Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 01.02.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER, OPENBARE TERECHTZITTING VAN 01 FEBRUARI 2011
Rolnummer AR 08/357/A
ln de zaak van :
De NV M. G., met maatschappelijke zetel te …, …, hebbende als ondernemingsnummer (KBO) …,
EISERES, hebbende als raadsman, Mter. L. V., advocaat. wiens kantoor gevestigd is te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit , Controlecentrum Dendermonde waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde, St. Rochusstraat 63 en de Administratie van de Invordering sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Graanmarkt 1
VERWEERDER, voor wie als raadsman optreedt Mter E. V. A., advocaat, met kantoor te …, …;
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. De rechtspleging
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 04 januari 2011 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het geding inleidende verzoekschrift d.d. 29 januari 2008 en de conclusies van de partijen.
2. De vordering
De eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel, op 6 december 2007 uitgevaardigd door dhr. B. M., e.a. inspecteur bij het BTWOntvangkantoor te Aalst, wiens kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst. Graanmarkt 1, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 december 2007 door dhr. L. V. M., e.a. Inspecteur hiertoe aangewezen door dhr. Gewestelijke Directeur en op 17 december 2007 bij gerechtsdeurwaarderexploot aan eiseres betekend.
De eiseres vordert de vernietiging van de bestreden dwangbevel d.d. 6 december 2007. en vraagt de rechtbank te zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboete en intresten niet verschuldigd zijn.
De eiseres vraagt tevens de veroordeling van de Belgische Staat tot de terugbetaling aan de eiseres van alle sommen die reeds werden betaald of ingehouden ter delging van de beweerde schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten, en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
3. De relevante feiten en het geschil
De eiseres licht toe dat ze een handel voert in geschenkartikelen en uit dien hoofde geregistreerd is als BTW-belastingplichtige.
Op 7 november 2006 wordt op de maatschappelijke zetel van de eiseres een controle uitgevoerd door het Controlecentrum Dendermonde. Deze controle heeft betrekking op de naleving van de BTW-reglementering voor de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2005. De controle wordt verder gezet op 23 november 2006 en 25 april 2007.
Naar aanleiding van deze controle vaardigt de administratie op 6 december 2007 een dwangbevel uit (stuk 3 in de bundel van verweerder). Dit dwangbevel steunt op een proces-verbaal van 4 december 2007.
Uit het proces-verbaal blijkt dat de controle bij eiseres het gevolg is van een inzage door de administratie in een gerechtelijk dossier geopend door het Parket te Namen. Uit dit dossier zou blijken dat de eiseres betrokken is in een netwerk van valse facturen. Deze bevinding zou worden bevestigd door de controle die de verbaliserend ambtenaar heeft uitgevoerd bij eiseres. De eiseres zou geen elementen voorbrengen die aantonen dat de factureren die haar werden uitgereikt door de vennootschappen P. en Z. D., beantwoorden aan reële prestaties. Bijgevolg wordt de aftrek van de BTW die de eiseres uit hoofde van de facturen betaalde, verworpen. Het proces-verbaal voorziet eveneens een boete van 200 % (… EUR) wegens frauduleus opzet.
Op 17 december 2007 betekent gerechtsdeurwaarder L. D. T. een dwangbevel , dat op 6 december 2007 werd uitgevaardigd en op 10 december 2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Op 29 januari 2008 legt de eiseres het geding inleidende verzoekschrift neer en verzet ze zich tegen dit dwangbevel.
4. Beoordeling
4.1. Met betrekking tot de territoriaal bevoegde administratie.
Overeenkomstig artikel 61 W.BTW is eenieder gehouden de boeken, facturen en andere stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 W.BTW moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.
De controle vond op 7 november 2006. De eiseres heeft op 11 augustus 2003 haar maatschappelijke zetel overgebracht naar …. Het wordt niet betwist dat de gemeente … tot het ambtsgebied behoorde van het controlecentrum Dendermonde. De controleagent die verbonden was aan dit controlecentrum was dan ook bevoegd om op 7 november 2006 aan de eiseres de voorlegging te vragen van de boeken en stukken zoals bedoeld in artikel 61 W.BTW.
