---
title: "Bewijs, controlemaatregel · Hof van beroep te Brussel, 30 september 2004"
description: "Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete. Hof van beroep te Brussel (België), 30 september 2004."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-brussel-2004-09-30-1bb5"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

30 september 2004

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

80 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 30.09.2004

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer**

Nr. van de zaak : **2000/AR/2138**

Openbare terechtzitting van·30.09.2004

INZAKE VAN :

1\. De heer **P. F. V.**,

2\. Mevrouw **G. V. T.**, samenwonende te …, …,

**appellanten,**

vertegenwoordigd door Mr. **R. T.**, advocaat (…, …)

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Leuven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3000 Leuven, Residentie Cambridge, Strijdersstraat 63 bus 90,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. B.** loco M. **V. A.**, advocaat, (…, …)

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit:

**R. 2004/6098 EINDARREST - Hervormd**

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, na tegenspraak gewezen op 19 mei 2000 (A.R. 98/2475/A), waarvan geen exploot van betekening wordt voorgelegd en waartegen een haar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 9 augustus 2000.

## De feiten

Appellanten wonen te …, …. De echtelijke woning werd in het jaar 1938-39 gebouwd en behoort toe aan de moeder van eerste appellant.

Deze woning is gelegen in een domein bestaande uit verschillende percelen. Op 16 juni 1993 bekwam eerste appellant ingevolge een schenking door zijn moeder een perceel van 6a 87ca grond met een oud garagegebouw met berging.

Op dit perceel bevonden zich drie oude garages, die werden afgebroken. Vervolgens werd een nieuw complex gebouwd, bestaande uit vier nieuwe garages op het gelijkvloers en een conciërgewoning op de verdieping.

Deze conciërgewoning op de verdieping bestaat uit een appartement met twee slaapkamers, een badkamer, een living met open keuken, een hall en een wc, zoals blijkt uit de diverse plannen uit het dossier.

Uit het plan van inplanting blijkt dat de gebouwen met nummer 24 (echtelijke woning van appellanten) en 24A (het verbouwde nieuwe complex) met eenzelfde lange privé-oprit te bereiken zijn en op een afstand van ongeveer 11 meter van elkaar staan.

De facturen die betrekking hebben op de bouw werden opgesteld met toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6 %, vermits appellanten van oordeel zijn dat het woonhuis 24 voldoet aan de anciënniteitsvereiste van meer dan twintig jaar en het gebouw nr. 24A moet aanzien worden als een omvorming of verbouwing van het woonhuis nr. 24, waarmee het één geheel vormt.

Op 22 juli 1997 werd eerste appellant uitgenodigd om de door [artikel 64, § 1 wetboek BTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) voorgeschreven BTW-aangifte in te dienen met betrekking tot het gebouw nr. 24A.

Op 18 augustus 1997 diende de raadsman van appellanten de gevraagde aangifte in en argumenteerde, in een bijlage gehecht aan deze aangifte, uitgebreid de redenen waarom appellant op het verlaagd tarief aanspraak maakt.

Op 6 april 1998 deed geïntimeerde een ontwerp P.V. toekomen ingevolge de controle van de aangifte bedoeld in [artikel 64, § 4, laatste lid wetboek BTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) en deelde de beslissing van de directeur van 26 maart 1998 mede dat het ganse complex valt onder het normale BTW-tarief.

Volgens dit ontwerp P.V. zouden volgende bedragen verschuldigd zijn :

\- … BEF ten titel van bijkomende BTW ingevolge aanpassing aan het normale tarief;

\- … BEF boete op grond van [artikel 70, § 1 wetboek BTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), herleid tot … BEF;

\- de boete zal verhoogd worden tot … BEF in geval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel op grond van [artikel 2 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) van 30 januari 1987.

Op 26 mei 199 8 liet de administratie weten dat zij, na controle ter plaatse, haar standpunt handhaaft. Van dit bezoek werd een P.V. opgemaakt op 19 juni 1998.

