---
title: "Bewijs, controlemaatregel · Hof van beroep te Gent, 6 mei 2003"
description: "Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding. Hof van beroep te Gent (België), 6 mei 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-gent-2003-05-06-73f8"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

6 mei 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

89 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 06.05.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent – 5****e** **Kamer - Terechtzitting van 06-05-2003**

## Verzet dwangbevel (BTW)

Nr. **1998/AR/1773**

In de zaak van :

**T. V. H.** GCV, met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent, onder het nummer …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **B. S.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Gent II, wiens kantoor gevestigd is te 9000 GENT, Martelaarslaan 17,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **D. P. K.** loco Mr. **D. C.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10.2.1995 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde gegrond te horen verklaren het verzet van de appellante tegen het dwangbevel (RCIV-nr. …) op 22.12.1994 lastens de appellante uitgevaardigd door de ontvanger a.i van het 2 e BTW-ontvangkantoor van Gent, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23.12.1994 door de daartoe aangewezen adjunct-directeur van de Administratie van de BTW-registratie-domeinen te Gent.

Bij vonnis van 23.4.1998 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer, werd de vordering van de appellante toelaatbaar doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 28.7.1998 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen vermeld vonnis.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante erin zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellante streeft de hervorming van het bestreden vonnis na en herneemt haar oorspronkelijk verzet. De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

2\. De appellante voert aan dat het proces-verbaal, waarop de administratie steunt ter inning van de BTW en accessoria bij dwangbevel, niet geldig is, bewijskracht mist in verband met datum en ondertekening, zelfs iedere bewijskracht mist.

De geïntimeerde heeft het origineel proces-verbaal neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg op 12.1.1996 (zie de bijlage bij het geïnventariseerd stuk 10 in het gerechtsdossier). Het vermeldt dat het opgemaakt werd op 10.6.1994 te Brugge, draagt in fine de handtekening van de verbaliserende ambtenaren, en elk blad draagt tevens de paraaf van deze ambtenaren.

De appellante betwist niet dat het proces-verbaal ondertekend werd door de betrokken ambtenaren, maar houdt wel voor - in strijd met de vermelding in het proces-verbaal dat het werd opgemaakt op 10.6.1994 - dat het pas ondertekend werd op latere datum en meer bepaald op 13.1.1995, datum waarop de vordering - althans volgens de appellante - reeds verjaard was. Gezien deze vaststelling van de datum van 10.6.1994 in het proces-verbaal is het aan de appellante om het tegendeel te bewijzen ([artikel 59, § 1, tweede lid BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59)).

Het enkel feit dat aan de appellante een afschrift van het proces-verbaal werd opgestuurd op 16.12.1994 (stuk 2 van de appellante) en op dit afschrift de handtekeningen en parafen van de verbalisanten niet voorkomen toont te dezen niet aan dat het origineel proces-verbaal niet op datum van opstelling werd ondertekend en de datum van 10.6.1994 onjuist is. Wat aan de appellante werd opgestuurd is immers niet het origineel, maar enkel een afschrift van het proces-verbaal. Dit afschrift is niet noodzakelijk een fotokopie van het origineel maar kan een bijkomende outprint zijn (gezien de perfecte uitvulling van de tekst aan linker- en aan rechtermarge, moet aangenomen worden dat het aan de hand van een computer werd opgesteld) of zelfs een fotokopie van een los ongetekend exemplaar. De ongeldigheid van het proces-verbaal dan wel gegevens van aard om aan te nemen dat de bewijskracht ervan aangetast is, blijken niet.

3\. Terecht stelt de geïntimeerde bovendien dat de verjaring rechtsgeldig gestuit werd door de kennisgeving van het dwangbevel (procedurestuk 3 van de geïntimeerde) conform [artikel 85, § 1, laatste lid en § 2, 1° BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85).

[Artikel 81, eerste lid BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) in zijn te dezen toepasselijke versie bepaalt dat de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan. De vordering ontstaat op het ogenblik dat de indieningstermijn van de aangifte waarin de verrichting moest worden opgenomen, verstreken is, hetzij de 20 e dag van de eerste maand na ieder kalenderkwartaal ([artikel 18, § 2 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) van 29.12.1992).

