---
title: "27 maart 2003 · Bewijs, controlemaatregel · Hof van beroep te Antwerpen"
description: "Bewijs, controlemaatregel, vervolging. Hof van beroep te Antwerpen (België), 27 maart 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-hof-van-beroep-antwerpen-2003-03-27-aa66"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

27 maart 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

126 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 27.03.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN - VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :**

**Inzake : 2001/AR/652**

**N.V. E.** in vereffening, met maatschappelijke zetel thans te …, …, met als vereffenaar mr. **J. V.**, advocaat te …, …;

**appellante**

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 3 januari 2001

vertegenwoordigd door Mr. **B. C.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur der BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige van het eerste ontvangkantoor van de BTW te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

**geïntimeerde**

vertegenwoordigd door Mr. **A v. L. d. J.**, advocaat te …, …;

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft in het bestreden vonnis van 3 januari 2001 het verzet van appellante tegen het dwangbevel van 14 april 1992 inzake BTW grotendeels ongegrond verklaard.

De rechtbank beval een herberekening van het dwangbevel in de mate dat … EUR aan BTW onverschuldigd werd bevonden en de daaraan verbonden boete en intresten.

Appellante tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6 maart 2001.

Zij vraagt dat haar verzet volledig gegrond zou worden verklaard.

Geïntimeerde werpt de niet ontvankelijkheid op van het hoger beroep.

Tevens heeft hij incidenteel beroep aangetekend en is van oordeel dat het verzet integraal ongegrond had moeten worden verklaard.

---

Doel en grondslag van de betwistingen, zowel in feite als in rechte, blijken uit het bestreden vonnis.

Het hof verwijst ernaar.

## Wat betreft het middel van niet ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het verzoek dd. 27 februari 2001 tot consignatie van het bedrag waartoe appellante veroordeeld werd is gemotiveerd door de vrees dat de betaling van de verschuldigde bedragen ernstig in gevaar is gebracht en dat de mogelijke belangen van derden geschaad zijn.

Ter zake wordt verwezen naar vijf feiten die het onvermogen van appellante zouden staven.

In feite blijkt uit de motivering dat de vraag tot betaling weinig zinvol is: de vraag tot betaling kan bezwaarlijk gesteund worden op de vaststelling dat de schuldenaar toch niet in staat is te betalen.

Wanneer de fiscus er toch reeds van overtuigd was dat appellante niet in staat was de betwiste schuld te betalen vermocht zij niet het recht om hoger beroep aan te tekenen laten afhangen van de gevraagde consignatie.

In die omstandigheden blijft de vraag tot consignatie en het gebrek aan uitvoering eraan zonder gevolgen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

## Wat betreft de verjaring

Appellante houdt voor dat tussen de stuiting, volgend uit het dwangbevel van 14 april 1992, haar ter kennis gebracht op 16 april 1992, en de volgende stuiting, volgens appellante het neerleggen van conclusies op 6 maart 1998, de verjaring is ingetreden.

Dit middel is ongegrond :

Na als beginsel te hebben vermeld dat ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, de verjaring gestuit wordt op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek bepaalt art 83 (oud) van het BTW­Wetboek dat een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, verkregen wordt vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring indien geen rechtsgeding hangend is.

Deze wettelijke bepaling moet zo verstaan worden dat gedurende de termijn die de procedure met betrekking tot de betwiste belastingschuld in beslag neemt geen verjaringstermijn loopt, in welk geval er uiteraard ook geen stuitingen moeten gebeuren.

Tijdens het verloop van de procedure moest derhalve geen daad van stuiting worden gesteld door geïntimeerde. Genoemde wetsbepaling maakt geen onderscheid naar gelang van wie (de belastingschuldige of de Staat) het gedinginleidend exploot uitgaat.