Op 25 juni 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat werd uitvoerbaar verklaard op 29 juni 1998 en waarvan kennis werd gegeven aan eerste appellant op 30 juni 1998.

Een betalingsbericht werd verstuurd op 15 juni 1998 voor een bedrag van … BEF BTW en … BEF boeten, hetzij in totaal … BEF, welk bedrag werd betaald op 5 juli 1998 onder voorbehoud van terugvordering.

## De procedure in eerste aanleg

Bij gerechtsdeurwaarderexploot van 4 november 1998 stelden appellanten tegen geïntimeerden een inleidende vordering in, er toe strekkende het dwangbevel, betekend bij aangetekend schrijven d.d. 30 juni 1998, te vernietigen en voor recht te zeggen dat de in dit dwangbevel opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn, te zeggen voor recht dat met betrekking tot de beweerde inbreuken geen boete verschuldigd is en de verhoging van de boete op grond van [art. 2 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) onwettig te verklaren, de kosten van betekening ten laste te leggen van de Belgische Staat en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle op grond van het aldus vernietigde dwangbevel betaalde, ingehouden of beslagen bedragen, vermeerderd met de gemeenrechtelijke intresten vanaf de betekening.

Geïntimeerden concludeerden tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het verzet tegen het dwangbevel.

In het bestreden vonnis van 19 mei 2000 oordeelde de eerste rechter als volgt :

\- voor het bepalen van het toe te passen BTW-tarief wordt de toestand beoordeeld onderdeel per onderdeel, naargelang bestemming en regels uiteengezet in de aanschrijving;

\- het oorspronkelijk gebouw werd aangemerkt als "garage met berging" en diende als zodanig steeds in zijn geheel als garage en berging voor het hoofdgebouw;

\- de verbouwing van de garages tot nieuwe garages valt onder de uitzondering ·opgenomen in punt nr. 51 van de aanschrijving nr. 6 waaruit blijkt dat een garage, zelfs als ze niet grenst aan de woning, maar deel uitmaakt van de woning door het onmiddellijke nut dat ze voor de eigenaar meebrengt, wordt onderworpen aan het verlaagd tarief, zelfs voor de oprichting ervan, daar het een verbetering is van de woning waarbij zij nauw samenhoort;

\- het appartement is daarentegen geen vergroting van het oude gebouw maar een nieuwe woonst die wel degelijk op zichzelf vatbaar is voor vervreemding onder het stelsel van de BTW, daar het onderscheiden is van het oude gebouw en volledig op zichzelf kan bewoond worden door derden; het argument dat de gebouwen dicht bij elkaar staan is een argument van opportuniteit en wenselijkheid, zoals ervaren door appellanten persoonlijk, en niet van onmogelijkheid; ook het feit dat de nutsvoorzieningen op één teller zijn gezet is niet doorslaggevend daar deze toestand door een minimale kost in een minimum van tijd kan gewijzigd worden; de situatie van het appartement is vergelijkbaar met de bouw van een bijkomend appartement in een appartementsgebouw;

\- aldus moet een onderscheid worden gemaakt tussen de facturen die betrekking hebben op resp. het appartement (normaal tarief), de garages en berging op het gelijkvloers (verlaagd tarief) en de gemene delen (voor de helft normaal en voor de helft verlaagd tarief);

\- gezien de rechtbank niet in staat is deze opsplitsing te maken, wordt de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen toe te laten zich hierin te schikken en een overeenstemmend akkoord te treffen of, in geval van verdere betwisting, de zaak terug aan de rechtbank voor te leggen;

\- de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, oefent een controle met volle rechtsmacht uit die hem ertoe in staat stelt te controleren al wat onder de beoordeling valt van de administratie inzake fiscale boete;

