Bewijs, controlemaatregel, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 15 januari 2002

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vrijstelling-uitvoer-intracommunautaire-rechtbank-brugge-2002-01-15-1416

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
15 januari 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

132 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 15.01.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

AR nr. 97/1821/A Rep. nr. 2002/612

In de zaak van :

…, handelaar, wonende te …, … ingeschreven in het handelsregister te …, onder nummer …,

eiser,

vertegenwoordigd door meester P. T., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat nr. 30,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 18 december 2001, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de gedinginleidende dagvaarding van 9 juni 1997, strekkende tot verzet tegen het dwangbevel dat door verweerder aan eiser werd betekend op 21 mei 1997;

2. het verwijzingsvonnis van de Beslagrechter te Brugge van 11 juli 1997;

3. de conclusie voor verweerder van 16 maart 2000;

4. de conclusie voor eiser van 21 augustus 2000 en

5. de conclusie voor verweerder van 7 september 2000.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien

Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiser is een handelaar-importeur van landbouw- en industriële machines onder de handelsbenaming D..

Naar aanleiding van een BTW-controle voor de jaren 1989 tot 1992 werd door verweerder vastgesteld dat er in 1992 twee leveringen door de BV W. uit Nederland over de Belgisch-Nederlandse grens waren gebracht waarvoor eiser als bestemmeling was opgegeven, maar waarvoor in de boekhouding van eiser geen inkomende factuur ingeschreven was.

Deze gegevens werden aan de BTW-controlediensten bekend gemaakt door de Douane-Administratie. Deze maakten aan de BTW-diensten twee documenten, genoemd 'opgave Benelux 50' over. De beide documenten vermelden als geadresseerde D. en als afzender W. uit ….

Het ene document werd door de douane van Meer (België) afgestempeld op 1 juni 1992 en verwijst naar een factuur van 25 mei 1992 met nummer … voor een bedrag van 45.000 gulden. Het kenteken van het transportvoertuig is VL-07-DT en de vracht wordt omschreven als :

"1. Atlas Graafmachine

1. Ahlman laadschop".

met een netto massa van 15.500 kg.

Het andere document werd door de Belgische douane afgestempeld op 26 november 1992 en verwijst naar een factuur van 5 november 1992 met nummer … voor een bedrag van 18.000 gulden. Het kenteken van het transportvoertuig is VR-78-HS en de vracht wordt omschreven als :

"2. MF tractoren

nr. 961058.FG

nr. 900578.FG”.

met een netto massa van 4.000 kg.

Bij later onderzoek bij de BV W. werd door de Nederlandse Belastingdienst in de boekhouding voor de beide leveringen een factuur teruggevonden (stuk 8 dossier verweerder). Van de eerste factuur gaf de Belastingdienst nog mee dat ze contant was betaald : op de factuur werd vermeld dat al 35.000 gulden betaald was en de restbetaling werd door van W. op 19 juni 1992 op de bank gestort.

Eiser heeft tot op heden steeds ontkend dat hij de bedoelde leveringen ooit zou ontvangen hebben, laat staan besteld. Eiser heeft van bij aanvang ingeroepen dat de BV W. zijn identificatiegegevens moet gekend hebben van een transactie die hij in 1986 met dat Nederlands bedrijf had gedaan. Daarna zouden er geen transacties meer gebeurd zijn omdat er discussie ontstond bij een volgende gelegenheid over het ontbreken van een identificatienummer van een kraan.

De directe belastingen voerde bij eiser voor 1992 ook een grondig onderzoek uit. Daarin konden geen gegevens worden aangetroffen waaruit contante betalingen af te leiden zijn, die zouden corresponderen met de betwiste transacties.

Nadere gegevens maken essentieel het voorwerp uit van de beoordeling door de rechtbank. In de mate dat ze relevant zijn, zullen ze hierna dan ook naar voor gebracht worden.

Geconfronteerd met de beweringen van de BTW-controleur, deed eiser navraag naar de transporteurs van de kentekens van de vrachtwagens die op de opgaven Benelux 50 vermeld stonden.

Verweerder bleef bij zijn standpunt en de heer G. maakte op 5 mei 1997 proces-verbaal op. Daarop volgde een dwangbevel dat op 21 mei 1997 aan eiser werd betekend.

