---
title: "3 september 2007 · Bewijs, controlemaatregel · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 3 september 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-rechtbank-brugge-2007-09-03-0528"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

3 september 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

109 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 03.09.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :**

In de zaak **02/125/A** Rep.nr.2007/11215

**de NV T. R. J. B.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **F. M.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te OOSTENDE, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **L. D. S.**, advocaat met kantoor te …, …,

## EN

In de zaak **07/451/A**

**de NV T. R. J. B.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **F. M.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIEN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te OOSTENDE, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **L. D. S.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

### 1. in de zaak met AR nr. 02/125/A

Gelet op het inleidend verzoekschrift 'verzet tegen dwangbevel' d.d. 18 januari 2002.

Gelet op het tussenvonnis gewezen door deze rechtbank en deze kamer op 10 oktober 2006.

Met instemming van partijen werd de zaak hernomen ingevolge de gewijzigde samenstelling van de vierde kamer van deze rechtbank.

### 2. in de zaak met AR nr. 07/451/A

Gelet op het proces-verbaal van vrijwillige verschijning d.d. 12 februari 2007.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 4 juni 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1\. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de uitbating van een restaurant. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 18 september 2001 werd door **R. G.**, eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, controlecentrum Oostende, een controle uitgevoerd bij eiseres over de periode van 1 oktober 1996 tot en met 30 september 2000.

Op 25 oktober 2001 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaren. Bij de vaststellingen wordt verwezen naar een proces-verbaal d.d. 20 juli 2000 opgesteld door **L. D. W.**, eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd, en **J. B.**, eerstaanwezend inspecteur, beiden verbonden aan de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de BBI, vijfde inspectie Gent, ingevolge een controle uitgevoerd bij NV ISPC Gent.

Op 11 december 2001 werd op basis van het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001 door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 13 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **R. D.**, waarnemend gewestelijke directeur bij een fiscaal bestuur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge.

Op 15 januari 2002 werd het dwangbevel met het aangehecht proces-verbaal en 8 bijlagen betekend aan eiseres.

Op 18 januari 2002 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie in de zaak met AR nr. 02/125/A

Op 10 oktober 2006 werd door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 4 e kamer, een tussenvonnis geveld in de zaak met AR nr. 02/125/A

Op 12 februari 2007 zijn partijen vrijwillig verschenen in de zaak met AR nr. 07/451/A

2\. Eiseres vraagt dat :

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- het dwangbevel d.d. 11 december 2001 nietig of minstens ongegrond wordt verklaard en wordt gezegd voor recht dat de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;

\- ondergeschikt de boete wordt vernietigd, minstens wordt verminderd;

\- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

3\. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende de samenvoeging

De partijen zijn dezelfde en de betwisting is identiek. De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger.W. en worden dan ook gevoegd.

### B. Betreffende de toelaatbaarheid

**1.** De rechtbank stelt vast dat de vordering in de zaak met AR nr. 02/125/A tegen de belastingadministratie werd ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak d.d. 18 januari 2002.

**2.** Artikel 89, 2° lid W.BTW, in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij een door de belastingschuldige gedaan en met reden omkleed verzet met dagvaarding.

**3.** Artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 89, 2°lid W.BTW wordt vervangen door de volgende bepaling : *“de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte”*.

Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97, derde lid van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 59 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

**4.** De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende : *“in boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt : Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak”*.

In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.

**5.** Het is duidelijk dat het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het gerechtelijk wetboek, zoals ingevoerd door de wet van 23 maart 1999) maar van toepassing is in zoverre er hierop geen uitzonderingen zijn voorzien in het bijzonder fiscaal procesrecht.

In casu is het duidelijk dat artikel 89, tweede lid W.BTW en de artikelen 59 en 97 derde lid van de wet van 15 maart 1999 uitzonderingsbepalingen vormen op het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en undecies Ger.W.).