De opmerking van appellante dat de namens haar gedane betekening van de dagvaarding niet als daad van "stuiting" van de verjaring door geïntimeerde kan worden ingeroepen is ongegrond. Krachtens genoemde wetsbepaling is het niet lopen van de verjaringstermijn enkel gekoppeld aan het voeren van de procedure zelf en houdt geen verband met de wijze van rechtsingang en de hoedanigheid van de eisende partij. Daarbij dient er tevens op gewezen dat de betekening van de dagvaarding waarbij verzet wordt aangetekend op zich het geding nog niet aanhangig maakt. Vereist is dat tevens gehandeld wordt overeenkomstig art. 716 e.v. Ger.W..

Dit middel van verjaring is ongegrond.

Geïntimeerde is in de berekening van de ontdoken rechten ervan uitgegaan dat leveringen slechts gebeurden drie maanden na de bestelling.

Zodoende is geïntimeerde van oordeel dat ook de bestellingen in de laatste drie maanden van de verjaringsperiode meester opgenomen worden in de belastingsgrondslag.

De eerste rechter achtte de gegrondheid van dit uitgangspunt niet bewezen.

Ook vond hij geen bewijzen dat sommige bestellingen daterend van uit de verjaarde periode slechts nadien uitgevoerd werden.

In beroepsconclusies verwijst geïntimeerde naar de werkwijze waarop de bestellingen werden uitgevoerd en besluit hieruit dat de leveringstermijn gemiddeld drie maanden bedroeg.

Zij verwijst tevens naar een steekproef.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de bewijsvoering van geïntimeerde dat de betrokken rechten niet verjaard waren tekort schoot. Het hof treedt de motieven van de eerste rechter ter zake bij en neemt deze over. Daar kan nog aan toegevoegd worden dat het ingeroepen vermoeden slechts leidt tot een "gemiddelde" leveringstermijn.

Ook in hoger beroep wordt niet gepreciseerd waaruit de bewijzen bestaan van de daadwerkelijke leveringen van bestellingen voor 1 december 1986.

Het incidenteel beroep is ongegrond.

## Wat betreft de rechtmatigheid van het verkregen bewijs

1\. De inlichtingen ingewonnen bij klanten van appellante.

Volgens appellante heeft de fiscus zijn onderzoeksbevoegdheid onrechtmatig uitgeoefend door zich rechtstreeks te richten tot een aantal van haar klanten in verband met leveringen waarvan aanwijzingen bestonden (een anonieme klacht van een ex­werknemer) dat ze zonder facturatie en aanrekening van BTW gebeurden.

De eerste rechter heeft ter zake verwezen naar (oud) art [61, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) BTW-Wetboek en hieruit terecht afgeleid dat de ambtenaren die belast waren met de controle de betrokken klanten mochten aanspreken om inlichtingen te bekomen om na te gaan of appellante de verschuldigde belasting voldaan had.

Vermits deze wetsbepaling betrekking heeft op "eenieder" zoals in de aanhef ervan wordt vermeld is het verweer van appellante dat alleen aan de belastingschuldigen om inlichtingen mocht worden gevraagd ongegrond.

De vraag van de fiscus aan deze particulieren om voorlegging van de stukken in verband met de leveringen in kwestie was derhalve rechtmatig.

Het hof treedt de motieven van de eerste rechter dan ook bij en neemt deze over.

Appellante meent onterecht dat te dezen slechts toepassing kon en is gemaakt van (oud) [art. 61, § 3 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61).

2\. De rechtmatigheid van bewijzen verkregen bij huiszoeking

Appellante beweert dat de onderzoeksrechter te Brussel in het kader van het onderzoek waarmee hij belast was en dat niet eventuele door haar gepleegde misdrijven tot voorwerp had, geen huiszoeking bij haar kon bevelen (op 8 mei 1991) en derhalve·ook geen documenten in beslag kon laten nemen bij de huiszoeking (op 13 mei 1991). Volgens appellante vond deze huiszoeking plaats zonder dat de onderzoeksrechter voor de onderzochte feiten gevorderd was.

Het hof verwijst naar de pertinente motieven van de eerste rechter ter zake en voegt daar nog het volgende aan toe.

