---
title: "Bewijs, controlemaatregel · Hof van beroep te Gent, 24 januari 2012"
description: "Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Hof van beroep te Gent (België), 24 januari 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-hof-van-beroep-gent-2012-01-24-5604"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

24 januari 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

109 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 24.01.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer - terechtzitting van 24-01-2012**

Nr. **2006/AR/239**

in de zaak van :

**A. S. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntban!< van ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

hebbende als raadsman mr. **B. C.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, voor wie optreden :

\- de e.a. inspecteur, Hoofd van het BTW-Ontvangkantoor Kortrijk 2, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

\- de e.a. inspecteur, Hoofd van het BTW-controlekantoor Harelbeke, wiens kantoren gevestigd zijn te 8530 HARELBEKE, Kortrijksestraat 2,

**geïntimeerde,**

hebbende als raadsman mr. **D. Z. A.**, advocaat te …, …,

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 31 januari 2006 werd door de appellante hoger beroep aangetekend tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 7 november 2005 in de samengevoegde zaken AR nr. 99/1863/A en 03/577/A waarbij onder meer een dagvaarding werd uitgeschreven houdende verzet van de appellante tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd op 6 april 1999 door **A. R.**, waarnemend eerstaanwezend inspecteur, rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7 april 1999 door **R. D.**, directeur van de BTW te Brugge, betekend aan de vennootschap, als ongegrond werd afgewezen, voor … BEF BTW, … BEF boete, meer de intresten sedert 21 januari 1998. Voordien had de appellante ook reeds op 5 juli 1999 een fiscaal verzoekschrift tegen hetzelfde dwangbevel neergelegd.

Het hoger beroep strekt er toe dit ontvankelijk en gegrond te doen verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw wijzende het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond te horen verklaren en te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben. Dienvolgens de terugbetaling aan de appellante te bevelen van de ingehouden sommen met de moratoire rente, alsook de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert :

In hoofdorde :

Het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan consignatie.

Ondergeschikt :

Mocht het Hof oordelen dat het verzoek tot consignatie dient te worden afgewezen, het hoger beroep van de appellante ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen en bijgevolg te zeggen voor recht dat het verzet van appellante tegen het dwangbevel ontvankelijk doch ongegrond is.

Uiterst subsidiair :

Voor zover het hof zou rekening houden met de neergelegde facturen de originele facturen te doen overleggen met voorbehoud daaromtrent te concluderen.

Appellante te veroordelen tot de gedingkosten.

## Feitelijke gegevens

De appellante moet als BTW-belastingplichtige worden aangemerkt ingevolge de activiteit van groot- en kleinhandel in apparaten voor waterbehandeling en het leveren en plaatsen van zwembaden. Op 16 februari 1998 werd door ambtenaren van de BTW, die allen ter beschikking waren gesteld van de BBI een controle op de BTW uitgevoerd. Volgens de appellante komt het eigenaardig over dat een anoniem schrijven de aanleiding geweest is van de controle. Mevrouw **D. W. I.** was voormalig interne boekhoudster van de appellante en wordt ervan verdacht de boekhoudkundige gegevens te hebben gemanipuleerd om de appellante in een slecht daglicht te stellen.

Op grond van artikel 61, § 1 en 63 W.BTW verzochten de BBl-ambtenaren de boeken en stukken over te leggen. Aangezien de boekhouding op computer werd gehouden werd met toestemming van **C. D.** een kopie gemaakt van de boekhouding. De BTW-diensten namen een kopie van de harde schijf mee hoewel daarvoor geen toelating werd gevraagd.

In het feitenrelaas wordt door de appellante heel wat aandacht besteed aan het zogenaamde veld "Groen" dat ingevuld kan worden met de letter "G" of blanco kan worden gelaten. Dit gegeven speelt een belangrijke rol in de verwerking van de verschillende boekhoudkundige bewerkingen. In dit verband is volgens de administratie gebleken dat voor de leveringen waarvoor het veld "groen" de waarde "G” bevat er geen gegevens meer gevonden kunnen worden op de klantenfiches.

Uit deze vaststellingen concludeert de Belgische Staat dat de omzet bij benadering overeenstemt met het totaal van de records waarvan het veld "Groen" geen waarde bevat. De volledige omzet vermeld in de records, met in het bijzonder onder de waarde G van het veld groen, zou niet zijn aangegeven. Blijkens het PV van 29 maart 1999 was een totaal bedrag verschuldigd van … BEF. hetzij … EUR.

