---
title: "9 januari 2012 · Bewijs, controlemaatregel · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 9 januari 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-rechtbank-gent-2012-01-09-2739"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

9 januari 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

102 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 09.01.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 09 JANUARI 2012

Rolnummer **10/3450/A**

In de zaak van :

**VZW F. V. O. S. I.-F.**, met zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,

**eiseres,**

voor wie optreedt mr. **F. S.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de heer directeur bij de administratie van de AOIF van het Controlecentrum Ronse en de e.a. inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen en in die hoedanigheid verbonden aan het BTW-controlecentrum, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9600 Ronse, Edouard Anseelestraat 1,

**verweerder,**

voor wie optreedt mr. **E. V. A.**, advocaat met kantoor te …, …,

Vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 12 december 2011 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift op tegenspraak van 13 oktober 2010, de conclusies van de partijen en het stukkenbundel van de verweerder.

## 2. DE VORDERING

Eiseres verhaalt zich tegen de bij proces-verbaal 23 juni 2010 lastens haar vastgestelde inbreuk in toepassing waarvan een administratieve geldboete werd opgelegd ten bedrage van 2.500,00 EUR.

Eiseres vordert de rechtbank achtereenvolgens :

\- te zeggen voor recht dat de in het bedoelde proces-verbaal gevorderde geldboete niet verschuldigd is, minstens deze boete te herleiden tot 25,00 EUR;

\- de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van voornoemd proces-verbaal werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 91, § 3 W.BTW;

\- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van eiseres begroot op 440,00 EUR.

## 3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Eiseres is geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige met als activiteit de uitbating van twee jeugdherbergen en een bijhorend kampeerterrein.

Voor de uitbating van de jeugdherbergen is eiseres aangesloten bij en erkend door de **V. J. C.**. Voor de uitbating van de camping werd een vergunning verstrekt voor de periode van 8 december 2004 tot 28 oktober 2009, periode waarin de camping toegankelijk was voor een breed publiek. Na deze periode zou de camping nog slechts dienen om maximaal gedurende 75 dagen per jaar voor evenementen of begeleide groepen kampeerders te worden aangewend. Vanaf 28 oktober 2009 waren de activiteiten van eiseres aldus vrijgesteld van BTW.

Voor het boekjaar 2009 bedroeg de omzet slechts 8.024,00 EUR, waarop een bedrag aan BTW van 481.44 EUR werd betaald.

Eiseres werd op respectievelijk 14 december 2009, 4 februari 2010 en 7 juni 2010 onderworpen aan een controle door de diensten van verweerder.

Bij toepassing van artikel 61, § 1 W.BTW werd eiseres om de voorlegging verzocht van het dagontvangstenboek. Ook de voorlegging van alle andere boeken, facturen en stukken zoals bepaald in artikel 60 W.BTW werd gevraagd.

Eiseres kon het bedoelde dagboek evenwel niet voorleggen, omdat zij dit naar eigen zeggen niet bijhoudt.

Op 4 februari 2010 werd andermaal vastgesteld dat eiseres geen boekhouding en geen dagboek van ontvangsten kon voorleggen. Eiseres werd toen verzocht deze stukken alsnog voor 15 maart 2010 voor te leggen, doch zij zou hieraan geen gevolg hebben verleend.

Ook ter gelegenheid van de daaropvolgende controle van 7 juni 2010 bleek eiseres niet in staat het dagboek van ontvangsten voor te leggen.

De vaststellingen en verklaringen genoteerd tijdens de bedoelde controles werden gebundeld in twee processen-verbaal van vaststelling van 14 juni 2010, op basis waarvan het proces-verbaal van 23 juni 2010 tot vaststelling van de door eiseres gepleegde inbreuken op de BTW-wetgeving werd opgesteld.

Hierin werd aldus vooreerst vastgesteld dat eiseres zich schuldig had gemaakt aan een inbreuk op de bepalingen van artikel 61 W.BTW en [artikel 14, § 2, 3° van het Koninklijk Besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-14-c210) van 29 december 1992 (niet-voorlegging van het dagboek van ontvangsten).

Tevens zou uit de boekhoudkundige stukken zijn gebleken dat voor het aanslagjaar 2009 een omzet werd behaald van 8.024,00 EUR, terwijl er slechts BTW-aangiften voorlagen voor een bedrag van 6.031,60 EUR. De verschuldigde BTW op de niet-aangegeven omzet werd door verweerder becijferd op 119,54 EUR. meer een geldboete ten bedrage van 11,00 EUR.

Op 13 oktober 2010 heeft eiseres vervolgens huidig inleidend verzoekschrift ingediend waarbij het geschil aan de rechtbank werd voorgelegd.

## 4. BEOORDELING

***4.1.*** *Met betrekking tot de ontvankelijkheid*

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering van eiseres ontvankelijk.