Tegen dat dwangbevel kwam eiser in verzet met zijn dagvaarding van 9 juni 1997.

2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiser vordert dat de rechtbank zou vaststellen dat in 1992 tussen hem en de BV W. geen grensoverschrijdende transacties tussen België en Nederland hebben plaatsgevonden en hem ontheffing zou verlenen van de overeenkomstige aanslagen en boetes.

Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.

IIl. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiser

Eiser roept in wezen in dat het niet bewezen is dat de kraan, de laadschop en de twee tractoren waarvan melding gemaakt wordt in de opgaven Benelux 50 aan hem werden geleverd.

Volgens hem werden door de BV W. gewoon zijn identificatiegegevens (handelsnaam, adres en BTW-nummer) overgenomen uit een transactie van 1986. Eiser gewaagt van een BTW-carroussel, opgezet door W..

Ter ondersteuning van zijn stelling wijst hij op de volgende feitelijke elementen :

- de transporteur van de eerste beweerde zending, de BV R. T., kon niet worden verhoord omdat deze al kort na de feiten failliet gegaan was; volgens eiser wijst dat erop dat dit bedrijf ook te vinden was voor het uitvoeren van opdrachten die minder zuiver op de graat waren;

- de transporteur van de tweede beweerde zending, de BV V. V., verleende geen medewerking aan het onderzoek;

- de verklaring van …van W. bevat diverse onjuistheden (de transactie zou een 10-jaren geleden hebben plaatsgevonden, de persoon met wie W. handel zou gedaan hebben, was ongeveer 65 jaar oud, terwijl eiser in 1992 ongeveer 28 jaar was);

- … geeft toe dat er in de sector met de BTW gefraudeerd wordt;

- de heer G., BTW-controleur, acht het niet normaal dat er bij invoer contant betaald wordt; hij bevestigt dat een grondig onderzoek door de Directe Belastingen bij eiser niet heeft aangetoond dat de bewering van eiser dat hij de machine niet kocht, onjuist zou zijn; de heer G. zou trouwens zelf ernstig getwijfeld hebben aan de waarachtigheid van de leveringen;

- in het strafdossier wordt vermeld dat de eerste levering contant werd betaald, waarvan slechts van 10.000 gulden aangetoond is dat het op een bankrekening van W. terechtkwam; volgens eiser roept dat vragen op omtrent het lot van de overige 35.000 gulden;

- de opgaven Benelux 50 dragen de handtekening van eiser niet, de handtekening erop is onleesbaar en er is geen vermelding van het chassisnummer en type;

- de transporten zijn gebeurd met voertuigen vreemd aan het bedrijf;

- eiser zou aan W. gevraagd hebben een kopie te ontvangen van de overeenkomstige facturen en W. zou aan dat verzoek niet voldaan hebben; volgens eiser zijn de bij W. aangetroffen facturen slechts opgemaakt 'pour les besoins de la cause' en is het logisch dat, wie een BTW-carroussel opzet, het nodige doet om zich in te dekken.

Eiser laat verder opmerken dat er voor hem geen reden bestond om te frauderen wanneer er een factuur bestond. Hij wijst erop dat de BTW dan toch kon afgetrokken worden.

Eiser benadrukt nog dat hij steeds loyaal heeft meegewerkt en loyaal de verzakingen aan de verjaring ondertekend heeft.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder acht de levering aan eiser van de betreffende toestellen bewezen aan de hand van de volgende feitelijke elementen :

- de twee opgaven Benelux 50 bevestigen dat de goederen de grens overgingen;

- W. had er geen belang bij om de leveringen op naam van iemand anders dan deze van de werkelijke koper te declareren;

- eiser bewijst geen BTW-carroussel;

- de verklaringen van … van W. zijn volgens verweerder niet leugenachtig; verweerder stelt dat de man van 65 jaar, waarover … spreekt, de vader van eiser, … moet zijn en hij legt enkele stukken voor waaruit blijkt dat laatstgenoemde in 1992 en 1995 nog namens D. optrad; de verwijzing naar een transactie van 10 jaar geleden, slaat volgens verweerder op de verkoop in 1986;