Bij gebrek aan minnelijke betaling werd door de ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd, dat daarna werd geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard. Verzet werd door de appellante aangetekend doch door de eerste rechter afgewezen, waardoor de zaak thans aanhangig is voor dit Hof.

In dezelfde context laat de appellante opmerken dat pas op 29 juni 2009 zij in het bezit gesteld is van het concrete detail van de berekeningswijze van de beweerde niet aangegeven verkopen. Op basis daarvan zou moeten blijken dat er wel degelijk verkoopfacturen zouden zijn opgesteld zodat er sprake is van willekeur.

## Nopens het consignatieverzoek

Op 14 maart 2006 werd de appellante verzocht de nog verschuldigde bedragen in consignatie te geven :

\- Rechten … EUR

\- Boeten … EUR

\- Intresten … EUR

\- Moratoire intresten … EUR

\- Rechtsplegingsvergoeding … EUR

Totaal … EUR

De appellante verwijst naar een arrest van het [Hof van Cassatie van 3 januari 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-hoger-beroep-cassatie-brussel-2003-01-03-7757) waaruit moet blijken dat de bepaling van artikel 92, tweede lid BTW door de wetgever werd ingesteld teneinde de rechten van de Schatkist vast te stellen tegen louter dilatoire beroepen.

Dit verzoek, dat volgens de appellante de vrije toegang tot het gerecht belemmert, moet gedragen worden door de concrete gegevens van de zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige. De appellante benadrukt dat zij niet over de financiële middelen beschikt om het gevraagde bedrag van … EUR te betalen, zodat de consignatieverplichting strijdig is met artikel 6 EVRM., daar zij anders geen toegang heeft tot het gerecht Verder werpt de appellante nog op dat het verzoek tot consignatie onvoldoende is gemotiveerd.

De omstandigheid dat de vroegere grieven werden herhaald bewijst op zich geen dilatoir karakter van de procedure. Het is volstrekt aanvaardbaar dat de appellante haar argumentatie aan een beroepsinstantie kan voorleggen.

De opmerking van de appellante dat dit consignatieverzoek strijdig zou zijn met artikel 6.1. EVRM, in die zin dat elke burger toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter zou moeten krijgen, werd ook door het Hof van Cassatie afgewezen omdat niet blijkt dat de tegen de belastingplichtige gevoerde rechtspleging leidt of kan leiden tot een straf. Tenslotte dient aangenomen te worden dat het verzoek tot consignatie wel degelijk gemotiveerd is, zowel ten gronde als wat het verzoek tot consignatie zelf aangaat. Ten slotte heeft het Grondwettelijk Hof reeds diverse malen beslist dat de Wetgever vermag te oordelen dat een verzoek tot consignatie tot de mogelijkheden behoort teneinde de rechten van de Schatkist te vrijwaren.

[Artikel 92 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) kent aan de bevoegde ontvanger een discretionaire bevoegdheid toe. De vraag tot consignatie is derhalve facultatief en kan slaan op een geheel of gedeelte van de verschuldigde belasting. Daarbij kan rekening gehouden worden met de concrete gegevens van het dossier en de financiële toestand van de schuldenaar.

Een bedrag van … EUR is op zich reeds een excessief bedrag zodat de facto de toegang tot de appelrechter wordt verhinderd. In de gegeven omstandigheden is het hoger beroep wel toelaatbaar. De opgeworpen grieven zoals de willekeurigheid van het dwangbevel en de beweerde onrechtmatige bewijsverkrijging zijn twee grieven die van aard zijn het dilatoir karakter te weren. Evenmin zijn er redenen voorhanden die “de rechten van de schatkist in gevaar" brengen.

In een recent arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens stelde het Hof dat een consignatieverzoek met een uitzonderlijk hoog bedrag dat het voor de belastingplichtige onmogelijk is daaraan te voldoen een maatregel is die kennelijk onredelijk en buiten verhouding met het nagestreefde doel moet worden beschouwd.

## Nopens de vraag tot opschorting van de zaak in afwachting van de afhandeling van het strafonderzoek

De regel van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is niet als dusdanig toepasselijk wanneer het bestuur een vordering instelt die strekt tot de betaling van de BTW en van een administratieve geldboete. Die vorderingen door het bestuur ingesteld zijn geen burgerlijke rechtsvorderingen in de zin van die bepaling.

De rechter die uitspraak moet doen over het fiscaal geschil, is aldus niet verplicht de behandeling van de zaak op te schorten, maar mag die behandeling opschorten, ook al is hij ingevolge het gezag van het strafrechtelijk gewijsde door de beslissing van de strafrechter gebonden.

