Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 13 februari 2012

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-rechtbank-hasselt-2012-02-13-cdad

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
13 februari 2012

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

61 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 13.02.2012

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Burgerlijke rechtbank van Eerste Aanleg, zitting houdende te Hasselt 11 B Kamer, heeft het volgende vonnis uitgesproken :

INZAKE AR 10/1622/A

S. H., wonende te …, ….

Eiser, vertegenwoordigd door Mr. B. advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de heer ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te 3500 Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. O. loco mr. F. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 03.06.2010;

- de conclusies, tweede conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van eiser.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN

1. Eiser was geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nummer BE … uit hoofde van zijn aangegeven economische activiteit van groothandel in elektronische apparaten en audio- en videoapparatuur en was derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

2. Op 16.10.2007 werd er door de ambtenaren van de administratie van de BTW, registratie en domeinen verbonden aan het BTW­controlekantoor te Tongeren II een fiscaal onderzoek uitgeoefend teneinde de naleving van de BTW-wetgeving en van de ter uitvoering ervan genomen regels na te gaan m.b.t. de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2006, deze controle werd vervolgens uitgebreid tot 31 december 2007.

Naar aanleiding van. deze· controle werd er op 29.03.2010 een proces­verbaal opgesteld door R. P., w.n. e.a. Inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, BTW­controlekantoor Tongeren II waarbij de volgende overtredingen werden vastgesteld :

- voor een aanzienlijk groot aantal intracommunautaire verwervingen werden de handelingen niet opgenomen in de boekhouding en niet opgenomen in de BTW-aangtften en werd de verschuldigde BTW ten bedrage van … euro niet opgenomen in rooster 55 van de periodieke BTW-aangiften;

- de intracommunautaire verwervingen werden niet opgenomen in de boekhouding van de belastingplichtige noch in een door eiser ingediende BTW-aangifte; eiser gaf ook de verkoop van deze goederen ten bedrage van … euro verschuldigde BTW niet aan

(zie stuk 1, bundel verweerder).

3. Teneinde de invordering van de verschuldigde bedragen te verzekeren, heeft de e.a. inspecteur van het eerste BTW­Ontvangkantoor te Hasselt I op 29.03.2010 een dwangbevel uitgevaardigd.·Dit dwangbevel werd op 19.04.2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de wn. e.a. Inspecteur van het BTW­controlekantoor te Tongeren II (zie stuk 2, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de volgende bedragen gevorderd :

- … euro aan BTW

- … aan proportionele geldboeten overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW en verminderd conform het KB nr. 41 van 30.01.1987;

- de intresten op van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2008

- de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten te rekenen vanaf de betekening van dit dwangbevel ingevolge art. 91, § 4 W.BTW;

- de vervolgingskosten.

4. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 03.06.2010, heeft eiser verzet aangetekend tegen dit dwangbevel en een vordering in rechte Ingeleid.

ll. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

1. Eiser is vooreerst van oordeel dat de administratie haar vordering niet bewijst.

De administratie heeft op basis van "inlichtingen" uit het buitenland een BTW-vordering gesteld. Welke inlichtingen er gevraagd werden in het buitenland en welke inlichtingen bekomen werden, kan niet gecontroleerd worden nu de administratie hierover geen enkel stuk bijbrengt. De beweerde ontvangen inlichtingen uit Nederland, noch de informatie uit de elektronische gegevensbank worden bijgebracht.

Eiser betwist ten stelligste de beweerde aankopen gedaan te hebben.

2. Om het bewijs te leveren dat de BTW verschuldigd is, moet de administratie feiten aanvoeren die de rechtbank kunnen overtuigen van de juistheid van .haar vordering. Het louter aanvoeren van een feit vormt echter niet het bewijs van dat feit. De administratie moet dus bewijzen dat haar vordering steunt op juiste gegevens die werkelijk bestaan (zie TIBERGHIEN, A, Handboek voor fiscaal recht 2009-2010, Wolters Kluwer Belgium, 2009, p. 1233)

De administratie verwijst naar haar proces-verbaal van 29.03.2010 teneinde haar vordering te schragen.

De materiële vaststellingen die zijn geschied door de controle­ambtenaren hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 29.03.2010 de in art, 59, § 1 in fine W.BTW bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.

Uit het proces-verbaal blijkt in essentie de volgende materiële vaststelling: taxatieambtenaar heeft de stukken van het BTW­dossier van eiser ingekeken, alsook Euro TP (elektronische gegevensbank).

De bewijskracht van het proces-verbaal blijft beperkt tot de erin opgenomen vaststellingen, ze strekt zich niet uit tot de er eventueel in voortkomende gevolgtrekkingen of andere redeneringen die de verbalisant uit zijn vaststellingen afleidt. De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d.m.v. de wettelijk toegestane bewijsmiddelen.

Zo werd er reeds geoordeeld dat het proces-verbaal enkel bijzondere bewijskracht heeft voor hetgeen authentiek werd vastgesteld door de verbalisant. Het is :niet voldoende dat de dienstdoende ambtenaar enkel kennis neemt van gegevens die zich in het dossier van de administratie der directe belastingen bevonden (zie Rb Brugge, 8 januari 2002, Fisc. Koer., 2002, afl. 6, 258; F.J.F., nr. 2002/230).

In casu beperkte de administratie zich ertoe om te verwijzen naar inlichtingen waarvan ze beweert deze ontvangen te hebben. De beweerde ontvangen inlichtingen uit Nederland, noch de informatie uit de elektronische gegevensbank worden bijgebracht.

De rechtbank kan geen enkele controle uitvoeren op de beweringen van de administratie. De beweerde ontvangen inlichtingen uit Nederland, noch de informatie uit de elektronische gegevensbank worden bijgebracht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gegevens opgenomen in het proces-verbaal van 29.03.2010 onvoldoende zijn als bewijs van de door de overheid weerhouden BTW-vordering.

3. Om hoger vermelde redenen dient de vordering van eiser te worden ingewilligd en moet besloten worden tot vernietiging van het bestreden dwangbevel van 13.04.2010.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

De vordering Is In geld waardeerbaar.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd op 13.04.2010, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19.04.2010.

Beveelt de terugbetaling van alle sommen die wederrechtelijk op grond het dwangbevel van 17.02.2010 zouden zijn geïnd of ingehouden, bestaande uit de geldboete, invorderingskosten en intresten, vermeerderd met de nalatigheidsintresten zoals voorzien in het W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van eiser … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B op het gerechtshof te Hasselt op 13.02.2012 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., rechter,

Mevrouw M. C., griffier,

M. C. M. C.