**6.** Gelet op het voorgaande dient besloten te worden dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.

**7.** Uit de door partijen voorgelegde stukken blijkt dat de oorzaak van opeisbaarheid van de hier betwist sommen zich deels heeft voorgedaan vóór 1 januari 1999 (in de periode 1 oktober 1996 tot en met 30 september 1999), zodat het verzet ten onrechte werd ingeleid bij verzoekschrift in de zaak met AR nr. 02/125/A. De wet (cf. supra) voorziet in onderhavig geval dat de gedinginleiding dient te geschieden bij dagvaarding.

Aangezien voormelde regels met betrekking tot de rechtsingang ressorteren onder de rechterlijke organisatie, houdt de miskenning ervan zonder meer de ontoelaatbaarheid van de vordering in (*Cass. 27 mei 1994, R.W. 1994-95, p. 1017*).

**8.** Het is evenwel voor partijen steeds mogelijk om vrijwillig te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg (artikel 706 Ger.W.) wat zij gedaan hebben op 12 februari 2007 in de zaak met AR nr. 07/451/A.

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis in de zaak met AR nr. 07/451/A kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

### C. Betreffende de grond

#### 1. betreffende de nietigheid van het dwangbevel

**1.1.** Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld waardoor de Belgische Staat in de regel tot daadwerkelijke uitwinning kan overgaan. Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid. die gezagshalve. zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, en éénzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991 op de motivering van bestuurshandelingen.

De wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn". M.a.w. de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld.

**1.2.** In het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001, dat dient als motivering van het betwiste dwangbevel, wordt verwezen naar een proces-verbaal d.d. 20 juli 2000 opgesteld door de 5 e Inspectie BBI te Gent. Dit laatste proces-verbaal wordt als bijlage 1 bij het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001 gevoegd. Het proces-verbaal d.d. 20 juli 2000 is opgesteld door **L. D. W.**, eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd, en **J. B.**, eerstaanwezend inspecteur, beiden verbonden aan de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de BBI, vijfde inspectie Gent, ingevolge een controle uitgevoerd bij NV ISPC Gent. In dit proces-verbaal wordt gesteld dat in een verklaring van 11 april 1997 NV ISPC Gent erkend heeft dat zij door de 5° BBI Inspectie te Gent in kennis werd gesteld van de vaststelling dat in haar bedrijf met valse aankooppassen aankopen werden verricht. Deze verklaring van 11 april 1997 door NV ISPC Gent werd niet als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001. Volgens eiseres is het betwiste dwangbevel om deze reden niet afdoende gemotiveerd.

**1.3.** De rechtbank stelt vast dat de feiten waarop verweerder zich baseert om de meeromzet in hoofde van eiseres te bepalen, uitdrukkelijk en duidelijk zijn opgenomen in de processen-verbaal van 20 juli 2000 en 25 oktober 2001. De verklaring d.d. 11 april 1997 van de bestuurder van NV ISPC Gent is niet in bijlage gevoegd maar wordt wel aangehaald en omschreven in beide processen-verbaal. In de verklaring d.d. 11 april 1997 (die in huidige procedure is neergelegd door verweerder stuk 7) erkent NV ISPC Gent alleen dat de vaststelling dat in het bedrijf met valse aankooppassen wordt aangekocht haar ter kennis is gebracht door de 5° BBI Inspectie te Gent. NV ISPC Gent bevestigt of ontkent tie vaststelling niet. De vaststelling zelf is opgenomen in de processen-verbaal van 20 juli 2000 en 25 oktober 2001.

De geldigheid van het dwangbevel komt niet in het gedrang door het enkele feit dat een verklaring waarnaar verwezen wordt in het bijgevoegde proces-verbaal, zelf niet wordt bijgevoegd. Geen enkele wetsbepaling voorziet in de nietigheid van het dwangbevel en/of het proces-verbaal om de enkele reden dat bij de betekening ervan geen afschrift is gevoegd van een stuk waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen.