- hoewel hij bekent dat er met betrekking tot de transporten enkele onduidelijkheden zijn, stelt verweerder dat dit nog altijd niet bewijst dat de verkopen tussen W. en eiser niet zouden hebben plaatsgevonden; verweerder sluit zich niet aan bij de bewering van eiser dat, het feit dat de BV R. T. failliet ging, zou aantonen dat haar boekhouding niet in orde was; volgens verweerder kunnen de transporteurs terughoudend zijn in het verstrekken van informatie omdat de transporten in het zwart gebeurden en bijvoorbeeld door het bedrijf V. V. niet toegelaten was bij gebrek aan vervoervergunning;

- het strafonderzoek dat er kwam op klacht van eiser, werd door het parket geseponeerd;

- de Administratie van Directe Belastingen stelde in de betreffende periode een indiciair tekort vast bij eiser.

2.3. Beoordeling

2.3.1.Bewijskader

Overeenkomstig artikel 59 W.BTW kan verweerder de feiten op grond waarvan de belastingschuld gebaseerd wordt, bewijzen met alle middelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed en tevens met processen-verbaal. In het bijzonder preciseert de wet dat de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën gelden tot het bewijs van het tegendeel.

De bewijswaarde van die processen-verbaal strekt zich uiteraard slechts uit tot dat wat de bevoegde ambtenaar zelf heeft kunnen vaststellen (waarnemen).

De feiten die door verweerder moeten bewezen worden, houden in dat de toestellen die vermeld staan in de betreffende opgaven Benelux 50 daadwerkelijk aan eiser werden geleverd. Pas wanneer verweerder daarvan genoegzaam het bewijs levert, kan verweerder artikel 64 W.BTW toepassen, waardoor de belasting verschuldigd wordt.

Concreet blijkt verweerder zich te beroepen op het bewijs met vermoedens. Het komt er dan ook voor de rechtbank op aan om in eerste instantie na te gaan welke feiten vaststaand en zeker zijn. Vervolgens moet worden beoordeeld of die feiten toelaten om daaruit af te leiden dat de leveringen daadwerkelijk aan eiser gebeurd zijn.

2.3.2. De vaststaande feiten

De volgende feiten blijken uit de voorgelegde stukken zeker en vaststaand te zijn.

- De BV W. had eerder, op 26 maart 1986, aan D. een Atlas kraan verkocht die eiser met een internationale betaalopdracht betaald had (stuk 8 dossier eiser).

- Wat de betwiste leveringen aangaat, zijn de betreffende toestellen in Meer daadwerkelijk op 1 juni 1992, resp. 26 november 1992 vanuit Nederland over de grens naar België gevoerd (stukken 6 en 7 dossier verweerder).

- De Nederlandse Belastingdienst heeft voor de eerste levering bij de BV W. een factuur teruggevonden met dezelfde datum als op de opgave Benelux 50, met een ander nummer, maar met dezelfde omschrijving van de goederen en dezelfde (deze keer uitgesplitste) prijzen (stuk 8 dossier verweerder).

- Die factuur bevat de vermelding dat er al een voorschot betaald was van 35.000 gulden. De Belastingdienst heeft kunnen vaststellen dat het saldo van 10.000 gulden op 19 juni 1992 op de bankrekening van de BV W. gedeponeerd werd.

- De Nederlandse Belastingdienst heeft voor de tweede levering bij de BV W. een factuur teruggevonden waaruit blijkt dat de 2 MF tractoren kennelijk 'MF1200 tractoren' waren; uit de brief van de Belastingdienst (stuk 8 dossier verweerder) blijkt niet dat de factuur dezelfde datum had en hetzelfde nummer; kennelijk was wel het douane bewijs voorhanden en was dat document ook afgestempeld op 26 november 1992 met nummer …, zoals de opgave Benelux 50 waarop verweerder zich beroept.

- De transporteur die de eerste levering over de grens gebracht heeft, de BV R. T., is failliet verklaard.