De in betwisting zijnde factuur is van 20.12.1989 (zie de bijlage bij het proces-verbaal, stuk 10 in het gerechtsdossier) en de aftrek kon worden uitgeoefend tot 20.01.1990. Pas dan begint de termijn van 5 jaar te lopen d.i. tot 20.01.1995. De kennisgeving van het dwangbevel geschiedde vóór die datum.

4\. Uit het proces-verbaal van 10.6.1994 blijkt dat de betrokken BTW-ambtenaren aan de Heer **T. V. H.** (in zijn hoedanigheid van gecommanditeerd vennoot en zaakvoerder van de appellante) kenbaar hebben gemaakt welke de (ene) betwiste factuur was, tevens dat hem nadere uitleg werd gevraagd en hij hieromtrent ook zijn standpunt heeft uiteengezet (zie in het bijzonder de derde paragraaf van het eerste blad van het proces-verbaal). De appellante kan dan ook niet in ernst voorhouden niet op de hoogte te zijn geweest van de betwisting en van het standpunt van de geïntimeerde.

Het proces-verbaal wordt aan de appellante overgemaakt per 16.12.1994 (stuk 2 van de appellante). Dat het aan de appellante wordt overgemaakt, en niet aan de Heer **T. V. H.** persoonlijk, blijkt uit de adressering van de brief hem gericht met vermelding van zijn titel van *"zaakvoerder v/d GCV* ***T. V. H.****"*, en hem dus gericht in die hoedanigheid. In deze brief wordt gevraagd binnen de twintig dagen te reageren met terugzending van het proces-verbaal voor gelezen en goedgekeurd dan wel met bezwaren.

Nog vóór de vermelde twintig dagen verstreken zijn, nl. op 3.1.1995, antwoordt de Heer **T. V. H.** : *"Ik begrijp de inhoud van uw hogervermelde brief niet, gezien ik nooit BTW afgetrokken hebben (sic)"* (stuk 4 van de appellante).

Dergelijk antwoord is niet ernstig te noemen. Het in bijlage bij de brief van 16.12.1994 meegedeelde proces-verbaal vermeldt immers duidelijk waaromtrent het gaat en is zeer goed te begrijpen. Aldus leest men onder meer, p. 1 en 2 van het proces-verbaal :

*"Wij hebben ons kenbaar gemaakt en op grond van* [*artikel 61, § 1, van het BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61)*, aangaande de factuur nr. 89/011, van 20 december 1989, voor een bedrag van … frank, verhoogd met … frank BTW, uitgereikt aan GCV., Deinze door CV* ***H. S.*** *met maatschappelijke zetel te …, …, geregistreerd onder het BTW-nummer … (kopie van deze factuur in bijlage), de heer* ***T. V. H.*** *uitdrukkelijk gevraagd of er naast de omschrijving op de factuur geen bijkomende informatie voorhanden was die de uitvoering van de gefactureerde prestaties en adviezen kon bewijzen.*

*De Heer* ***V. H.*** *antwoordde ontkennend.*

*Volgens zijn zeggen ging het om fiscale en financiële adviezen om een fiscale optimalisatie met Nederland en Luxemburg te verkrijgen. Ze werden door hem mondeling gevraagd en ze werden door de Heer* ***D. R.****, afgevaardigde bestuurder van* ***H. S.*** *CV mondeling verstrekt. Volgens de Heer* ***T. V. H.*** *zouden wel notities genomen zijn, die echter niet werden bewaard*.

*Uit de verklaringen van de Heer* ***T. V. H.*** *blijkt dat geen bijkomende bewijskrachtige verduidelijkingen naar voor kwamen* in verband met de inhoud van de desbetreffende factuur.