***4.2.*** *Met betrekking tot de grond van de zaak*

\- Voor wat het vermeend disproportioneel karakter van de boete betreft

**4.2.1.** Gezien de omvang is eiseres van oordeel dat de haar opgelegde boete het karakter heeft van een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag.

Eiseres herinnert er aan dat voor de hervorming van de fiscale procedure in 1999 :

\- de minister besliste over verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten en dadingen met belastingplichtigen;

\- de administratie kon beslissen over verzoeken tot kwijtschelding of vermindering van administratieve geldboeten.

Thans zou de minister nog steeds aan het Regentsbesluit van 18 maart 1831 de bevoegdheid ontlenen om vrij de hoogte van boeten te bepalen, zonder daarbij in willekeur te vervallen.

Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie leidt eiseres tevens af dat de rechter met volheid van bevoegdheid over de opgelegde boetes kan oordelen, met het oog op een zogenaamde evenredigheidstoets. Deze toets zou de rechter in voorkomend geval, - rekening houdend met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen geoordeeld wordt -, toelaten de boete op te heffen of te verminderen.

Het is volgens eiseres weliswaar juist dat het Hof van Cassatie zich zou hebben verzet tegen een opportuniteitsbeoordeling, doch dit oordeel zou terecht door het EHRM op kritiek zijn onthaald.

Het ligt volgens eiseres voor de hand dat een geldboete van 2.500,00 EUR, zijnde vijf maal meer dan de BTW die voor 2009 moest worden doorgestort, zijn doel voorbijschiet.

In de conclusies voor eiseres wordt tevens opgemerkt dat in dit geval geen sprake zou zijn van drie overtredingen, maar wel van zogenaamde "aanhoudende" eerste overtreding.

**4.2.2.** Verweerder meent conform alle bij conclusie geciteerde wetsbepalingen te hebben gehandeld door aan eiseres een boete op te leggen van 2.500,00 EUR voor een derde overtreding op de verplichting tot het bijhouden en voorleggen van een dagboek van ontvangsten.

Deze boete is van rechtswege verschuldigd, althans volgens verweerder, en dit door het enkele feit van de overtreding, zonder dat daarbij rekening kan worden gehouden met de goed trouw, feitelijke vergissing of rechtsdwaling aan de zijde van de overtreder.

Het zou daarbij niet aan de rechterlijke macht toekomen om te gaan moduleren op basis van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden of opportuniteitsredenen. Slechts in de mate dat de administratie over de mogelijkheid zou beschikken om af te wijken van de schalen voorzien in het KB nr. 41 zou de rechter hierop controle kunnen uitoefenen.

Welnu, zo stelt verweerder, dit KB stelt schalen vast voor de boetes en vertolkt aldus de wil van de wetgever, wat impliceert dat de administratie hier niet zomaar kan van afwijken. Het invoeren van dergelijke schalen zou ook een zekere objectivering garanderen. Verweerder vestigt in deze context tevens de aandacht op de motiveringsverplichting, zoals verwoord in artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986. Er is volgens verweerder geen enkele reden waarom het "gratierecht" van de minister aan deze plicht zou ontsnappen.

Verweerder waarschuwt tot slot voor een mogelijk conflict tussen het beginsel van rechtszekerheid en dat van de evenredigheid, wat de wetgever precies zou trachten op te lossen door het invoeren van vaste schalen.

Indien de rechter toch meent te moeten afwijken van het KB nr. 44, zo betoogt verweerder, dan zal hij op basis van artikel 159 van de Grondwet moeten aantonen dat dit KB niet overeenstemt met de wetten.

**4.2.3.** Uit de bovenstaande weergave van de standpunten van de partijen leidt de rechtbank alvast af dat eiseres de door haar gepleegde inbreuken op de BTW wetgeving (niet-aangegeven omzet en het niet bijhouden/voorleggen van een dagboek van ontvangsten), als materieel feit, in geen enkel opzicht betwist.

Deze inbreuken worden voor zover nodig overigens ten genoege van rechte bewezen door de vaststellingen, uiteengezet in de processen-verbaal van 14 en 23 juni 2010, door verweerder voorgelegd als hun stukken nrs. 1 tot en met 3.

De rechtbank is het anderzijds niet met eiseres eens waar zij argumenteert dat in wezen slechts sprake zou zijn van één, voortgezette inbreuk.

