Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 12.11.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 12.11.2009
Nr. van de zaak : 2007/AR/2894
IN ZAKE VAN :
De NV G. P., met maatschappelijke zetel te …, …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester M. V. S. loco meester S. B., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Brussel IV, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester A. D., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….
R.2009/8012 EINDARREST - ongegrond
In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.
PROCEDURE
Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 september 2007, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 29 oktober 2007.
FEITEN EN BESTREDEN BESLISSING
Appellante tekende voor de eerste rechter verzet aan tegen het dwangbevel van 6 december 2004, haar op 8 december 2004 betekend, betreffende een BTW-bedrag van … EUR en een geldboete van … EUR.
De administratie verwierp de aftrek van de BTW op de aankoop van een tractor en op de kosten van aanleg en onderhoud van gronden, daar het goederen en diensten betrof die niet bestemd waren voor de doeleinden van de uitgeoefende economische activiteit.
De eerste rechter verwierp het middel van de nietigheid van het bestreden dwangbevel, welk middel appellante had afgeleid uit het gebrek aan motivering en de schending van de informatieplicht.
De eerste rechter was verder van oordeel dat appellante haar recht op aftrek van de BTW niet bewijst, nu zij niet aantoont ooit de intentie te hebben gehad om een economische activiteit, onderworpen aan de BTW, uit te oefenen.
De eerste rechter achtte evenmin een fout van de administratie in de zin van artikel 1382 B.W. bewezen, op grond van welke fout appellante een schadevergoeding van … EUR, zijnde de kosten van haar belastingconsulent en advocaat, vorderde.
Het verzet werd dienvolgens afgewezen en appellante werd tot de gedingkosten veroordeeld.
GRIEVEN
Appellante herneemt de middelen, die zij voor de eerste rechter formuleerde en die deze afwees.
Zij vraagt aan het hof het bestreden vonnis dienvolgens te vernietigen.
In hoofdorde, vordert appellante te zeggen voor recht dat het proces-verbaal gevoegd aan het bestreden dwangbevel niet afdoende is gemotiveerd en aldus de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, de rechten van verdediging en het "beginsel van goed bestuur" schendt.
In ondergeschikte orde, vordert appellante te zeggen voor recht dat de aftrek van de voorbelasting wel rechtsgeldig was.
Appellante vraagt aan het hof het bestreden dwangbevel dienvolgens te vernietigen.
Zij vraagt in ieder geval te zeggen voor recht dat geïntimeerde een fout beging door het niet melden van de inlichtingen, vervat in de verslagen van de opsporingsdiensten van Leuven en Charleroi in het proces-verbaal bij het dwangbevel noch van de door de belastingconsulent van appellante in de brief van 24 augustus 2004 ontwikkelde opmerkingen of van enig ander nieuw gegeven. Zij vordert uit dien hoofde een provisionele schadevergoeding van … EUR voor de kosten van haar belastingconsulent en advocaat.
Ook vordert zij geïntimeerde te veroordelen tot de opheffing van een bijzondere rekening-courant, die n.a.v. de betwisting zou zijn ingesteld.
Zij vordert tenslotte de veroordeling van geïntimeerde tot de gedingkosten.
Geïntimeerde vraagt aan het hof de bevestiging van het bestreden vonnis en de verwijzing van appellante in de kosten.
BEOORDELING
1. Appellante kocht in 1997, 2000 en 2001 landbouwgronden te … en …, teneinde ze samen met BTWplichtige landbouwers uit te baten.
Tijdens een BTW-controle van 2 december 2003 bleek dat de landbouwgronden nog altijd niet werden uitgebaat.
De tijdens de controle van 2 december 2003 vastgestelde inbreuken op de BTW-wetgeving werden opgenomen in een regularisatie opgave van 8 juli 2004 (stuk 3 van de bundel van geïntimeerde).
