---
title: "Bewijs, controlemaatregel · Hof van beroep te Gent, 8 november 2001"
description: "Bewijs, controlemaatregel, werkingssfeer, belastbare handeling, tarief van de belasting, dienst. Hof van beroep te Gent (België), 8 november 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-werkingssfeer-belastbare-handeling-hof-van-beroep-gent-2001-11-08-3a75"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, werkingssfeer, belastbare handeling, tarief van de belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

8 november 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

57 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 08.11.2001

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 11****e** **Kamer - Buitengewone Terechtzitting van 08-11-2001**

**BURGERLIJK**

## Terugvordering BTW

Nr. **1998/AR/2667**

In de zaak van :

**S. N.**, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde onder het nummer …;

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **V. H.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te Geraardsbergen, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 9500 Geraardsbergen, Abdijstraat 8,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **V. G.** loco Mr. **V. P.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

De appellante heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 december 1998 tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 16 november 1998 door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, waarbij haar vordering strekkende tot veroordeling van de geïntimeerde in terugbetaling van een bedrag in hoofdsom van 904.535 BEF verhoogd met de nalatigheidsintresten vanaf de dagvaarding werd afgewezen. Tevens werd zij veroordeeld tot de gerechtskosten.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vordering toe te kennen, de geïntimeerde te doen veroordelen in de kosten van de beide aanleggen bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande voorziening en zonder zekerheidstelling.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de appellante in de kosten van beide aanleggen.

## Feitelijke gegevens

De appellante heeft de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige wegens haar economische activiteit van uitbating van feestzalen en traiteur. Naar aanleiding van een fiscaal toezicht betreffende de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake BTW voor de periode van 1 juli 1991 tot 31 maart 1996 werden onregelmatigheden en overtredingen vastgesteld inzake de toepassing van de BTW, meer in het bijzonder met betrekking tot het toepasselijk BTW-tarief.

Een en ander werd vastgelegd in een proces-verbaal bij toepassing van artikel 59, § 1, BTW-Wet. "Er werd vastgesteld dat door de belastingplichtige ontvangsten werden verwezenlijkt afkomstig van het aanrekenen aan groeperingen en verenigingen van maaltijden, die door de belastingplichtige, in de keuken behorend tot de exploitatie, werden bereid. Die maaltijden werden ter beschikking gesteld van de bedoelde verenigingen en groeperingen die zelf instonden voor de bediening bij het verbruik van de maaltijden in de zaal behorend tot de exploitatie."

Voorts werden de dranken onttrokken aan de voorraad van de appellante en verhoogd met 15 % winst doorberekend aan de vereniging die zelf instond voor het inschenken en serveren aan de deelnemers. Tevens werd naast de feestzaal het meubilair (stoelen en tafels) en het vaatwerk ter beschikking gesteld. De groep of de vereniging stond in voor het dekken van de tafels, het serveren van de spijzen, het uitschenken van de dranken, de bediening van de tafels, het proper maken van het bestek en eetgerief en het kuisen en opruimen van de zaal.

Over hoger vermelde feitelijke gegevens bestaat tussen de partijen geen betwisting.

Door de belastingplichtige werden deze ontvangsten beschouwd als zijnde ontvangsten afkomstig van leveringen van goederen die zijn opgenomen in tabel A van de bijlagen bij het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten en die derhalve onderworpen waren aan het BTW-tarief van 6 %.

Volgens de administratie dienden deze handelingen, te worden beschouwd als een dienstprestatie in de zin van [artikel 18 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18), meer bepaald dient bij toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 11° te worden beschouwd als een dienstprestatie de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft het verschaffen van spijs en drank in restaurants en, cafés en meer algemeen in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse. Derhalve diende bij toepassing van de artikelen [37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) en [38](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) van het BTW-Wetboek en van [artikel 1, 3° KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) de belasting over de toegevoegde waarde te worden geheven tegen het normale tarief dat van toepassing was op het tijdstip waarop het belastbare feit plaats vond.