Uit de stukken blijkt dat eiseres reeds op 14 december 2009 aan een eerste controle werd onderworpen, uitgevoerd bij het boekhoudkantoor D&D FISC te …. Het wordt niet betwist dat toen namens eiseres geen boekhouding en dus ook een dagboek van ontvangsten kon worden voorgelegd. De daaropvolgende controle, verricht op de zetel van eiseres zelf, dateert van bijna twee maanden later, met name 4 februari 2010. Eiseres bleek toen andermaal niet in staat het de boekhouding. inclusief het bedoelde dagboek voor te leggen. Het proces-verbaal van 23 juni 2010 stelt met zoveel woorden dat eiseres werd uitgenodigd alsnog de vereiste stukken voor 15 maart 2010 aan te bieden. Eiseres gaf hier blijkens de processen-verbaal van 7 juni 2010 geen gevolg aan, waarna op de bedoelde datum andermaal werd vastgesteld dat eiseres niet aan haar verplichtingen conform artikel 61 W.BTW had voldaan.

Gezien het tijdsverloop tussen de bedoelde controles en het feit dat eiseres bij elk van deze bezoeken uitdrukkelijk op haar verplichtingen werd gewezen, moet worden besloten tot het bestaan van drie afzonderlijke inbreuken. Na elk bezoek vanwege de administratie beschikte eiseres immers over de nodige kennis, tijd en gelegenheid om zich in regel te stellen. Dat zij dit niet heeft gedaan, maakt duidelijk dat eiseres telkens de instructies en berichten vanwege de administratie heeft genegeerd, waardoor zij moet worden geacht ook telkens een nieuwe inbreuk te hebben gepleegd.

In die zin maakt verweerder terecht gewag van een derde overtreding aan de zijde van eiseres.

**4.2.4.** Artikel 84, derde lid W.BTW voorziet dat het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt een schaal van vermindering, die rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid, zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid, de vergissing of de onzorgvuldigheid.

De tabellen tot vermindering van deze boeten vastgelegd bij KB nr. 41 in uitvoering van artikel 84 W.BTW, zijn evenwel niet van toepassing wanneer de inbreuk begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De proportionele geldboete voor de ontdoken BTW werd in bepaald met toepassing van het KB nr. 41.

Het KB nr. 44 van 21 oktober 1993 stelt het bedrag vast van de boete van de niet-proportionele fiscale geldboeten inzake BTW. Op grond van dit KB werd de boete voor het niet bijhouden en voorleggen van het dagboek van ontvangsten begroot.

Uit de conclusies voor eiseres blijkt dat enkel deze laatste geldboete ter discussie staat.

Teneinde na te gaan of de opgelegde boete een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag, dient toepassing te worden gemaakt van de criteria, aangereikt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie (cf. Cass. (2 e k.) AR. P.99.0517.N, 25 mei 1999 (Laroy), *Arr. Cass.* 1999, 719).

Bijgevolg dient de rechtbank te onderzoeken of de boete :

1\. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft;

2\. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt;

3\. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;

4\. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfdertijd preventief en repressief is.

5\. zeer zwaar is, gelet op het bedrag ervan.

Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belasting bijgevolg als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen worden beschouwd.

Na afweging van al deze elementen komt de rechtbank tot het besluit dat de administratieve sanctie van 2.500,00 EUR in dit geval inderdaad strafrechtelijk van aard is. Deze sanctie bedraagt vijf maal de BTW die voor de bedoelde periode moest worden doorgestort, wat niet alleen de relatieve zwaarte ervan illustreert, maar meteen ook duidelijk maakt dat de boete erop gericht was eiseres te bestraffen voor de gepleegde inbreuk en haar ertoe aan te zetten zich in de toekomst van dergelijk gedrag te onthouden.

**4.2.5.** Deze administratieve boete kan worden aangevochten bij een rechter die oordeelt met volle rechtsmacht. De rechter aan wie een administratieve sanctie met strafkarakter wordt voorgelegd, moet zich immers buigen over de vraag of deze boete in rechte en in feite verantwoord is en of zij strookt met alle relevante wettelijke bepalingen en algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Toetsing van dit laatste aspect vereist een onderzoek van de vraag of de straf zich evenwichtig verhoudt tot de inbreuk en of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een boete van dergelijke omvang. Deze evenredigheidstoets vereist van de rechtbank een onderzoek naar alle concrete omstandigheden van de zaak.

De rechter mag hierbij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Ook de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, maakt deel uit van de beoordeling. Niets van wat onder de beoordeling van de fiscale administratie valt, mag bijgevolg aan de controle van de rechtbank ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, 8.5. 30 april 1999; Cass. 24 januari 2002, *F.J.F.* nr. 2003/30).

Het behoort onder meer tot de bevoegdheid van de fiscale administratie om boeten kwijt te schelden of te verminderen (art. 9 Organiek besluit 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, Bull. Off. Nr. XXVI). Deze bevoegdheid is ook na de hervorming van de fiscale procedure in 1999 geheel intact gebleven.