Het bevel tot huiszoeking vermeldt de feiten (mogelijke misdrijven) die het voorwerp uitmaken van het gevoerde onderzoek in het kader waarvan de huiszoeking werd bevolen. De omstandigheid dat appellante (toen nog) niet verdacht werd van het plegen van deze feiten of zich hieraan medeplichtig te hebben gemaakt houdt niet in dat bij haar geen huiszoeking zou mogen worden gehouden in de uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek tegen anderen en dat geen documenten bij haar in beslag zouden mogen worden genomen. Voor de rechtmatigheid van een huiszoeking is niet vereist dat degene bij wie een huiszoeking wordt uitgevoerd verdacht wordt de onderzochte feiten te hebben gepleegd of hieraan medewerking te hebben verleend.

Appellante gaat er dan ook onterecht van uit dat de onderzoeksrechter eerst gelast had moeten worden. met een onderzoek van eventueel door haar gepleegde misdrijven alvorens de huiszoeking mocht worden uitgevoerd. Het feit dat de in beslag genomen documenten nadien tegen haar werden aangewend zowel strafrechtelijk als fiscaal doet aan de regelmatigheid van de huiszoeking en van het beslag en aan de rechtmatigheid van het verkregen bewijs geen afbreuk.

Uit de motieven van de eerste rechter, waarnaar het hof verwijst en die het overneemt, volgt dat de huiszoeking in kwestie volledig kaderde in het onderzoek waarmee de onderzoeksrechter gelast was en dat de huiszoeking tot doel had bewijzen te verzamelen met betrekking tot de feiten, voorwerp van dit onderzoek.

Het verweer is ongegrond.

3\. De rechtmatigheid van de inzage in het strafdossier

Volgens appellante hebben de ambtenaren, belast met het onderzoek, reeds inzage genomen in het strafdossier nog voor daartoe toelating werd verleend en zouden zij reeds informeel inzage hebben gekregen nog voor de stukken ter griffie werden neergelegd.

De eerste rechter heeft de relevante feiten in tijd en ruimte gesitueerd en besloot op basis van de gekende gegevens dat geen objectief bewijs voor handen was dat de fiscale ambtenaren reeds kennis en inzage hebben gekregen in Gent van de op 13 mei 1991 in beslag genomen documenten nog vóór deze ter griffie van de rechtbank te Brussel gedeponeerd werden.

Het argument dat appellante put uit de brief van de fiscus d.d. 3 september 1992 (stuk 18 van het dossier van geïntimeerde waarnaar appellante expliciet verwijst) werd door de eerste rechter ontmoet en het hof treedt de eerste rechter in zijn beoordeling bij. De vermoedens waarop appellante steunt tot bewijs van haar verweer zijn niet gesteund op bepaalde, gewichtige en overeenstemmende feiten en houden niet het bewijs in van de gegrondheid van dit verweer.

Op appellante, die de rechtmatigheid aanvecht van de belasting, rust de bewijslast de gegrondheid van haar verweer aan te tonen zodat zij onterecht meent dat de fiscus het bewijs moet leveren van de rechtmatigheid van de inzage.

4\. De BBI-ambtenaren zouden onrechtmatig bijstand hebben verleend in het strafonderzoek

Appellante steunt op het feit dat de ambtenaren reeds op 14 mei 1991, daags na de huiszoeking, om machtiging tot inzage in het strafdossier hebben verzocht.

Ook hier verwijst appellante naar een aantal vermoedens om de gegrondheid van haar verweer te staven.

Deze vermoedens voldoen niet aan de wettelijke vereisten om te dienen als bewijs.

Overigens stapelt appellante vermoedens op vermoedens door het vermoeden van samenwerking af te leiden uit andere vermoedens zoals "de vermoedelijke uitwisseling van documenten en informatie".

Tevens tracht ook hier appellante onterecht de bewijslast te verleggen door voor te houden dat "behoudens tegenbewijs dient aangenomen dat het contact dat plaats vond tussen de BBI-ambtenaren en de gerechtelijke diensten onrechtmatig was".