Bovendien bevat dit stuk op zich geen vaststelling maar enkel de erkenning dat de vaststelling ter kennis werd gebracht. Het gegeven van de erkenning van de kennisgeving staat ook vermeld in de processen-verbaal van 20 juli 2000 en 25 oktober 2001. Het betreft geen essentieel element in de taxatie die niet gebaseerd is op deze erkenning of kennisgeving. De belangen van eiseres kunnen zeker niet geschaad zijn door het niet toevoegen van de betreffende verklaring.

**1.4.** De rechtbank stelt vast dat het dwangbevel afdoende gemotiveerd is. Gezien de verklaring d.d. 11 april 1997 niet als bijlage diende te worden toegevoegd, stelt de rechtbank tevens vast dat artikel 85 W.BTW niet geschonden werd.

#### 2. betreffende de nietigheid van de processen-verbaal van 25 oktober 2001 en 20 juli 2000

**2.1.** Volgens eiseres is het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001 nietig omdat het eenzijdig werd opgesteld en zijn hierdoor de rechten van verdediging geschonden.

**2.2.** Uit het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001 zelf blijkt dat de administratie op de maatschappelijke zetel van eiseres op 18 september 2001 een controle heeft uitgevoerd. De overtredingen en vaststellingen werden opgenomen in het proces-verbaal. Een kopie van dit proces-verbaal werd per aangetekend schrijven verzonden aan eiseres op 25 oktober 2001. In dit schrijven is uitdrukkelijk opgenomen dat inlichtingen kunnen bekomen worden bij de heer **G.**, zijn de opsteller van het proces-verbaal. Eiseres heeft op dit schrijven blijkbaar niet gereageerd. Pas op 11 december 2001 werd het betwiste dwangbevel uitgevaardigd.

De rechten van verdediging van eiseres zijn gevrijwaard door de mogelijkheid waarover zij wettelijk beschikt om zich te verzetten tegen het dwangbevel door middel van een gerechtelijke vordering, wat eiseres ook gedaan heeft.

**2.3.** Inzake BTW gelden de materiële vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal tot bewijs van het tegendeel (artikel 59, § 1 W.BTW). Deze bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de verklaringen die in het proces-verbaal zijn opgenomen en evenmin tot de gevolgtrekkingen en vermoedens die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden.

Het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001 bevat een aantal materiële vaststellingen (o.a. de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van 20 juli 2000) die vallen onder de bijzondere bewijswaarde. De rechtbank oordeelt hierna (zie punt 4) soeverein over de bewijskracht van de gedane gevolgtrekkingen en toegepaste vermoedens.

**2.4.** Wat betreft het niet als bijlage bijvoegen van de verklaring d.d. 11 april 1997 verwijst de rechtbank naar wat is gesteld onder punt 1 hiervoor.

#### 3. betreffende het recht OD inzake van het volledige dossier NV ISPC Gent

**3.1.** Eiseres is van mening dat het volledige dossier van de NV ISPC Gent moet worden meegedeeld door verweerder, zo niet zijn de rechten van verdediging en de Wet van 11 april 1994 inzake de openbaarheid van bestuur geschonden.

**3.2.** De rechtbank stelt vast dat eiseres kennis heeft gekregen van bepaalde stukken uit het dossier NV ISPC Gent. Enerzijds het proces-verbaal d.d. 20 juli 2000 en anderzijds de facturen opgemaakt op naam van VEF **F. en W.** DS.

Het is enkel noodzakelijk die stukken voor te leggen die betrekking hebben op de taxatie ten laste van eiseres. Het is overbodig het volledige dossier voor te leggen, gezien niets er op wijst dat dit relevant zou kunnen zijn in huidige betwisting tussen partijen.

Het zijn enkel de aan eiseres meegedeelde stukken die aan het oordeel van de rechtbank worden onderworpen.