- De transporteur van de tweede levering moet de BV V. V. A. geweest zijn. De nummerplaat die op de opgave Benelux 50 staat, is ooit toegekend geweest aan dat bedrijf. Hoewel bij een eerste verhoor in mei 1996 door dat bedrijf verwezen werd naar een zeker … en deze zich uiteindelijk niet heeft aangemeld bij de Nederlandse politie, werd op 10 juni 1998 uiteindelijk een verhoor afgenomen van een zekere … (zie bijgevoegde fiche - de verbalisant schrijft kennelijk ten onrechte '…'). Deze medewerkster van het bedrijf V. V. stelde dat haar werkgever geen transportbedrijf is; er zouden alleen voertuigen aan- en verkocht worden. Zij legde een computerdocument voor waaruit moet blijken dat de betreffende vrachtwagen aan een Oekraïens bedrijf moet zijn verkocht. Door een computeroverschakeling was het volgens haar moeilijk om na te gaan wanneer de export precies moet hebben plaats gevonden. De verbalisant stelt evenwel duidelijk dat de betreffende nummerplaat op naam van het bedrijf V. V. was ingeschreven tussen 22 mei 1992 en 19 juli 1993 en die informatie blijkt hij te halen uit een computerfiche van de Nederlandse Rijksdienst (voorlaatste blad stuk 12 dossier verweerder). Over een transport op 26 november 1992 werd door de firma V. V. geen enkele toelichting gegeven; volgens … voerden zij immers geen transporten uit.

- Een levering in 1992 tussen twee BTW-plichtigen, van Nederland naar België met een opgave Benelux 50 ter aangifte ten verbruik in een erkend douanekantoor (zoals dat van Meer) gebeurde met 'verlegging van de heffing' (toenmalig artikel 7 van KB nr. 7), wat betekende dat er voor de BV W. feitelijk geen omzetbelasting verschuldigd was in Nederland; in een en dezelfde periodieke aangifte werd de Nederlandse BTW aangegeven en afgetrokken. Dat ging gepaard met een wettelijke vrijstelling van de uitvoer (toenmalig Belgisch artikel 39, § 1, 1) W.BTW) en (normaal) een belasting in België van de invoer.

- De Administratie van Directe Belastingen heeft bij eiser een volledig onderzoek gedaan van de boekhouding, de facturatie, de rekeninguittreksels en andere handelsdocumenten. Uit dat onderzoek is op geen enkele manier gebleken dat er contante geldverrichtingen gebeurden voor bedragen die op de leveringen van de betreffende machines zouden betrekking hebben.

2.3.3. De overeenstemmende vermoedens

De rechtbank moet hoe dan ook vaststellen dat er voor elk van de twee leveringen twee objectieve feitelijke elementen zijn die met elkaar overeenstemmen en waaruit het vermoeden voortvloeit dat de leveringen aan eiser zijn gebeurd. Het betreft de twee opgaven Benelux 50 en de overeenstemmende facturen. Zij slaan telkens op dezelfde goederen, met dezelfde waarde en zijn telkens geadresseerd aan het adres van eiser. In wezen is het logisch dat de twee soorten documenten met elkaar corresponderen vermits op een opgave Benelux 50 melding moet gemaakt worden van een factuur. Toch is achteraf gebleken dat W. daadwerkelijk een overeenstemmende uitgaande factuur geboekt had. De enige officiële documenten die beschikbaar zijn, laten dus principieel vermoeden dat de betreffende leveringen aan eiser zijn gedaan.

Om na te gaan in welk mate het principieel vermoeden standhoudt, weegt de rechtbank alle bedenkingen en nuanceringen af die van de kant van eiser worden aangevoerd.

De conclusie is evenwel dat eiser onvoldoende objectieve en doorslaggevende elementen verstrekt die toelaten het vermoeden te ontkrachten.

1. Het feit dat de BV W. de naam, het adres en het BTW-nummer van eiser kende van een transactie uit 1986 kan niet ontkend worden. Het toont op zich evenwel niet aan dat van die gegevens misbruik gemaakt werd. Op een bericht dat eiser nog op 9 januari 1995 aan de diensten van de eerste BTW-controle in … stuurde, staan nog steeds dezelfde naam en hetzelfde adres (zelfs met het oude postnummer). Het BTW-nummer is evenmin veranderd. Er is dus geen objectieve aanwijzing die toelaat te veronderstellen dat de BV W. gebruik gemaakt heeft van de oude identificatiegegevens van eiser om een levering aan een ander te doen.

