---
title: "28 januari 2009 · Bijzondere regeling, kleine onderneming · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Bijzondere regeling, kleine onderneming, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 28 januari 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-kleine-onderneming-vervolging-rechtbank-brussel-2009-01-28-edae"
lang: "nl"
---

# Bijzondere regeling, kleine onderneming, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

28 januari 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

108 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 28.01.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36****ste** **Kamer**

AR **2007/13601/A**

In zake van :

**De VZW AF A. F.**, in vereffening gesteld (bijlage bij BS 26/09/2007), met maatschappelijke zetel te …, … en ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer …, vertegenwoordigd door mevrouw **M. D. W.**, in haar hoedanigheid van vereffenaar, wonende te …, …;

**eisende partij,**

Vertegenwoordigd door Mr. **M.-P. D.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van de Financiën, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51;

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. S.**, advocaat te …, …,

**In deze zaak, in beraad genomen op 07/01/2009, spreekt de rechtbank**

**het navolgend vonnis uit :**

Gelet op :

\- het exploot van dagvaarding in verzet tegen dwangbevel uitgaande van eiser en betekend aan verweerder op 26/10/2007;

\- de beschikking tot regeling van conclusietelmijnen en bepaling van de rechtsdag overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 18/12/2007;

\- de beschikking op grond van artikel 748, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 24/12/2008;

\- de conclusie en syntheseconclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 18/04/2008 en 13/11/2008;

\- de conclusie en syntheseconclusie van eiser, neergelegd ter griffie op respectievelijk 03/06/2008 en 01/12/2008;

\- de stukken voor eiser en verweerder, neergelegd zitting op 07/0112009.

De raadslieden van partijen werden gehoord in openbare zitting, waarna twee bundels met stukken werden neergelegd en de zaak werd in beraad genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Verweerder vordert de wering uit de debatten van de besluiten neergelegd namens verweerder op 01/12/2008.

Nu eiser op grond van de beschikking van 18/12/2007 in toepassing van artikel 747 ,§ 2 Ger.W. slechts beschikte over één conclusietermijn, eindigende op 19/09/2008, dienen de synthesebesluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 01/12/2008 uit de debatten te worden geweerd.

## 1. FEITEN

**1.** De VZW AF **A. F.** (eiser) werd opgericht op 01/02/1992. Op 01/07/1996 werden de activiteiten stopgezet en op 10/09/1997 werd van deze stopzetting aangifte gedaan bij verweerder. Per 21/08/2007 werd eiser in vereffening gesteld met mevrouw **M. D. W.** als vereffenaar.

Er is geen betwisting dat eiser sinds 01/02/1992 tot 01/07/1996 onderworpen was aan de BTW en ook gekend bij de BTW-administratie onder het nummer BE ….

**2.**

**2.1.** Voor het jaar 1996 had. eiser zijn jaarlijkse opgave van afnemers/belastingplichtige niet ingediend. Dit werd vastgesteld in het proces-verbaal van 16/09/1997, waarbij een boete van 100.000 Belgische Frank (thans 2.478,94 euro) werd vastgesteld.

Ingevolge niet betaling werd overgegaan door het opstellen van een dwangbevel, uitgevaardigd op 10/07/2001 en uitvoerbaar verklaard op 12/07/2001, met nummer … (ten belope van 2.478,94 euro).

Van dit dwangbevel zou kennisgeving gedaan zijn overeenkomstig 85, § 1 BTW-wetboek op 16/01/2002, doch hiervan ligt geen enkel stuk voor (dit wordt vermeld in het bevel tot betekening en betaling van 26/10/2006).

**2.2.** Bij eiser werd tevens een BTW-controle uitgevoerd voor de periode 01/01/1993 tot 30/06/1996. Hierbij werden overtredingen vastgesteld aangaande (1) de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatig factuur, (2) omtrent de aftrekregeling voor personenvoertuigen, (3) de verplichting de aftrek te herzien bij een overgang naar de bijzondere regeling op grond van [artikel 56, § 2 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) en (4) overdreven aftrek ingevolge materiële vergissingen. De heer **M. D. S.** ondertekende deze vaststellingen voor akkoord als secretaris en penningmeester van eiser op 10/09/1997.

Van het proces-verbaal waarin deze vaststellingen werden gedaan heeft de rechtbank geen kennis. In het dwangbevel hieromtrent (zie verder) werd verwezen naar een proces-verbaal van 10/08/1997, doch als bijlage werd een ontwerp van proces-verbaal opgenomen dat niet werd ondertekend noch gedateerd door de diensten van verweerder, doch enkel door de heer **D. S.** werd ondertekend op 10/09/1997.