*De factuur voldeed bovendien niet aan artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, genomen in uitvoering van* [*artikel 52 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-52)*, dat de vermeldingen opsomt die iedere factuur moet behelzen. Onder deze vermeldingen komen ondermeer voor : de gewone* *benaming* *en de* *hoeveelheid* *van de geleverde goederen of de aard van de dienst, met vermelding van alle* *gegevens* *die voor het bepalen van de aard van de uitgevoerde handeling van het toe te passen tarief van de verschuldigde belasting nodig zijn (*[*art. 2, 4° van het koninklijk besluit nr. 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2)*).*

*Uit de bedoelde omschrijving op voormelde factuur is vastgesteld dat er hier bijgevolg niet werd voldaan aan de voornaamste rol van de factuur, namelijk dat het voorwerp van de prestatie er zo duidelijk mogelijk moet worden omschreven.*

*"De leverancier moet inderdaad aan de klant de mogelijkheid bieden om na te gaan of datgene wat hem gefactureerd wordt overeenstemt met wat hij besteld heeft en wat hem geleverd werd" (Algemene Praktische Rechtsverzameling. V° factuur door* ***C.****, nr. 250).*

*Wij hebben daarna ook gevraagd op welke wijze deze factuur werd betaald.*

*De Heer* ***T. V. H.*** *antwoordde dat de betaling aan de Heer* ***R.****, afgevaardigde-bestuurder van* ***H. S.*** *CV in kontanten gebeurde, nadat hij eerst een check (nr. …) uitschreef van de rekening nr. … bij de Kredietbank op naam van GVC, die hij incasseerde om daarna* ***H. S.*** *CV te betalen zoals reeds gezegd.*

*Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat voor de dienstverrichtingen opgenomen in de factuur die bijlage vormt aan dit proces-verbaal de effectieve uitvoering niet werd aangetoond*

*Bij toepassing van* [*artikel 59, § 1, van het BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) *wordt vermoed dat voornoemde dienstverrichtingen dan ook niet werden verstrekt."*

Door de BTW-administratie werd vervolgens een *"betalingsbericht"* verstuurd op 27.12.1994 (stuk 3 van de appellante). Hiermee wordt gevraagd te betalen op de rekening van de BTW-ontvangsten Mechelen een bedrag van … BEF (thans … EUR) BTW + … BEF (thans … EUR) intresten + … BEF (thans … EUR) boeten, hetzij in totaal … BEF (thans … EUR). Als uiterste datum van betaling wordt opgegeven : 4.1.1995. Het betalingsbericht vermeldt ook dat het de *"laatste waarschuwing vóór vervolgingen"* is.

Dit *"betalingsbericht"* is een uitnodiging tot betalen aan de GCV **T. V. H.** en niet aan **T. V. H.** persoonlijk. Het eraan gehechte betalingsformulier (zie stuk 3 van de appellante) is opgesteld op naam van *''VEG* ***T. V. H.****", "VEG"* zijnde de afkorting voor *"vennootschap bij wijze van enkele geldschieting"*, hetzij een equivalente naam voor gewone commanditaire vennootschap. De vermelding van de naam *"****T. V. H.****"*, zonder toevoeging van de afkorting GCV, in het begin van het betalingsbericht is niet van aard te misleiden, nu (onmiddellijk eronder) het BTW-nummer vermeld wordt van de GCV en ook verwezen wordt naar het proces-verbaal van 10.6.9 ... (laatste cijfer weggevallen) en dit proces-verbaal, lastens de GCV, nog maar pas aan de appellante was overgemaakt (brief van 16.12.1994).

Niets belette verder de geïntimeerde om te dezen, in een niet zo ingewikkelde aangelegenheid (die enkel betrekking had op één welbepaalde factuur), op korte tijd aan de appellante zowel het proces-verbaal te doen toekomen als het betalingsbericht (met de melding *"laatste waarschuwing voor vervolgingen"*). Aan de appellante werd hoe dan ook de in de brief van 16.12.1994 voorziene termijn van 20 dagen gelaten, nu de kennisgeving van het dwangbevel pas gebeurt bij aangetekende brief van 13.1.1995 (stuk 5 van de appellante).

Het blijkt dan ook niet dat de beginselen van behoorlijk bestuur dan wel de rechten van verdediging van de appellante werden geschonden.

5\. De BTW-Administratie weigert de aftrek van de BTW voor de factuur nr. … d.d. 20.12.1989 van de NV **H. S.** CV op naam van "GVC" (wellicht wordt hiermee bedoeld de GCV **T. V. H.**). Deze factuur vermeldt (zie de bijlage bij het proces-verbaal van 10.6.1994) :

"

For professional services rendered : …

BTW 19 % : …

…”.

