Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 30 januari 2002

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-rechtbank-antwerpen-2002-01-30-6c87

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
30 januari 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

51 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 30.01.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op dertig januari tweeduizend en twee in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

L. B., rechter, voorzitter van de kamer

P. W., rechter,

N. V., rechter,

K. B., griffier

In zake : A.R. Nr. 99/2132/A

NV. B. H. S.,

met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …,

EISENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester W. H., advocaat, kantoorhoudende te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer ontvanger-rekenplichtige van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,

VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester A. V. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12 april 1999.

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 d.d. 3 mei 1998 en nummer 1103/97 d.d. 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 januari 2002.


De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/1851, uitgevaardigd op 23 februari 1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 februari 1999, te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor echt dat eiseres de door verweerder gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder te veroordelen alle ten onrechte ingehouden en/of door eiseres betaalde bedragen aan eiseres terug te betalen, te vermeerderen met de intresten en de kosten van het geding.

Relevante feiten

Ingevolge een BTW-controle over de periode van 1 april 1989 tot 31 december 1992 heeft de administratie vastgesteld dat eiseres bij het leveren van de vloeistof Puristeril 340 het BTW-tarief van 6 % heeft aangerekend, daar volgens haar het tarief van 19 % tot 31 maart 1992 en van 19,5 % vanaf 1 april 1992 van toepassing was.

Op 23 februari 1999 werd hiervoor een dwangbevel uitgevaardigd waartegen eiseres een vordering heeft ingesteld bij verzoekschrift.

Beoordeling

Betreffende de toelaatbaarheid van de vordering

Krachtens artikel 700 Gerechtelijk Wetboek worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. De artikelen 860 en 861 Gerechtelijk Wetboek kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass. 27 mei 1994, R.W. 1994-95, 1017).

Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtswaarderexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft.

Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig, en is de vordering aldus ontoelaatbaar.

Het oude artikel 89, tweede en derde lid van het wetboek van BTW, dat in voege was voor de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 2” maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij dor de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding en dat de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert.

Artikel 59 van voornoemde wet van 15 maart 1999 (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat voornoemd artikel 89, tweede en derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : “De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte.”

Verder werd ingevolge artikel 9 van voornoemde wet van 23 maart 1999 (eveneens in werking getreden op 6 april 1999) in het Gerechtelijk Wetboek onder meer artikel 1385decies ingevoegd, luidend als volgt : “Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak…”

Krachtens artikel 3 Gerechtelijk Wetboek is een nieuwe wet op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

Bijgevolg wordt vanaf 6 april 1999 in de regel de vordering tegen de belastingadministratie bij verzoekschrift op tegenspraak ingesteld.

In artikel 97, eerste lid van voornoemde wet van 15 maart 1999 is echter een uitzondering bepaald op de onmiddellijke toepassing van deze nieuwe wet op de rechtspleging, namelijk : Voor zover zij de procedureregels wijzigen is voornoemd artikel 59, dat artikel 89, tweede en derde lid van het wetboek van BTW wijzigt slechts van toepassing op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

In casu heeft de oorzaak van eisbaarheid zich voorgedaan vóór 1 januari 1999 zodat het oude artikel 89, tweede en derde lid van het wetboek van BTW van toepassing is en de vordering dan ook diende ingesteld te worden door middel van een dagvaarding.

Aangezien de vordering bij verzoekschrift werd ingesteld en aangezien de wet het in casu niet toeliet of voorschreef het verzoekschrift te gebruiken, is deze vordering dan ook ontoelaatbaar.

Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Na erover beraadslaagd te hebben.

Verklaart de vordering ontoelaatbaar.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding maar door de rechtbank ambtshalve vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

K. B. N. V. P. W. L. B.