\- de belastingplichtige heeft gehandeld als een normaal rechtmatig handelend burger; hij heeft een principiële betwisting opgeworpen en een uitgebreid gemotiveerd standpunt ingenomen; er is geen sprake van poging tot fraude of kwade trouw, doch enkel van een probleem van interpretatie dat mede is veroorzaakt door de complexiteit van de reglementering; de stelling van appellanten wordt overigens gedeeltelijk door de rechtbank bijgetreden; in die omstandigheden is het opleggen van een boete niet verantwoord;

en verklaarde de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; beperkte de uitvoerbaarheid van het dwangbevel, betekend bij aangetekend schrijven d.d. 30 juni 1998, tot de BTW, die dient te worden herberekend, zoals hiervoor werd bepaald; hield de beslissing over de aldus, na herberekening, verschuldigde bedragen en verschuldigde terugbetalingen aan; zegde voor recht dat geen boeten verschuldigd zijn en beval de terugbetaling ervan vermeerderd met de gemeenrechtelijke intresten vanaf de betekening; zegde voor recht dat de kosten van het dwangbevel verschuldigd zijn door appellanten, gezien de uitvaardiging van een dwangbevel minstens voor een deel gegrond was; veroordeelde geïntimeerden tot de kosten.

## De procedure in hoger beroep

Ter beoordeling door het hof liggen voor :

\- het door appellanten op 9 augustus 2000 ingestelde principaal hoger beroep, dat er toe strekt om de oorspronkelijke vordering, zoals hiervoor werd uiteengezet, volledig gegrond te horen verklaren;

\- het door geïntimeerden op 13 september 2000 ingestelde incidenteel hoger beroep, dat er toe strekt om de oorspronkelijke vordering volledig ongegrond te horen verklaren.

## De beoordeling

1\. Uit de door geïntimeerden overgelegde stukken nrs. 11 tot en met 15 blijkt dat het nieuwe complex, bestaande uit vier garages en een appartementsgebouw, werd opgericht na afbraak van het oude gebouw, bestaande uit drie garages en een zolder. Op de overgelegde plannen is duidelijk zichtbaar dat van de vroegere garages niets overblijft en dat deze ruimtelijk anders georiënteerd lagen, met name voor ongeveer twee derden buiten de funderingen van het nieuw opgerichte complex, dat overigens wordt aangeduid als "nieuwbouw".

Beide partijen zijn het in zoverre over eens dat dit nieuw opgerichte complex moet worden beschouwd als één onlosmakelijk geheel, bestaande uit op het gelijkvloers vier garages en op de verdieping een volledig ingerichte woonruimte. De voornoemde ruimte bezit alle comfort en uitrusting van een modaal appartement en kan volledig op zich zelf bewoond worden.

Daarenboven liggen de door appellanten betrokken woning en dit nieuw opgerichte complex op afzonderlijke kadastrale percelen. Aan het nieuw opgerichte gebouw werd het huisnummer 24A toegekend, in tegenstelling tot de bestaande oude woning die het huisnummer 24 draagt. Tevens werd een apart kadastraal inkomen toegekend.

Bovendien behoren deze percelen toe aan verschillende eigenaars. Het complex, waarover de betwisting gaat, werd opgericht op het perceel, dat eigendom is van eerste appellant. Het perceel met de door appellanten betrokken woning behoort daarentegen toe aan de moeder van eerste appellant. Het door appellanten ingeroepen adagium " accessorium sequitur principale" vindt dan ook geen toepassing, vermits de "bijzaak" zich bevindt op een ander perceel, dat toebehoort aan een andere eigenaar.

Appellanten beroepen zich op nr. 51 van de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 dat met betrekking tot garages het volgende bepaalt :

> "Op zichzelf zijn garages geen woningen die worden gebruikt als huisvesting. De eraan verrichte onroerende handelingen zijn derhalve principieel onderworpen aan het tarief van 17 pct. Dit is evenwel niet het geval wanneer een garage geïntegreerd is in een woning of wanneer, zelfs indien ze er niet aan grenst, ze deel uitmaakt van de woning door het onmiddellijk nut dat ze voor de eigenaar (of zijn huurder) meebrengt. In een dergelijk gevel is het verlaagd tarief van toepassing, zelfs voor de oprichting van deze garage, die beschouwd wordt als een verbetering aan de woning waarbij zij nauw samenhoort".