In het bevel tot betekening en betaling van 26/10/2006 wordt dan weer verwezen naar een proces-verbaal van 13/01/1997.

Ingevolge niet tot volledige betaling werd overgegaan door het opstellen van een dwangbevel, uitgevaardigd op 10/07/2001 en uitvoerbaar verklaard op 12/07/2001, met nummer …, voor :

\- BTW : 214.999 Belgische frank (thans 5.329,69 euro);

\- Boete wegens niet tijdige betaling BTW : 38.288 Belgische frank (thans 949,13 euro);

\- Vervallen intresten : 95.872 Belgische frank (thans 2.376,60 euro).

Van dit dwangbevel kennisgeving zou gedaan zijn overeenkomstig 85, § 1 BTW-wetboek op 11/07/2002, doch hiervan ligt geen enkel stuk voor (dit wordt vermeld in het bevel tot betekening en betaling van 26/10/2006).

**2.3.** Bij bevel tot betekening en betaling van 26/10/2006, werd andermaal aan eiser betekening gedaan van voornoemde dwangbevelen :

Inzake het dwangbevel met nummer … voor een bedrag van 2.478,94 euro.

Inzake het dwangbevel met nummer …, voor :

\- BTW : 5.329,69 euro;

\- Boete wegens niet tijdige betaling BTW : 949,13 euro;

\- Vervallen intresten : 2.376,60 euro.

Bij exploot van 08/11/2006 werd op verzoek van verweerder overgegaan tot roerend uitvoerend beslag op het adres van de maatschappelijk zetel van eiser.

Bij exploot van 26/10/2007 maakt eiser huidige zaak aanhangig.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

**3.** De vordering van eiser strekt ertoe (overname van het dispositief van de besluiten van eiser) :

\- het dwangbevel met nummer … van 10/07/2001 nietig te verklaren, evenals het exploot van betekening van 27/10/2006 en het exploot van uitvoerend roerend beslag van 08/11/2006;

\- verweerder het verbod op te leggen over te gaan tot tenuitvoerlegging van het betreffend dwangbevel;

\- verweerder te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 8.634,50 euro, verhoogd met de moratoire intresten en de gerechtelijke intresten.

Uit de motivering van de besluiten van eiser en de pleidooien ter zitting, blijkt tevens dat deze zich beroept op de verjaring van de BTW-vordelingen opgenomen in beide dwangbevelen.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. De ontvankelijkheid

**4.** Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eiser niet, noch bemerkt de rechtbank ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid. De vordering van eiser is ontvankelijk.

### 3.2. Ten gronde

**5.** Vooreerst moet worden vastgesteld dat verweerder ten onrechte inroept dat zijn rechten van verdediging zouden zijn geschaad door het lange wachten van eiser om een vordering in te stellen.

Eiser heeft vooreerst nergens een vervaltermijn miskent. Indien eiser allang heeft gewacht tot het instellen van huidige vordering, is dit direct te wijten aan de eigen houding van verweerder. Deze heeft immers nagelaten na de vermeende betekening van de dwangbevelen in 2002 de nodige stappen te zetten om verder over te gaan tot invordering, bij gebrek aan betaling.

Meer nog, verweerder kan zelfs geen stukken voorleggen van deze vermeende betekeningen in 2002 van de betwiste dwangbevelen. Het is in de eerste plaats aan verweerder om de administratieve dossiers volledig en correct te bewaren, zolang dit relevant is. Dit is des te erger, nu verweerder zelf heeft nagelaten de invorderingsprocedures met de nodige diligentie verder te zetten.

Het zijn in deze dan ook de rechten van verdediging van eiser, veeleer dan deze van verweerder, die geschaad zijn. Door het ontbreken van de nodige relevante stukken en met name de betekeningen van 2002, kan de rechtbank de regelmatigheid van deze stukken niet nagaan, hetgeen in principe zelfs ambtshalve dient te gebeuren.

**6.** Hoewel in het dispositief van zijn vordering eiser niet expliciet verwijst naar het dwangbevel met nummer …, moet de vordering van eiser ook geacht worden op dit dwangbevel betrekking te hebben. De nietigheid van de betekening van 27/10/2006 alsmede het exploot van uitvoerend roerend beslag van 08/11/2006 wordt immers in zijn geheel gevorderd, en deze exploten hebben tevens betrekking op het dwangbevel met nummer ….