Krachtens [artikel 3, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling van de BTW kan een belastingplichtige zijn recht op aftrek slechts uitoefenen voor zover hij in het bezit is van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969.

Dit houdt te dezen in dat o.m. de datum van voltooiing van de dienst zou worden vermeld ([artikel 2, 3° van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2) van 23.7.1969), vermelding die de inning van de belasting en de controle daarop door de BTW-administratie mogelijk moet maken (vergelijk met [Cass. 7.6.1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-voorbelasting-regelmatige-factuur-vormgebreken-cassatie-brussel-1996-06-07-feb8), Pas. 1996, I, nr. 222 p. 599). De datum van voltooiing van de dienst wordt niet vermeld.

Krachtens [artikel 2, 4° van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2) van 23.7.1969 moet de factuur bovendien vermelden : *"de gewone benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten, met aanduiding naar gelang van het geval, van de hoeveelheid van de goederen of van het voorwerp van de dienst, en meer algemeen, van alle gegevens die nodig zijn om de aard van de verrichte handeling te kunnen vaststellen, alsmede het tarief van de verschuldigde belasting.”* Ook dit zijn gegevens die van nut zijn voor de BTW-administratie om de inning van de BTW en de controle te verzekeren.

De enkele vermelding dat "professionele diensten werden verstrekt" (vrije vertaling uit het engels van *''for professional services rendered"*) geeft geen aanduiding over het voorwerp van de dienst, laat niet toe om de aard van de verrichte handeling vast te stellen en ook niet het tarief van de verschuldigde belasting.

De belastingplichtige heeft niet de mogelijkheid ontbrekende, wezenlijke vermeldingen op de factuur achteraf aan te vullen om alzo zijn recht op aftrek te kunnen gronden (vergelijk met [Cass. 13.10.2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vermeldingen-factuur-btw-cassatie-brussel-2000-10-13-7e22), RW 2001-2002, p. 542).

In acht genomen hetgeen voorafgaat dient te worden aangenomen dat de BTW-administratie terecht de aftrek heeft geweigerd.

De vraag of de appellante te goeder trouw is, dient niet te worden onderzocht, nu dit niet van aard is hieraan wijziging te brengen (de door de appellante geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie en van het Hof van Cassatie handelt trouwens over andere soorten geschillen). Op beweerde redelijkheids- en billijkheidsgronden kan ook niet worden afgeweken van de hoger aangehaalde wettelijke bepalingen.

6\. De appellante vordert in ondergeschikte orde dat de door de administratie opgelegde fiscale geldboete van 200 % zou worden herleid.

Het opleggen van deze boete gebeurde conform de wet, meer bepaald de artikelen [70, §§ 1bis en 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) BTW-wetboek, die in dergelijke boete gelijk aan het dubbel voorzien.

De BTW-administratie past echter de verminderingen niet toe voorzien bij artikel 1, tabel B en C, van het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, omdat het volgens haar te dezen gaat om overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, in welk geval de vermelde schalen opgenomen onder meer in tabellen B en C niet van toepassing zijn krachtens [artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1).

Te dezen dient te worden aangenomen dat de vastgestelde overtredingen in samenwerking met de CV **H.** gebeurden teneinde de belasting te ontduiken, minstens er de ontduiking van mogelijk te maken.

De beweerde prestaties, voorwerp van de betwiste factuur, zijn zó onwaarschijnlijk dat moet aangenomen worden dat de factuur te dezen enkel werd opgesteld met het oog op het bekomen van een onrechtmatig fiscaal voordeel.

De betaling van het gefactureerde bedrag wordt niet bewezen. Volgens de bewering van de Heer **T. V. H.** (zie het proces-verbaal, eerste blad) werd het bedrag van … BEF (thans … EUR) cash betaald. Het is reeds zeer onwaarschijnlijk dat een dergelijk hoog bedrag tussen vennootschappen cash wordt betaald. Dit dan nog zonder ontvangstbewijs.

Ondervraagd over de aard van de prestaties (zie het proces-verbaal van 10.6.1994, eerste blad) blijft de Heer **T. V. H.** zeer vaag. Hij verklaart dat het gaat om *"fiscale en financiële adviezen om een fiscale optimalisatie met Nederland en Luxemburg te verkrijgen"*.