De mandataris van appellante antwoordde op de regularisatieopgave bij brief van 24 augustus 2004 (stuk 4 van de bundel van geïntimeerde).
Het bestreden dwangbevel werd aan appellante betekend op 8 december 2004. Het proces-verbaal van 3 december 2004, gehecht aan het dwangbevel waartegen verzet, is woordelijk identiek aan voormelde regularisatieopgave.
2. Bij de inzage van het administratief dossier op 4 februari 2005 stelde appellante vast dat de administratie aan de opsporingsdiensten van Leuven en Charleroi had gevraagd de bestemming van de betreffende gronden te onderzoeken.
De opsporingsdienst van Charleroi meldde op 17 september 2004 dat het terrein te … onderverdeeld is in drie stukken; op een stuk (98f) werd een tennisterrein gebouwd omsloten door traliewerk; op een tweede stuk (95f) is er een chalet; deze chalet is verbonden met het tennisterrein door een nieuw aangelegde weg, met betonnen randen en bedekt met kiezelsteen, en doorkruist het derde stuk doormidden; dit stuk (95g) is een boomgaard; deze drie stukken zijn zeer goed onderhouden; geen van die stukken kan bestemd zijn voor toekomstige landbouwexploitatie (stuk 10 van de bundel van geïntimeerde).
De opsporingsdienst van Leuven, sectie Tienen, vermeldde op 5 oktober 2004 volgende vaststellingen (stuk 11 van de bundel van geïntimeerde ) :
…, 1ste afdeling
- 96 a 80 ca, weiland "Loobosch" sectie B, 32/B : bomen
- 96 a 80 ca, weiland "Loobosch" sectie B, 32/C : bomen
- 96 a 80 ca, weiland "Loobosch" sectie B, 32/D : weiland
- 7 a 77 ca, een weg "Loobosch" sectie B, 24/H/2 : veldweg
terreinen groen, weilanden en …, 6de afdeling, gelegen aan de …, …, gekadastreerd wijk C nummer 165/a en 167 :
- 165/a : weiland met enkele schapen
- 167 : weiland met enkele paarden
… in de … : een stuk bouwgrond : weiland ….
3. De eerste rechter verwierp het middel van de nietigheid van het bestreden dwangbevel, door appellante afgeleid uit het gebrek aan motivering op basis van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
De eerste rechter was nl. van oordeel dat "de verplichting tot motivering van het dwangbevel nochtans niet kan worden gesteund op de wet van 29 juli 1991, die overeenkomstig haar artikel 1, tweede gedachtestreepje slechts van toepassing is op administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Nu tegen het dwangbevel geen voorziening openstaat bij de Raad van State doch wel bij de rechtbank van eerste aanleg, zijn de ambtenaren die het dwangbevel hebben uitgevaardigd, dan wel geviseerd en uitvoerbaar verklaard hebben, geen overheden in de zin van voormelde wet (...)".
Deze redengeving van de eerste rechter kan niet worden onderschreven. Het dwangbevel in zake BTW is immers wel degelijk een bestuurshandeling waarop de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991 van toepassing is (Cass. 20 maart 2008, R.G.C.F. 2009, afl. 1, 55; Cass. 1 december 2005, T.F.R. 2006, afl. 307, 712, met noot A. Kiekens).
Ten onrechte betoogt appellante op basis van artikel 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, naar luid van welke bepaling de opgelegde motivering de juridische en feitelijke overwegingen in de akte moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en de motivering afdoende moet zijn, "dat geen rekening mag worden gehouden met het stuk van de Opsporingsdiensten opgevraagd door de Controle Schaarbeek 3 vermits dit stuk nooit ter kennis was gebracht van (appellante) voor de beslissing werd getroffen om tegen haar een dwangbevel uit te vaardigen" (conclusie, blz. 10).
Immers, i.t.t. wat appellante meent, zijn de inlichtingen van de opsporingsdiensten van Leuven en Charleroi geen feitelijke redenen, die overeenkomstig artikel 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991 in het dwangbevel waartegen verzet dienden te worden vermeld.