**3.3.** Het is duidelijk dat de rechten van verdediging niet zijn geschonden. Eiseres heeft nooit voordien om inzage van het volledige dossier gevraagd zodat zij nu niet kan beweren dat haar rechten geschonden zijn. Er was ook geen globale weigering tot inzage gezien de voor eiseres relevante stukken werden meegedeeld.

#### 4. bewijs van de meeromzet in hoofde van eiseres

**4.1.** Volgens eiseres brengt verweerder geen enkel sluitend bewijs naar voor dat eiseres deel zou hebben uitgemaakt van een fraudecircuit. De taxatie is volgens eiseres gesteund op een verboden cumulatie van vermoedens, is willekeurig gevestigd en is gesteund op gegevens van derden die geen bewijs van een meeromzet kunnen inhouden lastens eiseres.

**4.2.** In het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001 zijn een aantal vaststellingen opgenomen, namelijk dat de toegang tot en de aankoop bij NV ISPC Gent is voorbehouden aan houders van een aankooppas, dat een deel van deze aankooppassen is opgemaakt op naam van fictieve personen of ondernemingen , dat eiseres in de jaren 1996 tot 1999 aankopen heeft gedaan bij NV ISPC Gent, dat VEF **F.** in de jaren 1996 tot 1999 een aantal aankopen heeft gedaan bij NV IPSC Gent, dat **W.** DS in de jaren 1996 tot 1999 een aantal aankopen heeft gedaan bij NV ISPC Gent, dat de aankooppassen van eiseres enerzijds en VEF **F. of** **W.** DS anderzijds een aantal malen op dezelfde data werden gebruikt. Uit deze vaststelling leidt verweerder af dat eiseres regelmatig aankopen heeft gedaan bij NV ISPC Gent waarbij zij gebruikt maakt van een aankooppas op haar naam, maar ook van aankooppassen op naam van VEF **F. en W.** DS. Voor de berekening van de meeromzet past verweerder het winstpercentage dat eiseres heeft verwezenlijkt in een bepaald jaar toe op de goederen in dat jaar aangekocht met de aankooppassen op naam van VEF **F. en W.** DS.

Om tot de taxatie te komen vermoedt verweerder dus o.a. dat VEF **F. en W.** DS fictieve verenigingen zijn (enig bewijs daaromtrent vindt de rechtbank niet terug in de stukken), dat eiseres in bezit is en gebruik gemaakt heeft van de aankooppassen op naam van VEF **F. en W.** DS, dat de aankopen op naam van VEF **F. en W.** DS eigenlijk gebeurd zijn door eiseres, dat eiseres de aankopen op naam van VEF **F. en W.** DS heeft gebruikt in het kader van haar economische activiteit, dat het globaal winstpercentage van eiseres voor een bepaald jaar kan worden toegepast op de aankopen voor dat jaar op naam van VEF **F. en W.** DS zonder enig onderscheid in de goederen.

Het is duidelijk dat het hier een opeenstapeling van vermoedens betreft en dit levert geen deugdelijk bewijs op.

**4.3.** Het dwangbevel is dus gesteund op een willekeurige bewijsvoering en daarom integraal nietig.

**4.4.** De overige grieven van eiseres dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet tot een ruimer voordeel voor eiseres kan leiden.

### D. Betreffende de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger.W. moet hij de gerechtskosten dragen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De Rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Voegt de zaken met AR nrs. 02/125/A en 07/451/A samen.

Verklaart de eis in de zaak AR nr. 02/125/A ontoelaatbaar.

Verklaart de eis in de zaak AR nr. 07/451/A toelaatbaar en gegrond.

Vernietigt het dwangbevel d.d. 11 december 2001 dat op naam van eiseres is uitgevaardigd onder RCIV-nummer … en geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op 13 december 2001.

Veroordeelt verweerder tot de geding kosten, aan zijn zijde niet te begroten nu ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 364,40 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag drie september tweeduizend en zeven**.

Aanwezig zijn :

**D. P. L.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **L. D. P.**