Bovendien wordt in de motivering van de besluiten van eiser en de pleidooien ook verwezen naar de verjaring van de vordering opgenomen in het dwangbevel met nummer ….

Blijkens de stukken heeft dit dwangbevel met nummer … betrekking op een vermeende niet indiening van de jaarlijkse opgave voor afnemers-belastingplichtigen voor het jaar 1996. Volgens het proces-verbaal van 16/09/1997 diende deze aangifte te gebeuren voor 31/03 van het volgende jaar.

Er werd een dwangbevel opgesteld op 10/07/2001. De rechtbank heeft op basis van de stukken slechts kennis van één betekening van dit dwangbevel met name op 27/10/2006.

Het is aan een partij die een middel inroept om het bewijs hiervan te leveren. Nu eiser zich beroept op de verjaring, is het aan eiser om het bewijs van het verloop van de verjaringstermijn te leveren. Beide partijen gaan uit van de gewone verjaringstermijn van 5 jaar, zoals deze vroeger van toepassing was.

Op basis van de aangehaalde feitelijke gegevens (met name (1) de periode waarop de BTW-vorderingen betrekking hebben en de data dat deze werden opgenomen in een dwangbevel en (2) de betekening van de dwangbevelen op 27/10/2006), is afdoende aangetoond dat een termijn van meer dan 5 jaar verstreken was op 27/10/2006. Tussen de datum van het dwangbevel en de betekening ervan op 27/10/2006 verliep immers meer dan 5 jaar.

Net zoals eiser de ingeroepen verjaring dient te bewijzen, is het aan verweerder om de door hem ingeroepen stuiting van de verjaring te bewijzen. Op basis van de stukken waarvan de rechtbank kennis heeft, is dit bewijs niet geleverd.

Hoewel eiser in zijn dagvaarding en besluiten zelf verwijst naar een vermeende betekening van dit dwangbevel op 16/01/2002, betekent dit geenszins dat deze betekening ook effectief gebeurde of deze regelmatig was. Eiser nam op dit punt slechts de feitenweergave over die door verweerder zelfs werd opgenomen in het exploot van betekening van 26/10/2006.

Noch het feit van deze verjaring stuitende handeling, noch de regelmatigheid hiervan worden bewezen. De rechtbank kan dit zelfs niet nagaan, nu verweerder nalaat deze betekening voor te leggen.

Zoals aangehaald is het aan verweerder om de stukken in verband met de invordering van de betwiste BTW-schuld bij te houden zolang dit relevant is. In casu had verweerder deze stukken dan ook dienen bij te houden zolang de verjaringstermijn niet verstreken was en zolang verweerder wenste over te gaan tot uitvoering.

Nu verweerder niet het bewijs levert van de regelmatige stuiting van de verjaring, dient de verjaring van deze BTW-schuld vastgesteld te worden.

**7.** Wat betreft het dwangbevel met nummer met nummer … blijkt uit de stukken dat dit voortvloeit uit een controle bij eiser in 1997. Ingevolge deze controle werd mogelijks een proces-verbaal opgesteld (hiervan heeft de rechtbank geen kennis, de rechtbank heeft enkel kennis van een 'ontwerp proces-verbaal'). Een ontwerp van proces-verbaal werd voor akkoord ondertekend door de heer **D. S.** op 10/09/1997.

Er werd een dwangbevel opgesteld op 10/07/2001. De rechtbank heeft op basis van de stukken slechts kennis van één betekening van dit dwangbevel met name op 27/10/2006.

Het is aan een partij die een middel inroept om het bewijs hiervan te leveren. Nu eiser zich beroept op de verjaring, is het aan eiser om het bewijs van het verloop van de verjaringstermijn te leveren. Beide partijen gaan uit van de gewone verjaringstermijn van 5 jaar, zoals deze vroeger van toepassing was.

Op basis van de aangehaalde feitelijke gegevens (met name (1) de periode waarop de BTW-vorderingen betrekking hebben en de data dat deze werden opgenomen in een dwangbevel en (2) de betekening van de dwangbevelen op 27/10/2006), is afdoende aangetoond dat een termijn van meer dan 5 jaar verstreken was op 27/10/2006. Tussen de datum van het dwangbevel en de betekening ervan op 27/10/2006 verliep immers al meer dan 5 jaar.