Verder werd in het proces-verbaal vermeld dat bij toepassing van [artikel 64, § 3 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64), wanneer iemand handelingen verricht met betrekking tot goederen en diensten die aan een verschillend tarief onderworpen zijn, behoudens tegenbewijs, deze handelingen geacht worden voor het geheel betrekking te hebben op de goederen of de diensten waarvoor het hoogste tarief geldt (het tarief voor het ter beschikking stellen van de zaal, het doorrekenen van dranken en het aanrekenen van bereide maaltijden is verschillend). Aldus werd door de BTW-administratie een navordering uitgeoefend.

Op 15 oktober 1997 betaalde de appellante 904.535 BEF onder alle voorbehoud bestaande uit 727.847 BEF BTW, 72.000 BEF geldboeten en 104.535 BEF intresten.

De door de appellante ingestelde vordering tot terugbetaling van deze BTW werd door de eerste rechter afgewezen omdat op basis van de feitelijke gegevens het verschaffen van spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt overeenkomstig artikel 18, § 1, 11° BTW-Wet moest worden beschouwd als een dienst. Uit de lezing van het vonnis kan worden gerelateerd dat de restaurantactiviteit van de appellante gekenmerkt wordt door een geheel van elementen en handelingen waarvan de levering van voedsel slechts een onderdeel is nu door de verenigingen en groeperingen ook gebruik werd gemaakt van de infrastructuur (garderobe, meubilair, serviesgoed). De eerste rechter meende tevens dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden was en dat er geen redenen waren om een prejudiciële vraag te stellen hetzij aan het Arbitragehof, hetzij aan het Hof van Justitie.

## Beoordeling

Overeenkomstig artikel 18, § 1, 11° W.BTW zoals toepasselijk tot 31 december 1992 wordt als dienst beschouwd de uitvoering ingevolge een contract onder bezwarende titel van handelingen die tot voorwerp hebben het verschaffen van spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt.

Krachtens art .18, § 1 W.BTW zoals toepasselijk vanaf 1 januari 1993 wordt, als dienst beschouwd : 11° het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse.

Teneinde na te gaan of men te doen heeft met een levering dan wel met een dienst is het arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 1996 inzake Faaborg-Gelting, BTW-Revue, 1996, nr. 124, 1073 richtinggevend.

Het Hof van Justitie stelt dat : *"Om te bepalen of handelingen leveringen van goederen dan wel diensten zijn, moeten alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen. De verstrekking van toebereide spijzen en dranken voor onmiddellijke consumptie is het resultaat van een serie diensten die begint bij de toebereiding van de spijzen en eindigt bij de feitelijke opdiening, en waarbij de klant een infrastructuur ter beschikking wordt gesteld, bestaande uit een restauratiezaal met bijhorende ruimten (garderobe etc …) alsmede meubilair en serviesgoed.* *In voorkomend geval* *(onderlijning door het Hof) zullen de natuurlijke personen wier beroep dit is, de tafel dekken, de klant adviseren en hem informeren over de aangeboden spijzen of dranken, de gerechten aan tafel opdienen en tenslotte na de maal tijd de tafel afruimen”.*

Het Hof van Justitie besluit verder : *"De restaurantverplichting wordt derhalve gekenmerkt door een reeks, van elementen en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft"*

Volgens het Hof moet een restaurantverrichting worden beschouwd als een dienst in de zin van [artikel 6, lid 1 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6) en onderscheidt deze zich van een verrichting die betrekking heeft op "afhaal"- maaltijden en die niet gepaard gaan met diensten die de nuttiging ter plaatse in een passend kader veraangenamen.

Toegepast op de concrete situatie dient nagegaan of “het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse" gekenmerkt wordt door een reeks van handelingen waarvan de levering van voedsel maar een onderdeel is en het dienstenpakket ruimschoots de bovenhand heeft.

Gelet op de specifieke feitelijke omstandigheden is het antwoord ongetwijfeld bevestigend. De door de appellante verrichte handelingen beperken zich niet tot de bereiding en de levering van de spijzen maar maken een geheel van diensten uitgaande van het bereiden van de gerechten tot de eigenlijke levering gepaard gaande met het ter beschikking stellen van een eetzaal met alle nutsvoorzieningen (elektriciteit, verwarming, sanitair) met bijruimten (garderobe), meubilair (tafels en stoelen), vaatwerk, tafelgerei, glazen, kopjes enz…

Hieruit kan afgeleid worden dat het dienstenpakket ruimschoots de bovenhand heeft.

