Bijzondere regeling, landbouwbedrijf · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 16 september 2004

Zoeken

Bijzondere regeling, landbouwbedrijfBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-landbouwbedrijf-rechtbank-gent-2004-09-16-87e6

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
16 september 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

67 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 16.09.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 SEPTEMBER 2004

03/53/A - In de zaak :

M. M., landbouwer, wonende te …, …, ingeschreven in het BTW-register onder het nr. …,

eiser,

voor wie optreden J. S. en D. J., advocaten te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW Registratie en Domeinen, BTW-Ontvangkantoor Zottegem, met kantoren te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

vonnist de rechtbank als volgt :

1. RECHTSPLEGING

Gelet op het dwangbevel van 11.12.2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16.12.2002 en aan eiser ter kennis gebracht op 17.12.2002.

Gelet op de inleidende dagvaarding aan verweerder betekend op 27.12.2002.

De rechtbank neemt kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partij en overgelegde stukken.

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 17.6.2004, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

2. DE VORDERING

De vordering van eiser, zoals uiteindelijk gesteld in zijn conclusie neergelegd op 18.2.2004, strekt ertoe het verzet tegen het dwangbevel, uitgevaardigd op 11.12.2002, ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens :

te zeggen voor recht dat er geen rechtsgrond bestaat op grond waarvan eiser kan worden uitgesloten van de bijzondere landbouwregeling voorzien in art. 57 W.BTW;

te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig en ongegrond is en de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;

de teruggave te bevelen van alle sommen die zouden zijn betaald en/of ingehouden op grond van het aldus vernietigde dwangbevel, met inbegrip van de moratoriumintresten zoals voorzien in artikel 91, § 3 en § 4 W.BTW;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. FEITEN

Eiser is landbouwer en heeft geopteerd voor de bijzondere regeling voor landbouwers, zoals bedoeld in art. 57 W.BTW. De activiteiten zijn akkerbouw en het kweken van varkens.

De echtgenote van eiser is landbouwster en volgt de normale regeling van de belasting. Haar activiteiten zijn akkerbouw en het kweken van slachtpluimvee.

Op 22.3.2002 en 4.11.2002 werd bij eiser een BTW-controle verricht over de periode 1.1.1999 t/m 31.12.2000.

Volgens de administratie dient eiser uitgesloten te worden van de forfaitaire landbouwregeling.

Uit het proces-verbaal van 29.11.2002 blijkt dat volgende sommen verschuldigd zijn :

1° Als BTW :

voor 1999 : … + … = … frank,

voor 2000 : … + … = … frank,

SAMEN : … frank of … EUR.

2° Als wettelijke geldboete :

… EUR.

3° Intresten p.m.

Eiser laat gelden dat hij niet van het forfaitair landbouwstelsel kan worden uitgesloten op grond van art. 57, § 6, 2° W.BTW, gezien :

eiser geen andere prestaties dan onderlinge landbouwhulp heeft verricht;

de waarde van de prestaties in ieder geval lager ligt dan … frank/jaar;

Eiser laat gelden dat hij evenmin kan worden uitgesloten op grond van art. 2, § 4 KB nr. 22, gezien : verweerder niet kan aantonen dat de toepassingsvoorwaarden voor de uitsluiting op grond van art. 2, § 4 van het BTW-KB nr. 22 voldaan zijn;

de in artikel 2, § 4 van het BTW-KB nr. 22 voorziene procedure niet werd gevolgd.

4. BESPREKING

1. Art. 57, § 1 W.BTW stelt :

"Landbouwondernemers die producten van hun bedrijf leveren of landbouwdiensten verrichten, zijn ten aanzien van de uitoefening van die werkzaamheid niet gehouden de verplichtingen na te leven die op het stuk van facturering, aangifte en voldoening van de belasting, aan belastingplichtigen zijn opgelegd, met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit de intracommunautaire handelingen die ze verrichten."

2. Er bestaat geen betwisting omtrent het feit dat eiser bijkomende werkzaamheden verricht voor het bedrijf van zijn echtgenote.

3. Terecht beroept verweerder zich op een schending van art. 2, § 4 van het KB nr. 22.

Art. 2, § 4 stelt :

"In de gevallen die concurrentieverstoringen teweegbrengen, wordt de landbouwondernemer, die financieel, economisch en organisatorisch nauw verbonden is met één of meerdere personen die juridisch gezien zelfstandig zijn en niet aan de bijzondere landbouwregeling zijn onderworpen, vooraf vanwege de Minister van Financiën, uitgesloten van deze bijzondere regeling.”

Uit de omstandigheid dat eiser zelf verklaart dat door zijn echtgenote voor 1999 en 2000 facturen worden opgemaakt aan eiser voor respectievelijk … en … frank, doch dat deze nooit door eiser werden betaald en dat eiser zelf voor zijn landbouwprestaties aan zijn echtgenote geen facturen opmaakte; dat beide echtgenoten samen de leningen bij de bank onderschrijven; dat de totaal bewerkte oppervlakte (akkerbouw) van jaar tot jaar wijzigt in de verdeling tussen de twee echtgenoten; dat het materieel dat gezamenlijk wordt gebruikt aangekocht wordt op naam van de echtgenote waardoor eiser geen enkele voorbelasting van investeringen op zich neemt, blijkt dat het bedrijf van eiser en dat van zijn echtgenote zowel financieel, economisch als organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn. Door de opsplitsing wordt de fiscale situatie totaal vervormd in het voordeel van eiser wat tot concurrentieverstoring leidt zoals door verweerder berekend in conclusie neergelegd op 24.9.2003. Uit deze becijfering blijkt dat eiser zich door deze constructie een aanzienlijk financieel voordeel verschaft.

In deze omstandigheden wordt eiser terecht uitgesloten van de forfaitaire landbouwregeling.

Ten onrechte meent eiser dat Dhr. M. L. als verificateur bij een fiscaal bestuur, niet over de bevoegdheid beschikte om deze rechtsgrond toe te passen.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond;

Veroordeelt de eiser tot de kosten van het geding, tot dusver begroot als volgt :

* aan de zijde van eiser :

- dagvaardingskosten : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding : … EUR;

* aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : … EUR;

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van de recht- bank van eerste aanleg te Gent op 16 SEPTEMBER 2004, waar aanwezig waren :

J. D. B., alleenzetelend rechter,

R. D., griffier.

R. D. J. D. B.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 22 art. 24 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

1