Het middel dat ervan uitgaat dat een absolute verplichting bestaat tot opschorting van de behandeling door de fiscale rechter zodra er een gevaar bestaat van strijdigheid met de beslissing door de strafrechter, faalt naar recht (zie [Cass., 12 december 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-verzet-strafrechtelijke-vervolging-opschorting-cassatie-brussel-2008-12-16d2), www.juridat.be ) :

In de huidige stand van de procedure is er vooralsnog geen aanleiding een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

## Nopens de vraag tot voorlegging van het gans administratief dossier

De appellante verzoekt de fiscale administratie het volledige administratieve dossier te willen bijbrengen. Dit betreft in het bijzonder alle stukken/kopieën die betrekking hebben op de controle van de jaren 1994 tot en met 1997, in het bijzonder de briefwisseling die tussen de administratie en de belastingplichtige werd uitgewisseld, evenals alle stukken die do or de administratie n.a.v. de controle ter plaatse werden meegenomen en naderhand door haar werden bekomen.

Alhoewel de controle plaats vond in februari 1998 wordt pas in 2009 de voorlegging van het ganse dossier gevraagd. Het wordt niet betwist dat de stukken die door de Belgische Staat werden meegenomen teruggegeven werden aan de appellante. De originele stukken zijn dan ook in het bezit gebleven bij de appellante. Hetzelfde geldt voor de kopie van de harde schijf die door BBI-ambtenaren werd gemaakt. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen de stukken en het gebruik ervan voor het bewijs van de vordering. Er wordt evenmin betwist dat de originele bestanden in het bezit van de appellante zijn gebleven. Alhoewel beide partijen akkoord gaan dat de navordering gesteund is op een bestand … wordt pas in 2009 gewag gemaakt van het bestand ….

Op blz. 19 van haar syntheseconclusie beklaagt de geïntimeerde er zich over dat zij geen garantie heeft nopens de authenticiteit van de gekopieerde facturen. Op de pleitzitting werden deze originelen vergeleken met de gekopieerde facturen en alsdan konden geen abnormale zaken worden vastgesteld.

Vooralsnog is er geen reden om toepassing te maken van artikel 877 Ger.W.

## Nopens het controlerecht van de BTW-administratie en de regels van behoorlijk bestuur

De stelling van de appellante is dat haar rechten van verdediging zijn geschonden omdat het volledige cijfermatig detail van de achterliggende berekening zowel wat de beweerde niet-aangegeven winst als wat de beweerde niet-aangegeven omzet betreft voor het eerst aan de appellante werd overgemaakt in het kader van haar aanvraag tot inzage van het administratief dossier inzake directe belastingen op 29 juni 2009. De zienswijze van de appellante dat de BBI-administratie tot navordering is overgegaan zonder de achterliggende basisredenering te verifiëren aan de hand van de boekhoudkundige stukken behoort tot het debat ten gronde.

De maartse wetten m.b.t. de fiscale procedure die een verjaringstermijn heeft ingevoerd van maximaal zeven jaar heeft voor gevolg dat ook het controlerecht gedurende maximaal zeven jaar kan worden uitgeoefend.

De bewering dat er voorafgaande contacten zouden zijn geweest tussen de ambtenaren van de BBI en mevrouw **D. W.** bewijst op zichzelf niet dat de gegevensuitwisseling onrechtmatig zou zijn.

## Nopens de onwettige bewijsvoering

De appellante stelt dat de boekhouding bij de controle werd meegenomen zonder een ontvangstbewijs af te geven en dus in strijd met artikel 61, § 2 W.BTW.

Waar artikel 61, § 2 W.BTW aan de BTW-ambtenaren het recht verleent om bepaalde stukken "tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden" (en dus mee te nemen), heeft het meenemen van die stukken zonder afgifte van een ontvangstbewijs niet de nietigheid van de controlewerkzaamheden tot gevolg; evenmin belet dat gegeven dat tot een geldige vestiging van een belastingheffing zou kunnen worden overgegaan. De wet voorziet voor de niet-afgifte van een ontvangstbewijs geen sanctie.

De zienswijze van de Belgische Staat kan worden bijgetreden daar de wettekst nergens bepaalt dat een ontvangstbewijs moet gegeven worden in geval van kopie van een niet afgesloten boekhouding die op een informatiedrager staat en waarvan het origineel in het bedrijf blijft.

Anderzijds weerlegt de appellante niet dat het hier in casu ging om een niet-afgesloten boekhouding waarvan kopie werd genomen.

