Bijzondere regeling, vrijstelling, intracommunautaire handeling, teruggaaf van belasting, uitvoer · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 6 maart 2006

Zoeken

Bijzondere regeling, vrijstelling, intracommunautaire handeling, teruggaaf van belasting, uitvoerBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-vrijstelling-intracommunautaire-handeling-rechtbank-brugge-2006-03-06-24a4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
6 maart 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

69 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 06.03.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/1203/A Rep. nr. 2006/317

de heer M. D., autohandelaar, (H.R. Oostende nr. …, Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

eiser

voor wie optreedt Meester F. V. advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van :

- de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, met kantoren gevestigd te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30,

- de gewestelijk directeur van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te Brugge, Controlecentrum Brugge. met burelen gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerders, hierna genoemd .'verweerder'

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, ….

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidende verzoekschrift houdende verzet dwangbevel dd. 15.04.2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 6.02. 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser was voor zijn economische activiteit van autohandelaar en het onderhoud en de herstelling van voertuigen geregistreerd onder het BTW-nummer ….

Op 4 december 2001 werd door de heer D. B. E., eerstaanwezend verificateur van de A.O.I.F, verbonden aan het controlecentrum te Brugge. een toezicht verricht met het oog op de juiste toepassing van de BTW-wetgeving over de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000.

Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door D. B. E. voornoemd, op 3 december 2002, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).

Op 17 december 2002 werd een dwangbevel betekend aan eiser.

Bij tegensprekelijk verzoekschrift van 15 april 2004 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.

2.2. Eiser vraagt dat :

- Het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- Het bestreden dwangbevel wordt vernietigd en dat dienvolgens verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die zij aan verweerder heeft betaald of die ten haren laste werden ingehouden ter aanzuivering van de navordering die het voorwerp van het dwangbevel uitmaakt, verhoogd met de moratoire rente vanaf de dag der betaling en met de. gerechtelijke rente.

- Verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding. in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

- Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Uit het proces-verbaal opgesteld door de heer E. D. B. blijkt dat hij op basis van het onderzoek van de boeken en bescheiden van eiser. tot de vaststelling komt dat de wettelijke bepalingen in verband met de belastingheffing over de tweedehandse vervoermiddelen, de zogenaamde margeregeling, niet werden nageleefd.

Meer bepaald stelt verweerder in voormeld proces-verbaal dat eiser, met betrekking tot aankopen van 84 tweedehandse wagens afkomstig uit Duitsland die onderworpen werden aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, het vereiste bewijs dat de wagens geleverd zijn door een in artikel 58, § 4, 2° W.BTW bedoeld persoon niet heeft geleverd.

Deze vervoermiddelen waarvan de belastingplichtige wederverkoper niet kan aantonen dat hij ze heeft gekocht van één van de in voormeld artikel bedoelde personen, werden dan ook geacht te zijn verkregen onder de normale regeling van de belasting.

3.2.2. De belastingplichtige wederverkoper die gebruik wil maken van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge moet het bewijs leveren dat hij onder de voorwaarden van artikel 58, § 4 W.BTW valt.

De leveringen die volgens artikel 58, § 4, 2° W.BTW onder die bijzondere regeling vallen zijn : de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die hem binnen de gemeenschap zijn geleverd :

- door een niet-belastingplichtige;

- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige krachtens artikel 44, § 2, 13° is vrijgesteld;

- door een andere belastingplichtige voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens artikel 56, § 2, en het een bedrijfsmiddel betreft;

- door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig onderhavige bijzondere regeling onderworpen geweest is aan de belasting.

De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is niet van toepassing op de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van goederen die hem binnen de Gemeenschap zijn geleverd door personen die bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van de goederen, de vrijstelling van belasting hebben genoten krachtens artikel 42 W.BTW of die hebben genoten van de teruggaaf van de belasting krachtens artikel 77, § 2 W.BTW.

Krachtens artikel 58, § 4, 12° W.BTW worden de leveringen van de goederen waarop de belastingheffing krachtens de bijzondere regeling van belastingheffing op de winstmarge in beginsel van toepassing is, voor dewelke de voorwaarden en modaliteiten die voor de toepassing van·de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn gesteld, niet worden nageleefd, behoudens tegenbewijs, geacht te zijn verricht onder de normale regeling van de belasting.