Vermits de leveringen over de grens kwamen en dus onder douanetoezicht gebeurden, had de BV W. er geen belang bij om een verkeerde bestemmeling op te geven. Via de onderlinge informatiestroom van de belastingadministraties zou dat immers aan het licht komen.

2. Nu de levering vrij van BTW was voor de BV W., kon zij - nu ze een reglementaire aangifte had gedaan aan de hand van de opgave Benelux 50 geen extra BTW aftrekken of minder BTW. Voor 1 januari 1993 was het bestaan van de douane-grenzen binnen de E.U. immers een factor die fraude bemoeilijkte. De BTW-carroussels, waarvan eiser gewaagt, zijn gekenmerkt door het feit dat goederen, zonder dat hiervoor een duidelijke economische noodzaak bestaat, via een groot aantal tussenschakels en met overschrijding van een aantal grenzen rondcirculeren om op die manier voor de fiscale en gerechtelijke diensten een ondoorzichtige toestand te scheppen. Dat veronderstelt in de regel zowel een strofirma (die geen BTW­aangifte indient of de verschuldigde BTW niet betaalt), terwijl er ook een bufferfirma is opdat er formeel geldige facturen bij de organisator zouden kunnen terechtkomen. Bovendien is het risico slechts de moeite wanneer op korte termijn een grote omzet kan worden gerealiseerd. Afhankelijk van de formule kan ook het verschil in BTW-tarief tussen twee landen van belang zijn of wordt gebruik gemaakt van een vrijstellingsregeling.

Zoals verweerder stelt, levert eiser van een dergelijk systeem geen bewijs; hij maakt het ook niet door concrete aanwijzingen aannemelijk.

Het weze herhaald vermits in 1992 nog douane-formaliteiten verplicht waren (formaliteiten die hier vervuld werden) kon de administratie onheuse circuits gemakkelijk op het spoor komen.

3. Vermits de BV W. daadwerkelijk uitgaande facturen opmaakte en inschreef, heeft zij in elk geval geen voordeel willen doen wat de inkomensbelastingen betreft. Er kan alleen gedacht worden aan het geval waarin W. zou verkocht hebben aan een Belgische particulier tegen een hogere prijs dan deze vermeld op de facturen. Ook die hypothese maakt eiser niet waarschijnlijk.

4. Het louter feit dat de transporteur van de eerste levering vóór 1995 al failliet verklaard werd, laat op zich niet toe enige conclusie te trekken met betrekking tot vermeende fraude van de kant van de BV W.. De oorzaken van een faillissement kunnen veelvuldig zijn. Evenmin bestaat er steeds een band met onzorgvuldige boekhouding.

5. Eiser benadrukt dat van de kant van de BV V. V. A. geen medewerking werd verleend. Hoewel … zich inderdaad niet vrijwillig heeft aangeboden, werd naderhand, op herhaalde vraag, een toelichting verleend door …. Verweerder merkt terecht op dat het niet uitgesloten is dat het betrokken bedrijf officieel geen transportvergunning had. In dat geval is het inderdaad verklaarbaar dat er geen bereidwilligheid bestond tot medewerking.

6. In weerwil van wat eiser wil doen geloven, komt de verklaring van … in 1997 met betrekking tot het tijdsverloop en de leeftijden van de personen waarmee hij handelde, wel geloofwaardig over. Met de transactie van 10 jaar geleden, duidde … kennelijk op de verkoop uit 1986. Verweerder wijst er verder terecht op dat de man van 65 jaar, de vader van eiser moet geweest zijn. De stukken waarnaar verweerder verwijst, bevatten inderdaad de naam van een zekere ….

Eiser ontkent niet dat dit zijn vader is en dat hij geboren is in 1928.

Verder kan uit de verklaring van … niet worden afgeleid dat hij zich met fraude inliet, zelfs niet wanneer hij erkent dat fraude in de sector niet onbestaande is. Híj voegt er immers uitdrukkelijk aan toe dat hij zich met dergelijke praktijken nooit heeft ingelaten.