## Nopens de nietigheid van het dwangbevel: de BTW-navordering steunt niet op bewijskrachtige gegevens

Op blz. 54 van de synthesebesluiten (neergelegd op 29.04.2011) steekt de appellante een beschuldigende vinger uit naar mevrouw **D. W.**. Onmiddellijk dient daaraan te worden toegevoegd dat mevrouw **D. W.** zowel in de raadkamer als in de kamer van inbeschuldigingstelling buiten vervolging werd gesteld. Niettemin handhaaft de appellante haar zienswijze dat er doelbewust geknoeid werd met klantenbestanden en een deel van de boekhoudkundige gegevens.

## Nopens de willekeurigheid van de meeromzet

In haar P.V. d.d. 29 maart 1999 gaat de BTW-administratie uit van een belastbare grondslag t.b.v. … BEF, waarvan de BTW-administratie voorhoudt dat dit de gerealiseerde omzet zou zijn die niet geboekt werd gedurende de jaren 1994 tot en met 1997 (en dit op basis van een analyse van het bestand …, in het bijzonder van het veld "groen" die de vermelding "G" bevat). De beweerde meeromzet t.b.v. … BEF gaat in het bijzonder terug op tabel 1 van het betreffende stuk 10 van geïntimeerden. Deze tabel 1 vermeldt voor de jaren 1994 t.e.m. 1997 de totale waarde op jaarbasis van de waarden van het veld "Groen", waarbij ofwel het veld “Groen" blanco is, ofwel het veld "Groen" de vermelding G bevat, waarbij de administratie voorhoudt dat de bedragen opgenomen in het veld NTPRBF in de records waarvoor het veld "Groen" de vermelding "G" bevat, de niet-aangegeven verkopen zouden betreffen.

De BTW-navordering is derhalve uitsluitend gebaseerd op een analyse van voornoemd bestand …. In het proces-verbaal d.d. 29 maart 1999 wordt nog verwezen naar een aantal vaststellingen die de BBI-administratie in een aantal klantendossiers m.b.t. de aanleg van zwembaden (8-tal klantendossiers) heeft gedaan. In hun besluiten verwijzen geïntimeerden daarnaast nog naar de bewegingen op de persoonlijke rekening van de Heer **J. D.** (rekeningnummer …).

De appellante blijft erbij dat de navordering enkel en alleen gesteund is op het bestand … en niet op een achttal klantendossiers, bekentenissen van **J. D.** en de bewegingen op diens persoonlijke rekening.

Het staat buiten kijf dat het bewijs van de meeromzet berust bij de administratie en dat de jaarwaarden in het veld "Groen G" als uitgangspunt werden genomen bij de bepaling van de meeromzet. De basisredenering om de niet-aangegeven omzet te weerhouden werd samengevat als volgt :

\- Het bestand … omvat alle leveringen

\- De bedragen opgenomen in het veld NTPRBF in de records waarvoor het veld "Groen" de vermelding "G" bevat, betreffen de niet aangegeven bedragen.

Volgens de appellante is de door de BBI berekende omzet niets anders dan de optelsom van de bedragen onder het veld NTPRB in de records waarvoor het veld "groen" de waarde "G" bevat.

Het is precies deze laatste stelling die door de appellante wordt weerlegd. De appellante legt dertien facturen voor (bij wijze van steekproef) waaruit moet blijken dat niettegenstaande het gaat om leveringen waarvoor het veld groen de waarde "G" bevat er wel degelijk verkoopfacturen bestaan. De geïntimeerden ontkennen zulks niet. De omstandigheid dat er wel verkoopfacturen zijn doet de bewijsvoering van de geïntimeerde wankelen.

Voor zover het maken van een factuur op een interne vergissing zou berusten dan nog moet het hof vaststellen dat de belastbare grondslag willekeurig werd vastgesteld. De taxatie heeft alleen betrekking volgens de appellante op de verkoop van zwembaden en niet op producten van waterzuivering. Bovendien zou geen factuur worden opgemaakt voor kleine leveringen van zout. Een sluitend bewijs van een meeromzet ligt niet voor.

Zo is voor het jaar 1994 de aangegeven omzet kleiner dan het detail van de records waarvan het veld "groen" geen waarde bevat. Voor de aangegeven omzetten van 1995, 1996 en 1997 is er een gelijkaardige redenering.

In die omstandigheden komt de verdoken meeromzet t.b.v. … BEF in het gedrang. Blijkbaar werden geen onderzoeksdaden noch controle verricht (thans volgens toelating voor de bedragen opgenomen in het veld NTPRBF in de records waarvoor het veld Groen de waarde "G" bevat en waarvoor geen verkoopfactuur kon worden teruggevonden). De bijgebrachte facturen leiden tot de vaststelling dat de meeromzet waarop de BTW-navordering werd gebaseerd op willekeurige wijze werd berekend.