3.2.3. In toepassing van voormeld artikel 58, § 4, 2° en 12° W.BTW dient eiser derhalve aan te tonen dat de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper (leverancier van het goed) overeenkomstig onderhavige bijzondere regeling onderworpen is geweest aan de belasting. Dit betekent dat ook voor die voorgaande levering de voorwaarden en modaliteiten moeten vervuld zijn, met andere woorden dat moet aangetoond worden dat de vorige levering terecht aan die bijzondere regeling onderworpen was.

Door in het bezit te zijn van een geheel van overeenstemmende documenten die aantonen dat bij de verkoop de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge kan toegepast worden (vb. aankoopborderel, factuur, kopie inschrijvingsbewijs, door de leverancier te ondertekenen attest met betrekking tot de vorige fiscale toestand van het verkocht voertuig), toont de belastingplichtige-wederverkoper de facto aan dat ook in de vorige fasen de bijzondere regeling kon toegepast worden.

Het is duidelijk dat de voorlegging van de factuur van een leverancier-belastingplichtige wederverkoper of een door de leverancier te ondertekenen attest niet alles bepalend is en dat het slechts één van de elementen is die in het kader van de bewijsvoering nuttig kan zijn.

In casu legt eiser m.b.t. de kwestieuze aankopen attesten voor die de naam van de verkoper en koper vermelden en die verklaren dat de aankoop van de wagens geschiedde zonder aftrek van voorbelasting. Deze inkoopverklaringen zijn gedateerd, door beide medecontractanten ondertekend en voorzien van een "S.B.B.W" stempel.

"'Met betrekking tot de aankoop van de kwestieuze wagens zijn de door eiser voorgelegde attesten/inkoopverklaringen, uitgaande van de vorige belastingplichtige wederverkoper, evenwel in tegenspraak met de inschrijvings- en doorhalingsbewijzen aangezien uit deze laatste stukken blijkt dat de laatste gebruikers van voormelde wagens principieel als belastingplichtige met recht op aftrek te beschouwen vennootschappen waren. Met betrekking tot deze transacties heeft verweerder dan ook terecht geoordeeld dat eiser niet over een geheel van met elkaar overeenstemmende documenten beschikte om aan te tonen dat het voertuig afkomstig was van een bij artikel 58, § 4, eerste lid, 2° W.BTW bedoelde leverancier, zodat de normale regeling diende toegepast te worden.

3.2.4. Voorafgaand aan de controle van 4 december 2001 werd op 9 mei 2000 eveneens een verificatie ter plaatse gedaan van de toepassingsvoorwaarden en het bewijs inzake de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge.

Uit de op 9 mei 2000 door een ambtenaar' van de tweede BTW-controle te Torhout uitgevoerde beperkte controle en diens aanvaarden van de voorgelegde "S.B.B.W."-attesten als bewijs voor de toepassing van de margeregeling kan eiser echter geen gerechtvaardigde verwachtingen putten.

De op 9 mei 2000 aan de ambtenaar voorgelegde attesten/inkoopverklaringen leken immers op het eerste zicht betrouwbaar en geloofwaardig. Zij lieten zeker niet toe te veronderstellen dat zij niet werden afgeleverd door de bevoegde buitenlandse overheidsdiensten. Door de aanwezigheid van een volgnummer, naam en handtekening van koper en verkoper en verklaring dat de aankoop van de wagen geschiedde zonder aftrek van voorbelasting gaven zij een officiële indruk zodat het perfect mogelijk was dat zij door de betrokken ambtenaar aanzien werden als doorslaggevende documenten om de margeregeling te kunnen toepassen.

Aangezien achteraf (n.a.v. de controle van 4 december 2001) bleek dat die voorgelegde attesten inhoudelijk verkeerd waren en niet afkomstig waren van een officiële overheidsinstantie, maar dat zij integendeel door de contractanten werden opgemaakt ten einde een voordelige belastingtoestand te creëren, kan verweerder onmogelijk gebonden zijn aan zijn beslissing m.b.t. de aanvaarding van de voorgelegde "S.B.B.W.”-attesten als bewijs voor de toepassing van de margeregeling.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op zes maart tweeduizend en zes.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., griffier.

N. L. N. H.