepaalde op welk tijdstip de BTW verschuldigd was.

In een gelijkaardig dossier stelde de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt bij vonnis van 19.03.2015 een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof:

> *"Schendt* [*artikel 58 § 1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58)*, zoals uitgevoerd door artikel 1 van het Koninklijk besluit nummer 13 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor tabaksfabrikaten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10, 11, 170 en/of 172 van de Grondwet, in zoverre het aan de Koning de bevoegdheid delegeert om te bepalen wie tot de voldoening van de belasting ter zake van tabaksfabrikaten gehouden is,"*

Bij arrest van het Grondwettelijk Hof van 03.03.2016 werd gezegd voor recht dat [artikel 58, § 1, vijfde lid van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58), in samenhang gelezen met [artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 13](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-13-december-betrekking-regeling-tabaksfabricaten-stuk-7137#ar13-art1) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor tabaksfabrikaten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet niet schendt.

Gelet op het feit dat, enerzijds [artikel 58 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) stelt dat :" Ten aanzien van de in België ingevoerde, in de zin van artikel 25ter verworven of geproduceerde tabaksfabrikaten, de belasting wordt geheven telkens wanneer voor die fabrikaten, overeenkomstig de wets- of verordeningsbepalingen ter zake, Belgische accijns moet worden voldaan. De belasting wordt berekend op de prijs vermeld op het fiscale bandje of, indien geen prijs is bepaald, over de maatstaf van heffing van de accijns.", en dat anderzijds bovendien in [artikel 1 van het KB nr. 13](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-13-december-betrekking-regeling-tabaksfabricaten-stuk-7137#ar13-art1) van 29 december 1992, genomen ter uitvoering van [artikel 58 §1 van het WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) wordt bepaald dat de BTW op tabaksfabrikaten, tabakssurrogaten daaronder begrepen, die in België worden ingevoerd, worden verworven in de zin van artikel 25ter van net Wetboek of worden geproduceerd, opeisbaar is op hetzelfde tijdstip als de accijns. Het bedrag van de overeenkomstig [artikel 58 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) berekende belasting wordt door de schuldenaar van de accijns betaald aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns.

In de processen-verbaal van 18.02.2003 en 05.06.2003 die werden opgesteld door ambtenaren van de opsporingsdiensten der douane en accijnzen te Genk, werd vastgesteld dat eiseres accijnzen verschuldigd was wegens het onwettig bezit en vervoer van sigaretten, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes.

Derhalve werd op 29.09.2004 een proces-verbaal opgesteld door de e.a. verificateur van het BTW controlekantoor te Hasselt waarbij de op grond van voornoemde artikelen de verschuldigde BTW werd vastgesteld.

De BTW zoals berekend in het proces-verbaal van 29.09.2004 ingevolge [artikel 58 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) en artikel 1 van het voornoemd KB nr. 13 is dan ook verschuldigd.

### *2.3.* *M.b.t. de geldboete:*

Eiseres stelt onder meer dat de fiscale administratieve sanctie als strafsanctie kan worden beschouwd in de zin van art. 6 EVRM en tot gevolg heeft dat eiseres aanspraak kan maken op de rechtsbescherming voorzien in art. 6 EVRM en dus het voordeel van de opschorting zou dienen toegekend te krijgen.

Verweerder daarentegen houdt voor dat de administratieve geldboete terecht werd opgelegd en dat de rechtbank niet de mogelijkheid heeft om opschorting van de uitspraak van de veroordeling tot een geldboete toe te kennen.

Een maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling is niet verzoenbaar met een rechtspleging die niet voor een strafgerecht wordt gevoerd. De door de rechtbank van eerste aanleg gewezen beslissing bestaat immers niet erin een veroordeling tot een geldboete uit te spreken, maar de administratieve beslissing waarbij de geldboete wordt opgelegd te controleren.

In zoverre zij de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt een maatregel tot opschorting van de uitspraak toe te kennen, schendt deze bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet (zie Arrest nr. 13/2013 van het Grondwettelijk Hof dd. 21.02.2013).

De vordering is dan ook ongegrond.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist. Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

## OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding begroot in hoofde van verweerder op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A op het gerechtshof te Hasselt op 24.04.2018. alwaar aanwezig waren: …

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

15

[WBTW art. 58](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58) 11 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 5 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 27](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) 5 voorkomens

[KB nr. 13 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-13-december-betrekking-regeling-tabaksfabricaten-stuk-7137) 4 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 4 voorkomens

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 2 voorkomens

[WBTW art. 25ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25ter) 1 voorkomen

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 1 voorkomen

[WBTW art. 8bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8bis) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 394](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-394) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 395](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-395) 1 voorkomen

[C-489/09, arrest van 27 januari 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-489-09-arrest) 3 voorkomens

[C-222/01, arrest van 29 april 2004](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-222-01-arrest) 1 voorkomen

[C-435/03, arrest van 14 juli 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-435-03-arrest) 1 voorkomen

[C-491/01, arrest van 10 december 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-491-01-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

32

### België

32

Hof van beroep te Brussel 2012/AR/1611 24.03.2026

#### [Douane-expediteur, Invoer/Overbrenging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-invoer-overbrenging-btw-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-5aee)

Hof van beroep te Brussel 24.03.2026

#### [Douane-expediteur, Vennootschap naar Frans recht, Invoer /Overbrenging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-vennootschap-frans-recht-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-1024)

Hof van beroep te Brussel 2012/AR/1610 24.03.2026

#### [Douane-expediteur, Vertegenwoordiger, Invoer, Intracommunautaire overbrenging, BTW-vrijstelling, intracommunautaire Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-vertegenwoordiger-invoer-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-febd)

## Administratieve doctrine

1

[Fiches van de administratieve commentaar 1](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-evenredigheid-vermindering-cassatie-brussel-2022-09-23-f674/documenten?type=commentaar)

[Bekijk de 33 documenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-evenredigheid-vermindering-cassatie-brussel-2022-09-23-f674/documenten)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Bijzondere regeling tabaksfabricaten, strafrechtelijke veroordeling, strafrechtelijk karakter btw-geldboete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-tabaksfabricaten-strafrechtelijke-hof-van-beroep-antwerpen-2019-05-28-51b6) 8 gemeenschappelijke bepalingen

[Tabaksfabrikaten, Bepaling van de belastingschuldigen, Delegatie aan de Koning](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tabaksfabrikaten-bepaling-belastingschuldigen-delegatie-grondwettelijk-hof-brussel-2016-03-37-2016) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Afstandsverkoop, omzetberekening, margeregeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/afstandsverkoop-omzetberekening-margeregeling-rechtbank-gent-2025-11-20-db08) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Regularisatie van het omzetcijfer, niet bewijskrachtige boekhouding, Bijzondere winstmargeregeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatie-omzetcijfer-bewijskrachtige-boekhouding-bijzondere-rechtbank-2022-05-25-615a) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Holding, Onroerende verhuur, Essentieel karakter, holdingvennootschap](https://juriel.be/nl/rechtspraak/holding-onroerende-verhuur-essentieel-karakter-hof-van-beroep-2026-04-20-31c6) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 3 gemeenschappelijke bepalingen