Tot slot dient erop gewezen dat het niet onbegrijpelijk is dat de fiscus, die reeds bezig was met een fiscaal onderzoek, zo spoedig mogelijk wenste kennis te nemen van de gegevens van het strafonderzoek en niet bewezen is dat zij op niet toelaatbare wijze lucht hebben gekregen van de uitgevoerde huiszoeking.

Hieruit kan allerminst een samenwerking tussen de fiscale ambtenaren en de gerechtelijke diensten afgeleid worden.

## Wat betreft het bewijs van de belastbare grondslag

De belasting, voorwerp van het geschil, steunt op een herberekening van de omzet.

Deze herberekening werd gemaakt aan de hand van een register/bestelbons die in beslag werden genomen tijdens de huiszoeking bij appellante en die volgens geïntimeerde de werkelijke bestellingen bevat.

Appellante beklaagt er zich over dat geïntimeerde deze stukken niet volledig voor brengt.

Dit tast volgens haar de bewijswaarde aan van de herberekening van de omzet.

De eerste rechter heeft op grond van motieven die het Hof bijtreedt en overneemt terecht geoordeeld dat de vaststellingen die de bevoegde ambtenaren in de genoemde processen-verbaal hebben gedaan en waarnaar verwezen wordt de gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens uitmaken die bewijzen dat de in het "register vermelde bestellingen de werkelijke omzet weergeven.

Het was daarbij overbodig op te merken dat de in beslag genomen stukken door appellante zelf konden worden ingezien ter griffie. Deze vaststelling doet immers geen afbreuk aan de bewijswaarde en bewijskracht van de bewijsvoering vervat in de betrokken processen-verbaal.

De opmerking dat deze stukken van appellante zelf uitgaan is een element dat de bewijskracht van de vermoedens versterkt.

Dit hof, zoals de eerste rechter, besluit dat het bewijs van de belastbare grondslag geleverd is door de elementen die door geïntimeerde worden voorgebracht zonder dat de overlegging vereist is van alle in beslaggenomen stukken.

Appellante heeft zich kunnen verweren op de bewijselementen waarop het bestreden dwangbevel steunt zodat haar rechten van verdediging niet geschonden zijn. Indien zij van oordeel is dat de volledige overlegging van de stukken van aard kon zijn de tegen haar aangevoerde bewijzen te ontkrachten had zij zelf de nodige stukken moeten verzamelen om haar verweer te staven.

Haar verweer dat zonder de volledige overlegging van de betrokken stukken de werkelijke omzet niet bewezen wordt is ongegrond bevonden.

In antwoord op de grieven van appellante herhaalt dit hof de motieven van de eerste rechter en vult deze als volgt aan.

Aan de hand van de feitelijke vaststellingen van de ambtenaren en de door hen gedane onderzoeken is bewezen dat het register in kwestie wel degelijk het register van alle daadwerkelijke bestellingen uitmaakt. Dezelfde vaststellingen en onderzoeken hebben uitgewezen dat deze bestellingen ook beantwoorden aan werkelijke leveringen. De eerste rechter heeft terecht benadrukt dat de elf klanten die gereageerd hebben op de vraag om inlichtingen van de ambtenaren (de twaalfde van de lijst vermeld in de anonieme klacht was verhuisd) de levering bevestigd hebben.

Ook heeft de eerste rechter terecht verwezen naar de bevestiging van klanten ten overstaan van de gerechtelijke politie.

Het aantal leveringen die voorkomen in het betrokken register maar niet in de officiële boekhouding, is volgende representatief en bewijskrachtig om te doen besluiten dat het register de correcte weergave is van de bestellingen en dat de leveringen bewezen zijn.

Geen onderzoek van elke individuele vermelding in het register is vereist om tot herberekening van de omzet over te gaan.

De talrijke vragen die appellante met betrekking tot de lijst in conclusies stelt (maar grotendeels zelf onbeantwoord laat) zijn niet van aard de bewijskracht van het register en de aanvullende feitelijke elementen te ontkrachten.