## Nopens de bewijsvoering

Voor de bepaling van de meeromzet werd gebruik gemaakt van het bewijs van feitelijke vermoedens. Overeenkomstig artikel 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet. of de rechter afleidt uit bekende feiten om te besluiten tot een onbekend feit. Deze gegevens moeten een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens uitmaken. Anderzijds mag de administratie geen gebruik maken van de verboden bewijstechniek van de opeenstapeling van vermoedens.

Het veld “Groen" is cruciaal bij de beoordeling. Uit voorgaande elementen besluit de appellante dat de bedragen opgenomen in het veld NTPRBF in de records waarvoor het veld "groen" de waarde G bevat, niet aangegeven verkopen zijn. De appellante steunt daarvoor op volgende vermoedens.

1\. Een eerste vermoeden bestaat erin dat de velden "Groen" met de vermelding "G" niet aangegeven leveringen betreft. Het feit dat geen commissielijsten voorhanden zijn wijst op zichzelf niet op niet-aangegeven verkopen.

2\. Een tweede vermoeden bestaat erin dat het bedrag voorkomend in de kolom NTPRBF overeenstemt met de werkelijke verkoopprijs van een beweerde niet­aangegeven verkoop. De administratie laat andere mogelijkheden buiten beschouwing. De beschikbare gegevens zijn het resultaat van een steekproef.

3\. Een derde vermoeden dat daarop werd geënt is onmiskenbaar het BTW-tarief dat door de appellante werd bepaald op 6 %. De toepassing van 21 % wijst eerder op fraude. De administratie toont geenszins aan dat de gedane leveringen het 6 % tarief overtreffen.

De geïntimeerde benadrukt nog dat voor de drie jaren de omzet van de BTW … BEF bedraagt waarbij zij verwijst naar acht klantendossiers en bewegingen op de persoonlijke rekening van **J. D.**. Zelfs al zouden de vaststellingen correct zijn dan kan daaruit niet de hoegrootheid van de niet aangegeven omzet worden uit afgeleid. De appellante toont aan dat deze vaststellingen m.b.t. de klantendossiers en de persoonlijke rekening duidelijk moeten onderscheiden worden van de concrete berekening van de omvang van de niet-aangegeven omzet.

Het hoger beroep moet derhalve worden ingewilligd

Wat de rechtsplegingsvergoeding aangaat gaat het hier effectief om een in geld waardeerbare vordering. Het betreft in oorsprong een verzet tegen een dwangbevel op dat ogenblik gestaafd door cijfergegevens. Er werd gevorderd … BTW, … boeten, meer intresten. De waarde van de vordering situeert zich tussen de 500.000,01 EUR en 1.000.000,00 EUR zodat het basisbedrag … EUR, thans geïndexeerd of … EUR bedraagt.

### Beschikkend gedeelte

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord de partijen in hun middelen en conclusies.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende,

Zegt voor recht dat het dwangbevel uitgevaardigd op 7 april 1999 nietig is en van generlei waarde. Veroordeelt de geïntimeerde tot de eventuele terugbetaling aan de appellante van alle bedragen die op grond van het dwangbevel werden betaald of ingehouden, meer de moratoire rente.

Verwijst de geïntimeerde tot de gerechtskosten van de beide aanleggen begroot op :

\- aan de zijde van de appellante :

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde :

recbtsplegingsvergoeding eerste aanleg rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gewezen .en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **VIERENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TWAALF**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 92](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Beroep, Ontvankelijkheid, Consignatie, hoger beroep](https://juriel.be/nl/rechtspraak/ontvankelijkheid-consignatie-hoger-hof-van-beroep-gent-2000-03-29-0903) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-1999-09-08-0975) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, maatstaf van heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2004-12-23-0f70) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel, Tegenstelbaarheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-tegenstelbaarheid-hof-van-beroep-gent-2000-12-20-29e0) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Beroep, Consignatie van verschuldigde sommen, Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/beroep-consignatie-verschuldigde-sommen-voorwaarden-cassatie-brussel-2015-06-04-3cb3) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-antwerpen-2008-03-18-4102) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-strafbepaling-hof-van-beroep-antwerpen-2010-09-14-5477) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verzet tegen het dwangbevel, consignatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-consignatie-cassatie-brussel-2009-10-15-5774) 1 gemeenschappelijke bepalingen