Zelfs indien de stelling van verweerder zou gevolgd worden dat de verjaring van deze BTW-schuld gestuit werd door de schulderkenning op 10/09/1997 (op basis van [art. 83, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) juncto art. 2248 B.W.), dan nog was de toepasselijke verjaringstermijn verstreken op 27/10/2006.

Net zoals eiser de ingeroepen verjaring dient te bewijzen, is het aan verweerder om de door hem ingeroepen stuiting van de verjaring te bewijzen. Op basis van de stukken waarvan de rechtbank kennis heeft is dit bewijs niet geleverd.

Hoewel eiser in zijn dagvaarding en besluiten zelf verwijst naar een vermeende betekening van dit dwangbevel op 11/07/2002, betekent dit geenszins dat deze betekening ook effectief gebeurde en regelmatig was. Eiser nam op dit punt slechts de feitenweergave over die door verweerder zelf werd opgenomen in het exploot van betekening van 26/10/2006.

Noch het feit van deze verjaring stuitende handeling, noch de regelmatigheid hiervan worden bewezen. De rechtbank kan dit evenmin nagaan nu verweerder nalaat deze stukken te produceren.

Zoals aangehaald is het aan verweerder om de stukken in verband met de invordering van de betwiste BTW-schuld bij te houden zolang dit relevant is. In casu had verweerder deze stukken dan ook dienen bij te houden zolang de verjaringstermijn niet verstreken was en zolang verweerder wenste over te gaan tot uitvoering.

Nu verweerder niet het bewijs levert van de regelmatige stuiting van de verjaring, dient de verjaring van deze BTW-schuld vastgesteld te worden.

**8.** Nu de verjaring van beide BTW-schulden werd vastgesteld, dienen de overige middelen van eiser in verband met deze BTW-schulden niet nagegaan te worden.

De betekening van een verjaarde schuld leidt evenwel niet op zich tot de nietigheid van deze betekeningen. Conform de vordering van eiser kan wel vastgesteld te worden dat deze betekeningen zonder nuttig gevolg dienen te blijven, nu de onderliggende schuld verjaard is.

Eiser vordert de terugbetaling van de naar aanleiding van het uitvoerend beslag betaalde sommen. Nu beide schulden verjaard werden bevonden, is de vordering tot terugbetaling van de naar aanleiding van het beslag betaalde sommen, gegrond.

Op de vordering van eiser te horen zeggen dat verweerder niet mag overgaan tot uitvoering van het dwangbevel met nummer … kan niet ingegaan worden. Vooreerst is dit een louter toekomstige vordering. Bovendien zal elke tenuitvoerlegging falen louter door huidige uitspraak.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN

**10.** Nu de vordering van eiser grotendeels gegrond is worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.

Op basis van de waarde van het geschil kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op 1.100,00 euro. Partijen vragen geen afwijking hiervan.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Weert de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 01/12/2008 uit de debatten in toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en als volgt gegrond.

Stelt vast dat de BTW-vorderingen lastens eiser opgenomen in het dwangbevel met nummer … (opgesteld op 10/07/2001 en uitvoerbaar verklaard op 12/07/2001) en het dwangbevel met nummer … (uitgevaardigd op 10/07/2001 en uitvoerbaar verklaard op 12/07/2001) verjaard zijn.

Zegt voor recht dat het exploot van betekening-bevel van 26/10/2006 en het exploot van uitvoerend roerend beslag van 08/11/2006 zonder nuttig gevolg zullen blijven.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiser van de som van 8.634,50 euro, te verhogen met de intresten aan de wettelijke intrestvoet conform [artikel 91, § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91).

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, in hoofde van eiser begroot op 205,33 euro (dagvaarding) en 1.100,00 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de **36****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **28 januari 2009**

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **J. V. B.**, toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier

**I. D.** **J. V. B.**

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 56](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Overschrijding drempel IC-verwervingen, afstand van verlopen tijd van verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overschrijding-drempel-ic-verwervingen-afstand-cassatie-all-cassation-2022-11-25-125b) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-afstand-verlopen-tijd-rechtbank-hasselt-2022-06-23-6370) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Projectontwikkeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijslast-projectontwikkeling-kosten-hof-van-beroep-antwerpen-2026-01-06-088b) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Osteopathie, Vraag tot terugbetaling, BTW-vrijstelling, osteopaat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/osteopathie-terugbetaling-btw-vrijstelling-osteopaat-rechtbank-2026-04-13-16c5) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 2 gemeenschappelijke bepalingen