Deze bepaling kan echter niet worden toegepast op het litigieuze complex, dat, zoals hiervoor werd uiteengezet, beschouwd moet worden als één nieuw opgerichte entiteit en bijgevolg, gelet op de aanwezigheid van een volledig uitgeruste woonruimte, niet met het begrip "garages" kan gelijk gesteld worden. Vermits daarenboven het litigieuze complex en de door appellanten betrokken woning zich bevinden op onderscheiden percelen, toebehorend aan onderscheiden eigenaars, kan bezwaarlijk worden voorgehouden dat het eerste goed deel uitmaakt van het laatste goed of er een verbetering van uitmaakt. Verder oordeelde de eerste rechter terecht dat het appartement volledig op zichzelf kan bewoond worden door derden en dat noch het argument dat de gebouwen dicht bij elkaar staan noch het feit dat de nutsvoorzieningen op dit ogenblik op één teller zijn gezet hieraan in de weg staan.

Op grond van al deze redenen is het hof van oordeel dat de oprichting op het perceel, toebehorend aan eerste appellant, van een nieuw complex, bestaande uit vier garages en een volledig uitgeruste woonruimte, na afbraak van de oude garages en berging, niet kan beschouwd worden als een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van de in 1938-39 opgerichte woning, die zich bevindt op een ander perceel, dat toebehoort aan de moeder van eerste appellant.

De litigieuze werken zijn daarentegen als nieuwbouw te beschouwen, zodat appellanten niet bewijzen op het verlaagd BTW-tarief aanspraak te kunnen maken.

In zoverre dient het verzet tegen het dwangbevel ongegrond te worden verklaard.

2\. De eerste rechter heeft op grond van oordeelkundige en pertinente motieven, waarnaar het hof verwijst en die het volledig tot de zijne maakt, beslist dat het opleggen van een boete te dezen niet verantwoord is.

Vermits door appellanten van meet af aan een uitgebreid gemotiveerd standpunt werd ingenomen en een zeer principiële betwisting werd gevoerd, die niet prima facie kon worden afgewezen maar integendeel een complexe afweging van feiten en uitlegging van normen noodzakelijk maakte, is het opleggen van een administratieve sanctie in deze omstandigheden niet in overeenstemming met het door de wetgever beoogde doel.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond;

Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis, in zoverre het uitspraak deed over de opgelegde boete en de kosten van het dwangbevel;

Hervormt het bestreden vonnis voor het overige en, opnieuw rechtsprekend;

Verklaart de oorspronkelijke vordering voor het overige ongegrond;

Veroordeelt appellanten tot negen tienden en geïntimeerden tot één tiende van de gerechtskosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoger beroep op … euro voor appellanten en op … euro voor geïntimeerde;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **30.09.2004**, alwaar aanwezig waren en zitting waren :

**K. V. H.**, voorzitter,

**B. V.**, raadsheer,

**B. d. C.**, plaatsvervangend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **B. d. C.** **B. V.** **K. V. H.**

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 41 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 2 voorkomens

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-bewijskrachtige boekhouding, Herberekening van het omzetcijfer, Feitelijke vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskrachtige-boekhouding-herberekening-omzetcijfer-feitelijke-rechtbank-luik-2022-05-19-1c7a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetverhoging, Vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetverhoging-vermoedens-vermoeden-hof-van-beroep-antwerpen-2022-03-29-4427) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale geldboete, Evenredigheid, Genaderecht, fiscale boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, Afbraak en heropbouw, verlaagd Btw-tarief](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-afbraak-heropbouw-btw-hof-van-beroep-gent-2022-06-14-8cee) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van de omzet, Bewijs door vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzet-bewijs-vermoedens-geen-hof-van-beroep-brussel-2023-02-a664) 2 gemeenschappelijke bepalingen