De libellering van de dienst in de factuur zelf nl. dat het gaat om verstrekte professionele diensten (zie hoger) kan zonder meer ingevuld worden op elke factuur uitgaande van om het even welke dienstverlener, en is volstrekt nietszeggend.

Er wordt geen enkele precisie gegeven omtrent het tijdstip van de beweerde prestatie.

Er kan door de appellante niets voorgelegd worden waaruit dergelijke prestatie blijkt. Dat mondelinge adviezen werden gegeven voor een waarde van … BEF (thans … EUR) + BTW, zonder dat dit op enige wijze naspeurbaar blijkt te zijn, is volstrekt ongeloofwaardig.

Indien men bovendien afgaat op de uitleg omtrent de beweerde adviezen in het verzoekschrift hoger beroep (p. 10-11), zou men moeten aannemen dat de adviezen betrekking hebben op de vennootschapsvorm van de appellante, in het kader van de samenwerking met Nederlandse collega's, was voorbereidend werk en een grondige analyse van de problematiek vereist, behelst het onderwerp van het advies diverse aspecten in verband met fiscaliteit naar Belgisch recht en naar Nederlands recht, en kwamen de vennootschapsstructuren, de boekhouding en het volledig financieel beeld aan bod. Ook al blijft dit alles opnieuw zeer vaag, dan blijkt hieruit toch dat zeer veel facetten van het beweerd probleem dienden onderzocht te worden, waarbij de appellante wil doen geloven dat dit alles uitsluitend mondeling werd uiteengezet. De appellante kan evidenter wijze niet geloofd worden.

Al deze gegevens leiden tot het besluit dat de beweerde prestatie niet reëel is en de betwiste factuur te dezen werd opgesteld met de bedoeling op onrechtmatige wijze een aftrek van BTW toe te passen, en aldus de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De administratie heeft dit derhalve terecht. aangenomen om de toepassing te weigeren van de schalen voorzien bij het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

De geldboete voorzien bij [artikel 70, §§ 1bis en 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) strekt ertoe, dit om de heffing van de BTW te verzekeren, ten aanzien van de leverancier of de dienstverrichter als zijn medecontractant, hen zowel aan te zetten tot nakoming van hun verplichtingen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van die verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De aan de appellante in toepassing van voormelde bepalingen opgelegde geldboete is in deze omstandigheden een strafsanctie in de zin van de artikelen 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955) en 14 IVBPR (Internationaal Verdrag van 19.12.1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York, goedgekeurd bij wet van 15.5.1981).

Het Hof vermag de wettelijkheid van dergelijke sanctie te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit houdt ook in dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en de geïntimeerde naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde geldboete (vergelijk Cass. 24.01.2002, rolnr. C000234N, www.cass.be ).

Er zijn te dezen geen redenen voorhanden om aan te nemen dat de straf onevenredig is met de inbreuk van de appellante en de geïntimeerde deze boete niet in redelijkheid kon opleggen gelet op hetgeen voorafgaat en meer bepaald het belastingontduikingsoogmerk.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, en begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van de appellante : op … EUR rolrecht hoger beroep + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR,

\- aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te **Gent, vijfde kamer**, op **ZES MEI TWEEDUIZEND EN DRIE**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter,

De heren **A. D M.** en **G. T.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.** **A. D. .** **N. v. I.**

## Aangehaalde teksten

10

[KB nr. 1 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 3 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-52) 1 voorkomen

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 1 voorkomen

[WBTW art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) 1 voorkomen

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Gemene bepaling, bewijs, controlemaatregel, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gemene-bepaling-bewijs-controlemaatregel-recht-rechtbank-kortrijk-1998-01-05-0c63) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2004-02-17-5bbc) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting, voldoening van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-voldoening-vervolging-rechtbank-brussel-2011-06-10-dcf9) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2002-10-01-e393) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Huisvisitatie, Domiciliefraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/huisvisitatie-domiciliefraude-visitatie-hof-van-beroep-gent-2025-02-04-030a) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 4 gemeenschappelijke bepalingen