De administratie stelt terecht dat de wet voorziet dat de controleagent zich ter plaatse bij de belastingplichtige moet begeven om inzage te nemen in de boeken en stukken. Het is de vestigingsplaats van de belastingplichtige op het ogenblik van de uitoefening van de controle die bepalend is om de bevoegdheid van de controlerende dienst te beoordelen zonder dat zulks deze ervan weerhoudt om kennis te nemen van de boeken en stukken die door de belastingplichtige werden opgemaakt of ontvangen in de periode waarop zijn maatschappelijke zetel elders was gevestigd.
De belastingplichtige is krachtens artikel 60 W.BTW gehouden tot een bewaringsplicht, hetgeen inhoudt dat de boeken en stukken, bij wijziging van de maatschappelijke zetel, moeten overgebracht worden op de nieuw gekozen maatschappelijke zetel en dat de controleagenten aldaar inzage dienen te nemen van deze stukken. Artikel 61 W.BTW bepaalt dat de inzage geschiedt ter plaatse bij de belastingplichtige. De controleagent van het controlecentrum Dendermonde was bevoegd om de controle uit te voeren over al de gecontroleerde jaren.
4.2. Met betrekking tot de opgeworpen verjaring voor de vordering tot voldoening van de BTW.
4 2.1.
In de visie van eiseres kon geen rechtsgeldige toepassing worden gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn (artikel 81bis. § 1, 3° W. BTW), noch van de vijfjarige verjaringstermijn ingeval van een overtreding begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Zodra de administratie onderzoeksdaden stelt, zou de uitzonderlijke verjaringstermijn van 7 jaar alvast niet meer kunnen worden toegepast. Precies omdat het om een uitzonderlijke termijn gaat, moet men volgens eiseres uitgaan van een restrictieve interpretatie van de bedoelde bepaling. Bijgevolg kan de administratie zich hier enkel op beroepen voor zover een rechtsvordering aantoont of bewijskrachtige gegevens aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken ten onrechte werden toegepast, aldus de eiseres. De vaststelling op zich dat de administratie het nodig heeft geacht om nog een bijkomende controle uit te voeren, weerlegt volgens de eiseres dat de gegevens op zich volstonden om de navordering te kunnen uitvoeren.
Aan de 7-jarige verjaringstermijn is naar het oordeel van de eiseres geen onderzoekstermijn gekoppeld. De eiseres stelt ook de vijfjarige verjaringstermijn geen toepassing kan vinden, bij gebrek aan een voorafgaande, schriftelijke en nauwkeurige kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking. De administratie zou volgens de eiseres verder geen bewijs leveren dat de eiseres handelde met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
4.2.2.
De administratie stelt hier tegenover dat de verjaringstermijn van zeven jaar van rechtswege van toepassing is wanneer uit bewijskrachtige gegevens blijkt dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken ten onrechte werden toegepast. De strafrechtelijke veroordeling van de heer S. bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen bij vonnis van 26 april 2006 zou daartoe ruimschoots volstaan.
Anders dan het geval is inzake directe belastingen, wordt volgens de administratie inzake BTW geen onderzoekstermijn vastgesteld. De administratie meent dat haar ambtenaren dus ten allen tijde inzage mogen nemen van de boeken, facturen en andere stukken die hen toelaten de juiste heffing van de belastingen na te gaan.
De door de eiseres aangehaalde rechtspraak in het kader van het Wetboek van Inkomstenbelastingen kan volgens de administratie niet worden toegepast.
Op grond van een uitvoerige schets van de procedure van aangifte van BTW betoogt de administratie tevens dat een verificatie noodzakelijk vereist is om een navordering inzake BTW mogelijk te maken. Indien men artikel 81bis, § 1, 3° W.BTW in die zin interpreteert dat een controle niet langer mogelijk is, meent de administratie dat zulks een aantasting van de bewijsvoering inhoudt, waarvoor geen wettelijke grondslag voorhanden is.
De administratie bevestigt dat een onderzoek van de vijfjarige verjaringstermijn niet aan de orde is, zodat de rechtbank zich beperkt tot het onderzoek naar de toepassing van artikel 81bis, § 1, 3° W.BTW.
4.2.3.
Krachtens artikel 81bis, § 1, 3° W.BTW is de verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten pas verkregen na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.
Zoals de eiseres terecht opmerkt, is deze aanslagtermijn van zeven jaar vergelijkbaar met de termijn die, wat de inkomstenbelastingen betreft, voorzien is in artikel 358, § 1, 4° WIB 92. Het was inderdaad de bedoeling van de wetswijziging om de verjaringstermijnen inzake BTW af te stemmen op deze die van toepassing zijn voor de directe belastingen.
De verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1, derde lid W.BTW verleent aan de administratie slechts de mogelijkheid om de belasting te vestigen. Het is de administratie als dusdanig niet uitdrukkelijk toegelaten om gedurende deze uitzonderlijke verjaringstermijn, alsnog onderzoekshandelingen te stellen. De toepassing van artikel 81bis, § 1, 3a W.BTW veronderstelt het bestaan van bewijskrachtige gegevens, waarvan de BTW-administratie kennis heeft gekregen, hetgeen inhoudt dat deze informatie, desgevallend ná deze in verband te hebben gebracht met andere gegevens waarover de BTW-administratie reeds beschikte. zonder enige vorm van aanvullend onderzoek aantoont welke belastbare handelingen niet werden aangegeven of nog, welke onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast.
Hierbij dient trouwens te worden opgemerkt dat artikel 81bis W.BTW werd ingevoegd bij de wet van 15 maart 1999 en tijdens de bespreking van dit wetsontwerp door de vertegenwoordiger van de minister uitdrukkelijk werd gesteld dat "de onderzoeksbevoegdheid niet voor zeven jaar geldt doch uitsluitend voor vijf” (Parl. St. Senaat, 1998-99, 1-966/11, 40).
De rechtbank deelt de zienswijze niet dat het uitsluiten van verder onderzoek het artikel 81bis uitholt tot een "lege doos", die elke navordering de facto onmogelijk maakt. De wetgever heeft deze bepaling precies voorzien voor deze gevallen waarin de beschikbare gegevens geen verder onderzoek behoeven; het wegvallen van de onderzoeksbevoegdheden kan in dergelijk scenario dus niet als een handicap kan worden ervaren.
4.2.4.
De administratie betwist niet dat het lastens de eiseres opgestelde procesverbaal en bijhorend dwangbevel het resultaat zijn van een op drie afzonderlijke tijdstippen uitgevoerde controle op de maatschappelijke zetel van de eiseres, bedoeld om de gegevens verkregen uit de inzage van het strafdossier te toetsen aan de boeken van de eiseres.
De administratie heeft aldus haar onderzoeksbevoegdheid aangewend ten aanzien van de eiseres, hoewel de toegepaste verjaringstermijn hem niet toelaat dergelijke onderzoeksdaden te verrichten.
Het staat vast dat de gegevens van het strafdossier lasten de heer S. op zich kennelijk niet hebben kunnen volstaan als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 81bis, § 1 ,3° W.BTW, aangezien de administratie - na hiervan kennis te hebben verkregen - bijkomend onderzoek noodzakelijk achtte om aan te tonen welke belastbare handelingen niet werden aangegeven.
Derhalve zijn de op 7 en 23 november 2006 en de op 25 april 2007 verrichte controles nietig, evenals de correctieopgave die er het gevolg van is. De navordering, waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in de jaren 2000-2003 was verjaard in 2007, een situatie welke de administratie niet kan remediëren door zich te beroepen op artikel 81bis, § 1, 3° W.BTW.
De eiseres heeft tevens recht op terugbetaling van alle sommen die werden betaald of ingehouden tot voldoening van het bedrag dat ingevolge de nietige controle bij dwangbevel werd opgeëist. Krachtens artikel 91, § 4 W.BTW zijn moratoire intresten over in te vorderen of terug te geven sommen die niet in de §§ 1, 2 en 3 zijn bedoeld, verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.
4.3. Met betrekking tot de gerechtskosten.
De Belgische Staat dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). De kosten in het huidige geschil betreffen enkel de rechtsplegingsvergoeding. De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen. in de schijf van 10.000,01 tot 20.000 EUR. Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna is bepaald.
Verklaart het bij deurwaardersexploot van 17 december 2007 door de Belgische Staat aan de eiseres betekende dwangbevel d.d. 6 december 2007, op grond van bijgevoegd proces-verbaal van 4 december 2007, nietig wegens de schending van artikel 81bis, § 7, 3° W.BTW.
Beveelt de terugbetaling door de Belgische Staat aan de eiseres van de op grond van het bovenvermeld bevel ingehouden of gevorderde bedragen, te vermeerderen met de moratoire interesten, conform artikel 97, § 4 W.BTW.
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de eiseres : de rechtsplegingsvergoeding : … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op één februari tweeduizend en elf, waar aanwezig waren :
de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.