In dit verband heeft het Grondwettelijk Hof terecht geoordeeld dat de rechter ook een toezicht met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de beslissing van de Minister van Financiën of diens gedelegeerde tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de ten aanzien van de belastingschuldige uitgesproken geldboete (Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, nr. 2008/79).

De aard van de gepleegde inbreuk duidt in dit geval volgens de rechtbank op een grote mate van nonchalance en een gebrek aan administratieve organisatie, waarbij eiseres kennelijk de ernst van de situatie en de mogelijke gevolgen (administratieve geldboete) heeft onderschat. Van een doelbewust handelen, dat er op gericht was een bepaalde omzet uit de BTW-aangifte te weren, of nog de boekhouding dermate te organiseren dat deze ondoorzichtig werd gemaakt voor de fiscale administratie, is volgens de rechtbank geen sprake. Het bestaan van de opzet om belastingen te ontduiken en systematisch fraude te plegen, is met andere woorden niet voorhanden, wat door verweerder ook wordt beaamd.

Uit de stukken blijkt verder, en dit wordt ten andere ook niet betwist, dat eiseres haar volle medewerking heeft verleend aan alle verrichte controles en het ingebreke blijven ook telkens heeft erkend. Zij heeft geen enkele poging ondernomen om de begane inbreuken te verdoezelen of bepaalde stukken aan de vaststellingen van de administratie te ontdekken.

De stukken tonen tot slot aan dat de omzet die ten onrechte niet werd aangegeven, relatief beperkt was en bovendien slechts een fractie vertegenwoordigt van de globale omzet op jaarbasis.

Van een ernstige bedreiging voor het maatschappelijk en economisch evenwicht kan dan ook bezwaarlijk sprake zijn.

Alle concrete omstandigheden in acht genomen is de rechtbank van oordeel dat een boete te bedrage van 500,00 EUR geacht kan worden te volstaan om de belastingplichtige tot andere inzichten brengen en aldus een herhaling in de toekomst beletten.

De aan eiseres opgelegde boete voor het niet bijhouden en voorleggen van een dagboek van ontvangsten wordt aldus tot dit bedrag herleid.

\- Voor wat betreft de kosten van het geding

**4.2.6.** Wanneer de partijen onderscheidenlijk lastens elkaar in het ongelijk zijn gesteld, kan de. rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (artikel 1017, lid 3 Ger. Wb.).

Gelet op de bovenstaande beoordeling en rekening houdend met het wederzijds gelijk en ongelijk, oordeelt de rechtbank dat het passend is de rechtsplegingsvergoedingen, die partijen aldus lastens elkaar verschuldigd zijn, (telkens te begroten op 440,0 EUR) te compenseren zodat de partijen uit dien hoofde elkaar niets meer verschuldigd zijn.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Zegt dienvolgens tevens voor recht dat de bij proces-verbaal van 23 juni 2010 ten laste van eiseres opgelegde niet-proportionele geldboete op grond van artikel 70, § 4 W.BTW ten bedrage van 2.500,00 EUR dient te worden herleid tot 500,00 EUR.

Veroordeelt verweerder dienvolgens tot terugbetaling van alle ingevolge de bovenstaande herleiding te veel geïnde of betaalde bedragen, verhoogd met de moratoire rente, zoals bepaald in artikel 91, § 3 W.BTW.

Compenseert de wederzijds verschuldigde rechtsplegingsvergoedingen. zodat de partijen uit dien hoofde elkaar niets meer verschuldigd zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **negen januari tweeduizend en twaalf**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. D. C.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. D. C.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 1 art. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-14-c210) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Percentage van het beroepsmatig gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-percentage-beroepsmatig-gebruik-hof-van-beroep-bergen-2023-05-31-09c2) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Tegoed op de rekening-courant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-tegoed-rekening-courant-rechtbank-brussel-2023-01-18-76d4) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Uitvoer, Bewijs, Geldigheid van het dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-uitvoer-omzet-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2020-12-15-9f0f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Bezwaartermijn, Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bezwaartermijn-recht-aftrek-btw-hof-van-beroep-antwerpen-2023-03-23-dc2b) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Organisatie Evenementen, Zakenkantoor, Inbreuken, organisatie van evenementen, overtreding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-organisatie-evenementen-zakenkantoor-inbreuken-rechtbank-brussel-2026-04-08-0a1a) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Geen geregistreerd kassasysteem, Herberekening van het omzetcijfer, Niet-bewijskrachtige boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geen-geregistreerd-kassasysteem-herberekening-omzetcijfer-rechtbank-luik-2025-03-24-3379) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet aangegeven omzet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijslast-aangegeven-omzet-rechtbank-brussel-2025-04-23-d01d) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Geregistreerd kassasysteem, Horeca, Verplichtingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-gks-horeca-verplichtingen-raad-van-state-all-2017-03-16-2bce) 1 gemeenschappelijke bepalingen