Het tegenbewijs is niet geleverd zodat de vordering tot betaling van de BTW op de herberekende omzet correct is.

## Wat betreft de boete

1\. De geldigheid van de administratieve beslissing wegens motiveringsgebrek.

Een boete van 200 % van de ontdoken belasting werd opgelegd met de motivering dat de overtredingen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking mogelijk te maken.

Volgens appellante voldoet deze motivering niet aan de vereisten waaraan een administratieve beslissing moet voldoen.

De beslissing tot het opleggen van een boete en de bepaling van de omvang ervan maakt deel uit van een ganse beslissing tot navordering en kan niet los gezien worden van de motieven waarmee de navordering verantwoord wordt.

Uit de motieven die geleid hebben tot de berekening van de belastingen die nog verschuldigd zijn blijkt dat de fiscus ervan uitgaat dat appellante te kwader trouw heeft gehandeld.

De bevoegde ambtenaar moest dan ook niet nog eens afzonderlijk voor de motivering van de boete uitleggen waarin het oogmerk van appellante bestond om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2\. Het bewijs van het oogmerk om de BTW te ontduiken

De feitelijke omstandigheden tonen aan dat appellante gedurende geruime tijd, op systematische en op georganiseerde wijze de verschuldigde belasting heeft ontdoken door een aanzienlijk aantal leveringen niet op te nemen in haar officiële boekhouding waardoor bewust de werkelijke belastinggrondslag verdoezeld werd.

Het oogmerk om de belasting te ontduiken is bewezen.

3\. De milderingsbevoegdheid

Het staat buiten kijf dat de opgelegde boete, 200 % van de ontdoken belasting, een strafrechtelijk karakter heeft.

Deze sanctie voldoet aan alle karakteristieken om als straf te worden aangezien.

Het behoort tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht om te beoordelen of deze opgelegde sanctie evenredig is aan de vastgestelde inbreuken waarbij rekening moet worden gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak.

In voorkomend geval heeft de rechter de bevoegdheid de sanctie te verminderen.

Te dezen bestaan er geen gegronde redenen tot vermindering. De strafrechtelijke vervolging is beëindigd wegens verjaring.

De omvang van de boete is niet enkel het gevolg van de toegepaste verhogingscoëfficiënt (200 %) maar van de omvang van de fraude.

Appellante kan zich bezwaarlijk op de omvang van de boete beroepen nu deze voortspruit uit haar volgehouden kwade trouw. De omvang van de boete is niet onevenredig.

Appellante werd in vereffening gesteld zodat de boete slechts beperkte gevolgen heeft: de vennootschap reeds ontbonden zijnde kan de boete niet van aard zijn de verdere werking van het bedrijf in gevaar te brengen.

Geïntimeerde heeft blijkbaar nog geen betalingen kunnen bewerkstelligen van de ontdoken rechten.

Het verzet is derhalve eveneens ongegrond wat betreft de opgelegde boete.

### Beschikkend gedeelte

## OM DIE REDENEN

**HET HOF,**

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis,

Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van **zevenentwintig maart tweeduizend en drie**, waar aanwezig waren :

de heer **E. H.**, Voorzitter

de heer **E L.**, Raadsheer

de heer **J. E.**, Raadsheer

mevrouw **G. V.**, Griffier.

**G. V.** **J. E.**

**E. L.** **E. H.**

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Omzetberekening, Onttrekking, Bewijskracht van de boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetberekening-onttrekking-bewijskracht-boekhouding-sociale-hof-van-beroep-gent-2022-06-14-170e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Procedure, Dwangbevel, Handtekeningsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-dwangbevel-handtekeningsbevoegdheid-artikel-85-cassatie-brussel-2020-12-04-34b9) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Tegoed op de rekening-courant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-tegoed-rekening-courant-rechtbank-brussel-2023-01-18-76d4) 1 gemeenschappelijke bepalingen