De inlichtingen van de opsporingsdiensten van Leuven en Charleroi lagen immers niet ten grondslag aan de beslissing van de administratie om tegen appellante het bestreden dwangbevel uit te vaardigen.
Immers ontving de administratie de voormelde inlichtingen pas op 17 september 2004 en 5 oktober 2004.
De administratie had derhalve nog geen kennis van die inlichtingen toen zij op 8 juli 2004 de regularisatieopgave opstelde.
Nu het proces-verbaal van 3 december 2004, gehecht aan het dwangbevel waartegen verzet, woordelijk identiek is aan voormelde regularisatieopgave, wat appellante overigens zelf onderstreept, zijn de inlichtingen van de opsporingsdiensten van Leuven en Charleroi geen redenen die aan de beslissing van de administratie ten grondslag lagen, en dienden zij dienvolgens niet te worden vermeld in het bestreden dwangbevel en/of het eraan gehechte proces-verbaal.
Geïntimeerde argumenteert terecht dat "de BTW-administratie uiteraard aanvullende bewijzen (kan) aanbrengen tot staving van de gegevens van het proces-verbaal en tot weerlegging van de door belanghebbende partij als tegenbewijs aangevoerde middelen" (syntheseconclusie, blz. 9).
Meer bepaald beschouwt geïntimeerde terecht de inlichtingen van de opsporingsdiensten van Leuven en Charleroi als bewijselementen.
De feitelijke elementen van het administratief onderzoek waaruit blijkt hoe de administratie werd ingelicht omtrent het belastbaar feit en over welke bewijsmiddelen zij beschikt, behoren niet tot het domein van de motivering van het dwangbevel, te weten de juridische en feitelijke overwegingen die aan de belastingschuld ten grondslag liggen, maar tot de bewijslevering van de belastingschuld (Cass. 20 maart 2008, R.G.C.F. 2009, afl. 1, 55).
De uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991 noch enige andere wetsbepaling staan eraan in de weg dat na de uitvaardiging van een dwangbevel betreffende een bepaalde belastingschuld, de administratie nieuwe juridische argumenten en feitelijke elementen aanvoert. Die argumenten en elementen mogen worden aangevoerd ter ondersteuning van wat door het dwangbevel reeds werd vastgesteld en vermeld betreffende dezelfde belastingschuld (Cass. 20 maart 2008, R.G.C.F. 2009, afl. 1, 55; Cass. 1 december 2005, T.F.R. 2006, afl. 307, 712, met noot A. Kiekens).
Vermits de administratie argumenten en elementen mag aanvoeren ter ondersteuning van wat door het dwangbevel reeds werd vastgesteld en vermeld, staat evenmin de informatieplicht, beginsel van behoorlijk bestuur waarvan appellante de schending inroept, er aan in de weg dat de administratie, na het opstellen van het dwangbevel, de inlichtingen van de opsporingsdiensten van Leuven en Charleroi als bijkomende bewijselementen aanvoert.
Appellante voert derhalve ten onrechte een schending van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991 en van het beginsel van behoorlijk bestuur van de informatieplicht aan. Van enige schendingen die een fout opleveren, op basis waarvan appellante een schadevergoeding van … EUR zou kunnen vorderen, is derhalve evenmin sprake.
4. Voor het overige is de vraag aan de orde of appellante haar intentie om de belaste handelingen te stellen, d.i. de uitbating van de landbouwgronden, samen met BTW-plichtige landbouwers, door objectieve gegevens ondersteunt.
Appellante stelt dat zij BTW-plichtige landbouwers uit de streek zocht, met wie ze een overeenkomst kon sluiten om de betreffende gronden samen te exploiteren, met een deelname in de kosten en opbrengsten, maar daar op heden niet in slaagde. Zij verzekert evenwel nog steeds de voorgenomen economische activiteit te willen aanvatten.