Het blijkt zelfs dat … met betrekking tot de aankoop die afsprong, kort na de eerste transactie in 1986; zich meende te herinneren dat de wrevel niet zozeer gelegen was in het weggeslepen zijn van een chassisnummer, maar het ontbreken van een registratieplaatje; hij maakt die bewering sterk door erop te wijzen dat het betreffende toestel volgens hem nog bij een bedrijf in … in gebruik was (zodat controle nog mogelijk was).

7. Ook de houding die de heer G., controleur van de BTW-administratie aannam, kan bezwaarlijk een bewijs inhouden dat het vermoeden van levering zou weerleggen. Zijn houding kan immers hoogstens het gevolg zijn van een gedachtegang. Verweerder wijst er overigens terecht op dat de heer G. zich ten onrechte vragen stelde bij de geldigheid van een contante betaling in geval van grensoverschrijdende leveringen.

8. Uit het feit dat alleen uitdrukkelijk vermeld werd dat er 10.000 gulden op de bank geplaatst werd door …, laat niet toe te besluiten dat het voorschot van 35.000 gulden niet officieel geïnd zou zijn. Dat is trouwens weinig waarschijnlijk, gelet op het feit dat er uitdrukkelijk op de factuur melding werd gemaakt van de betaling van die eerste 35.000 gulden. De BV W. kon er vanaf dat moment immers geen enkel belang meer bij hebben om dat bedrag niet als geïncasseerd te boeken. Op basis van de factuur alleen al was zij immers belastbaar op het volle bedrag van 45.000 gulden.

Verder blijkt dat de stelling dat de BV W. nooit zou zijn ingegaan op de (vermeende) vraag van eiser om een kopie van de betreffende facturen op te sturen, niets anders is dan een verklaring van eiser zelf. Eiser heeft dit kennelijk in die zin meegedeeld aan de heer G.. Deze heeft dat eenvoudig genoteerd. Enig bewijs van de aanvraag door eiser en/of het feit dat er werkelijk niet werd op ingegaan, is niet geleverd.

9. Een opgave Benelux 50 moet slechts ondertekend worden door hij die ze opmaakt. Dat was hier telkens de BV W.. Het is dan ook normaal dal er geen handtekening van eiser op die documenten te vinden is.

10. Er staan op de opgaven Benelux 50 inderdaad geen chassisnummers (hoewel er voor de tractoren van de levering wel blijken serienummers vermeld te zijn). Er blijkt evenwel geen specifieke verplichting te hebben bestaan voor het vermelden van dergelijke nummers. Bovendien blijkt uit de opgave Benelux 50 die (toevallig ook) op 26 november 1992 werd opgemaakt door (de vader van) eiser (stuk 16 dossier verweerder), met betrekking tot twee graafmachines die naar Nederland teruggestuurd werden, dat evenmin chassisnummers vermeld staan maar alleen serienummers. Op zich lijkt er dan ook niets verdacht of te summier te zijn aan de beschrijving van de geleverde toestellen.

11. In de mate eiser inroept dat de BV W. stukken zal opgemaakt hebben 'pour les besoins de la cause', is dat een loutere bewering die niets toevoegt aan de reeds aangebrachte elementen. Deze bedenking wordt impliciet ook door verweerder aangevoerd tegen eiser. Het feit dat een doorgedreven controle van de Administratie van Directe Belastingen geen zaken opleverde die een betaling met contante gelden van de betreffende leveringen zou kunnen verklaren, wordt door verweerder immers ook afgedaan als zonder implicaties. In de redenering van verweerder is het niet meer dan normaal dat eiser, wilde hij de aankopen voor de fiscus verzwijgen, geen enkel spoor achterliet.

In die omstandigheden heeft verweerder met reden geoordeeld dat afdoende met vermoedens bewezen is dat de leveringen door de BV W. daadwerkelijk aan eiser zijn gedaan.

Van dan af paste verweerder terecht artikel 64 W.BTW toe.

Het verzet tegen het dwangbevel is dan ook ongegrond.

3. De gerechtskosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding 327,22 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden ver­ mits ze door hemzelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op vijftien januari tweeduizend en twee.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleen rechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 7 art. 71 voorkomen