De omstandigheid dat de leden van de groep of de vereniging instonden voor het dekken van de tafels, het serveren van de spijzen, het uitschenken van de dranken, de bediening van de tafels, het proper maken van het bestek en eetgerief en het kuisen en opruimen van de zaal doet daaraan geen afbreuk. Het reeds aangeboden dienstenpakket is noodzakelijk doch volstaat om van een dienst te gewagen.

Tevergeefs maakt de appelante een vergelijking tussen een frietkot en onderhavige zaak. De appellante heeft geen frituur maar heeft wel een feestzaal “Spermalie" die bestaat uit een restaurant en een feestzaal. De omstandigheden waarin spijzen worden verschaft in de “Feestzaal Spermalie" kunnen niet vergeleken worden met een frietkot. Het nuttigen ter plaatse van de gerechten in de feestzaal “Spermalie" is, evident. De betwisting omtrent het effectief verbruik ter plaatse of er met zekerheid sprake is van een levering dan wel van een dienst stelt zich niet.

Even terecht stelt de eerste rechter dat de appellante bij voorbaat kon weten dat de door haar verrichte handelingen meer bedroegen dan het louter afleveren van een bereide maaltijd. De appellante wist perfect bij het afsluiten van het contract waar en op welke wijze de maaltijden zouden gebruikt worden. Zij was dan ook niet overgeleverd aan de willekeur van de toevallige keuze van de klant. Derhalve kan niet worden gesteld dat de appellante afhankelijk was van feiten, omstandigheden of gebeurtenissen die zich na ,de vaststelling van deze rechten en verplichtingen hebben voorgedaan, zodat het beginsel van de rechtszekerheid niet werd geschonden. Om dezelfde reden vergt de oplossing van het concrete geschil niet dat een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof zou worden gesteld.

Tenslotte komt gelet op de specifieke concrete omstandigheden en de inhoud van het Arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 1996 het evenmin opportuun voor een bijkomende vraagstelling aan het Hof van Justitie te richten nu voormeld arrest een restaurantverrichting heeft omschreven en een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen noodzakelijke diensten en facultatieve diensten.

Het hoger beroep is, derhalve ongegrond.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,** rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt derhalve tet bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hoger beroep begroot op 16.400 BEF rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van de appellante en 16.400 BEF rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van de geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **elfde kamer**, recht doende in burgerlijke zaken, op **ACHT NOVEMBER TWEEDUIZEND EN EEN**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter,

De heer **A. D. M.**, Raadsheer,

Mevrouw **S. D. B.**, Raadsheer,

De heer **M. V.**, griffier.

**M. V.** **S. D. B.** **A. D. M.** **N. v. I.**

## Aangehaalde teksten

6

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 1 voorkomen

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[WBTW art. 37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) 1 voorkomen

[WBTW art. 38](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) 1 voorkomen

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 6](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Seminarie, Verschillende BTW-tarieven](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hotel-seminarie-verschillende-btw-tarieven-rechtbank-2026-04-20-dfd5) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verschaffen van spijzen en dranken, Verschaffen van maaltijden, Restauratiediensten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verschaffen-spijzen-dranken-maaltijden-restauratiediensten-rechtbank-luik-2019-09-05-7e50) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarieven, Landbouwcoöperatie, Landbouwdiensten, Huur van landbouwmateriaal, tarief](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarieven-landbouwcooperatie-landbouwdiensten-huur-cassatie-brussel-2020-05-29-a881) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Maatstaf van heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/maatstaf-heffing-leveringen-diensten-waarvan-cassatie-brussel-2010-01-14-7bf9) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, vertrouwensbeginsel, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-vertrouwensbeginsel-levering-goederen-rechtbank-gent-2022-06-13-1e62) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Verlaagd tarief, Geluidswerende panelen, Principekwestie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-verlaagd-rechtbank-antwerpen-2022-03-16-3c8e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarieven, Verlaagd tarief, Verschaffen van spijzen en dranken, Restaurantdiensten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarieven-verlaagd-tarief-verschaffen-spijzen-hof-van-beroep-luik-2021-02-19-48d7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de belasting, Verlegging van de btw-heffing -Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-belasting-verlegging-btw-heffing-rechtbank-brussel-2019-12-05-6dc1) 2 gemeenschappelijke bepalingen