Appellante brengt evenwel niet het minste bewijs van onderhandelingen met landbouwers uit de streek met het oog op het sluiten van een overeenkomst. Nochtans is de samenwerking met landbouwers essentieel voor de voorgenomen activiteit, nu appellante in conclusie uitdrukkelijk erkent dat zij zelf niet over de voor een landbouwexploitatie vereiste expertise beschikt en dat dit de reden was waarom zij een overeenkomst met landbouwers zocht af te sluiten.
Weliswaar is, zoals appellante onderstreept, de aangekochte tractor kennelijk een echte landbouwmachine, die daarenboven werd voorzien van een weidesleep, een weidebloter (bijzonder type maaier) en een heftoestel (om de samengedrukte hooibalen op te tillen).
Uit de kenmerken van de aldus uitgeruste tractor kan evenwel niet de intentie om de landbouwgronden uit te baten worden afgeleid. De tractor kan immers zowel voor een louter onderhoud als voor de exploitatie van de gronden worden gebruikt.
Overigens werd te dezen de tractor enkel gebruikt voor het onderhoud van de gronden. In zijn omstandig antwoord van 24 augustus 2004 op de regularisatieopgave, stelde de mandataris van appellante dat de gronden enkel werden onderhouden. Van enige exploitatie van de gronden is in het antwoord geen sprake. Ook in conclusie houdt appellante staande dat de gronden werden onderhouden, omdat bij gebrek aan onderhoud de kansen op het starten van een rendabele landbouwexploitatie ernstig in het gedrang zou kunnen komen.
Appellante zegt eigenlijk niets anders waar zij in conclusie stelt dat haar mandataris bedoelde te zeggen "dat de landbouwgronden nog niet op actieve wijze werden geëxploiteerd in samenwerking met een specifieke landbouwonderneming en dat de landerijen dermate uitgestrekt zijn dat een oordeelkundig onderhoud ervan de inzet vereist van een (zware) tractor" (conclusie, blz. 17) (het hof onderlijnt).
Appellante zegt evenmin iets anders waar zij in conclusie overweegt dat "een tractor (...) leent zich om naast werkzaamheden op weilanden en akkers uiteraard ook om gebruikt te worden voor het onderhoud en exploitatie van bospercelen om van bomen die weilanden en akkers omzomen (met name voor het omtrekken van te rooien bomen, het vervoer van gerooide bomen, takkenafval ... , het vervoer van nieuwe aanplantingen, het vervoer van het materiaal voor het onderhoud van bospercelen over landelijke wegen naar de bospercelen, enz.)" (conclusie, blz. 15) (het hof onderlijnt).
Geïntimeerde plaatst vraagtekens achter de uitgaande facturen van 24 september 2004 ten bedrage van … EUR betreffende de levering van 47 pakken ingepakt hooi eerste klas, en van 14 oktober 2004 ten bedrage van … EUR betreffende de levering van 6.250 kilo stro.
Geïntimeerde betwijfelt of de hooi en het stro wel een eigen productie zijn. Op 17 september 2004 en 5 oktober 2004 stelden de voormelde opsporingsdiensten de aanwezigheid van tarwe of rogge niet vast.
De enkele facturen volstaan zeker niet om te kunnen besluiten tot een landbouwexploitatie.
Aan de orde is hier evenwel de beweerde intentie van appellante om belastbare handelingen te stellen.
De voormelde facturen blijken éénmalig te zijn en ondersteunen derhalve, net zo min als de tractor, het voornemen van appellante om tot een landbouwexploitatie over te gaan.
Het hoger beroep is ongegrond.
5. Op de zitting verklaarden partijen zich akkoord omtrent het basisbedrag van … EUR van de rechtsplegingvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, zijde van elke partij begroot op de rechtsplegingvergoeding van … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 12.11.2009.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
P. V., aleenzetelend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. P. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.